Eerste lichting van stellingen voor www.95stellingen.nl

 

 

Introductie

 

Stelling A1

Omdat de kerk het eigendom van de Here Jezus is, die Hij verkregen heeft door Zijn Zelfovergave, heeft Hij – maar dan ook alleen Hij – alles over haar te zeggen.

 

Zoals ieder christen mag weten en belijden dat hij of zij het eigendom is van Christus, zo mogen we dat ook van de kerk zeggen. De kerk is namelijk de gemeenschap van alle heiligen samen en zo het Lichaam van Christus. Niemand kan de plaats van Christus innemen, ook niet diegenen die door Hem Zelf geroepen zijn als ambtsdragers. Die ambtsdragers zijn dan toch nog altijd arbeiders in de wijngaard, die vruchten moeten opbrengen aan de Eigenaar (Mattheüs 21: 41). Daarom geloven wij met artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat “hoewel het nuttig en goed is dat de regeerder van de kerk onderling een vaste orde instellen en handhaven om het lichaam van de kerk in stand te houden, zij er zich toch voor moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft.” Alleen de Here Jezus heeft het te zeggen. En daar mogen we blij mee zijn! Want waar mensen vaak hard en gevoelloos zijn, daar weten we van de Here Jezus dat Zijn juk zacht is en Zijn last licht (Mattheüs 11: 28-30).

 

Stelling A2

De Here Jezus zegt: “U bent mijn vrienden, indien u doet, wat ik u gebied” (Johannes 15: 14) en: “Indien iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord bewaren” (Johannes 14: 23). Wie in de kerk (en daarbuiten) het woord van de Here Jezus niet bewaart, heeft Hem niet lief.

 

Het gebod van de liefde naar God en naar onze naaste toe, mogen wij niet uitspelen tegen de concrete geboden van God. Dat blijkt heel duidelijk uit de Tien Geboden. Die concrete leefregels zijn door de Here Jezus Zelf samengevat in het gebod van de liefde. Vooral Johannes heeft vaak gewezen op de band tussen het houden van Gods geboden en het liefhebben van Christus. Niet alleen in de teksten die in de stelling genoemd worden, maar ook in zijn brieven. In 1 Johannes 3: 18 lezen we: “Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid.” Liefde tot Christus komt concreet uit in het houden van Zijn geboden. Die geboden heeft de Here Jezus gegeven met betrekking tot de kerk, Zijn lichaam. Johannes benadrukt vaak juist de broederliefde. Daarin komt de liefde tot Christus uit. Zoals het ook in ons Avondmaalsformulier staat: “Omdat Christus, onze geliefde Heiland, ons eerst zo uitnemend heeft liefgehad, moeten wij ook elkaar liefde bewijzen en dat niet alleen met woorden, maar ook door onze daden.”

 

De kerk is het Lichaam van Christus, maar de wereld is Zijn rijksgebied. Daarom geldt ook buiten de kerk en voor alle mensen dat Christus het te zeggen heeft. Wie op politiek en maatschappelijk terrein niets van Hem wil weten, heeft Hem niet lief. Diegene is een van de burgers uit de gelijkenis van de ponden, die Christus “haat” (!) en niet wil dat Hij Koning over hem of haar wordt (Lucas 19: 14).  

 

Stelling A3

Jezus Christus is het Woord van God. Daarom weet iedereen die de Bijbel open doet wat Christus tot en over Zijn kerk te zeggen heeft.

 

Dat Jezus Christus het Woord van God is, God Zelf en de Zoon van de Vader, belijden wij met artikel 10 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen, en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt. De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft. Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden.” En de eerste zin van artikel 12 zegt heel verrassend dat “God door Zijn Woord “– dat is door Zijn Zoon –” de hemel en de aarde en alle schepselen geschapen heeft.” 

 

Daarom is het ook niet vreemd dat de Bijbel overal – zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament – getuigt van Christus. Zelf zei de Here Jezus tegen de Farizeeën dat de Schriften van Hem getuigen (Johannes 5: 39). Daarom kon Hij aan de Emmaüsgangers ook uitleggen “wat in al de Schriften op Hem betrekking had” (Lucas 24: 27).

 

De Heilige Geest is van de Vader en de Zoon uitgegaan om door de profeten tot ons te spreken. En Christus heeft ons de Heilige Geest belooft zodat Hij ons in de nieuwtestamentische situatie te binnen zou brengen alles wat Christus gezegd heeft. Wat de Here Jezus ons dus concreet zegt en gebiedt, is niet ver weg, maar onder handbereik. Het ligt bij wijze van spreken op ons nachtkastje.

 

Stelling A4

Als de Bijbel voor ons op bepaalde plaatsen onduidelijk is, dan ligt dat niet aan de Bijbel, maar enerzijds aan onze zondige aard en anderzijds aan de beperktheid van ons verstand.

 

Gods Woord is binnen handbereik, maar God heeft ons ook niet opgezadeld met een onduidelijke Boodschap. Tegenover de gedachte dat de Bijbel aanleiding zou geven tot allerlei misverstanden en strijdpunten, belijden wij samen de volkomenheid van Gods Woord: “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden. Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen. Daarom is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift; zelfs niet een engel uit de hemel”, zoals de apostel Paulus zegt (Galaten 1: 8). Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen (Deuteronomium 12: 32). Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt, volmaakt en in alle opzichten volledig is. (artikel 7 NGB)

 

Toch kan het lijken alsof Gods Woord voor ons niet duidelijk is. Maar dat mogen we dan niet bij de HERE neerleggen, alsof Hij niet duidelijk zou zijn. De bal ligt aan onze kant: door onze zonde verzetten wij ons tegen wat de HERE zegt en gebiedt. En verder begrijpen wij ook niet alles wat we lezen. Veel dingen (bijvoorbeeld God leiding, Zijn verkiezende liefde en Zijn gerechtigheid) gaan ons verstand te boven. Maar wat artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt met betrekking tot Gods voorzienigheid, moeten we ook dan vasthouden: “Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door Zijn Woord, zonder deze grenzen te overschrijden.” Als wij niet begrijpen wat God ons te zeggen heeft, dan moeten we de HERE niet opstandig verwijten maken, door te spreken over een onduidelijke Bijbeltekst, maar dan moeten we onze plaats kennen en gelovig aanvaarden wat er staat, voor zover wij dat begrijpen.

 

Prediking

 

Stelling B1

Het Evangelie van het kruis is voor Joden een aanstoot, voor Grieken een ergernis, voor modernen irrationeel en voor postmodernen te absoluut.

 

“Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheeid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden, hen die geloven. Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.” (1 Corinthiërs 1: 18-25)

 

De stelling kan gelezen worden als een toepassing van dit Bijbelgedeelte – en dan met name vers 23 – op de huidige tijd. In en buiten de kerk ontmoeten wij ‘moderne’ mensen. Mensen die kinderen zijn van hun tijd. Ze zijn opgegroeid na de Tweede Wereldoorlog. Een tijd van realisme en verstandelijkheid. Daar passen geen irrationele verhalen in. We ontmoeten ook mensen die opgegroeid zijn tijdens de laatste dertig jaar. Ook zij zijn kinderen van hun tijd. Maar dan een ‘postmoderne’ tijd. Een tijd waarin grote verhalen niet passen.

 

Is de felle Schriftkritiek van de oudere generaties begrijpelijk? Is de twijfel van jongeren begrijpelijk? Is Jasperse alleen maar kind van zijn tijd? Paulus wijst die mening af. Onze tijd en onze achtergrond kan het ons wel moeilijk maken. Of we nu Jood, Griek, modern of postmodern zijn. Maar voor hen die “geroepen” zijn (vers 24) blijft Christus de kracht en de wijsheid van God. Daar zorgt de HERE Zelf voor door Zijn Heilige Geest. Joden, Grieken, modernen en postmodernen worden door Zijn kracht overwonnen. Dan verdwijnt de aanstoot en de ergernis, om plaats te maken voor een eerbiedig luisteren naar wat God Zelf in ònze tijd te zeggen heeft.

 

Stelling B2

Prediking is de verkondiging van wat God op een bepaalde tijd en plaats tot zijn volk heeft te zeggen. De term ‘actuele prediking’ is daarom zowel een dubbelzegging als een opdracht van levensbelang.

