Prediking
Goede uitleg en bestudering van de Bijbel begint met het
gebruik van een vertaling die zo dicht mogelijk tegen de grondtekst aanligt.
Darten is beslist minder moeilijk als je vlak voor het
dartbord gaat staan. Moeiteloos prik je de pijltjes in de roos. Maar ga je
verder weg staan, dan wordt het lastiger de pijl in het goede vakje te krijgen.
Hoe groter de afstand tot het dartbord, hoe moeilijker het wordt, totdat raak
gooien uiteindelijk onmogelijk is.
Als je bezig bent met Bijbelstudie, werkt het op dezelfde
manier. Kies je een vertaling of een weergave die ver van de grondtekst af
staat, dan wordt het lastiger te begrijpen wat God tegen je wil zeggen. Een
weergave die gemakkelijk in het gehoor ligt, maar ver van de tekst af staat, kan
goede Bijbelstudie dus erg belemmeren of zelfs onmogelijk maken. Daarom is het
een goede zaak een vertaling te gebruiken die dicht tegen de grondtekst
aanligt. Dat maakt Bijbelstudie niet moeilijker, maar juist gemakkelijker!
Christus heeft nooit gezegd: “Laat de kinderen tot Mij
komen, want hunner is het Koninkrijk”.
Toch staat het zo wel in Lied 335: 1, het bekende dooplied
uit het Liedboek voor de Kerken. Het wordt de Here Jezus nadrukkelijk in de
mond gelegd: “Heer van uw kerk, Gij hebt het woord genomen en zegt ons: laat de
kinderen tot Mij komen, want hunner is het Koninkrijk”. Maar dat zegt Christus
nergens. De zin lijkt verdacht veel op wat Christus wèl zegt en waarschijnlijk
nemen veel kerkmensen (daarom) zonder meer aan dat het hier gaat om een
regelrecht citaat. Maar in werkelijkheid is het een eigenmachtig samengesteld
citaat: het eerste zinsdeel komt uit Mattheïs 19: 14, Marcus 10: 14 en Lucas
18: 16 en het tweede uit Mattheüs 5: 3 en andere plaatsen.
De verandering van Bijbelteksten hebben nogal wat gevolgen.
Voor wie is het Koninkrijk van God? Dat is nogal een belangrijke vraag! De Here
Jezus zegt: “voor zodanigen”, dat wil zeggen: voor mensen die worden als een
kind. En dat sluit naadloos aan bij het andere onderwijs van de Here Jezus,
bijvoorbeeld in Mattheüs 18 vers 3: “Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet
bekeert en niet wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voor
zeker niet binnengaan”.
Uit het bovenstaande komen drie vragen naar boven:
1)
Waarom verdraait de dichter de woorden van de Here Jezus?
Misschien omdat hij in de alverzoening gelooft, net als enkele andere
Liedboekdichters?
2)
Waarom hebben wij dit lied gekozen om het te zingen in de
kerkdiensten? Is het dan niet erg dat de woorden van de Here Jezus verdraaid
worden?
3)
Zing jij / zingt u – na het lezen van deze stelling en
toelichting - dit lied gewoon mee als het wordt opgegeven?
Wie de vrijzinnigheid afwijst maar tegelijk het Liedboek
voor de Kerken enthousiast ontvangt, vergeet dat een slechte boom geen
goede vruchten kan geven.
Eén
van de argumenten om een selectie uit het Liedboek voor de Kerken vrij te geven
als ‘proefbundel’ is volgens de deputaten kerkmuziek dat het goed is “om naar
vermogen aansluiting te zoeken en te bewaren bij de liederenschat van andere
kerken” (Ten Geleide Proefbundel, p. VII). Juist dat argument maakt de keuze
voor het Liedboek zo onbegrijpelijk. Want die “andere kerken” zijn vooral
kerken waarin de vrijzinnigheid sterk heeft toegeslagen. Het zijn bijvoorbeeld
zeker niet de Christelijke Gereformeerde Kerken of de Nederlands Gereformeerde
Kerk waarbij we aansluiten met een keuze voor het Liedboek.
Wat
is vrijzinnigheid? Eigenlijk illustreren de deputaten dat woord impliciet een
paar zinnen verderop. Want na die mooie woorden over een “liederenschat” komt
de aap uit de mouw: er zit veel kaf onder het koren. De deputaten hebben
namelijk (zeer terecht!) het criterium aangelegd “of de teksten in
overeenstemming zijn met de leer van de Schriften”. En toen viel bijna de helft
van de gezangen af. De deputaten haasten zich om te zeggen dat de lezers niet
de conclusie mogen trekken “dat alle overige gezangen uit het Liedboek
onaanvaardbaar zouden zijn”. Maar het is duidelijk dat sommige teksten
duidelijk in strijd zijn met “de leer van de Schriften”. Zelfs voor de
deputaten die zich toch in allerlei bochten gewrongen hebben om recht te praten
wat krom is.
