Tweede, derde en vierde lichting van stellingen voor www.95stellingen.nl

 

Prediking

 

Stelling B9

Goede uitleg en bestudering van de Bijbel begint met het gebruik van een vertaling die zo dicht mogelijk tegen de grondtekst aanligt.

 

Darten is beslist minder moeilijk als je vlak voor het dartbord gaat staan. Moeiteloos prik je de pijltjes in de roos. Maar ga je verder weg staan, dan wordt het lastiger de pijl in het goede vakje te krijgen. Hoe groter de afstand tot het dartbord, hoe moeilijker het wordt, totdat raak gooien uiteindelijk onmogelijk is.

 

Als je bezig bent met Bijbelstudie, werkt het op dezelfde manier. Kies je een vertaling of een weergave die ver van de grondtekst af staat, dan wordt het lastiger te begrijpen wat God tegen je wil zeggen. Een weergave die gemakkelijk in het gehoor ligt, maar ver van de tekst af staat, kan goede Bijbelstudie dus erg belemmeren of zelfs onmogelijk maken. Daarom is het een goede zaak een vertaling te gebruiken die dicht tegen de grondtekst aanligt. Dat maakt Bijbelstudie niet moeilijker, maar juist gemakkelijker!

 

 

 

Liederen

 

Stelling D5

Christus heeft nooit gezegd: “Laat de kinderen tot Mij komen, want hunner is het Koninkrijk”.

 

Toch staat het zo wel in Lied 335: 1, het bekende dooplied uit het Liedboek voor de Kerken. Het wordt de Here Jezus nadrukkelijk in de mond gelegd: “Heer van uw kerk, Gij hebt het woord genomen en zegt ons: laat de kinderen tot Mij komen, want hunner is het Koninkrijk”. Maar dat zegt Christus nergens. De zin lijkt verdacht veel op wat Christus wèl zegt en waarschijnlijk nemen veel kerkmensen (daarom) zonder meer aan dat het hier gaat om een regelrecht citaat. Maar in werkelijkheid is het een eigenmachtig samengesteld citaat: het eerste zinsdeel komt uit Mattheïs 19: 14, Marcus 10: 14 en Lucas 18: 16 en het tweede uit Mattheüs 5: 3 en andere plaatsen.

 

De verandering van Bijbelteksten hebben nogal wat gevolgen. Voor wie is het Koninkrijk van God? Dat is nogal een belangrijke vraag! De Here Jezus zegt: “voor zodanigen”, dat wil zeggen: voor mensen die worden als een kind. En dat sluit naadloos aan bij het andere onderwijs van de Here Jezus, bijvoorbeeld in Mattheüs 18 vers 3: “Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en niet wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voor zeker niet binnengaan”.

 

Uit het bovenstaande komen drie vragen naar boven:

 

1)       Waarom verdraait de dichter de woorden van de Here Jezus? Misschien omdat hij in de alverzoening gelooft, net als enkele andere Liedboekdichters?

2)       Waarom hebben wij dit lied gekozen om het te zingen in de kerkdiensten? Is het dan niet erg dat de woorden van de Here Jezus verdraaid worden?

3)       Zing jij / zingt u – na het lezen van deze stelling en toelichting - dit lied gewoon mee als het wordt opgegeven?

 

Stelling D6

Wie de vrijzinnigheid afwijst maar tegelijk het Liedboek voor de Kerken enthousiast ontvangt, vergeet dat een slechte boom geen goede vruchten kan geven.

 

Eén van de argumenten om een selectie uit het Liedboek voor de Kerken vrij te geven als ‘proefbundel’ is volgens de deputaten kerkmuziek dat het goed is “om naar vermogen aansluiting te zoeken en te bewaren bij de liederenschat van andere kerken” (Ten Geleide Proefbundel, p. VII). Juist dat argument maakt de keuze voor het Liedboek zo onbegrijpelijk. Want die “andere kerken” zijn vooral kerken waarin de vrijzinnigheid sterk heeft toegeslagen. Het zijn bijvoorbeeld zeker niet de Christelijke Gereformeerde Kerken of de Nederlands Gereformeerde Kerk waarbij we aansluiten met een keuze voor het Liedboek.