 

Wanneer is prediking actueel? Wij vinden een preek actueel als die ingaat op onze persoonlijke omstandigheden en problemen. Of op de politieke en maatschappelijke situatie. Maar het is zeer de vraag of een predikant moet proberen actueel te prediken door op zulke onderwerpen in te gaan. Prediking is per definitie actueel. Tenminste als Christus gepreekt wordt, zoals Paulus zegt in 1 Corinthiërs 1: 24. Christus is nú Koning. Hij heeft het nú over Zijn kerk te zeggen. En Hij beheerst nú, AD 2003, in onze situatie, de hele wereld. Hij wil ons hier en nu verlossen van de zonde en nieuw maken door de Heilige Geest. Zodat we in ons allerdaagse leven Hem willen en kunnen dienen. Prediking is geen prediking als Christus niet wordt gepreekt. Daarom is ‘actuele prediking’ net zo goed een dubbelzegging als ‘islamitische moslim’. Maar tegelijk is de prediking vanwege de actualiteit zo wezenlijk en zo levensbelangrijk voor ons. In dèze wereld en in ònze tijd komt de HERE met Zijn genade en Zijn beloften naar ons toe.

 

Stelling B3

Het wezen van prediking is uitleg van Gods Woord met daaraan gekoppeld de oproep uit 2 Corinthiërs 5: 20 en 21. Daarom is de term “narratieve (verhalende) prediking” een innerlijke tegenstelling.

 

Als Paulus in 1 Corinthiërs 1: 24 zegt dat hij Christus preekt, dan moeten we bedenken dat Christus het Woord van God is (zie stelling A3). In onze tijd komt Gods Woord naar ons toe. Maar niet als een vrijblijvende boodschap. Het Evangelie dwingt tot een keuze. Dat is het wezen van de prediking. In 2 Corinthiërs 5: 20 en 21 staat het eigenlijk in de omgekeerde volgorde. Eerst de indringende oproep tot schuldbelijdenis en bekering: “Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande: laat u met God verzoenen.” En dan de inhoud van het Evangelie: “Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.”

 

Narratieve, verhalende prediking mag eigenlijk geen prediking genoemd worden. Zoals ‘actuele prediking’ een dubbelzegging is, zo is ‘verhalende prediking’ een miskleun, een innerlijke tegenstelling. Gods Woord legt ons levensverhaal niet naast het verhaal van Jezus. Het is ook geen Boek vol voorbeelden waaraan wij ons kunnen spiegelen. Iedere bladzijde van de Bijbel gaat over de Here Jezus. Hoe Hij beloofd werd en afgebeeld in allerlei tekenen. Hoe Hij in de wereld kwam om voor ons te lijden en te sterven. En hoe Hij naar de hemel is gegaan om daar voor ons bezig te zijn tot op de dag dat Hij terugkomt. Ook als we in de preek veel mee krijgen van de heilsgeschiedenis, dan staat niet het verhaal, maar ons Heil, onze Heiland Zelf centraal. Verhalende prediking is armzalig. Het is eigenlijk helemaal geen prediking. Het wezen van prediking is en blijft het Woord van God brengen. Met de genade van de Here Jezus: “Mijn juk is zacht en Mijn last is licht”. Maar ook met Zijn waarschuwingen die ons proberen te trekken: “Wie niet voor Mij is, die is tegen Mij”. 

 

Stelling B4

Christus’ gebruik van gelijkenissen en raadselspreuken was geen voorbeeldige aanpassing aan de tijdgeest, maar een oordeel over afkerigheid en ongeloof (Mattheüs 13: 10-17).

 

Is verhalende prediking armzalig? De Here Jezus vertelde toch vaak Zelf gelijkenissen? Zijn onderwijs was van gelijkenissen doorspekt!

 

Die tegenwerping volgt vaak op de stelling dat narratieve, verhalende prediking voorbij gaat aan het wezen van de prediking. Paste Christus Zich niet aan bij de leefwereld en de denk- en redeneertrant van Zijn tijdgenoten? Maar lees dan eens Mattheüs 13: 10-17:

 

“En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zeide: “Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.”  

 

De gelijkenissen die de Here Jezus vertelde, hielden het oordeel van God in over mensen die niet wilden luisteren. Door hun ongeloof ging Christus is gelijkenissen spreken, zodat alleen de mensen die werkelijk in Hem geloofden – en Hem niet alleen maar achterna liepen vanwege de wonderen die Hij deed – het Evangelie van het Koninkrijk zouden begrijpen. Die situatie en die specifieke reden van de Here Jezus om in gelijkenissen te gaan spreken, mag niet zomaar model staan voor de manier waarop predikanten het Evangelie moeten voorhouden aan de nieuwtestamentische gemeente.

 

Stelling B5

Ook christenen in de 21e eeuw moeten niet wijzer willen zijn dan God, die Zijn christenen niet door stomme beelden (zoals posters, toneel en voorwerpen tijdens de preek), maar door de levende verkondiging van Zijn Woord wil laten onderwijzen (vraag & antwoord 98 HC).

 

In de prediking moet Christus Zelf centraal gesteld worden. Dan is het pas echt Woord-verkondiging, omdat de Here Jezus het Woord van God is. Jezus Christus leeft en als Hij gepredikt wordt, dan is dat “levende verkondiging”, zoals de Heidelbergse Cathechismus het zegt. Daar stond in de tijd van de Reformatie de praktijk van de Roomse kerk lijnrecht tegenover. De preek was voor de leken (en daarmee voor verreweg de meeste mensen) onverstaanbaar. Daarom werden zij door de clerus verwezen naar beelden. Beelden van heiligen en beelden van hun leven. Beelden van Maria, van Jezus en van Zijn lijdensweg. Het “verhaal van Jezus” werd de leken ingeprent door schilderijen, gebrandschilderde ramen en beeldhouwwerken. Dat lijkt “het verhaal van Jezus” dichterbij ons leven te halen. Maar het is dode uitbeelding. De Heidelbergse Cathechismus zet daar de verkondiging van Gods Woord, dat is van de levende Christus, tegenover: “Wij moeten niet wijzer zijn dan God, die zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen.”

 

Stomme beelden nemen veel vormen aan. Het kunnen stomme vóórbeelden zijn. Bijvoorbeeld als een predikant het Evangelie wil inkapselen in een verzonnen verhaal. De stelling noemt posters, toneel en voorwerpen tijdens de preek. Kunnen die niet ‘onderwijzen’? Ja, dat kan. Maar het is een zwaktebod, net als de stomme beelden uit de tijd van de Reformatie. Waar prediking zwak en – om zo te zeggen – ‘minder levend’ wordt, rukken de beelden en andere visuele middelen op.Maar het geloof is uit het horen naar Jezus Christus, het Woord van God. Het geloof wordt door de Heilige Geest gewerkt met de prediking als eerste middel en de bediening van de sacramenten als versterking. Het zijn de middelen die God Zelf heeft gekozen om ons te onderwijzen. Gebruiken we die middelen ten volle of schuiven we ze aan de kant omdat we wijzer willen zijn dan God?

 

Stelling B6

Als alle toehoorders beseffen dat het Gods bijzondere zorg voor ons is, dat Hij tot ons spreekt door de dienst van gewone mensen, wordt veel onterechte kritiek op de preken uitgebannen.

 

Door prediking waarin Christus centraal staat, wordt ons geloof gebouwd. De prediking is het voornaamste middel van de Heilige Geest, waardoor Hij ons het geloof geeft. Dat belijden wij in Zondag 25 van de Heidelbergse Cathechismus. Op de vraag waar het geloof vandaan komt, luidt het antwoord: “Van de Heilige Geest, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie en het verstrekt door het gebruik van de sacramenten.”

 

Ons geloof rust dus op kracht van God: de Heilige Geest geeft ons geloof door het middel van de verkondiging. Maar de mensen die verkondigen, zijn gewone mensen. Mensen, die fouten maken en zondig zijn. Staat dat de kracht van God niet in de weg. Wordt de glans van het “heilig evangelie” niet doffer doordat zondige mensen dat evangelie verkondigen?

Paulus zegt juist dat het goed is dat gewone mensen – “niet waardiger dan wijzelf”, zoals de stelling zegt – het “getuigenis van God” brengen. Paulus (een apostel die rechtstreeks door de Here Jezus was aangesteld als apostel!) zegt het van zijn eigen prediking: “Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht,…” (en dan komt het!) “…opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God”(1 Corinthiërs 2: 3-5)

 

Juist het feit dat gewone mensen predikant zijn en het Woord van God brengen, zorgt ervoor dat ons geloof rust op kracht van God, op het werk van de Heilige Geest. Het evangelie is geen indrukwekkend filosofisch verhaal dat ons mee kan slepen als het door een knappe redenaar wordt uitgewerkt en toegelicht. Het is het evangelie van Christus dat door zwakke mensen wordt gebracht. De kracht is niet in de mensen, maar in het werk van de Heilige Geest. Dat zet de manier waarop we tegen de preek en de predikant aankijken in een ander daglicht.

 

Stelling B7

Als elke predikant steeds beseft dat hij preekt, niet vanwege zijn waardigheid of inzicht, maar slechts in Gods opdracht, zou hij veel terechte kritiek op de preken uitbannen.