Wat
is vrijzinnigheid? Veel dichters die bijdragen hebben geleverd aan het Liedboek
zijn duidelijk vrijzinnig. Vrijzinnigheid, dat is ten diepste: “vrij van zin”
zijn. Aansluiten bij het Woord van God als het je inspireert, maar net zo
gemakkelijk daarvan afwijken als het je niet zint wat er in de Bijbel staat. En
zo zijn het plaatsvervangende lijden van Christus, de tegenstelling tussen
geloof en ongeloof en onze belijdenis van Gods verkiezing naar de rand van het
kerklied verschoven, ook in veel liederen die niet direct in strijd zijn met
wat de Schrift leert. De vrije zin blijkt de Bijbel steeds weer te moeten
corrigeren.
Maar
met het eten van vruchten van de boom van de vrijzinnigheid moet je uitkijken.
Voor je het weet vind je het zelf ook niet zo belangrijk meer wat de Bijbel nu
ècht zegt (zie stelling D5). Het Liedboek geeft ons aansluiting bij “andere
kerken”, maar sluit het wel aan bij het Woord van God?
Goede
Vrijdag en Pasen zijn dagen waar we nadrukkelijk bij stilstaan. Op Goede
Vrijdag denken we aan het sterven van de Here Jezus. En twee dagen later, op
Pasen, vieren we Zijn opstanding. De Here Jezus heeft drie dagen in het graf
geleden: laat op de vrijdag werd Hij begraven, zaterdag lag Hij in het graf en
’s morgens vroeg op zondag stond Hij op. Als je de gebeurtenissen leest rondom
de begrafenis en de opstanding, bijvoorbeeld in Lucas 23: 50 tot 24: 12, dan
zit daar een pauze in. En die pauze merken we tot op de dag van vandaag. Want
we mogen dan wel een naam hebben voor de zaterdag tussen Goede Vrijdag en Pasen
(“stille zaterdag”), het is daarmee voor ons niet meteen duidelijk wat er op
die dag gebeurde.
De
vrouwen die het lichaam van de Here Jezus wilden verzorgen, hielden acuut op
met het klaarmaken van specerijen toen het zaterdag werd. “En op de sabbat
rustten zij naar het gebod”, schrijft Lucas expliciet. En meteen nadat de
rustdag voorbij was, gingen de vrouwen naar het graf. Het is goed om na te gaan
waarom de vrouwen dat zo deden. Een lichaam verzorgen met specerijen was in
Israël niet alleen een manier om de dode te eren, maar ook simpelweg een
noodzaak. Toch stopten de vrouwen op de rustdag met hun werk.
Maar
het is nog meer van belang om te letten op de Here Jezus zelf. Wat deed Hij op
“stille” zaterdag? Soms hoor je de opvatting dat Christus na Zijn begrafenis is
neergedaald in de hel. Voor die opvatting lijkt de Apostolische
Geloofsbelijdenis aanleiding te geven, omdat we daarmee belijden dat de Here
Jezus is “gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel”. Toch hoeft
dat geen volgorde van gebeurtenissen te zijn, het is meer een steeds toenemende
mate van lijden en vernedering. Drie argumenten pleiten namelijk tegen de
opvatting dat Christus na Zijn sterven nog geleden heeft in de hel. In de
eerste plaats zijn de woorden “het is volbracht” dan onbegrijpelijk. Want op
het moment dat Christus die woorden uitsprak zou dan het zwaarste lijden nog
moeten komen! In de tweede plaats heeft God duidelijk laten merken dat bij het
sterven van de Here Jezus Zijn lijden en Zijn werk volbracht was: het
voorhangsel in de tempel scheurde en gelovige mensen die gestorven waren,
stonden uit hun graf op. In de laatste plaats weten we dat Christus aan het
kruis door God verlaten is. Tijdens de drie uren duisternis was de Here Jezus
alleen. En dat is het meest kenmerkende van de hel: niet dat er pijn is en
wroeging, maar dat God daar niet is. Overal is de HERE. Ook als mensen niet van
Hem willen weten. Maar in de hel is Hij niet. Dat is de plaats waar mensen
merken hoe het is om zonder God te bestaan.