 

Wat is vrijzinnigheid? Eigenlijk illustreren de deputaten dat woord impliciet een paar zinnen verderop. Want na die mooie woorden over een “liederenschat” komt de aap uit de mouw: er zit veel kaf onder het koren. De deputaten hebben namelijk (zeer terecht!) het criterium aangelegd “of de teksten in overeenstemming zijn met de leer van de Schriften”. En toen viel bijna de helft van de gezangen af. De deputaten haasten zich om te zeggen dat de lezers niet de conclusie mogen trekken “dat alle overige gezangen uit het Liedboek onaanvaardbaar zouden zijn”. Maar het is duidelijk dat sommige teksten duidelijk in strijd zijn met “de leer van de Schriften”. Zelfs voor de deputaten die zich toch in allerlei bochten gewrongen hebben om recht te praten wat krom is.

 

Wat is vrijzinnigheid? Veel dichters die bijdragen hebben geleverd aan het Liedboek zijn duidelijk vrijzinnig. Vrijzinnigheid, dat is ten diepste: “vrij van zin” zijn. Aansluiten bij het Woord van God als het je inspireert, maar net zo gemakkelijk daarvan afwijken als het je niet zint wat er in de Bijbel staat. En zo zijn het plaatsvervangende lijden van Christus, de tegenstelling tussen geloof en ongeloof en onze belijdenis van Gods verkiezing naar de rand van het kerklied verschoven, ook in veel liederen die niet direct in strijd zijn met wat de Schrift leert. De vrije zin blijkt de Bijbel steeds weer te moeten corrigeren.

 

Maar met het eten van vruchten van de boom van de vrijzinnigheid moet je uitkijken. Voor je het weet vind je het zelf ook niet zo belangrijk meer wat de Bijbel nu ècht zegt (zie stelling D5). Het Liedboek geeft ons aansluiting bij “andere kerken”, maar sluit het wel aan bij het Woord van God?

 

Rustdag

 

Stelling F6

Zoals God de Vader op de rustdag gerust heeft van Zijn scheppingswerk, zo heeft God de Zoon op de rustdag gerust van Zijn herscheppingswerk.

 

Goede Vrijdag en Pasen zijn dagen waar we nadrukkelijk bij stilstaan. Op Goede Vrijdag denken we aan het sterven van de Here Jezus. En twee dagen later, op Pasen, vieren we Zijn opstanding. De Here Jezus heeft drie dagen in het graf geleden: laat op de vrijdag werd Hij begraven, zaterdag lag Hij in het graf en ’s morgens vroeg op zondag stond Hij op. Als je de gebeurtenissen leest rondom de begrafenis en de opstanding, bijvoorbeeld in Lucas 23: 50 tot 24: 12, dan zit daar een pauze in. En die pauze merken we tot op de dag van vandaag. Want we mogen dan wel een naam hebben voor de zaterdag tussen Goede Vrijdag en Pasen (“stille zaterdag”), het is daarmee voor ons niet meteen duidelijk wat er op die dag gebeurde.

De vrouwen die het lichaam van de Here Jezus wilden verzorgen, hielden acuut op met het klaarmaken van specerijen toen het zaterdag werd. “En op de sabbat rustten zij naar het gebod”, schrijft Lucas expliciet. En meteen nadat de rustdag voorbij was, gingen de vrouwen naar het graf. Het is goed om na te gaan waarom de vrouwen dat zo deden. Een lichaam verzorgen met specerijen was in Israël niet alleen een manier om de dode te eren, maar ook simpelweg een noodzaak. Toch stopten de vrouwen op de rustdag met hun werk.

Maar het is nog meer van belang om te letten op de Here Jezus zelf. Wat deed Hij op “stille” zaterdag? Soms hoor je de opvatting dat Christus na Zijn begrafenis is neergedaald in de hel. Voor die opvatting lijkt de Apostolische Geloofsbelijdenis aanleiding te geven, omdat we daarmee belijden dat de Here Jezus is “gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel”. Toch hoeft dat geen volgorde van gebeurtenissen te zijn, het is meer een steeds toenemende mate van lijden en vernedering. Drie argumenten pleiten namelijk tegen de opvatting dat Christus na Zijn sterven nog geleden heeft in de hel. In de eerste plaats zijn de woorden “het is volbracht” dan onbegrijpelijk. Want op het moment dat Christus die woorden uitsprak zou dan het zwaarste lijden nog moeten komen! In de tweede plaats heeft God duidelijk laten merken dat bij het sterven van de Here Jezus Zijn lijden en Zijn werk volbracht was: het voorhangsel in de tempel scheurde en gelovige mensen die gestorven waren, stonden uit hun graf op. In de laatste plaats weten we dat Christus aan het kruis door God verlaten is. Tijdens de drie uren duisternis was de Here Jezus alleen. En dat is het meest kenmerkende van de hel: niet dat er pijn is en wroeging, maar dat God daar niet is. Overal is de HERE. Ook als mensen niet van Hem willen weten. Maar in de hel is Hij niet. Dat is de plaats waar mensen merken hoe het is om zonder God te bestaan.