 

Deze stelling is de andere kant van de voorgaande stelling. Kritiek op de prediking komt los als mensen niet meer beseffen dat ze het over het werk van de Heilige Geest hebben. Dat is de kern van de vorige stelling. Maar een predikant kan ook aanleiding geven tot kritiek op de prediking. Dat gebeurt naarmate hij zelf meer de boventoon voert. Het naar voren brengen van eigen inzichten en het gebruik van hulpmiddelen die de aandacht sterk op de predikant richten, zijn funest voor een goed zicht op de prediking. De gemeente gaat dan denken dat kracht en wijsheid van mensen de preek maakt of breekt. Hoe meer een predikant zichzelf naar voren brengt in plaats van Christus, hoe meer kritiek er komt op de prediking en hoe meer verdeeldheid er ontstaat. Paulus was blij dat hij niet met “meeslepende woorden van wijsheid” (1 Corinthiërs 2: 4) was gekomen. Had hij dat wel gedaan, dan was het geloof van de gemeente van Corinthe gebouwd op “wijsheid van mensen”. Wijsheid van mensen bevat fouten en roept kritiek op. Maar het evangelie van de Here Jezus brengt eenheid in de gemeente.

 

Stelling B8

De prediking moet ook toerusting zijn en moet daarom de gelovigen ook onderwijzen in het zelfstandig leren argumenteren vanuit de Bijbel. Exegese hoort thuis op de kansel en is geen keukengeheim van de theologen.

 

Met “toerusting” wordt in deze stelling bedoeld dat een dominee de gemeenteleden tools in handen geven om mee aan de slag te kunnen gaan. In het dagelijkse leven moet je zèlf wat kunnen met de beloften, de richtlijnen en de geboden die God ons geeft.

“Exegese” is een ander woord voor het uitleggen van de Bijbel. 

 

Waarom is exegese nu zo belangrijk voor onze toerusting? In een preek kun je de uitleg van een Bijbelgedeelte onderscheiden van de toepassing ervan. Als de dominee preekt over een waarschuwing van een profeet voor het volk Israël dan is eerst vaak een stuk exegese, uitleg van de tekst nodig. Maar Daarna trekt de predikant die lijn door naar onze situatie. Want God heeft Zijn Woord aan ons gegeven om er in onze situatie ons geloof mee op te bouwen.

Ook als de uitleg van de tekst en de toepassing ervan niet zo precies na elkaar komen, maar door elkaar heen lopen in de preek, blijven het twee belangrijke onderdelen.

 

In de stelling wordt de aandacht gevraagd voor de exegese. Dat moet geen “keukengeheim” zijn. Predikanten moeten niet voortdurend de gemeente een bepaalde tekst-uitleg voorhouden die verder helemaal niet toegelicht of onderbouwd wordt. Argumenten om dat wèl te doen, zijn er trouwens genoeg. Exegese vraagt inspanning en is niet altijd begrijpelijk voor kinderen. De predikant kan de uitleg baseren op de grondtekst. Misschien zijn er aanwijzingen uit de archeologie die van belang zijn.

 

Toch is het van belang dat de gemeente weet waarom de predikant kiest voor een bepaalde uitleg. Simpelweg omdat die kennis het vermogen geeft om ook zelf beter de Bijbel toe te passen en te begrijpen. Als gelovigen voor de uitleg van de Bijbel steeds afhankelijk zijn van onuitgesproken principes die de predikant hanteert bij het maken van de preek, dan is dat gevaarlijk. De gelovigen zijn dan steeds minder zelfstandig. In het uiterste geval worden ze leken: onkundige mensen die een exegese moeten aannemen, maar niet hoeven te begrijpen. “Zelfstandig leren argumenteren vanuit de Bijbel” – daar kun je wat mee in het dagelijks leven!

 

Liturgie

 

Stelling C1

De ware eredienst wordt niet gekenmerkt door aanpassing aan de eigen tijd en cultuur, maar eerder door een radicale tegenstelling daarmee.

 

In de stelling wordt een vergelijking gemaakt tussen de tijd en de cultuur waarin wij leven enerzijds en de (inrichting van de) eredienst. Eigenlijk maken we die vergelijking allemaal wel eens. Je denkt aan iemand die je zou willen meenemen naar de kerk en dan denk je er meteen bij: wat zou diegene vinden van de dienst? Soms spreken we van een drempel: de inrichting van de eredienst past niet bij deze tijd. Houdt het mensen niet buiten de kerk? Moeten we ons niet aanpassen?

 

Die laatste vraag brengt ons bij de verhouding tussen kerk en wereld. Tussen het volk van de HERE en de mensen die Hem niet kennen. “Hen die buiten zijn”, noemt Paulus de ongelovigen in verschillende van zijn brieven. En dan spelen er vaak twee elementen een rol.

 

Aan de ene kant wil de wereld God niet kennen. Zijn gezag wordt niet geaccepteerd. Zijn woorden worden niet geloofd. Juist daarom kijken ongelovigen op een andere manier naar de eredienst. En soms kijken wij met hen mee. Dan vergeten we dat God Zelf een tegenstelling heeft gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen. De antithese. Aan de gelovigen heeft de HERE Zich bekend gemaakt. Daarom weten zij hoe belangrijk die ‘saaie’ preek is. Dat de Heilige Geest er gebruik van maakt om het geloof te geven aan mensen! En ook alleen uit de Bijbel begrijpen een aanvaarden wij de heiligheid van de sacramenten. Qua teken zijn die niet schokkend. Water, brood, wijn – hele gewone dingen. Maar we krijgen daardoor wel ècht deel aan Gods beloften!

 

Aan de andere kant lijkt de wereld verder te zijn op cultureel gebied. Ook dat is niet nieuw. De zonen van Lamech (Genesis 4: 18-26) waren meesters op het gebied van muziek, bouwkunst en metaalbewerking. Zij beheersten de wereldse cultuur toen de gelovigen eenvoudig de naam van de HERE begonnen aan te roepen. Prof. K. Schilder heeft die tegenstelling op een indrukwekkende manier beschreven in zijn boek Christus en Cultuur.

 

De cultuur van de wereld zal nooit de cultuur van de kerk worden. En andersom. Onnodige drempels in de liturgie moeten we wegruimen. Voor elkaar en voor anderen. Om ruim baan te geven aan het Evangelie. Maar de eredienst aanpassen aan de cultuur van onze tijd kan nooit. Dan onderscheidt de kerk zich niet meer van de wereld. Dan worden de middelen aan de kant geschoven die de Heilige Geest gebruiken wil. En dan negeren we het gezag van Christus die Zelf de verkondiging van het Evangelie centraal heeft willen stellen: luisteren naar God is de mooiste eredienst.

 

Stelling C2

Paulus waarneming in I Korintiers 14: 26 (“Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets”) is geen voorschrift ter navolging, maar aanleiding tot correctie: “twee, ten hoogste drie” (14: 27 en 29). De gereformeerde praktijk met meestal één voorganger verdraagt zich hier goed mee.

 

“Hoe staat het dan, broeders? Tekens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting geschieden. Indien er in tongen spreken, laten het er twee, hooguit drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat één uitleg geven. Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen in de gemeente, maar tot zichzelf en tot God spreken. Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen. Want gij kunt allen één voor één profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen. En de geesten der profetie zijn aan de profeten onderworpen, want God is geen God van wanorde, maar van vrede.”(1 Korinthiërs 14: 26-33).

 

Stelling C3

De ontwerpers van de gereformeerde liturgie die de zegen als laatste onderdeel in de liturgie plaatsten, gaven daarmee aan God het laatste woord in de kerkdienst. Zij vertoonden daarin meer stijl en fijngevoeligheid dan hen die daarna nog de gemeente ‘amen’ willen laten zeggen of zingen.

 

Geen toelichting

 

Liederen

 

Stelling D1

Als de Gereformeerde Kerken gekenmerkt werden door de houding van de Joden in Beréa (Handelingen 17: 11), zou het Liedboek voor de Kerken niet geïntroduceerd zijn.

 

In Handelingen 17: 1-14 lezen we van Paulus die achtereenvolgens in Thessalonica en in Beréa het evangelie verkondigde. Hij deed dat in beide gevallen allereerst aan de Joden, in de synagoge. En hij deed het ook op dezelfde manier: door uit de Schrift te bewijzen dat de Here Jezus de Christus, de beloofde Messias is.

Maar de houding van de Joden in Thessalonica is radicaal anders dan die van de Joden in Beréa. In Thessalonica komen wel Joden tot geloof, maar als er veel niet-Joden gaan geloven, stoppen de Joden in Thessalonica met het luisteren naar de Schrift. Ze veroorzaken een oproer en hopen zo van Paulus af te komen.