Ondertussen
staat onze vraag nog overeind: wat deed de Here Jezus op zaterdag? Zijn werk
was volbracht. Zijn begrafenis toonde aan dat Hij echt gestorven was. We kunnen
alleen maar zeggen dat Christus rustte van Zijn werk. En de vrouwen deden dat
ook: ze rustten vanwege het (vierde) gebod, ook al hadden ze nog zulke belangrijke
dingen te doen.
Christus
hield zich aan de geboden van Zijn Vader. Zelfs toen Hij Zijn werk volbracht
had. Daarmee zien we ook een verband tussen de eerste rustdag en “stille
zaterdag”. Op de eerste rustdag rustte God de Vader van het werk dat Hij
“scheppend tot stand had gebracht”. Zo lezen we het in Genesis 2: 3. De Here
Jezus rustte ook van Zijn werk. Door Zijn werk herstelde Hij de band tussen God
en mensen en daarmee herstelde Christus de schepping. Gods schepping werd door
mensen vernield, maar door de Drieënige God ook weer herschapen. En zoals God
de Vader op de rustdag gerust heeft van Zijn scheppingswerk, zo heeft God de
Zoon op de rustdag gerust van Zijn herscheppingswerk. Daar mogen we elke
rustdag aan denken!
Niet alleen met betrekking tot het vierde gebod, maar met
betrekking tot àl Gods geboden zijn er altijd twee standpunten geweest: het
standpunt van verzet of dat van gehoorzaamheid.
Geen toelichting.
Twee lastige termen in een zin van vijf woorden. En nog
vervelende woorden ook, want er is niets moois aan als het in de kerk van de
Here Jezus zo wordt dat mensen het voor het zeggen krijgen. Als een synode gaat
heersen over de waarheid van Gods Woord (zoals in de tijd van de Vrijmaking),
dan heet dat “synodocratie”. En als een predikant het voor het zeggen krijgt,
dan heet dat “dominocratie”.
Een vreemde vorm is deputatocratie: overheersing door
deputaatschappen. Deputaatschappen zijn commissies van bijvoorbeeld een synode.
Ze hebben bepaalde taken die ofwel eenmalig zijn (een studie-deputaatschap
bijvoorbeeld) ofwel structureel (het beheer van gebouwen, het bestuur van
organisaties die onder verantwoordelijkheid van de kerken vallen enz.).
Zonder deputaatschappen kunnen de Gereformeerde Kerken niet
functioneren als een levend kerkverband. Denk eens aan al het werk op het
gebied van zending, evangelisatie, diaconie, de theologische opleiding enz. Dat
werk kan natuurlijk niet gedaan worden tijdens de synode die normaliter eens in
de drie jaar wordt gehouden. Deputaatschappen zijn dan onmisbaar.
Toch kunnen deputaatschappen ook overheersend zijn. Juist
omdat ze niet voortdurend, maar alleen periodiek (namelijk door een synode)
bijgestuurd worden. En omdat ze veelal uit deskundigen bestaan die zich goed
kunnen voorbreiden op de beoordeling van hun werk door de synode. Zo kan een
synode, die zich in een relatief korte tijd met veel verschillende onderwerpen
moet bezighouden, gestuurd worden door deputaatschappen, ook al is de taak van
die deputaatschappen nog ‘uitvoerend’
en ‘voorbereidend’ van karakter.
Voor alle duidelijkheid: deze stelling wil niet suggereren
dat de Gereformeerde Kerken een deputatocratie kennen. Maar de stelling wil wel
aandacht vragen voor de toegenomen invloed van deputaatschappen op de gang van
zaken in de kerken. Die toegenomen invloed kan leiden tot deputatocratie.
Daarvoor moeten we uitkijken. Want synodocatie is erg, omdat dan een synode de
plaats van de Here Jezus inneemt, terwijl die plaats door niemand kan en mag
worden ingenomen. Hij is de Heer van de kerk, het Hoofd van Zijn lichaam.
In een synodocratie nemen de kerken samen de plaats in van
de Here Jezus. In een deputatocratie doen kleine groepjes deskundigen dat.
Beide situaties zijn onaanvaardbaar. Maar de eerste situatie is wel veel beter
te onderkennen (en daarom beter te bestrijden) dan de tweede. Vandaar de
stelling.
De “twee wegen”-leer is op de Bijbel gegrond: er is een
brede en een smalle weg.
