Omdat de kerk het eigendom van de Here Jezus is, die Hij
verkregen heeft door Zijn Zelfovergave, heeft Hij – maar dan ook alleen Hij –
alles over haar te zeggen.
Zoals ieder christen mag
weten en belijden dat hij of zij het eigendom is van Christus, zo mogen we dat
ook van de kerk zeggen. De kerk is namelijk de gemeenschap van alle heiligen
samen en zo het Lichaam van Christus. Niemand kan de plaats van Christus
innemen, ook niet diegenen die door Hem Zelf geroepen zijn als ambtsdragers.
Die ambtsdragers zijn dan toch nog altijd arbeiders in de wijngaard, die
vruchten moeten opbrengen aan de Eigenaar (Mattheüs 21: 41). Daarom geloven wij
met artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat “hoewel het nuttig en
goed is dat de regeerder van de kerk onderling een vaste orde instellen en
handhaven om het lichaam van de kerk in stand te houden, zij er zich toch voor
moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden
heeft.” Alleen de Here Jezus heeft het te zeggen. En daar mogen we blij mee
zijn! Want waar mensen vaak hard en gevoelloos zijn, daar weten we van de Here
Jezus dat Zijn juk zacht is en Zijn last licht (Mattheüs 11: 28-30).
Stelling A2
De Here Jezus zegt: “U bent mijn vrienden, indien u doet,
wat ik u gebied” (Johannes 15: 14) en: “Indien iemand Mij liefheeft zal hij
mijn woord bewaren” (Johannes 14: 23). Wie in de kerk (en daarbuiten) het woord
van de Here Jezus niet bewaart, heeft Hem niet lief.
Het gebod van de liefde
naar God en naar onze naaste toe, mogen wij niet uitspelen tegen de concrete
geboden van God. Dat blijkt heel duidelijk uit de Tien Geboden. Die concrete
leefregels zijn door de Here Jezus Zelf samengevat in het gebod van de liefde.
Vooral Johannes heeft vaak gewezen op de band tussen het houden van Gods
geboden en het liefhebben van Christus. Niet alleen in de teksten die in de
stelling genoemd worden, maar ook in zijn brieven. In 1 Johannes 3: 18 lezen
we: “Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar
met de daad en in waarheid.” Liefde tot Christus komt concreet uit in het
houden van Zijn geboden. Die geboden heeft de Here Jezus gegeven met betrekking
tot de kerk, Zijn lichaam. Johannes benadrukt vaak juist de broederliefde.
Daarin komt de liefde tot Christus uit. Zoals het ook in ons
Avondmaalsformulier staat: “Omdat Christus, onze geliefde Heiland, ons eerst zo
uitnemend heeft liefgehad, moeten wij ook elkaar liefde bewijzen en dat niet
alleen met woorden, maar ook door onze daden.”
De kerk is het Lichaam van Christus, maar de wereld is Zijn
rijksgebied. Daarom geldt ook buiten de kerk en voor alle mensen dat Christus
het te zeggen heeft. Wie op politiek en maatschappelijk terrein niets van Hem
wil weten, heeft Hem niet lief. Diegene is een van de burgers uit de gelijkenis
van de ponden, die Christus “haat” (!) en niet wil dat Hij Koning over hem of
haar wordt (Lucas 19: 14).
Stelling A3
Jezus Christus is het Woord van God. Daarom weet iedereen
die de Bijbel open doet wat Christus tot en over Zijn kerk te zeggen heeft.
Dat Jezus Christus het
Woord van God is, God Zelf en de Zoon van de Vader, belijden wij met artikel 10
van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Mozes zegt dat God de wereld heeft
geschapen, en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het
Woord, dat hij God noemt. De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon
geschapen heeft en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen
heeft. Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus
Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden.”
En de eerste zin van artikel 12 zegt heel verrassend dat “God door Zijn Woord “–
dat is door Zijn Zoon –” de hemel en de aarde en alle schepselen geschapen
heeft.”
Daarom is het ook niet vreemd dat de Bijbel overal – zowel
in het Oude als in het Nieuwe Testament – getuigt van Christus. Zelf zei de
Here Jezus tegen de Farizeeën dat de Schriften van Hem getuigen (Johannes 5:
39). Daarom kon Hij aan de Emmaüsgangers ook uitleggen “wat in al de Schriften
op Hem betrekking had” (Lucas 24: 27).
De Heilige Geest is van de Vader en de Zoon uitgegaan om
door de profeten tot ons te spreken. En Christus heeft ons de Heilige Geest
belooft zodat Hij ons in de nieuwtestamentische situatie te binnen zou brengen
alles wat Christus gezegd heeft. Wat de Here Jezus ons dus concreet zegt en
gebiedt, is niet ver weg, maar onder handbereik. Het ligt bij wijze van spreken
op ons nachtkastje.
Stelling A4
Als de Bijbel voor ons op bepaalde plaatsen onduidelijk is,
dan ligt dat niet aan de Bijbel, maar enerzijds aan onze zondige aard en
anderzijds aan de beperktheid van ons verstand.
Gods Woord is binnen
handbereik, maar God heeft ons ook niet opgezadeld met een onduidelijke
Boodschap. Tegenover de gedachte dat de Bijbel aanleiding zou geven tot
allerlei misverstanden en strijdpunten, belijden wij samen de volkomenheid van
Gods Woord: “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat
en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden. Daarin
heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen. Daarom is
het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren
dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift; zelfs niet een engel uit de
hemel”, zoals de apostel Paulus zegt (Galaten 1: 8). Het is verboden aan het
Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen (Deuteronomium 12: 32).
Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt, volmaakt en in alle
opzichten volledig is. (artikel 7 NGB)
Toch kan het lijken alsof Gods Woord voor ons niet duidelijk
is. Maar dat mogen we dan niet bij de HERE neerleggen, alsof Hij niet duidelijk
zou zijn. De bal ligt aan onze kant: door onze zonde verzetten wij ons tegen
wat de HERE zegt en gebiedt. En verder begrijpen wij ook niet alles wat we
lezen. Veel dingen (bijvoorbeeld God leiding, Zijn verkiezende liefde en Zijn
gerechtigheid) gaan ons verstand te boven. Maar wat artikel 13 van de
Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt met betrekking tot Gods voorzienigheid,
moeten we ook dan vasthouden: “Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij
leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door
Zijn Woord, zonder deze grenzen te overschrijden.” Als wij niet begrijpen wat
God ons te zeggen heeft, dan moeten we de HERE niet opstandig verwijten maken,
door te spreken over een onduidelijke Bijbeltekst, maar dan moeten we onze
plaats kennen en gelovig aanvaarden wat er staat, voor zover wij dat begrijpen.
Stelling B1
Het Evangelie van het kruis is voor Joden een aanstoot, voor
Grieken een ergernis, voor modernen irrationeel en voor postmodernen te
absoluut.
De stelling kan gelezen
worden als een toepassing van dit Bijbelgedeelte – en dan met name vers 23 – op
de huidige tijd. In en buiten de kerk ontmoeten wij ‘moderne’ mensen. Mensen
die kinderen zijn van hun tijd. Ze zijn opgegroeid na de Tweede Wereldoorlog.
Een tijd van realisme en verstandelijkheid. Daar passen geen irrationele
verhalen in. We ontmoeten ook mensen die opgegroeid zijn tijdens de laatste
dertig jaar. Ook zij zijn kinderen van hun tijd. Maar dan een ‘postmoderne’
tijd. Een tijd waarin grote verhalen niet passen.