In Beréa nemen de Joden echter een hele andere houding aan: “dezen onderscheidden zich gunstig van die te Thessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren.” (Handelingen 17: 11).

 

Dat laatste is een sterk wapen voor alle mensen die (beginnen te) geloven: wat er gezegd wordt toetsen aan de Schrift. Het was niet onduidelijk of het waar was wat Paulus en Silas verkondigden. Dat stond al lang in de Schrift. En ook voor ons is het niet vaag of het waar is wat er in een preek, een boek, een artikel, een gedicht, een psalmberijming, een lied of een gezang naar voren wordt gebracht. Het staat al lang in de Bijbel.

 

De vraag is alleen of wij persoonlijk onze verantwoordelijkheid nemen om liederen en gezangen – want daar gaat het in de stelling over – te toetsen aan het Woord van God. Wij (als gemeenteleden) zijn het die zingen. Wij zijn het ook die de Bijbel hebben gekregen om zo te kunnen nagaan of het waar is wat er in het Liedboek staat. Omdat we met elkaar die inspanning te weinig hebben geleverd, heeft het deputaatschap vrij spel gehad. Tegenwoordig vinden sommige broeders en zusters het al vreemd als gemeenteleden zelf gaan toetsen. Dat heeft het deputaatschap toch al gedaan? En ook de synode nog eens een keer? Maar dan is de houding van de Joden van Beréa, die zelf dagelijks de Schriften nagingen, ver weg. En dan is het ook niet verbazend dat er zo weinig kritiek komt op een vrijzinnige bundel liederen.

 

Stelling D2

Kerkliederen die ‘ook bijbels geïnterpreteerd kunnen worden’ selecteren voor de eredienst is zoiets als waardeloze cadeaus meenemen naar een schitterend feest.

 

Het Liedboek voor de Kerken is een project geweest van veel verschillende kerkgenootschappen. Als je het Ten Geleide leest in de proefbundel (pagina IX), dan zie je dat in één oogopslag: de evangelisch-luthersen, de synodalen en de doopsgezinden werkten samen aan het Liedboek. Zelfs de vrijzinnige remonstranten konden meedoen. De Interkerkelijke Stichting voor het Liedboek was daar natuurlijk erg blij mee. Toch was er nog een domper, zo lezen we in de verantwoording (vanaf pagina X). Weliswaar hadden ‘rechtzinnige’ en vrijzinnige protestanten elkaar gevonden. “Evenwel wordt onze vreugde hierover enigszins getemperd door de wetenschap dat niet àlle reformatorische kerken aan de uit gave van dit Liedboek deelnamen. Ook de Rooms-Katholieke Kerk meende, dat het nog niet de tijd was om officieel deel te nemen, maar het stemt tot blijdschap, dat enkele roomskatholieke dichters en componisten een belangrijke bijdrage hebben geleverd.”

 

Een logisch gevolg van de samenwerking was dat liederen een brede strekking moesten hebben. De dichters hebben daarom geprobeerd liederen te maken die zowel voor gereformeerde als voor vrijzinnige mensen geen bezwaren opleverden. Veel teksten zijn bewust voor meerdere uitleg vatbaar.

 

Ondertussen hebben de dichters hun eigen standpunt niet opzij gezet.Veel liederen hebben dus duidelijk een vrijzinnige ondertoon. Als je ze wilt zingen als liederen met een goede inhoud, dan moet je er eerst een draai aan geven. Je moet de teksten op een bepaalde, soms ronduit gekunstelde manier interpreteren in de richting van de Bijbel. Voor onze deputaten en onze synode is dit kennelijk geen probleem. Als een lied maar bijbels geïnterpreteerd kàn worden… dan is het niet zo erg dat er iets staat dat niet in orde is. En natuurlijk is zo’n interpretatie mogelijk. Daar hebben de dichters nu juist zo hun best voor gedaan!

 

De stelling verbindt deze kenmerken van het Liedboek met het karakter van de eredienst. De eredienst is een feest. Een feest voor de HERE. En Hij Zelf wil dat wij daar aandacht aan besteden. Lees daar eens de voorschriften over voor de dienst in de tabernakel (Exodus 25 en de hoofdstukken daarna)! Met alle aandacht voor liturgie hebben we in de Gereformeerde Kerken ‘prullen’ geselecteerd voor het feest op de dag van de HERE. Liederen die je met wat moeite nog wel zo kunt zingen dat ze kloppen met wat God ons heeft geopenbaard. Staat Zijn Woord nu echt centraal in de eredienst of gaat het erom dat wij lekker veel en ‘breed’ kunnen zingen?

 

Stelling D3

De “grote schat aan liederen uit de kerk der eeuwen” bestaat nauwelijks: om taalkundige redenen is deze vrijwel beperkt tot het nederlands na 1800; na aftrek van slechte kwaliteit, vrijzinnigheid, subjectivisme en andere dwaling, blijft er maar weinig keus over.

 

Voorstanders van het Liedboek voor de Kerken schermen voortdurend met het verschil tussen de weinige gezangen uit ons Gereformeerd Kerkboek en de vele liederen “uit de schat van de kerk der eeuwen”. Zijn we niet vrijwillig arm? Zijn er in de kerk niet eeuwenlang liederen gemaakt? Wat doen we dan met die “grote schat”?

 

De vraag is dan wel wat die “kerk der eeuwen” is. Kennelijk vallen daar ook de kerkgenootschappen onder die het Liedboek voor de Kerken hebben samengesteld. In de “kerk der eeuwen” is nogal wat dwaling geweest. En eerlijk gezegd zijn de meeste bundels met gezangen opgesteld in een tijd dat het in de kerk hard hollend achteruitging. Zoals in de tijd voor de Afscheiding, de zestiger jaren van de vorige eeuw en… in onze tijd. Veel liederen richten zich op de mens (“subjectivisme” noemt de stelling dat) of zijn Schriftkritisch. Vrijzinnigheid en (andere) dwalingen komen in veel liederen voor. En onder de liederen die overblijven, zijn er veel die sterk verouderd zijn qua taalgebruik.

 

Wat is de “grote schat aan liederen van de kerk der eeuwen” eigenlijk? Laten we eerlijk wezen: die schat is er best. Denk eerst maar aan de Psalmen: die zijn ons gegeven om God te loven met Zijn eigen Woord. Maar denk ook aan de dichters in de Gereformeerde Kerken. Denk aan de selectie van Bijbel-liederen van de christelijke gereformeerden. De schat is er wel. Maar groot is die schat helaas niet. Er zijn veel meer liederen die onbruikbaar zijn, dan die bruikbaar zijn. Logisch: er zijn ook veel meer vrijzinnigen dan gelovigen. Dat moet ons enerzijds een kritische (want realistische) houding geven. Maar anderzijds mogen we dan ook dankbaar de liederen zingen waarmee we God ècht kunnen prijzen. Waarbij de Psalmen weer voorop staan.    

 

Stelling D4

Beter met een volksmelodie God met Zijn Woord prijzen, dan met een prelude je eigen dichterlijke vrijheid opeisen.

 

Moeten liederen die in de eredienst gezongen worden aan andere voorwaarden voldoen dan liederen die we zo eens thuis zingen? Heeft de aard van de eredienst gevolgen voor de manier van zingen? Zo maar twee vragen waarover een heleboel te zeggen zou zijn. Maar één ding is duidelijk: de eredienst heeft een heel ander karakter dan andere gelegenheden waarbij mensen samenkomen. De eredienst is namelijk een ontmoeting tussen de HERE en Zijn (verbonds)volk. Dat stelt eisen aan alle onderdelen van de dienst, ook aan de liederen.

 

De stelling gaat daarbij in op een ontwikkeling die we breder zien in het kerkelijk leven, maar die ook juist in de eredienst zichtbaar is, namelijk professionalisering. Denk maar aan het verschijnsel cantorij. Dan gaat het over de manier waarop gezongen wordt. Maar ook de muziek en de liederen moeten professioneler. Er is beweging op de lijn van de samenzang (waaraan de hele gemeente deelneemt) naar het concert (waar bijna iedereen naar luistert – applaus achteraf). Op diezelfde lijn staat de volksmelodie aan de ene kant en de professionele prelude aan de andere kant. Een prelude klinkt natuurlijk beter dan een volksmelodie. Maar tijdens de ontmoeting van de HERE en Zijn volk is een volksmelodie toch mooier en beter dan een optreden van professionals.

 

Kinderen

 

Stelling E1

In de kerkdienst zoekt God zijn volk. Er mag geen dienst naast deze dienst zijn, ook geen kindernevendienst.