Misschien heb je wel eens gehoord
van de “twee wegen”-leer. Mensen die van die leer uitgaan, maken een groot
verschil tussen Joden en christenen. Ze zien ook een groot verschil tussen het
Oude en het Nieuwe Testament, tussen twee verbonden. Eigenlijk zijn er volgens
de “twee wegen”-leer twéé manieren om behouden te worden. De ene is die van het
oude verbond: mensen moeten zich houden aan Gods wetten en voorschriften. Dat
is de Joodse manier om zalig te worden. De andere manier is die van de
christenen: door te geloven in Christus wordt Zijn rechtvaardigheid de jouwe en
geeft God je het eeuwige leven.
Als je goed over de “twee
wegen”-leer nadenkt, dan is die leer uiteindelijk een klap in het gezicht van
de Here Jezus. Hij is dan niet meer de enige Verlosser. Zijn Naam is dan niet
de enige Naam die onder de hemel gegeven is, waardoor wij (zei Petrus, de Jood,
tegen andere Joden) behouden moeten worden (Handelingen 4: 12 – lees ook eens
Galaten 3: 1-14). Maar waarom heeft Christus de naam Jezus, Verlosser,
gekregen? “Omdat Hij ons verlost van al onze zonden en omdat er bij niemand
anders enig behoud te zoeken en te vinden is.” (Zondag 11 HC) Er is maar één
Weg. Daarom kan Christus ook zo duidelijk zeggen: “Ik ben de weg, de waarheid
en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.”
Toch spreekt Christus óók van twee
wegen. De Bijbel zegt het heel sterk: Christus léért Zijn discipelen dat er
twee wegen zijn. Mattheüs zegt, voordat hij de Bergrede weergeeft: “En Hij
(Jezus) opende Zijn mond en leerde hen, zeggende…” Onderdeel van de leer van de
Here Jezus is Zijn onderwijs over “twee wegen”: “Gaat in door de enge poort,
want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen
zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort en smal de weg, die ten
leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.” (Mattheüs 7: 13 en 14).
Veel mensen zoeken hun geluk en
hun zaligheid ergens anders dan bij Christus. Ook voor ons als christenen is
dat een dagelijkse verleiding. We zoeken wel onze zaligheid bij Christus, maar
naast Hem toch óók nog bij andere mensen en dingen waarop we denken te kunnen
vertrouwen. In de Bijbel lezen we echter over twee wegen: er is een brede weg
waarlangs vele ‘christussen’ staan. Zij leren ‘verlossing’ door hun valse
godsdiensten en meestal door een leven met allerlei regels en wetten. Maar er
is ook een smalle weg. En die weg heet simpelweg “Jezus”.
Je leeft maar één keer (eeuwig).
Geen toelichting.
Als we samen meer zouden nadenken over Gods verbondswraak –
waarover we in de Bijbel op veel plaatsen lezen – dan zouden we geen last meer
hebben van ‘verbondsautomatisme’.
Het Evangelie vertelt ons dat de Almachtige God door de Here
Jezus onze Vader wil zijn. Hij gaat een relatie met ons aan. In de Bijbel komen
we de manier waarop de HERE die relatie met ons aangaat telkens weer tegen. God
sluit een verbond met mensen. Hij beloofde in Adam en Eva aan de hele mensheid
dat de Messias zal komen. Hij beloofde in Noach aan de hele mensheid dat de
seizoenen en de wisseling van dag en nacht steeds door zullen gaan en dat er
geen Zondvloed meer over de aarde zal komen. God beloofde aan Abraham dat hij
een groot volk zou worden en dat uit dat volk de Here Jezus geboren zou worden.
Als teken van het verbond moest Abraham zijn gezin en alle mensen die bij hem
hoorden besnijden. En later, in de woestijn, sloot de HERE met het volk Israël
een verbond.
Wat God zegt – en dus ook wat Hij belooft – is ècht waar.
Daarom is het verbond een sterke houvast, ook voor ons. De doop (die in de
plaats van de besnijdenis gekomen is) is een bewijs dat God ons tot Zijn
kinderen aanneemt en ons Zijn beloften geeft.
Het
verbond is dus een sterke houvast. Maar de Satan gebruikt zelfs het verbond om
mensen van God af te trekken. Om hen onbezorgd te maken als het gaat om de
zonde en om de genade die wij allemaal nodig hebben. Tegen de Farizeeën moest
Johannes de Doper al zeggen dat ze het verbond met Abraham misbruikten om zich
niet te hoeven bekeren (Mattheüs 3: 7-10). Ze waren toch kinderen van Abraham?