Is de felle Schriftkritiek van de oudere generaties
begrijpelijk? Is de twijfel van jongeren begrijpelijk? Is Jasperse alleen maar
kind van zijn tijd? Paulus wijst die mening af. Onze tijd en onze achtergrond
kan het ons wel moeilijk maken. Of we nu Jood, Griek, modern of postmodern
zijn. Maar voor hen die “geroepen” zijn (vers 24) blijft Christus de kracht en
de wijsheid van God. Daar zorgt de HERE Zelf voor door Zijn Heilige Geest.
Joden, Grieken, modernen en postmodernen worden door Zijn kracht overwonnen.
Dan verdwijnt de aanstoot en de ergernis, om plaats te maken voor een eerbiedig
luisteren naar wat God Zelf in ònze tijd te zeggen heeft.
Stelling B2
Prediking is de verkondiging van wat God op een bepaalde
tijd en plaats tot zijn volk heeft te zeggen. De term ‘actuele prediking’ is
daarom zowel een dubbelzegging als een opdracht van levensbelang.
Wanneer is prediking
actueel? Wij vinden een preek actueel als die ingaat op onze persoonlijke
omstandigheden en problemen. Of op de politieke en maatschappelijke situatie.
Maar het is zeer de vraag of een predikant moet proberen actueel te prediken
door op zulke onderwerpen in te gaan. Prediking is per definitie actueel.
Tenminste als Christus gepreekt wordt, zoals Paulus zegt in 1 Corinthiërs 1:
24. Christus is nú Koning. Hij heeft het nú over Zijn kerk te zeggen. En Hij
beheerst nú, AD 2003, in onze situatie, de hele wereld. Hij wil ons hier en nu
verlossen van de zonde en nieuw maken door de Heilige Geest. Zodat we in ons
allerdaagse leven Hem willen en kunnen dienen. Prediking is geen prediking als Christus
niet wordt gepreekt. Daarom is ‘actuele prediking’ net zo goed een
dubbelzegging als ‘islamitische moslim’. Maar tegelijk is de prediking vanwege
de actualiteit zo wezenlijk en zo levensbelangrijk voor ons. In dèze wereld en
in ònze tijd komt de HERE met Zijn genade en Zijn beloften naar ons toe.
Stelling B3
Het wezen van prediking is uitleg van Gods Woord met daaraan
gekoppeld de oproep uit 2 Corinthiërs 5: 20 en 21. Daarom is de term
“narratieve (verhalende) prediking” een innerlijke tegenstelling.
Als Paulus in 1 Corinthiërs 1: 24 zegt dat hij Christus
preekt, dan moeten we bedenken dat Christus het Woord van God is (zie stelling
A3). In onze tijd komt Gods Woord naar ons toe. Maar niet als een
vrijblijvende boodschap. Het Evangelie dwingt tot een keuze. Dat is het wezen
van de prediking. In 2 Corinthiërs 5: 20 en 21 staat het eigenlijk in de
omgekeerde volgorde. Eerst de indringende oproep tot schuldbelijdenis en
bekering: “Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u
vermaande: laat u met God verzoenen.” En dan de inhoud van het Evangelie: “Hem,
die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij
zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.”
Narratieve, verhalende prediking mag eigenlijk geen
prediking genoemd worden. Zoals ‘actuele prediking’ een dubbelzegging is, zo is
‘verhalende prediking’ een miskleun, een innerlijke tegenstelling. Gods Woord
legt ons levensverhaal niet naast het verhaal van Jezus. Het is ook geen Boek
vol voorbeelden waaraan wij ons kunnen spiegelen. Iedere bladzijde van de
Bijbel gaat over de Here Jezus. Hoe Hij beloofd werd en afgebeeld in allerlei
tekenen. Hoe Hij in de wereld kwam om voor ons te lijden en te sterven. En hoe
Hij naar de hemel is gegaan om daar voor ons bezig te zijn tot op de dag dat
Hij terugkomt. Ook als we in de preek veel mee krijgen van de
heilsgeschiedenis, dan staat niet het verhaal, maar ons Heil, onze Heiland Zelf
centraal. Verhalende prediking is armzalig. Het is eigenlijk helemaal geen
prediking. Het wezen van prediking is en blijft het Woord van God brengen. Met
de genade van de Here Jezus: “Mijn juk is zacht en Mijn last is licht”. Maar
ook met Zijn waarschuwingen die ons proberen te trekken: “Wie niet voor Mij is,
die is tegen Mij”.
Stelling B4
Christus’ gebruik van gelijkenissen en raadselspreuken was
geen voorbeeldige aanpassing aan de tijdgeest, maar een oordeel over
afkerigheid en ongeloof (Mattheüs 13: 10-17).
Is verhalende prediking armzalig? De Here Jezus vertelde
toch vaak Zelf gelijkenissen? Zijn onderwijs was van gelijkenissen doorspekt!
Die tegenwerping volgt
vaak op de stelling dat narratieve, verhalende prediking voorbij gaat aan het
wezen van de prediking. Paste Christus Zich niet aan bij de leefwereld en de
denk- en redeneertrant van Zijn tijdgenoten? Maar lees dan eens Mattheüs 13:
10-17:
De gelijkenissen die de Here Jezus vertelde, hielden het
oordeel van God in over mensen die niet wilden luisteren. Door hun ongeloof
ging Christus is gelijkenissen spreken, zodat alleen de mensen die werkelijk in
Hem geloofden – en Hem niet alleen maar achterna liepen vanwege de wonderen die
Hij deed – het Evangelie van het Koninkrijk zouden begrijpen. Die situatie en
die specifieke reden van de Here Jezus om in gelijkenissen te gaan spreken, mag
niet zomaar model staan voor de manier waarop predikanten het Evangelie moeten
voorhouden aan de nieuwtestamentische gemeente.
Stelling B5
Ook christenen in de 21e eeuw moeten niet wijzer
willen zijn dan God, die Zijn christenen niet door stomme beelden (zoals
posters, toneel en voorwerpen tijdens de preek), maar door de levende
verkondiging van Zijn Woord wil laten onderwijzen (vraag & antwoord 98 HC).
In de prediking moet
Christus Zelf centraal gesteld worden. Dan is het pas echt Woord-verkondiging,
omdat de Here Jezus het Woord van God is. Jezus Christus leeft en als Hij
gepredikt wordt, dan is dat “levende verkondiging”, zoals de Heidelbergse
Cathechismus het zegt. Daar stond in de tijd van de Reformatie de praktijk van
de Roomse kerk lijnrecht tegenover. De preek was voor de leken (en daarmee voor
verreweg de meeste mensen) onverstaanbaar. Daarom werden zij door de clerus
verwezen naar beelden. Beelden van heiligen en beelden van hun leven. Beelden
van Maria, van Jezus en van Zijn lijdensweg. Het “verhaal van Jezus” werd de
leken ingeprent door schilderijen, gebrandschilderde ramen en beeldhouwwerken.
Dat lijkt “het verhaal van Jezus” dichterbij ons leven te halen. Maar het is
dode uitbeelding. De Heidelbergse Cathechismus zet daar de verkondiging van
Gods Woord, dat is van de levende Christus, tegenover: “Wij moeten niet wijzer
zijn dan God, die zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de
levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen.”
Stomme beelden nemen veel
vormen aan. Het kunnen stomme vóórbeelden zijn. Bijvoorbeeld als een predikant
het Evangelie wil inkapselen in een verzonnen verhaal. De stelling noemt
posters, toneel en voorwerpen tijdens de preek. Kunnen die niet ‘onderwijzen’?