Ondertussen staat onze vraag nog overeind: wat deed de Here Jezus op zaterdag? Zijn werk was volbracht. Zijn begrafenis toonde aan dat Hij echt gestorven was. We kunnen alleen maar zeggen dat Christus rustte van Zijn werk. En de vrouwen deden dat ook: ze rustten vanwege het (vierde) gebod, ook al hadden ze nog zulke belangrijke dingen te doen.

 

Christus hield zich aan de geboden van Zijn Vader. Zelfs toen Hij Zijn werk volbracht had. Daarmee zien we ook een verband tussen de eerste rustdag en “stille zaterdag”. Op de eerste rustdag rustte God de Vader van het werk dat Hij “scheppend tot stand had gebracht”. Zo lezen we het in Genesis 2: 3. De Here Jezus rustte ook van Zijn werk. Door Zijn werk herstelde Hij de band tussen God en mensen en daarmee herstelde Christus de schepping. Gods schepping werd door mensen vernield, maar door de Drieënige God ook weer herschapen. En zoals God de Vader op de rustdag gerust heeft van Zijn scheppingswerk, zo heeft God de Zoon op de rustdag gerust van Zijn herscheppingswerk. Daar mogen we elke rustdag aan denken!

 

Stelling F7

Niet alleen met betrekking tot het vierde gebod, maar met betrekking tot àl Gods geboden zijn er altijd twee standpunten geweest: het standpunt van verzet of dat van gehoorzaamheid.

 

Geen toelichting.

 

Kerkelijk leven

 

Stelling H4

Deputatocratie is erger dan synodocratie.

 

Twee lastige termen in een zin van vijf woorden. En nog vervelende woorden ook, want er is niets moois aan als het in de kerk van de Here Jezus zo wordt dat mensen het voor het zeggen krijgen. Als een synode gaat heersen over de waarheid van Gods Woord (zoals in de tijd van de Vrijmaking), dan heet dat “synodocratie”. En als een predikant het voor het zeggen krijgt, dan heet dat “dominocratie”.

 

Een vreemde vorm is deputatocratie: overheersing door deputaatschappen. Deputaatschappen zijn commissies van bijvoorbeeld een synode. Ze hebben bepaalde taken die ofwel eenmalig zijn (een studie-deputaatschap bijvoorbeeld) ofwel structureel (het beheer van gebouwen, het bestuur van organisaties die onder verantwoordelijkheid van de kerken vallen enz.).

 

Zonder deputaatschappen kunnen de Gereformeerde Kerken niet functioneren als een levend kerkverband. Denk eens aan al het werk op het gebied van zending, evangelisatie, diaconie, de theologische opleiding enz. Dat werk kan natuurlijk niet gedaan worden tijdens de synode die normaliter eens in de drie jaar wordt gehouden. Deputaatschappen zijn dan onmisbaar.

 

Toch kunnen deputaatschappen ook overheersend zijn. Juist omdat ze niet voortdurend, maar alleen periodiek (namelijk door een synode) bijgestuurd worden. En omdat ze veelal uit deskundigen bestaan die zich goed kunnen voorbreiden op de beoordeling van hun werk door de synode. Zo kan een synode, die zich in een relatief korte tijd met veel verschillende onderwerpen moet bezighouden, gestuurd worden door deputaatschappen, ook al is de taak van die deputaatschappen nog ‘uitvoerend’  en ‘voorbereidend’ van karakter.

 

Voor alle duidelijkheid: deze stelling wil niet suggereren dat de Gereformeerde Kerken een deputatocratie kennen. Maar de stelling wil wel aandacht vragen voor de toegenomen invloed van deputaatschappen op de gang van zaken in de kerken. Die toegenomen invloed kan leiden tot deputatocratie. Daarvoor moeten we uitkijken. Want synodocatie is erg, omdat dan een synode de plaats van de Here Jezus inneemt, terwijl die plaats door niemand kan en mag worden ingenomen. Hij is de Heer van de kerk, het Hoofd van Zijn lichaam.

 

In een synodocratie nemen de kerken samen de plaats in van de Here Jezus. In een deputatocratie doen kleine groepjes deskundigen dat. Beide situaties zijn onaanvaardbaar. Maar de eerste situatie is wel veel beter te onderkennen (en daarom beter te bestrijden) dan de tweede. Vandaar de stelling.