 

Omdat de eredienst een ontmoeting is tussen de HERE en Zijn verbondsvolk, komt er op zondag een gemeente samen. Niet een groep individuen. Ook niet een combinatie van een aantal subgroepen (kinderen, ouderen, jongeren, gehandicapten enz.), maar een gemeente die juist met alle variatie één is in (het geloof in) Christus. Zo staat het ook in de Kerkorde, artikel 65: “De kerkeraad zal de gemeente op de dag des Heren tweemaal samenroepen voor de eredienst”. Het is onmogelijk dat een kerkeraad toestemming verleent voor of zelfs meewerkt aan diensten naast deze eredienst. Niet alleen omdat zoiets tegen de Kerkorde ingaat (dat ook), maar vooral omdat de kerkeraad dat recht niet heeft. Kerkeraden en ouders hebben niet het recht kinderen te onttrekken aan de gemeente van de Here Jezus, als die samenkomt om het Evangelie te horen en daarop dankbaar te reageren. Want het is Christus Zelf die via de kerkeraad de gemeente samenroept. Hij heeft ambtsdragers aangesteld om de gemeente te regeren. Door de Heilige Geest en door het Woord van God regeert Hij de gemeente.

Naast de eredienst mag er daarom geen kindernevendienst zijn. Als de Here Jezus de gemeente samenroept, welke ouder(ling) durft dan een groep daarvan uit te sluiten? “Kinderen horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente. Ook worden aan hen evenals aan de volwassenen, door het bloed van Christus, verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd.” Dat belijden we samen in Zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus. In de verkondiging van het Evangelie staan – als het goed is – de beloften centraal die daarin genoemd worden: de verlossing van de zonden en de Heilige Geest.

In de preek wordt ook de verzoening bediend. Gods Woord wordt uitgelegd en er klinkt een oproep tot bekering en tot geloof. Als een ambtsdrager dat doet, dan doet hij dat namens Christus Zelf. Dat is echt wat anders dan een Bijbelverhaal dat tijdens een kindernevendienst verteld wordt! De beloften van het Evangelie zijn evengoed voor de kinderen als voor de volwassenen. Daarom mogen we beide ‘groepen’ niet afschepen met een leerzaam verhaal. De verkondiging van het Evangelie en de bediening van de verzoening hebben we allemaal nodig. Daarom geen kindernevendienst. Anders blijven onze mooie woorden over het verbond, over de kinderdoop en over de gemeente waar ook de kinderen bij horen, lege klanken.

 

Stelling E2

Leren luisteren bevordert het concentratievermogen en het taalbegrip. Door te luisteren leren kinderen het eigen belang opzij zetten, eerbiedig te zijn en zich te beheersen.

 

Vaak hoor je dat kinderen niets hebben aan een preek, als ze er weinig van begrijpen. Dat leidt dan vaak tot het pleidooi voor een kindernevendienst. Jammer aan die argumentatie is allereerst dat het kind centraal staat. Terwijl we voor de inrichting van de eredienst – ook als het gaat om kinderen – moeten beginnen bij wat God Zelf zegt over de gemeente als over Zijn verbondsvolk. We moeten niet bij de kinderen beginnen, maar bij de Heer van de gemeente.

 

En dan geldt voor alle mensen in de kerk hetzelfde: van nature willen wij niet naar God luisteren. We houden niet van het Evangelie, we brengen het van onszelf niet op om naar de kerk te gaan en te luisteren en God te eren. We zijn niet eerbiedig, we beheersen ons niet, we zetten ons belang niet opzij. Dat moeten we allemaal leren door de Heilige Geest als Hij met ons bezig is om ons te veranderen van ongehoorzame mensen naar gehoorzame kinderen.

 

Maar gelukkig werkt de Heilige Geest ook in ons hart. In de eerste plaats door de verkondiging van het Evangelie. Dat geldt ook voor kinderen, zoals in de volgende stelling naar voren komt. Maar er moet wel iets gebeuren. We moeten eerbied leren voor God en voor Zijn Woord. Concentratievermogen is daarbij niet onbelangrijk in een beeldcultuur. En zelfs voor volwassenen is het niet altijd gemakkelijk wat er gezegd wordt. Sommige onderdelen van het Evangelie zijn zelfs voor ons allemaal onbegrijpelijk – we kunnen die onderdelen alleen gelovig aanvaarden.

 

Daarom valt er voor jong en oud heel wat te leren tijdens de eredienst. Zonder eerbiedig te luisteren, begrijpt niemand iets van wat God zegt. Daarom leren ook kinderen heel wat van de preek en van de andere onderdelen van de eredienst. Ze leren eerbiedig te zijn. Ze zien volwassenen stil worden en eerbiedig luisteren. Ze leren te luisteren en op te letten. Ouders kunnen daarbij helpen, bijvoorbeeld door kinderen woorden te laten opschrijven en daar thuis op terug te komen. Als we kinderen uit de eredienst halen omdat ze de preek niet begrijpen, dan sluiten we aan bij wat de mens graag wil en niet wil. Maar het doel van de opvoeding is toch juist dat kinderen naar God gaan luisteren – ook als dat moeilijk is?

 

Stelling E3

Ook voor kinderen geldt vraag en antwoord 65 van de Heidelbergse Catechismus. Daarom krijgen ze stenen voor brood als ze met een kindernevendienst worden afgescheept.

 

Waar komt het geloof vandaan? Dat is een belangrijke vraag als we bedenken dat we alleen door het geloof de resultaten van het werk van de Here Jezus ontvangen. Het antwoord is in Zondag 25 van de Heidelbergse Catechismus: “Van de Heilige Geest, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie en het versterkt door het gebruik van de sacramenten.” De verkondiging van het Evangelie is dus het belangrijkste middel van de Heilige Geest om het geloof aan ons te geven en het vervolgens te laten groeien. Daarom heeft de Here Jezus door de apostelen ambtsdragers aan de gemeente gegeven. En nog steeds geeft hij die. Door de ouderlingen (waaronder de predikant) wordt in de kerk en tijdens de huisbezoeken het Evangelie verkondigd. Dat is wat anders dan dat er wat over het geloof wordt verteld. De stellingen over de prediking gaan er verder op in, maar het belangrijkste is wel dat de ouderlingen gezaghebbend oproepen tot geloof en bekering – en dat vanuit de uitleg van Gods Woord.

 

De verkondiging is voor heel de gemeente het middel waarmee de Heilige Geest het geloof werkt. In de preek horen we beloften en vermaningen. Diezelfde beloften zijn er ook voor de kinderen. Aan hen wordt evengoed beloofd dat er vergeving van zonden is door het geloof in de Here Jezus. Daarom is de verkondiging van het Evangelie ook voor hen van levensbelang.

 

Stelling E4

Dat de kinderen een behoorlijk deel van de preek niet begrijpen, hoeft niet te betekenen dat zij niet in de eredienst thuis horen. Paulus wist ook dat er kinderen in de kerk waren (gezien het feit dat hij hen direct aanspreekt: Efeze 6: 1 en Kolossenzen 3: 20) en toch zijn zijn brieven niet bepaald van kinderlijk niveau. Paulus’ ideaal was niet om zijn hoorders melk voor te zetten (1 Korinthiërs 3: 1 en 2).

 

Dat Paulus geen gemakkelijke brieven schreef, wist Petrus al. “Daarin is een en ander moeilijk te verstaan”, schrijft hij in 2 Petrus 3: 16. Toch werden de brieven van Paulus aan de hele gemeente voorgelezen. In de Brief aan de Colossenzen dringt Paulus daar ook op aan: “En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorg dan dat hij ook in de gemeente te Laodicéa voorgelezen wordt en dat ook gij die van Laodicéa u laat voorlezen.” (Colossenzen 4: 16)

 

De kinderen, die evengoed als de volwassenen bij de gemeente horen, kregen van Paulus dezelfde brief. Wel gaf hij hen in hun situatie ook bijzondere aandacht. De teksten uit de stelling zijn daar voorbeelden van: “Kinderen gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is welbehagelijk in de Here.” (Colossenzen 3: 20) En: “Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam [in de Here], want dat is recht.” (Efeze 6: 1)

 

Paulus kon eenvoudig schrijven en spreken als hij te maken had met mensen die nog weinig wisten van de HERE en van het geloof in Christus. Dat schrijft hij in 1 Korinthiërs 3: 1 en 2: “En ik, broeders, kon nog niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kon u nog niet verdragen.” Paulus betrekt het woord ‘vleselijk’ op het ontbreken van verandering bij de Korinthiërs. Met name de verdeeldheid onder hen geeft aan dat ze nog vleselijk zijn. Maar de onmondigheid en de vleselijkheid heeft ook te maken met een gebrek aan kennis en inzicht in het werk van God. Zo verklaren de kanttekeningen van de Statenvertaling de woorden “geestelijke” respectievelijk “vleselijke, onmondige” mensen. En ook het woord “melk”: daarmee bedoelt Paulus volgens de kanttekeningen “de eerste beginselen en fundamenten van de christelijke leer”.