Ja, dat kan. Maar het is een zwaktebod, net als de stomme beelden uit de tijd
van de Reformatie. Waar prediking zwak en – om zo te zeggen – ‘minder levend’
wordt, rukken de beelden en andere visuele middelen op.Maar het geloof is uit
het horen naar Jezus Christus, het Woord van God. Het geloof wordt door de
Heilige Geest gewerkt met de prediking als eerste middel en de bediening van de
sacramenten als versterking. Het zijn de middelen die God Zelf heeft gekozen om
ons te onderwijzen. Gebruiken we die middelen ten volle of schuiven we ze aan
de kant omdat we wijzer willen zijn dan God?
Stelling B6
Als alle toehoorders beseffen dat het Gods bijzondere zorg
voor ons is, dat Hij tot ons spreekt door de dienst van gewone mensen, wordt
veel onterechte kritiek op de preken uitgebannen.
Door prediking waarin Christus centraal staat, wordt ons
geloof gebouwd. De prediking is het voornaamste middel van de Heilige Geest,
waardoor Hij ons het geloof geeft. Dat belijden wij in Zondag 25 van de
Heidelbergse Cathechismus. Op de vraag waar het geloof vandaan komt, luidt het
antwoord: “Van de Heilige Geest, die het geloof in ons hart werkt door de
verkondiging van het heilig evangelie en het verstrekt door het gebruik van de
sacramenten.”
Ons geloof rust dus op kracht van God: de Heilige Geest
geeft ons geloof door het middel van de verkondiging. Maar de mensen die
verkondigen, zijn gewone mensen. Mensen, die fouten maken en zondig zijn. Staat
dat de kracht van God niet in de weg. Wordt de glans van het “heilig evangelie”
niet doffer doordat zondige mensen dat evangelie verkondigen?
Paulus zegt juist dat het goed is dat gewone mensen – “niet
waardiger dan wijzelf”, zoals de stelling zegt – het “getuigenis van God”
brengen. Paulus (een apostel die rechtstreeks door de Here Jezus was aangesteld
als apostel!) zegt het van zijn eigen prediking: “Ook kwam ik in zwakheid, met
veel vrezen en beven tot u; mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met
meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht,…” (en
dan komt het!) “…opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar
op kracht van God”(1 Corinthiërs 2: 3-5)
Juist het feit dat gewone mensen predikant zijn en het Woord
van God brengen, zorgt ervoor dat ons geloof rust op kracht van God, op het
werk van de Heilige Geest. Het evangelie is geen indrukwekkend filosofisch
verhaal dat ons mee kan slepen als het door een knappe redenaar wordt
uitgewerkt en toegelicht. Het is het evangelie van Christus dat door zwakke
mensen wordt gebracht. De kracht is niet in de mensen, maar in het werk van de
Heilige Geest. Dat zet de manier waarop we tegen de preek en de predikant
aankijken in een ander daglicht.
Stelling B7
Als elke predikant steeds beseft dat hij preekt, niet
vanwege zijn waardigheid of inzicht, maar slechts in Gods opdracht, zou hij
veel terechte kritiek op de preken uitbannen.
Deze stelling is de
andere kant van de voorgaande stelling. Kritiek op de prediking komt los als
mensen niet meer beseffen dat ze het over het werk van de Heilige Geest hebben.
Dat is de kern van de vorige stelling. Maar een predikant kan ook aanleiding
geven tot kritiek op de prediking. Dat gebeurt naarmate hij zelf meer de
boventoon voert. Het naar voren brengen van eigen inzichten en het gebruik van
hulpmiddelen die de aandacht sterk op de predikant richten, zijn funest voor
een goed zicht op de prediking. De gemeente gaat dan denken dat kracht en
wijsheid van mensen de preek maakt of breekt. Hoe meer een predikant zichzelf
naar voren brengt in plaats van Christus, hoe meer kritiek er komt op de
prediking en hoe meer verdeeldheid er ontstaat. Paulus was blij dat hij niet
met “meeslepende woorden van wijsheid” (1 Corinthiërs 2: 4) was gekomen. Had
hij dat wel gedaan, dan was het geloof van de gemeente van Corinthe gebouwd op
“wijsheid van mensen”. Wijsheid van mensen bevat fouten en roept kritiek op.
Maar het evangelie van de Here Jezus brengt eenheid in de gemeente.
Stelling B8
De prediking moet ook toerusting zijn en moet daarom de
gelovigen ook onderwijzen in het zelfstandig leren argumenteren vanuit de
Bijbel. Exegese hoort thuis op de kansel en is geen keukengeheim van de
theologen.
Met “toerusting” wordt in deze stelling bedoeld dat een
dominee de gemeenteleden tools in handen geven om mee aan de slag te kunnen
gaan. In het dagelijkse leven moet je zèlf wat kunnen met de beloften, de
richtlijnen en de geboden die God ons geeft.
“Exegese” is een ander woord voor het uitleggen van de
Bijbel.
Waarom is exegese nu zo belangrijk voor onze toerusting? In
een preek kun je de uitleg van een Bijbelgedeelte onderscheiden van de
toepassing ervan. Als de dominee preekt over een waarschuwing van een profeet
voor het volk Israël dan is eerst vaak een stuk exegese, uitleg van de tekst
nodig. Maar Daarna trekt de predikant die lijn door naar onze situatie. Want
God heeft Zijn Woord aan ons gegeven om er in onze situatie ons geloof mee op
te bouwen.
Ook als de uitleg van de tekst en de toepassing ervan niet
zo precies na elkaar komen, maar door elkaar heen lopen in de preek, blijven
het twee belangrijke onderdelen.
In de stelling wordt de aandacht gevraagd voor de exegese.
Dat moet geen “keukengeheim” zijn. Predikanten moeten niet voortdurend de gemeente
een bepaalde tekst-uitleg voorhouden die verder helemaal niet toegelicht of
onderbouwd wordt. Argumenten om dat wèl te doen, zijn er trouwens genoeg.
Exegese vraagt inspanning en is niet altijd begrijpelijk voor kinderen. De
predikant kan de uitleg baseren op de grondtekst. Misschien zijn er
aanwijzingen uit de archeologie die van belang zijn.
Toch is het van belang
dat de gemeente weet waarom de predikant kiest voor een bepaalde uitleg.
Simpelweg omdat die kennis het vermogen geeft om ook zelf beter de Bijbel toe
te passen en te begrijpen. Als gelovigen voor de uitleg van de Bijbel steeds
afhankelijk zijn van onuitgesproken principes die de predikant hanteert bij het
maken van de preek, dan is dat gevaarlijk. De gelovigen zijn dan steeds minder zelfstandig.
In het uiterste geval worden ze leken: onkundige mensen die een exegese moeten
aannemen, maar niet hoeven te begrijpen. “Zelfstandig leren argumenteren vanuit
de Bijbel” – daar kun je wat mee in het dagelijks leven!
Stelling C1
De ware eredienst wordt niet gekenmerkt door aanpassing aan
de eigen tijd en cultuur, maar eerder door een radicale tegenstelling daarmee.
In de stelling wordt een vergelijking gemaakt tussen de tijd
en de cultuur waarin wij leven enerzijds en de (inrichting van de) eredienst.
Eigenlijk maken we die vergelijking allemaal wel eens. Je denkt aan iemand die
je zou willen meenemen naar de kerk en dan denk je er meteen bij: wat zou
diegene vinden van de dienst? Soms spreken we van een drempel: de inrichting
van de eredienst past niet bij deze tijd. Houdt het mensen niet buiten de kerk?
Moeten we ons niet aanpassen?
Die laatste vraag brengt ons bij de verhouding tussen kerk
en wereld. Tussen het volk van de HERE en de mensen die Hem niet kennen. “Hen
die buiten zijn”, noemt Paulus de ongelovigen in verschillende van zijn
brieven. En dan spelen er vaak twee elementen een rol.