 

 

Kerk en samenleving

 

Stelling: J2

De “twee wegen”-leer is op de Bijbel gegrond: er is een brede en een smalle weg.

 

Misschien heb je wel eens gehoord van de “twee wegen”-leer. Mensen die van die leer uitgaan, maken een groot verschil tussen Joden en christenen. Ze zien ook een groot verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament, tussen twee verbonden. Eigenlijk zijn er volgens de “twee wegen”-leer twéé manieren om behouden te worden. De ene is die van het oude verbond: mensen moeten zich houden aan Gods wetten en voorschriften. Dat is de Joodse manier om zalig te worden. De andere manier is die van de christenen: door te geloven in Christus wordt Zijn rechtvaardigheid de jouwe en geeft God je het eeuwige leven.

 

Als je goed over de “twee wegen”-leer nadenkt, dan is die leer uiteindelijk een klap in het gezicht van de Here Jezus. Hij is dan niet meer de enige Verlosser. Zijn Naam is dan niet de enige Naam die onder de hemel gegeven is, waardoor wij (zei Petrus, de Jood, tegen andere Joden) behouden moeten worden (Handelingen 4: 12 – lees ook eens Galaten 3: 1-14). Maar waarom heeft Christus de naam Jezus, Verlosser, gekregen? “Omdat Hij ons verlost van al onze zonden en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is.” (Zondag 11 HC) Er is maar één Weg. Daarom kan Christus ook zo duidelijk zeggen: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.”

 

Toch spreekt Christus óók van twee wegen. De Bijbel zegt het heel sterk: Christus léért Zijn discipelen dat er twee wegen zijn. Mattheüs zegt, voordat hij de Bergrede weergeeft: “En Hij (Jezus) opende Zijn mond en leerde hen, zeggende…” Onderdeel van de leer van de Here Jezus is Zijn onderwijs over “twee wegen”: “Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.” (Mattheüs 7: 13 en 14).

 

Veel mensen zoeken hun geluk en hun zaligheid ergens anders dan bij Christus. Ook voor ons als christenen is dat een dagelijkse verleiding. We zoeken wel onze zaligheid bij Christus, maar naast Hem toch óók nog bij andere mensen en dingen waarop we denken te kunnen vertrouwen. In de Bijbel lezen we echter over twee wegen: er is een brede weg waarlangs vele ‘christussen’ staan. Zij leren ‘verlossing’ door hun valse godsdiensten en meestal door een leven met allerlei regels en wetten. Maar er is ook een smalle weg. En die weg heet simpelweg “Jezus”.

 

Stelling J3

Je leeft maar één keer (eeuwig).

 

Geen toelichting.

 

 

Verbond

 

Stelling K1

Als we samen meer zouden nadenken over Gods verbondswraak – waarover we in de Bijbel op veel plaatsen lezen – dan zouden we geen last meer hebben van ‘verbondsautomatisme’.

 

Het Evangelie vertelt ons dat de Almachtige God door de Here Jezus onze Vader wil zijn. Hij gaat een relatie met ons aan. In de Bijbel komen we de manier waarop de HERE die relatie met ons aangaat telkens weer tegen. God sluit een verbond met mensen. Hij beloofde in Adam en Eva aan de hele mensheid dat de Messias zal komen. Hij beloofde in Noach aan de hele mensheid dat de seizoenen en de wisseling van dag en nacht steeds door zullen gaan en dat er geen Zondvloed meer over de aarde zal komen. God beloofde aan Abraham dat hij een groot volk zou worden en dat uit dat volk de Here Jezus geboren zou worden. Als teken van het verbond moest Abraham zijn gezin en alle mensen die bij hem hoorden besnijden. En later, in de woestijn, sloot de HERE met het volk Israël een verbond.

 

Wat God zegt – en dus ook wat Hij belooft – is ècht waar. Daarom is het verbond een sterke houvast, ook voor ons. De doop (die in de plaats van de besnijdenis gekomen is) is een bewijs dat God ons tot Zijn kinderen aanneemt en ons Zijn beloften geeft.

 

Het verbond is dus een sterke houvast. Maar de Satan gebruikt zelfs het verbond om mensen van God af te trekken. Om hen onbezorgd te maken als het gaat om de zonde en om de genade die wij allemaal nodig hebben. Tegen de Farizeeën moest Johannes de Doper al zeggen dat ze het verbond met Abraham misbruikten om zich niet te hoeven bekeren (Mattheüs 3: 7-10). Ze waren toch kinderen van Abraham? Ze zouden er wel komen…

 

Door de gebeurtenissen rond de Vrijmaking is er in de Gereformeerde Kerken veel nagedacht over het verbond. Maar af en toe kwamen er ook bezorgde geluiden. Vallen we niet in dezelfde valkuil als de Farizeeën? Fluistert de Satan ons niet dezelfde geruststellende woorden in het oor: “het maakt niet zoveel uit hoe we leven, we zijn toch gedoopt?”