 

Melk is soms nodig, maar het was niet Paulus’ ideaal. Hij wilde naar de vaste spijs toe. Vaste spijs voor de hele gemeente. Ook voor de kinderen.

 

Stelling E5

De meeste diensten zijn kindernevendiensten.

 

Waarom zouden kinderen bijvoorbeeld tijdens de preek uit de eredienst gehaald moeten worden? Omdat ze niet voldoende begrijpen van wat er tijdens de dienst gebeurd, zeggen voorstanders. En dat argument geldt met name voor de preek: die is toch in het algemeen veel te moeilijk voor kinderen?

 

Natuurlijk zullen kinderen niet alles begrijpen van wat er in de preek gezegd wordt. Die constatering was het uitgangspunt van stelling E4. Toch moet erbij gezegd worden dat de prediking de laatste jaren behoorlijk is aangepast aan het niveau van kinderen. Meer nog dan andere elementen van de eredienst! Niet alleen bevatten veel preken een apart gedeelte voor kinderen, in het algemeen dalen predikanten meer en meer af naar het kinderlijke niveau, om niet te zeggen: het kinder-achtige niveau. ‘Geloven als een kind’ lijkt soms wel te betekenen: kinderachtig spreken over het geloof. Waarom is er nog een kindernevendienst nodig? Wordt het geen tijd voor een volwassenen-nevendienst?

 

Rustdag

 

Stelling F1

Er staat weliswaar in de wet van de HERE: “zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij géén werk doen”. Maar volgens de Synode van Zuidhorn mag je ook gewoon wèl werk doen op de rustdag.

 

Gelden de Tien Geboden ook voor ons? Elke zondagochtend horen we in de kerk de wet van de HERE. Want die wet is ook op ons van toepassing. Als we die goede wet eerlijk naast ons leven leggen, dan is de conclusie onontkoombaar: we zijn zondige mensen en we hebben allemaal het werk van de Here Jezus nodig. Stel je voor dat de Tien Geboden helemaal niet voor ons bedoeld waren, maar bijvoorbeeld alleen voor de mensen in het Oude Testament! Dan was het toch vreemd en onnodig om die wet telkens weer te horen!? Maar we belijden het samen met Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus: de wet van de HERE is er ook voor ons. “Hoe luidt de wet van de HERE?” is de bekende vraag uit Zondag 34. In de Zondag daarvoor is namelijk gezegd dat we alleen goede werken kunnen doen als die “naar de wet van God” gedaan worden. En dan volgt een logisch vervolg-vraag: Hoe luidt (dan) die wet?

 

Het vreemde is dat de Synode van Zuidhorn inmiddels de benoeming van ouderlingen verdedigd, die zelf op zondag werken en anderen laten werken. Zij gaf steun aan een classis en PS om een uitspraak te mogen doen die verder ging dan Leusden. De classis Rotterdam mocht van Zuidhorn stellen dat de regel van zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen maar de zevende dag … dan zult gij geen werk doen”, niet meer voor de N.T. kerk hoeft te gelden. Zo wordt de scheppingsordinantie van zes dagen werken – één dag rust door deze uitspraak expliciet terzijde geschoven en de tekst van het vierde gebod als afgeschaft verklaard. Zuidhorn heeft het bezwaarschrift hiertegen verworpen en daarmee deze classisuitspraak toegestaan.

 

Een achterliggende redenatie om het woord hoeft te gebruiken ligt in het feit dat we tegenwoordig steeds meer compromissen over belangerijke bijbelse punten sluiten, dus waarom niet op dit punt, nietwaar? De synode zegt niet dat het verbod om te werken opgeheven is, maar het “hoeft” niet te gelden. Het mag, maar het moet niet. Alsof wij kunnen beslissen welke geboden van God wel en niet gehouden “hoeven” te worden! Het is een heel ernstige en droevige zaak als mensen die leiding geven in de kerken zulke besluiten innemen. Want als we de wet van God aan de kant zetten, dan zijn we er daarmee nog niet vanaf. Dan keert de wet zich tegen ons en dan worden wij veroordeeld.

 

Stelling F2

De ‘ontdekking’ van de synode in Zuidhorn dat je op zondag gewoon de bakkerij kunt laten doordraaien, omdat er altijd al twee meningen zijn geweest over de zondagsrust, is geen ontdekking maar zondige afval en eigenzinnige godsdienst.

 

De synode van Zuidhorn zegt aan te sluiten bij een vraagstuk dat al eeuwen onopgelost is gebleven. Is het rusten op zondag een gebod van God of is het een verstandige keuze van de christelijke kerk? Een paar jaar geleden werd er steeds op gewezen dat deze vraag natuurlijk geen gevolgen had voor de zondagsrust zelf. We zouden het met elkaar eens zijn dat die rust noodzakelijk is. Alleen over de grond daaronder zouden we van mening verschillen. Ook zonder gebod kunnen we wel blijven vechten voor het rusten op de zondag, werd er gezegd. Maar op de synode van Zuidhorn werd pijnlijk duidelijk hoe de kaarten lagen. De synode moest oordelen over een situatie van onnodig werken op zondag, waartegen een bezwaar was ingediend. En toen zei de synode dat Gods gebod niet “hoefde” te gelden voor de tijd van het Nieuwe Testament. Met dat argument kon het werken op zondag gewoon doorgaan.

 

Eén van de argumenten van de synode is dat er altijd al verschil van mening is geweest over de zondag en de zondagsrust. Voor dat argument moet het vierde gebod aan de kant. Het is wel opmerkelijk dat een historisch argument juist in deze tijd zoveel kan doen! Want als het gaat om allerlei vernieuwingen in de kerk, dan wordt een argument uit het verleden vaak weggelachen. Onterecht, want de Bijbel zegt zelf dat het Evangelie niet bij ons is begonnen en dat we alleen samen met alle heiligen (ook met onze broeders en zusters die al in de hemel zijn) het werk van God kunnen ontdekken. Het is God Zelf die in de geschiedenis werkt. Daar gaan we vaak aan voorbij. Maar nu opeens wordt de geschiedenis een argument om de wet van God aan de kant te zetten. Een flut-argument. Want de geschiedenis staat niet boven Gods Woord (artikel 7 NGB). En het is bovendien niet waar dat het verschil van mening ging over de vraag of je onnodig werk mocht doen op de zondag. Het ging om de vraag waar de verschuiving van de zaterdag-als-rustdag naar de zondag-als-rustdag op gegrond was!

 

Maar wie zich wil ontworstelen aan de klem van de wet van de HERE vindt altijd wel een argument.

 

Stelling F3

Wie speelt met de wet, verspeelt het Evangelie.

 

Dit is waarschijnlijk de oudste stelling die je op deze pagina vindt. Hij komt van prof. K. Schilder. Je kunt de stelling alleen begrijpen en beamen als je het verband ziet tussen de wet en de blijde boodschap. Vaak zien wij dat verband niet. De wet lijkt zwaar en donker en het Evangelie blij en licht. Maar toch kan het Evangelie niet zonder de wet. Andersom kan de wet trouwens ook niet zonder het Evangelie.

 

Door de wet weten wij hoe geweldig wij de Here Jezus nodig hebben. Door de wet zijn we blij met Zijn genade. Maar als we niet weten hoe zondig we zijn – voor wie is Christus dan gestorven? Voor mij?

 

Op deze pagina betrekken we de stelling van prof. Schilder op het vierde gebod. We lopen het gevaar om alleen naar het gebod en naar de wet zelf te kijken, als we het over de rustdag hebben. Mag je nou wel onnodig werk doen op zondag of niet? Maar zet het eens in het kader van het Evangelie. Als we morrelen aan de wet van de Here, dan verbleekt ook Gods goede boodschap. Allemaal hebben we – de een meer, de ander minder – te maken met de verleiding de zondag in te vullen met onze eigen bezigheden. Dat hangt nu eenmaal in de lucht. Hoe meer mensen aan die verleiding toegeven, hoe groter de verleiding voor anderen wordt.

 

Maar dan komt de keuze. Bekennen we schuld aan de HERE – voor onszelf en samen? Dat we het vierde gebod overtreden en Zijn dag steeds weer ontheiligen? Of zetten we het vierde gebod opzij en beweren we dat we – wat het overtreden van dat gebod betreft – niet zondigen? In het eerste geval zullen we de genade van onze Heiland duidelijk zien. Hij stierf voor onze zonden. Ook voor onze zonden tegen het vierde gebod. Maar als we beweren dat wij geen zonde hebben als we onnodig werk doen op de dag van de Here, dan verbleekt het Evangelie. Want dan hebben we Christus voor een deel niet meer nodig.