Aan de ene kant wil de
wereld God niet kennen. Zijn gezag wordt niet geaccepteerd. Zijn woorden worden
niet geloofd. Juist daarom kijken ongelovigen op een andere manier naar de
eredienst. En soms kijken wij met hen mee. Dan vergeten we dat God Zelf een
tegenstelling heeft gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen. De antithese. Aan
de gelovigen heeft de HERE Zich bekend gemaakt. Daarom weten zij hoe belangrijk
die ‘saaie’ preek is. Dat de Heilige Geest er gebruik van maakt om het geloof
te geven aan mensen! En ook alleen uit de Bijbel begrijpen een aanvaarden wij
de heiligheid van de sacramenten. Qua teken zijn die niet schokkend. Water,
brood, wijn – hele gewone dingen. Maar we krijgen daardoor wel ècht deel aan
Gods beloften!
Aan de andere kant lijkt de wereld verder te zijn op
cultureel gebied. Ook dat is niet nieuw. De zonen van Lamech (Genesis 4: 18-26)
waren meesters op het gebied van muziek, bouwkunst en metaalbewerking. Zij
beheersten de wereldse cultuur toen de gelovigen eenvoudig de naam van de HERE
begonnen aan te roepen. Prof. K. Schilder heeft die tegenstelling op een
indrukwekkende manier beschreven in zijn boek Christus en Cultuur.
De cultuur van de wereld zal nooit de cultuur van de kerk
worden. En andersom. Onnodige drempels in de liturgie moeten we wegruimen. Voor
elkaar en voor anderen. Om ruim baan te geven aan het Evangelie. Maar de
eredienst aanpassen aan de cultuur van onze tijd kan nooit. Dan onderscheidt de
kerk zich niet meer van de wereld. Dan worden de middelen aan de kant geschoven
die de Heilige Geest gebruiken wil. En dan negeren we het gezag van Christus
die Zelf de verkondiging van het Evangelie centraal heeft willen stellen:
luisteren naar God is de mooiste eredienst.
Stelling C2
Paulus waarneming in I Korintiers 14: 26 (“Telkens als gij
samenkomt, heeft ieder iets”) is geen voorschrift ter navolging, maar
aanleiding tot correctie: “twee, ten hoogste drie” (14: 27 en 29). De
gereformeerde praktijk met meestal één voorganger verdraagt zich hier goed mee.
“Hoe staat het dan, broeders? Tekens als gij samenkomt,
heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een
uitlegging; dat alles moet tot stichting geschieden. Indien er in tongen
spreken, laten het er twee, hooguit drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat één
uitleg geven. Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen in de gemeente,
maar tot zichzelf en tot God spreken. Wat de profeten betreft, twee of drie
mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. Maar indien aan
een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste
zwijgen. Want gij kunt allen één voor één profeteren, opdat allen lering en allen
opwekking erdoor ontvangen. En de geesten der profetie zijn aan de profeten
onderworpen, want God is geen God van wanorde, maar van vrede.”(1 Korinthiërs
14: 26-33).
Stelling C3
De ontwerpers van de gereformeerde liturgie die de zegen als
laatste onderdeel in de liturgie plaatsten, gaven daarmee aan God het laatste
woord in de kerkdienst. Zij vertoonden daarin meer stijl en fijngevoeligheid
dan hen die daarna nog de gemeente ‘amen’ willen laten zeggen of zingen.
Stelling D1
Als de Gereformeerde Kerken gekenmerkt werden door de
houding van de Joden in Beréa (Handelingen 17: 11), zou het Liedboek voor de
Kerken niet geïntroduceerd zijn.
In Handelingen 17: 1-14 lezen we van Paulus die
achtereenvolgens in Thessalonica en in Beréa het evangelie verkondigde. Hij
deed dat in beide gevallen allereerst aan de Joden, in de synagoge. En hij deed
het ook op dezelfde manier: door uit de Schrift te bewijzen dat de Here Jezus
de Christus, de beloofde Messias is.
Maar de houding van de
Joden in Thessalonica is radicaal anders dan die van de Joden in Beréa. In
Thessalonica komen wel Joden tot geloof, maar als er veel niet-Joden gaan
geloven, stoppen de Joden in Thessalonica met het luisteren naar de Schrift. Ze
veroorzaken een oproer en hopen zo van Paulus af te komen.
In Beréa nemen de Joden echter een hele andere houding aan:
“dezen onderscheidden zich gunstig van die te Thessalonica, daar zij het woord
met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze
dingen zo waren.” (Handelingen 17: 11).
Dat laatste is een sterk wapen voor alle mensen die
(beginnen te) geloven: wat er gezegd wordt toetsen aan de Schrift. Het was niet
onduidelijk of het waar was wat Paulus en Silas verkondigden. Dat stond al lang
in de Schrift. En ook voor ons is het niet vaag of het waar is wat er in een
preek, een boek, een artikel, een gedicht, een psalmberijming, een lied of een
gezang naar voren wordt gebracht. Het staat al lang in de Bijbel.
De vraag is alleen of wij persoonlijk onze verantwoordelijkheid
nemen om liederen en gezangen – want daar gaat het in de stelling over – te
toetsen aan het Woord van God. Wij (als gemeenteleden) zijn het die zingen. Wij
zijn het ook die de Bijbel hebben gekregen om zo te kunnen nagaan of het waar
is wat er in het Liedboek staat. Omdat we met elkaar die inspanning te weinig
hebben geleverd, heeft het deputaatschap vrij spel gehad. Tegenwoordig vinden
sommige broeders en zusters het al vreemd als gemeenteleden zelf gaan toetsen.
Dat heeft het deputaatschap toch al gedaan? En ook de synode nog eens een keer?
Maar dan is de houding van de Joden van Beréa, die zelf dagelijks de Schriften
nagingen, ver weg. En dan is het ook niet verbazend dat er zo weinig kritiek
komt op een vrijzinnige bundel liederen.
Stelling D2
Kerkliederen die ‘ook bijbels geïnterpreteerd kunnen worden’
selecteren voor de eredienst is zoiets als waardeloze cadeaus meenemen naar een
schitterend feest.
Het Liedboek voor de
Kerken is een project geweest van veel verschillende kerkgenootschappen. Als je
het Ten Geleide leest in de proefbundel (pagina IX), dan zie je dat in één
oogopslag: de evangelisch-luthersen, de synodalen en de doopsgezinden werkten
samen aan het Liedboek. Zelfs de vrijzinnige remonstranten konden meedoen. De
Interkerkelijke Stichting voor het Liedboek was daar natuurlijk erg blij mee.
Toch was er nog een domper, zo lezen we in de verantwoording (vanaf pagina X).
Weliswaar hadden ‘rechtzinnige’ en vrijzinnige protestanten elkaar gevonden.
“Evenwel wordt onze vreugde hierover enigszins getemperd door de wetenschap dat
niet àlle reformatorische kerken aan de uit gave van dit Liedboek deelnamen.
Ook de Rooms-Katholieke Kerk meende, dat het nog niet de tijd was om officieel
deel te nemen, maar het stemt tot blijdschap, dat enkele roomskatholieke
dichters en componisten een belangrijke bijdrage hebben geleverd.”
Een logisch gevolg van de samenwerking was dat liederen een
brede strekking moesten hebben. De dichters hebben daarom geprobeerd liederen
te maken die zowel voor gereformeerde als voor vrijzinnige mensen geen bezwaren
opleverden. Veel teksten zijn bewust voor meerdere uitleg vatbaar.