 

Dat is verbondsautomatisme: geloven dat je er wel komt, wat je bent toch in het verbond… Maar wat is nu de remedie tegen dat gevaarlijke verbondsautomatisme? Moeten we het dan maar minder vaak hebben over het verbond en over de zekerheid dat God onze Vader wil zijn?

 

De stelling wijst op een belangrijk aspect van het verbond. Een aspect dat wel eens wat ondergesneeuwd zou kunnen zijn, maar waarop in de jaren na de Vrijmaking vaak gewezen werd. De verbondswraak van de HERE. Dat klinkt ons niet fijn in de oren, zeker niet als we aan de beloften denken die we zelf gekregen hebben.

 

Wat is Gods verbondswraak? Daarvoor moet je bijvoorbeeld Deuteronomium 4 vers 1 tot 40 eens moeten lezen. Het gedeelte is te lang om hier in de toelichting neer te zetten, maar ‘off-line’ lezen in je Bijbel kan ook… Let vooral op vers 13. En het boek Richteren toont duidelijk aan dat de HERE Zijn volk straft omdat het Hem verlaat.

 

Van belang is dat we zien dat de HERE onderscheid maakte tussen Israël en de andere volken. Dat geldt voor Zijn beloften en zijn wetten en geboden: “Hij heeft Jakob Zijn woorden bekendgemaakt, Israël Zijn inzettingen en Zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan. En Zijn verordeningen kennen zij niet. Hallelujah.” (Psalm 147: 19 en 20). Juist daarom maakte de HERE ook verschil in Zijn oordelen. Andere volken werden wel gestraft vanwege hun zonde. Maar voor Israël gold heel bijzonder dat de HERE het volk strafte omdat het Zijn verbond verlaten had. Op dat verbond (voorgesteld door het beeld van een huwelijk of de gezagsrelatie tussen heer en knecht) doen de profeten ook telkens weer een appèl.

 

“Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd” (Lucas 12: 48b). Die waarschuwing van de Here Jezus geldt ook voor ons. We hoeven niet minder blij te zijn met het verbond dat God met ons gesloten heeft. We hoeven er ook niet minder zekerheid uit te halen. Maar we moeten wèl uitkijken voor verbondsautomatisme. Wat Gods verbondswraak komt mee met Zijn beloften als we ons niet bekeren.

 

 

Heilige Geest

 

Stelling L1

Als Christus ons herschept en ons vernieuwt door Zijn Heilige Geest, moeten we niet denken in termen van trechters en rietjes.

 

Het was een aansprekend voorbeeld van ds. J. Douma, 10 mei in Zwolle: een trechter op je hoofd om de Heilige Geest te ontvangen, in plaats van een rietje!

 

De organisatoren van “Gods Geest werkt” vragen om nieuwe aandacht voor het werk van de Heilige Geest. Maar vreemd genoeg verschuift het beeld meteen naar de mens en naar uiterlijke zaken.

 

Denkt iemand nu echt dat we in de kerk stil zouden blijven als de Heilige Geest ons in allerlei tongen (talen) zou willen laten spreken? Maar waarom spreken we dan niet in tongen? Het antwoord ligt voor de hand: Omdat de Heilige Geest die gave op dit moment kennelijk niet geeft!

 

Als we echt Gods Geest willen laten werken, zijn we dan tevreden met de gaven van geloven tegen de stroom in, van seksuele onthouding voor het huwelijk terwijl iedereen daar om lacht, van rust nemen op zondag terwijl iedereen werkt? Of willen we de Geest dwingen ‘bijzondere’ gaven aan ons te geven?

 

Gods Geest werkt. Hij werkt waarheen Hij wil. Maar Hij laat zich niet dwingen.

 

Moeten wij ons meer ‘openstellen’ voor de Heilige Geest? Het rietje weggooien en de trechter opzetten? Ja, we mogen bidden om de Heilige Geest. We krijgen Hem zeker, als gave van Christus. Hij is in alle gelovigen. Hij vult ons hart, Hij verandert onze wil. Mensen die God haten, worden Zijn kinderen. Gods werk van herschepping is minstens zo geweldig als Zijn scheppingswerk! Wie praat hier nu over trechters en rietjes?