 

Stelling F4

Wie de kleine geboden niet eert, is het grote gebod niet weert.

 

Het was een wetgeleerde die vroeg naar het “grote gebod”. Het “grote en eerste gebod” – was het antwoord van de Here Jezus – is: “Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart, en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.” (Mattheüs 22: 34-40).

 

De stelling is natuurlijk een knipoog naar het spreekwoord “wie het kleine niet eert, is het grote niet weert”. Maar tegelijk sluit het aan bij de eenheid die er in de Bijbel is tussen het liefhebben van de Here enerzijds en het houden van Zijn geboden anderzijds. Johannes zegt het heel duidelijk in zijn eerste brief: “Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren”.

 

In onze tijd dreigen we een tegenstelling te creëren tussen het liefhebben van de Here en het houden van zijn geboden. Aan de liefde tot God en tot de naaste en vooral aan de goede ‘intenties’ van gelovigen hechten we veel waarde. Maar wie aandacht vraagt voor de concrete geboden van de HERE wordt al snel van ‘wetticisme’ beschuldigd. Nadenken over christelijke ethiek zit weer in de lift. Maar de rol van de geboden daarin wordt duidelijk kleiner.

 

Maar de Bijbel kent geen tegenstelling tussen het doen van Gods geboden en het liefhebben van de Here. Hoe kan zo’n tegenstelling ook bestaan als het liefhebben van God en van de naaste een samenvatting is van alle geboden van de Here? De Here Jezus Zelf zei tegen Zijn discipelen: “Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat ik u gebied.” (Johannes 15: 14) Dat is geen harde uitspraak. In het verzen erom heen wordt dat duidelijk. De Here Jezus heeft de discipelen uitgekozen. Zij zijn geen slaven meer, maar vrienden, omdat de Here Jezus hen bekend gemaakt heeft, wat Hij van de Vader gehoord heeft. Dàt moeten de discipelen in praktijk brengen. En daarbij komt dat de Here Jezus Zijn eigen leven heeft ingezet voor Zijn vrienden. In Zijn kracht kunnen we de geboden – die licht zijn en niet zwaar! – volbrengen. En waar we struikelen en vallen, daar vergeeft God onze zonde.

 

Als de liefde tot God en tot de naaste de samenvatting is van Gods geboden, dan moeten we die geboden niet minachten. “Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.” (Mattheüs 5: 19)

 

Stelling F5

Wie Exodus 20: 11 als een latere toevoeging van Mozes afdoet, speelt een spelletje met het geboomte van het leven (Openbaring 22: 19).

 

Exodus 20: 11 is een lastige Bijbeltekst, ook al horen we die vaak in de kerk. Het is de verklaring die de HERE aan Israël gegeven heeft als onderbouwing bij het vierde gebod, het gebod om op de rustdag het werk neer te leggen: “Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.”

 

Waarom is dit een lastige Bijbeltekst? Omdat er twee populaire ideeën mee in de grond worden geboord. De eerste gedachte is dat de hemel en de aarde niet in een week tijd geschapen zouden zijn. De andere gedachte is dat het rusten op de rustdag (de sabbatdag) behoort bij het Oude Testament. Maar heel duidelijk zegt de HERE Zelf (vergelijk het opschrift boven de wet: “Toen sprak God al deze woorden”) dat Hij de aarde in zes dagen gemaakt heeft. Dat Hij op de zevende dag gerust heeft van zijn werk. En dat Hij daarom de rustdag gezegend en geheiligd heeft. Zie ook Genesis 2: 3: “En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.” 

 

Meerdere keren is de suggestie naar voren gebracht dat Exodus 20: 11 een latere toevoeging van Mozes zou zijn. Deze suggestie is volkomen onjuist, omdat er nadrukkelijk boven de wet staat: “God sprak al deze woorden.” Maar het is ook een suggestie die tornt aan het gezag van de Schrift. Want ook als Mozes op gezag van de HERE de verklaring aan het gebod had toegevoegd, dan zouden die woorden gezaghebbend zijn. Voor de hele Bijbel geldt immers dat die “niet is voortgekomen uit de wil van een mens” (2 Petrus 1: 21). Wij mogen delen van de Bijbel niet aan de kant zetten door aanhalingstekens te verzinnen of door te suggereren dat het ‘slechts’ latere toevoegingen zijn van mensen. Door de dienst van Mozes zegt God het duidelijk tegen Israël: “Al wat ik u heden gebied, zult gij naarstig onderhouden, gij zult daaraan niet toedoen, noch daarvan afdoen.” (Deuteronomium 12: 32) En Johannes waarschuwt ons ook: “indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.” (Openbaring 22: 19) Met het geboomte van het leven moeten we geen spelletje spelen.Het is onze toekomst!

 

Echtscheiding

 

Stelling G1

Situaties van echtscheiding en/of hertrouwen die in het licht van het onderwijs van Jezus niet goed zijn, zijn volgens de synode alleen kerkelijk censuurabel wanneer we daartoe ook de vrijmoedigheid hebben. Christus Zelf geeft deze uitzondering echter niet in zijn onderwijs aan de discipelen.

 

De synode van Zuidhorn heeft onder meer besloten “uit te spreken dat de kerken tot aan de volgende generale synode gerechtigd zijn om bij een situatie van echtscheiding en/of hertrouwen die in het licht van het onderwijs van Jezus niet goed is, maar waarin tegelijk geen vrijmoedigheid bestaat tot kerkelijke censuur, over de desbetreffende situatie, indien mogelijk na overleg met de betrokkenen, vergezeld van een bescheiden toelichting en op een ingetogen manier, een openlijk oordeel te geven in het midden van de gemeente.” Kennelijk is het soms duidelijk dat er tucht geoefend moet worden, maar ontbreekt het toch aan “vrijmoedigheid” om die tucht ook daadwerkelijk toe te passen. Terwijl door de tucht de gelovigen die tegen Gods geboden ingaan juist geholpen worden, terug de goede (maar smalle) weg op. De Here Jezus is duidelijk over echtscheiding. Echtscheiding “om een andere reden dan ontucht” (Mattheüs 5: 32) verbiedt Hij. Waarom neemt de synode dan het uitgangspunt in de “vrijmoedigheid” die kerken (als een soort extra voorwaarde) zouden moeten hebben om de tucht al dan niet toe te passen? Juist in onze tijd, waarin het aantal echtscheidingen enorm toeneemt – met alle gevolgen daarvan – moet de synode duidelijk zijn en (alleen) de Bijbel laten spreken.

 

Stelling G2

Onder bepaalde omstandigheden lijkt het deputaten niet juist om een echtscheiding zonder meer “onder de wet te plaatsen”. Gods gebod daarentegen is heel duidelijk: wat God heeft samengevoegd, dat mag de mens niet scheiden.

 

Bij echtscheiding zien we vaak twee mensen of een heel gezin met veel verdriet. Het is goed daar aandacht voor te hebben. Toch kunnen we echtscheiding ook in een verkeerd daglicht zetten door alleen maar te letten op de verbroken relatie, het verdriet, de boosheid en de hulp die nodig is. Want het huwelijk wordt wel eens een ‘drievoudig snoer’ genoemd (vanuit Prediker 4: 12), in die zin dat het een verbond is tussen een man, een vrouw en de Here God. Maar dat betekent ook wat voor echtscheiding. Daar is God ook bij betrokken. Wat Hij Zelf heeft samengevoegd, mag de mens niet scheiden. En daarom is een kerkenraad die de tucht toepast niet bezig de situatie van echtscheiding “onder de wet te plaatsen”. Dat is een rare uitdrukking, want het huwelijk en ook echtscheiding vallen al lang onder de wet van God. En dat is juist geweldig want zo wordt de band tussen man en vrouw beschermd door de wijze bepalingen van onze Vader. Voor ons eigen bestwil en ons eigen geluk zegt Hij: “Wat Ik samengevoegd heb, mogen jullie als mensen niet scheiden”.

 

Kerkelijk leven

 

Stelling H1

Elke ambtsdrager die artikel 55 KO serieus neemt, heeft aan het Nederlands Dagblad een dagtaak.

 

In artikel 55 van de Kerkorde staat: “Voor het weren van valse leer en dwaling, die via lectuur en andere communicatiemiddelen het leven van de gemeente bedreigen, moeten de predikanten en de ouderlingen onderrichten, weerleggen, waarschuwen en vermanen, zowel in de prediking als bij het catechetisch onderwijs en het huisbezoek.”