Ondertussen hebben de dichters hun eigen standpunt niet
opzij gezet.Veel liederen hebben dus duidelijk een vrijzinnige ondertoon. Als
je ze wilt zingen als liederen met een goede inhoud, dan moet je er eerst een
draai aan geven. Je moet de teksten op een bepaalde, soms ronduit gekunstelde
manier interpreteren in de richting van de Bijbel. Voor onze deputaten en onze
synode is dit kennelijk geen probleem. Als een lied maar bijbels
geïnterpreteerd kàn worden… dan is het niet zo erg dat er iets staat dat niet
in orde is. En natuurlijk is zo’n interpretatie mogelijk. Daar hebben de
dichters nu juist zo hun best voor gedaan!
De stelling verbindt deze kenmerken van het Liedboek met het
karakter van de eredienst. De eredienst is een feest. Een feest voor de HERE.
En Hij Zelf wil dat wij daar aandacht aan besteden. Lees daar eens de
voorschriften over voor de dienst in de tabernakel (Exodus 25 en de
hoofdstukken daarna)! Met alle aandacht voor liturgie hebben we in de
Gereformeerde Kerken ‘prullen’ geselecteerd voor het feest op de dag van de
HERE. Liederen die je met wat moeite nog wel zo kunt zingen dat ze kloppen met
wat God ons heeft geopenbaard. Staat Zijn Woord nu echt centraal in de
eredienst of gaat het erom dat wij lekker veel en ‘breed’ kunnen zingen?
Stelling D3
De “grote schat aan liederen uit de kerk der eeuwen” bestaat
nauwelijks: om taalkundige redenen is deze vrijwel beperkt tot het nederlands
na 1800; na aftrek van slechte kwaliteit, vrijzinnigheid, subjectivisme en
andere dwaling, blijft er maar weinig keus over.
Voorstanders van het Liedboek voor de Kerken schermen
voortdurend met het verschil tussen de weinige gezangen uit ons Gereformeerd
Kerkboek en de vele liederen “uit de schat van de kerk der eeuwen”. Zijn we
niet vrijwillig arm? Zijn er in de kerk niet eeuwenlang liederen gemaakt? Wat
doen we dan met die “grote schat”?
De vraag is dan wel wat
die “kerk der eeuwen” is. Kennelijk vallen daar ook de kerkgenootschappen onder
die het Liedboek voor de Kerken hebben samengesteld. In de “kerk der eeuwen” is
nogal wat dwaling geweest. En eerlijk gezegd zijn de meeste bundels met
gezangen opgesteld in een tijd dat het in de kerk hard hollend achteruitging.
Zoals in de tijd voor de Afscheiding, de zestiger jaren van de vorige eeuw en…
in onze tijd. Veel liederen richten zich op de mens (“subjectivisme” noemt de
stelling dat) of zijn Schriftkritisch. Vrijzinnigheid en (andere) dwalingen komen
in veel liederen voor. En onder de liederen die overblijven, zijn er veel die
sterk verouderd zijn qua taalgebruik.
Wat is de “grote schat aan liederen van de kerk der eeuwen”
eigenlijk? Laten we eerlijk wezen: die schat is er best. Denk eerst maar aan de
Psalmen: die zijn ons gegeven om God te loven met Zijn eigen Woord. Maar denk
ook aan de dichters in de Gereformeerde Kerken. Denk aan de selectie van
Bijbel-liederen van de christelijke gereformeerden. De schat is er wel. Maar
groot is die schat helaas niet. Er zijn veel meer liederen die onbruikbaar
zijn, dan die bruikbaar zijn. Logisch: er zijn ook veel meer vrijzinnigen dan
gelovigen. Dat moet ons enerzijds een kritische (want realistische) houding
geven. Maar anderzijds mogen we dan ook dankbaar de liederen zingen waarmee we
God ècht kunnen prijzen. Waarbij de Psalmen weer voorop staan.
Stelling D4
Beter met een volksmelodie God met Zijn Woord prijzen, dan
met een prelude je eigen dichterlijke vrijheid opeisen.
Moeten liederen die in de eredienst gezongen worden aan
andere voorwaarden voldoen dan liederen die we zo eens thuis zingen? Heeft de
aard van de eredienst gevolgen voor de manier van zingen? Zo maar twee vragen
waarover een heleboel te zeggen zou zijn. Maar één ding is duidelijk: de
eredienst heeft een heel ander karakter dan andere gelegenheden waarbij mensen
samenkomen. De eredienst is namelijk een ontmoeting tussen de HERE en Zijn
(verbonds)volk. Dat stelt eisen aan alle onderdelen van de dienst, ook aan de
liederen.
De stelling gaat daarbij in op een ontwikkeling die we
breder zien in het kerkelijk leven, maar die ook juist in de eredienst
zichtbaar is, namelijk professionalisering. Denk maar aan het verschijnsel
cantorij. Dan gaat het over de manier waarop gezongen wordt. Maar ook de muziek
en de liederen moeten professioneler. Er is beweging op de lijn van de
samenzang (waaraan de hele gemeente deelneemt) naar het concert (waar bijna
iedereen naar luistert – applaus achteraf). Op diezelfde lijn staat de
volksmelodie aan de ene kant en de professionele prelude aan de andere kant.
Een prelude klinkt natuurlijk beter dan een volksmelodie. Maar tijdens de
ontmoeting van de HERE en Zijn volk is een volksmelodie toch mooier en beter
dan een optreden van professionals.
Stelling E1
In de kerkdienst zoekt God zijn volk. Er mag geen dienst
naast deze dienst zijn, ook geen kindernevendienst.
Omdat de eredienst een
ontmoeting is tussen de HERE en Zijn verbondsvolk, komt er op zondag een
gemeente samen. Niet een groep individuen. Ook niet een combinatie van een
aantal subgroepen (kinderen, ouderen, jongeren, gehandicapten enz.), maar een
gemeente die juist met alle variatie één is in (het geloof in) Christus. Zo
staat het ook in de Kerkorde, artikel 65: “De kerkeraad zal de gemeente op de
dag des Heren tweemaal samenroepen voor de eredienst”. Het is onmogelijk dat
een kerkeraad toestemming verleent voor of zelfs meewerkt aan diensten naast
deze eredienst. Niet alleen omdat zoiets tegen de Kerkorde ingaat (dat ook),
maar vooral omdat de kerkeraad dat recht niet heeft. Kerkeraden en ouders
hebben niet het recht kinderen te onttrekken aan de gemeente van de Here Jezus,
als die samenkomt om het Evangelie te horen en daarop dankbaar te reageren.
Want het is Christus Zelf die via de kerkeraad de gemeente samenroept. Hij
heeft ambtsdragers aangesteld om de gemeente te regeren. Door de Heilige Geest
en door het Woord van God regeert Hij de gemeente.
Naast de eredienst mag er daarom
geen kindernevendienst zijn. Als de Here Jezus de gemeente samenroept, welke
ouder(ling) durft dan een groep daarvan uit te sluiten? “Kinderen horen
evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente. Ook worden
aan hen evenals aan de volwassenen, door het bloed van Christus, verlossing van
de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd.” Dat belijden we
samen in Zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus. In de verkondiging van het
Evangelie staan – als het goed is – de beloften centraal die daarin genoemd
worden: de verlossing van de zonden en de Heilige Geest.