Ze zouden er wel komen…
Door de gebeurtenissen rond de Vrijmaking is er in de
Gereformeerde Kerken veel nagedacht over het verbond. Maar af en toe kwamen er
ook bezorgde geluiden. Vallen we niet in dezelfde valkuil als de Farizeeën?
Fluistert de Satan ons niet dezelfde geruststellende woorden in het oor: “het
maakt niet zoveel uit hoe we leven, we zijn toch gedoopt?”
Dat is verbondsautomatisme: geloven dat je er wel komt, wat
je bent toch in het verbond… Maar wat is nu de remedie tegen dat gevaarlijke
verbondsautomatisme? Moeten we het dan maar minder vaak hebben over het verbond
en over de zekerheid dat God onze Vader wil zijn?
De stelling wijst op een belangrijk aspect van het verbond.
Een aspect dat wel eens wat ondergesneeuwd zou kunnen zijn, maar waarop in de
jaren na de Vrijmaking vaak gewezen werd. De verbondswraak van de HERE. Dat
klinkt ons niet fijn in de oren, zeker niet als we aan de beloften denken die
we zelf gekregen hebben.
Wat is Gods verbondswraak? Daarvoor moet je bijvoorbeeld
Deuteronomium 4 vers 1 tot 40 eens moeten lezen. Het gedeelte is te lang om
hier in de toelichting neer te zetten, maar ‘off-line’ lezen in je Bijbel kan
ook… Let vooral op vers 13. En het boek Richteren toont duidelijk aan dat de
HERE Zijn volk straft omdat het Hem verlaat.
Van belang is dat we zien dat de HERE onderscheid maakte
tussen Israël en de andere volken. Dat geldt voor Zijn beloften en zijn wetten
en geboden: “Hij heeft Jakob Zijn woorden bekendgemaakt, Israël Zijn
inzettingen en Zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan.
En Zijn verordeningen kennen zij niet. Hallelujah.” (Psalm 147: 19 en 20).
Juist daarom maakte de HERE ook verschil in Zijn oordelen. Andere volken werden
wel gestraft vanwege hun zonde. Maar voor Israël gold heel bijzonder dat de
HERE het volk strafte omdat het Zijn verbond verlaten had. Op dat verbond
(voorgesteld door het beeld van een huwelijk of de gezagsrelatie tussen heer en
knecht) doen de profeten ook telkens weer een appèl.
“Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden,
en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd”
(Lucas 12: 48b). Die waarschuwing van de Here Jezus geldt ook voor ons. We
hoeven niet minder blij te zijn met het verbond dat God met ons gesloten heeft.
We hoeven er ook niet minder zekerheid uit te halen. Maar we moeten wèl
uitkijken voor verbondsautomatisme. Wat Gods verbondswraak komt mee met Zijn
beloften als we ons niet bekeren.
Als Christus ons herschept en ons vernieuwt door Zijn
Heilige Geest, moeten we niet denken in termen van trechters en rietjes.
Het
was een aansprekend voorbeeld van ds. J. Douma, 10 mei in Zwolle: een trechter
op je hoofd om de Heilige Geest te ontvangen, in plaats van een rietje!
De
organisatoren van “Gods Geest werkt” vragen om nieuwe aandacht voor het werk
van de Heilige Geest. Maar vreemd genoeg verschuift het beeld meteen naar de
mens en naar uiterlijke zaken.
Denkt
iemand nu echt dat we in de kerk stil zouden blijven als de Heilige Geest ons
in allerlei tongen (talen) zou willen laten spreken? Maar waarom spreken we dan
niet in tongen? Het antwoord ligt voor de hand: Omdat de Heilige Geest die gave
op dit moment kennelijk niet geeft!
Als
we echt Gods Geest willen laten werken, zijn we dan tevreden met de gaven van
geloven tegen de stroom in, van seksuele onthouding voor het huwelijk terwijl
iedereen daar om lacht, van rust nemen op zondag terwijl iedereen werkt? Of
willen we de Geest dwingen ‘bijzondere’ gaven aan ons te geven?
Gods
Geest werkt. Hij werkt waarheen Hij wil. Maar Hij laat zich niet dwingen.
Moeten
wij ons meer ‘openstellen’ voor de Heilige Geest? Het rietje weggooien en de
trechter opzetten? Ja, we mogen bidden om de Heilige Geest. We krijgen Hem
zeker, als gave van Christus. Hij is in alle gelovigen. Hij vult ons hart, Hij
verandert onze wil. Mensen die God haten, worden Zijn kinderen. Gods werk van
herschepping is minstens zo geweldig als Zijn scheppingswerk! Wie praat hier nu
over trechters en rietjes?