 

In de stelling wordt een relatie gelegd tussen het Nederlands Dagblad en de taak die ambtsdragers hebben volgens artikel 55 van de Kerkorde. Het ND heeft een brede verspreiding onder vrijgemaakten. De krant heeft die brede verspreiding gehouden ondanks een wezenlijke verandering in de manier van omgaan met het nieuws. Het Nederlands Dagblad geeft sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw expliciet geen leiding meer aan de lezers. Ook – en dat houdt er verband mee – is de krant interkerkelijk geworden. Het gevolg van deze twee keuzes is dat het Nederlands Dagblad een soort platform is geworden. Allerlei meningen en opvattingen staan in de krant naast en door elkaar heen. Gereformeerde opvattingen naast evangelische, hervormde ideeën naast rooms-katholieke. Omdat het Nederlands Dagblad de interkerkelijkheid nodig heeft om als krant te blijven bestaan, biedt het aan al die standpunten een basis.

 

In artikel 55 van de Kerkorde staat nadrukkelijk dat valse leer en dwaling “het leven van de gemeente bedreigen”. Wie dag aan dag geconfronteerd wordt met allerlei ongereformeerde opvattingen, zal op den duur de invloed daarvan ondervinden. Misschien niet direct doordat die opvattingen overtuigen, maar wel doordat ze hun plaats claimen en krijgen.

 

Niemand eet bewust voedsel dat schadelijk is. Maar van de schadelijke invloed van een krant die ons – onder de naam ‘gereformeerd” – elke dag overspoelt met allerlei opvattingen van bedenkelijke inhoud, zijn we ons nauwelijks bewust. Welke opvattingen vinden wij inmiddels ‘normaal’ omdat we er zo vaak een verdediging van lezen?

 

We moeten in de eerste plaats onze eigen verantwoordelijkheid kennen: als lezers, als ouders en ook als ambtsdragers. Als wij samen de HERE willen dienen (Jozua 24: 15b), wat doen wij dan tegen de bedreiging van die dienst?

 

Stelling H2

De Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt, maar te vaak doorbreken mensen de grenzen die door de Geest zijn gemaakt.

 

“En de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt”. Dat is een bekende regel uit het al even bekende lied “Samen in de naam van Jezus” (Lied 168 uit de eerste E&R-bundel). Een mooie regel, want God de Heilige Geest breekt inderdaad door de grenzen heen die mensen maken. Hij doorbreekt het ongeloof. Hij verandert ons hart en onze wil. Hij geeft ons liefde tot God en liefde tot onze naaste. Vooral liefde voor onze broeders en zusters waarmee we één zijn in het geloof. Samen met hen heffen we, in de naam van de Here Jezus, een loflied aan tot eer van God.

 

Maar het bederf van het mooiste leidt tot het slechtste. Daarom moeten we ons afvragen hoe, wanneer en met wie we dit lied zingen. Niet met alle mensen komen we samen in de naam van de Here Jezus. Want Hij is het Woord van God. En helaas zijn er veel mensen die zich christen noemen, maat die toch het Woord van God aan de kant zetten, geheel of gedeeltelijk. Door één te zijn met zulke mensen, zetten we de eenheid tussen Christus en Gods Woord juist opzij.

 

Daarom zijn er grenzen. Daarom zijn er ook kerkgrenzen. Als die grenzen door mensen gemaakt worden binnen het volk waarvan de HERE wil dat het als één voor zijn Aangezicht komt, dan is er sprake van zonde en schuld. Maar de meeste kerkgrenzen zijn juist door de Heilige Geest getrokken. Om het volk van God te beschermen tegen dwaalleer en vrijzinnigheid. Als we die grenzen ter discussie stellen en ze proberen uit te wissen, dan is dat zondig mensenwerk. Laten we samen bidden of de Heilige Geest de grenzen wil doorbreken die door mensen zijn gemaakt. Maar laten we ook bidden of de Heilige Geest de grenzen van de kerk wil bewaren en bewaken, daar waar die grenzen door Hem Zelf gesteld zijn.

 

Stelling H3

Ook als een predikant onder een schuilnaam twijfels publiceert, komt hij in strijd met zijn ondertekeningsformulier.

 

Door een handtekening te zetten onder het ondertekeningsformulier beloven ouderlingen, diakenen, predikanten en docenten aan de Theologische Universiteit in Kampen om niets te leren dat tegen de Bijbel en de belijdenis ingaat. Dat is om verwarring in de kerk te voorkomen. Ambtsdragers zijn er om de opbouw van het Lichaam van Christus te dienen. Die taak mogen ze niet misbruiken om voor verwarring te zorgen. Daarom moeten ambtsdragers en ook docenten aan de TU beloven dat ze allen in de kerkelijke weg (via de kerkenraad, de classis en de synoden) hun vragen over onze belijdenis aan de orde zullen stellen. En dat ze niet openlijk een preek zullen houden of een boek of artikel zullen publiceren met twijfel over de waarheid van Gods Woord.

 

Henk Jasperse heeft dat toch gedaan. Hij brak zijn belofte en schreef een artikel waarmee hij zijn twijfel ronduit de kerken in stuurde. Het Nederlands Dagblad hielp een handje mee en voorzag de dominee van een schuilnaam, een pseudoniem. Dan kon hij tenminste zonder al te veel problemen zijn belofte breken en de kerken in verwarring brengen. Niemand weet wie Henk Jasperse is, niemand kan bezwaar maken, niemand weet of het misschien de eigen predikant is die met allerlei twijfels rondloopt. Misschien wordt dat wel nooit duidelijk. Blijft staan dat Henk Jasperse, óók onder een schuilnaam, zijn belangrijke belofte breekt.

 

Gods voorzienigheid

 

Stelling I1

Gods voorzienigheid is de kracht van God waardoor Hij alle dingen zó leidt dat de uitverkorenen de hemelse heerlijkheid bereiken.

 

Als wij spreken over Gods voorzienigheid is dat soms moeilijk, soms vertroostend, maar vaak blijft het een beetje mager. Dat laatste komt omdat we Gods voorzienigheid vaak koppelen aan de schepping en onderhouding van de wereld. En terecht, want daarmee heeft de voorzienigheid ook alles te maken. Niet voor niets staat Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus onder het kopje “God de Vader en onze schepping”.

 

De stelling wijst op het verband tussen Gods voorzienigheid en onze uitverkiezing en verlossing. Dat verband vergeten we vaak. En als we dat doen, duiken er twee problemen op. In de eerste plaats zien we de relatie tussen Gods Vaderhand en het werk van de Here Jezus niet meer. En in de tweede plaats wordt onduidelijk of en, zo ja, op welke manier Gods voorzienigheid voor gelovigen andere gevolgen heeft dan voor ongelovigen.

 

Maar Gods voorzienigheid heeft niet alleen met ons aardse leven te maken. Zelfs niet in de eerste plaats. Door alle aardse gebeurtenissen (eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede enz.) heen, vervult God Zijn beloften èn Zijn straffen. Mensen die Hij heeft uitgekozen, krijgen van Hem eten en drinken, kleren, vrienden en familieleden. Ze komen tot geloof. Hun ouders voeden hen christelijk op. Of ze komen op een andere manier in aanraking met het Evangelie. Dat ene gesprek, die ene vriend of vriendin. De HERE leidt alle dingen door Zijn voorzienigheid. Door al het geluk en verdriet van deze wereld heen bereiken de uitverkorenen de hemelse heerlijkheid. Dat is pas voorzienigheid!

 

Stelling I2

Wie de moeiten waarmee gelovige mensen geconfronteerd worden allereerst wijt aan het werk van de Satan, doet tekort aan Gods voorzienigheid.

 

Het moeilijke van Gods voorzienigheid ligt misschien wel in de woorden “alle dingen” uit Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus:

 

(vraag 27) “Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid?”

 

(antwoord 27) “De almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen.”

 

Als je in het antwoord alle ‘negatieve’ woorden onderstreept (droogte, onvruchtbare jaren, ziekte, armoede), dan lijkt de belijdenis van Gods voorzienigheid onbegrijpelijk te worden. Ook die moeilijke dingen komen uit Gods vaderhand! Wij zijn eerder geneigd ze te verbinden met onze zonde en met het werk van de Satan. Dat eerste is heel terecht, want als er geen zonde was, dan was er ook geen droogte, armoede, honger enz. Maar toch komt alles uit Gods vaderhand. Nooit is Satan de eerste. Hij staat niet naast de HERE, zelfs op geen stukken na. Als we steeds naar Satan  kijken, dan doen we tekort aan Gods almacht en ook aan Zijn voorzienigheid. Satan heeft geen zelfstandige rol en functie. Zelfs niet als het gaat om honger, armoede en verdriet. Ook al begrijpen we het niet: àlle dingen krijgen wij “tot ons heil” van onze Vader, óók de moeilijke gebeurtenissen.

 

Kerk en wereld

 

Stelling J1

Levende vissen zwemmen tegen de stroom in, dode vissen drijven met de stroom mee.

 

Geen toelichting