In de preek wordt ook de
verzoening bediend. Gods Woord wordt uitgelegd en er klinkt een oproep tot
bekering en tot geloof. Als een ambtsdrager dat doet, dan doet hij dat namens
Christus Zelf. Dat is echt wat anders dan een Bijbelverhaal dat tijdens een
kindernevendienst verteld wordt! De beloften van het Evangelie zijn evengoed
voor de kinderen als voor de volwassenen. Daarom mogen we beide ‘groepen’ niet
afschepen met een leerzaam verhaal. De verkondiging van het Evangelie en de
bediening van de verzoening hebben we allemaal nodig. Daarom geen
kindernevendienst. Anders blijven onze mooie woorden over het verbond, over de
kinderdoop en over de gemeente waar ook de kinderen bij horen, lege klanken.
Stelling E2
Leren luisteren bevordert het concentratievermogen en het
taalbegrip. Door te luisteren leren kinderen het eigen belang opzij zetten,
eerbiedig te zijn en zich te beheersen.
Vaak hoor je dat kinderen niets hebben aan een preek, als ze
er weinig van begrijpen. Dat leidt dan vaak tot het pleidooi voor een
kindernevendienst. Jammer aan die argumentatie is allereerst dat het kind
centraal staat. Terwijl we voor de inrichting van de eredienst – ook als het
gaat om kinderen – moeten beginnen bij wat God Zelf zegt over de gemeente als
over Zijn verbondsvolk. We moeten niet bij de kinderen beginnen, maar bij de
Heer van de gemeente.
En dan geldt voor alle
mensen in de kerk hetzelfde: van nature willen wij niet naar God luisteren. We
houden niet van het Evangelie, we brengen het van onszelf niet op om naar de
kerk te gaan en te luisteren en God te eren. We zijn niet eerbiedig, we
beheersen ons niet, we zetten ons belang niet opzij. Dat moeten we allemaal
leren door de Heilige Geest als Hij met ons bezig is om ons te veranderen van ongehoorzame
mensen naar gehoorzame kinderen.
Maar gelukkig werkt de Heilige Geest ook in ons hart. In de
eerste plaats door de verkondiging van het Evangelie. Dat geldt ook voor
kinderen, zoals in de volgende stelling naar voren komt. Maar er moet wel iets gebeuren.
We moeten eerbied leren voor God en voor Zijn Woord. Concentratievermogen is
daarbij niet onbelangrijk in een beeldcultuur. En zelfs voor volwassenen is het
niet altijd gemakkelijk wat er gezegd wordt. Sommige onderdelen van het
Evangelie zijn zelfs voor ons allemaal onbegrijpelijk – we kunnen die
onderdelen alleen gelovig aanvaarden.
Daarom valt er voor jong en oud heel wat te leren tijdens de
eredienst. Zonder eerbiedig te luisteren, begrijpt niemand iets van wat God
zegt. Daarom leren ook kinderen heel wat van de preek en van de andere
onderdelen van de eredienst. Ze leren eerbiedig te zijn. Ze zien volwassenen
stil worden en eerbiedig luisteren. Ze leren te luisteren en op te letten.
Ouders kunnen daarbij helpen, bijvoorbeeld door kinderen woorden te laten
opschrijven en daar thuis op terug te komen. Als we kinderen uit de eredienst
halen omdat ze de preek niet begrijpen, dan sluiten we aan bij wat de mens
graag wil en niet wil. Maar het doel van de opvoeding is toch juist dat
kinderen naar God gaan luisteren – ook als dat moeilijk is?
Stelling E3
Ook voor kinderen geldt vraag en antwoord 65 van de
Heidelbergse Catechismus. Daarom krijgen ze stenen voor brood als ze met een
kindernevendienst worden afgescheept.
Waar komt het geloof
vandaan? Dat is een belangrijke vraag als we bedenken dat we alleen door het
geloof de resultaten van het werk van de Here Jezus ontvangen. Het antwoord is
in Zondag 25 van de Heidelbergse Catechismus: “Van de Heilige Geest, die het
geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie en het
versterkt door het gebruik van de sacramenten.” De verkondiging van het
Evangelie is dus het belangrijkste middel van de Heilige Geest om het geloof
aan ons te geven en het vervolgens te laten groeien. Daarom heeft de Here Jezus
door de apostelen ambtsdragers aan de gemeente gegeven. En nog steeds geeft hij
die. Door de ouderlingen (waaronder de predikant) wordt in de kerk en tijdens
de huisbezoeken het Evangelie verkondigd. Dat is wat anders dan dat er wat over
het geloof wordt verteld. De stellingen over de prediking gaan er verder op in,
maar het belangrijkste is wel dat de ouderlingen gezaghebbend oproepen tot
geloof en bekering – en dat vanuit de uitleg van Gods Woord.
De verkondiging is voor heel de gemeente het middel waarmee
de Heilige Geest het geloof werkt. In de preek horen we beloften en
vermaningen. Diezelfde beloften zijn er ook voor de kinderen. Aan hen wordt
evengoed beloofd dat er vergeving van zonden is door het geloof in de Here
Jezus. Daarom is de verkondiging van het Evangelie ook voor hen van
levensbelang.
Stelling E4
Dat de kinderen een behoorlijk deel van de preek niet
begrijpen, hoeft niet te betekenen dat zij niet in de eredienst thuis horen.
Paulus wist ook dat er kinderen in de kerk waren (gezien het feit dat hij hen
direct aanspreekt: Efeze 6: 1 en Kolossenzen 3: 20) en toch zijn zijn brieven
niet bepaald van kinderlijk niveau. Paulus’ ideaal was niet om zijn hoorders
melk voor te zetten (1 Korinthiërs 3: 1 en 2).
Dat Paulus geen gemakkelijke brieven schreef, wist Petrus
al. “Daarin is een en ander moeilijk te verstaan”, schrijft hij in 2 Petrus 3:
16. Toch werden de brieven van Paulus aan de hele gemeente voorgelezen. In de
Brief aan de Colossenzen dringt Paulus daar ook op aan: “En wanneer deze brief
bij u is voorgelezen, zorg dan dat hij ook in de gemeente te Laodicéa
voorgelezen wordt en dat ook gij die van Laodicéa u laat voorlezen.”
(Colossenzen 4: 16)
De kinderen, die evengoed als de volwassenen bij de gemeente
horen, kregen van Paulus dezelfde brief. Wel gaf hij hen in hun situatie ook
bijzondere aandacht. De teksten uit de stelling zijn daar voorbeelden van:
“Kinderen gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is welbehagelijk in de
Here.” (Colossenzen 3: 20) En: “Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam [in de
Here], want dat is recht.” (Efeze 6: 1)
Paulus kon eenvoudig schrijven en spreken als hij te maken
had met mensen die nog weinig wisten van de HERE en van het geloof in Christus.
Dat schrijft hij in 1 Korinthiërs 3: 1 en 2: “En ik, broeders, kon nog niet tot
u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog
onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kon
u nog niet verdragen.” Paulus betrekt het woord ‘vleselijk’ op het ontbreken
van verandering bij de Korinthiërs. Met name de verdeeldheid onder hen geeft
aan dat ze nog vleselijk zijn. Maar de onmondigheid en de vleselijkheid heeft
ook te maken met een gebrek aan kennis en inzicht in het werk van God. Zo
verklaren de kanttekeningen van de Statenvertaling de woorden “geestelijke”
respectievelijk “vleselijke, onmondige” mensen. En ook het woord “melk”:
daarmee bedoelt Paulus volgens de kanttekeningen “de eerste beginselen en
fundamenten van de christelijke leer”.
Melk is soms nodig, maar het was niet Paulus’ ideaal. Hij
wilde naar de vaste spijs toe. Vaste spijs voor de hele gemeente. Ook voor de
kinderen.
Stelling E5
De meeste diensten zijn kindernevendiensten.
Waarom zouden kinderen bijvoorbeeld tijdens de preek uit de
eredienst gehaald moeten worden? Omdat ze niet voldoende begrijpen van wat er
tijdens de dienst gebeurd, zeggen voorstanders. En dat argument geldt met name
voor de preek: die is toch in het algemeen veel te moeilijk voor kinderen?
Natuurlijk zullen kinderen niet alles begrijpen van wat er
in de preek gezegd wordt. Die constatering was het uitgangspunt van stelling
E4. Toch moet erbij gezegd worden dat de prediking de laatste jaren
behoorlijk is aangepast aan het niveau van kinderen. Meer nog dan andere elementen
van de eredienst! Niet alleen bevatten veel preken een apart gedeelte voor
kinderen, in het algemeen dalen predikanten meer en meer af naar het
kinderlijke niveau, om niet te zeggen: het kinder-achtige niveau. ‘Geloven als
een kind’ lijkt soms wel te betekenen: kinderachtig spreken over het geloof.
Waarom is er nog een kindernevendienst nodig? Wordt het geen tijd voor een
volwassenen-nevendienst?
Stelling F1
Er staat weliswaar in de wet van de HERE: “zes dagen zult
gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HERE,
uw God; dan zult gij géén werk doen”. Maar volgens de Synode van Zuidhorn mag
je ook gewoon wèl werk doen op de rustdag.
Gelden de Tien Geboden
ook voor ons? Elke zondagochtend horen we in de kerk de wet van de HERE. Want
die wet is ook op ons van toepassing. Als we die goede wet eerlijk naast ons
leven leggen, dan is de conclusie onontkoombaar: we zijn zondige mensen en we
hebben allemaal het werk van de Here Jezus nodig. Stel je voor dat de Tien Geboden
helemaal niet voor ons bedoeld waren, maar bijvoorbeeld alleen voor de mensen
in het Oude Testament! Dan was het toch vreemd en onnodig om die wet telkens
weer te horen!? Maar we belijden het samen met Zondag 34 van de Heidelbergse
Catechismus: de wet van de HERE is er ook voor ons. “Hoe luidt de wet van de
HERE?” is de bekende vraag uit Zondag 34. In de Zondag daarvoor is namelijk
gezegd dat we alleen goede werken kunnen doen als die “naar de wet van God”
gedaan worden. En dan volgt een logisch vervolg-vraag: Hoe luidt (dan) die wet?
Het vreemde is dat de Synode van Zuidhorn inmiddels de benoeming van ouderlingen verdedigd, die zelf op
zondag werken en anderen laten werken. Zij gaf steun aan een classis en PS om
een uitspraak te mogen doen die verder ging dan Leusden. De classis Rotterdam
mocht van Zuidhorn stellen dat de regel van zes dagen zult gij arbeiden en al
uw werk doen maar de zevende dag … dan zult gij geen werk doen”, niet meer voor
de N.T. kerk hoeft te gelden. Zo wordt de scheppingsordinantie van zes
dagen werken – één dag rust door deze uitspraak expliciet terzijde geschoven en
de tekst van het vierde gebod als afgeschaft verklaard. Zuidhorn heeft het
bezwaarschrift hiertegen verworpen en daarmee deze classisuitspraak toegestaan.
Een achterliggende redenatie om het woord hoeft te
gebruiken ligt in het feit dat we tegenwoordig steeds meer compromissen over belangerijke
bijbelse punten sluiten, dus waarom niet op dit punt, nietwaar? De synode zegt
niet dat het verbod om te werken opgeheven is, maar het “hoeft” niet te gelden.
Het mag, maar het moet niet. Alsof wij kunnen beslissen welke geboden van God
wel en niet gehouden “hoeven” te worden! Het is een heel ernstige en droevige
zaak als mensen die leiding geven in de kerken zulke besluiten innemen. Want
als we de wet van God aan de kant zetten, dan zijn we er daarmee nog niet
vanaf. Dan keert de wet zich tegen ons en dan worden wij veroordeeld.
Stelling F2
De ‘ontdekking’ van de synode in Zuidhorn dat je op zondag
gewoon de bakkerij kunt laten doordraaien, omdat er altijd al twee meningen
zijn geweest over de zondagsrust, is geen ontdekking maar zondige afval en
eigenzinnige godsdienst.
De synode van Zuidhorn zegt aan te sluiten bij een vraagstuk
dat al eeuwen onopgelost is gebleven. Is het rusten op zondag een gebod van God
of is het een verstandige keuze van de christelijke kerk? Een paar jaar geleden
werd er steeds op gewezen dat deze vraag natuurlijk geen gevolgen had voor de
zondagsrust zelf. We zouden het met elkaar eens zijn dat die rust noodzakelijk
is. Alleen over de grond daaronder zouden we van mening verschillen. Ook zonder
gebod kunnen we wel blijven vechten voor het rusten op de zondag, werd er
gezegd. Maar op de synode van Zuidhorn werd pijnlijk duidelijk hoe de kaarten
lagen. De synode moest oordelen over een situatie van onnodig werken op zondag,
waartegen een bezwaar was ingediend. En toen zei de synode dat Gods gebod niet
“hoefde” te gelden voor de tijd van het Nieuwe Testament. Met dat argument kon
het werken op zondag gewoon doorgaan.
Eén van de argumenten van de synode is dat er altijd al
verschil van mening is geweest over de zondag en de zondagsrust. Voor dat
argument moet het vierde gebod aan de kant. Het is wel opmerkelijk dat een
historisch argument juist in deze tijd zoveel kan doen! Want als het gaat om
allerlei vernieuwingen in de kerk, dan wordt een argument uit het verleden vaak
weggelachen. Onterecht, want de Bijbel zegt zelf dat het Evangelie niet bij ons
is begonnen en dat we alleen samen met alle heiligen (ook met onze broeders en
zusters die al in de hemel zijn) het werk van God kunnen ontdekken. Het is God
Zelf die in de geschiedenis werkt. Daar gaan we vaak aan voorbij. Maar nu
opeens wordt de geschiedenis een argument om de wet van God aan de kant te
zetten. Een flut-argument. Want de geschiedenis staat niet boven Gods Woord
(artikel 7 NGB). En het is bovendien niet waar dat het verschil van mening ging
over de vraag of je onnodig werk mocht doen op de zondag. Het ging om de vraag
waar de verschuiving van de zaterdag-als-rustdag naar de zondag-als-rustdag op
gegrond was!
Maar wie zich wil ontworstelen aan de klem van de wet van de
HERE vindt altijd wel een argument.
Stelling F3
Wie speelt met de wet, verspeelt het Evangelie.
Dit is waarschijnlijk de
oudste stelling die je op deze pagina vindt. Hij komt van prof. K. Schilder.
Je kunt de stelling alleen begrijpen en beamen als je het verband ziet tussen
de wet en de blijde boodschap. Vaak zien wij dat verband niet. De wet lijkt
zwaar en donker en het Evangelie blij en licht. Maar toch kan het Evangelie
niet zonder de wet. Andersom kan de wet trouwens ook niet zonder het Evangelie.
Door de wet weten wij hoe geweldig wij de Here Jezus nodig
hebben. Door de wet zijn we blij met Zijn genade. Maar als we niet weten hoe
zondig we zijn – voor wie is Christus dan gestorven? Voor mij?
Op deze pagina betrekken we de stelling van prof. Schilder
op het vierde gebod. We lopen het gevaar om alleen naar het gebod en naar de
wet zelf te kijken, als we het over de rustdag hebben. Mag je nou wel onnodig
werk doen op zondag of niet? Maar zet het eens in het kader van het Evangelie.
Als we morrelen aan de wet van de Here, dan verbleekt ook Gods goede boodschap.
Allemaal hebben we – de een meer, de ander minder – te maken met de verleiding
de zondag in te vullen met onze eigen bezigheden. Dat hangt nu eenmaal in de
lucht. Hoe meer mensen aan die verleiding toegeven, hoe groter de verleiding
voor anderen wordt.
Maar dan komt de keuze. Bekennen we schuld aan de HERE –
voor onszelf en samen? Dat we het vierde gebod overtreden en Zijn dag steeds
weer ontheiligen? Of zetten we het vierde gebod opzij en beweren we dat we –
wat het overtreden van dat gebod betreft – niet zondigen? In het eerste geval
zullen we de genade van onze Heiland duidelijk zien. Hij stierf voor onze
zonden. Ook voor onze zonden tegen het vierde gebod. Maar als we beweren dat
wij geen zonde hebben als we onnodig werk doen op de dag van de Here, dan
verbleekt het Evangelie. Want dan hebben we Christus voor een deel niet meer
nodig.
Stelling F4
Wie de kleine geboden niet eert, is het grote gebod niet
weert.
Het was een wetgeleerde die vroeg naar het “grote gebod”.
Het “grote en eerste gebod” – was het antwoord van de Here Jezus – is: “Gij
zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart, en met geheel uw ziel en
met geheel uw verstand.” (Mattheüs 22: 34-40).
De stelling is natuurlijk een knipoog naar het spreekwoord
“wie het kleine niet eert, is het grote niet weert”. Maar tegelijk sluit het
aan bij de eenheid die er in de Bijbel is tussen het liefhebben van de Here
enerzijds en het houden van Zijn geboden anderzijds. Johannes zegt het heel
duidelijk in zijn eerste brief: “Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden
bewaren”.
In onze tijd dreigen we
een tegenstelling te creëren tussen het liefhebben van de Here en het houden
van zijn geboden. Aan de liefde tot God en tot de naaste en vooral aan de goede
‘intenties’ van gelovigen hechten we veel waarde. Maar wie aandacht vraagt voor
de concrete geboden van de HERE wordt al snel van ‘wetticisme’ beschuldigd.
Nadenken over christelijke ethiek zit weer in de lift. Maar de rol van de
geboden daarin wordt duidelijk kleiner.
Maar de Bijbel kent geen tegenstelling tussen het doen van
Gods geboden en het liefhebben van de Here. Hoe kan zo’n tegenstelling ook
bestaan als het liefhebben van God en van de naaste een samenvatting is van
alle geboden van de Here? De Here Jezus Zelf zei tegen Zijn discipelen: “Gij
zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat ik u gebied.” (Johannes 15: 14) Dat is
geen harde uitspraak. In het verzen erom heen wordt dat duidelijk. De Here
Jezus heeft de discipelen uitgekozen. Zij zijn geen slaven meer, maar vrienden,
omdat de Here Jezus hen bekend gemaakt heeft, wat Hij van de Vader gehoord
heeft. Dàt moeten de discipelen in praktijk brengen. En daarbij komt dat de
Here Jezus Zijn eigen leven heeft ingezet voor Zijn vrienden. In Zijn kracht
kunnen we de geboden – die licht zijn en niet zwaar! – volbrengen. En waar we
struikelen en vallen, daar vergeeft God onze zonde.
Als de liefde tot God en tot de naaste de samenvatting is
van Gods geboden, dan moeten we die geboden niet minachten. “Wie dan één van de
kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in
het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in
het Koninkrijk der hemelen.” (Mattheüs 5: 19)
Stelling F5
Wie Exodus 20: 11 als een latere toevoeging van Mozes
afdoet, speelt een spelletje met het geboomte van het leven (Openbaring 22:
19).
Exodus 20: 11 is een
lastige Bijbeltekst, ook al horen we die vaak in de kerk. Het is de verklaring
die de HERE aan Israël gegeven heeft als onderbouwing bij het vierde gebod, het
gebod om op de rustdag het werk neer te leggen: “Want in zes dagen heeft de
HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op
de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.”
Waarom is dit een lastige Bijbeltekst? Omdat er twee populaire
ideeën mee in de grond worden geboord. De eerste gedachte is dat de hemel en de
aarde niet in een week tijd geschapen zouden zijn. De andere gedachte is dat
het rusten op de rustdag (de sabbatdag) behoort bij het Oude Testament. Maar
heel duidelijk zegt de HERE Zelf (vergelijk het opschrift boven de wet: “Toen
sprak God al deze woorden”) dat Hij de aarde in zes dagen gemaakt heeft. Dat
Hij op de zevende dag gerust heeft van zijn werk. En dat Hij daarom de rustdag
gezegend en geheiligd heeft. Zie ook Genesis 2: 3: “En God zegende de zevende
dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God
scheppende tot stand had gebracht.”
Meerdere keren is de suggestie naar voren gebracht dat
Exodus 20: 11 een latere toevoeging van Mozes zou zijn. Deze suggestie is
volkomen onjuist, omdat er nadrukkelijk boven de wet staat: “God sprak al deze
woorden.” Maar het is ook een suggestie die tornt aan het gezag van de Schrift.
Want ook als Mozes op gezag van de HERE de verklaring aan het gebod had toegevoegd,
dan zouden die woorden gezaghebbend zijn. Voor de hele Bijbel geldt immers dat
die “niet is voortgekomen uit de wil van een mens” (2 Petrus 1: 21). Wij mogen
delen van de Bijbel niet aan de kant zetten door aanhalingstekens te verzinnen
of door te suggereren dat het ‘slechts’ latere toevoegingen zijn van mensen.
Door de dienst van Mozes zegt God het duidelijk tegen Israël: “Al wat ik u
heden gebied, zult gij naarstig onderhouden, gij zult daaraan niet toedoen,
noch daarvan afdoen.” (Deuteronomium 12: 32) En Johannes waarschuwt ons ook:
“indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn
deel afnemen van het geboomte des levens van de heilige stad, welke in dit boek
beschreven zijn.” (Openbaring 22: 19) Met het geboomte van het leven moeten we
geen spelletje spelen.Het is onze toekomst!
Stelling G1
Situaties van echtscheiding en/of hertrouwen die in het
licht van het onderwijs van Jezus niet goed zijn, zijn volgens de synode alleen
kerkelijk censuurabel wanneer we daartoe ook de vrijmoedigheid hebben. Christus
Zelf geeft deze uitzondering echter niet in zijn onderwijs aan de discipelen.
De synode van Zuidhorn heeft onder meer besloten “uit te
spreken dat de kerken tot aan de volgende generale synode gerechtigd zijn om
bij een situatie van echtscheiding en/of hertrouwen die in het licht van het
onderwijs van Jezus niet goed is, maar waarin tegelijk geen vrijmoedigheid
bestaat tot kerkelijke censuur, over de desbetreffende situatie, indien
mogelijk na overleg met de betrokkenen, vergezeld van een bescheiden
toelichting en op een ingetogen manier, een openlijk oordeel te geven in het
midden van de gemeente.” Kennelijk is het soms duidelijk dat er tucht geoefend
moet worden, maar ontbreekt het toch aan “vrijmoedigheid” om die tucht ook
daadwerkelijk toe te passen. Terwijl door de tucht de gelovigen die tegen Gods
geboden ingaan juist geholpen worden, terug de goede (maar smalle) weg op. De
Here Jezus is duidelijk over echtscheiding. Echtscheiding “om een andere reden
dan ontucht” (Mattheüs 5: 32) verbiedt Hij. Waarom neemt de synode dan het
uitgangspunt in de “vrijmoedigheid” die kerken (als een soort extra voorwaarde)
zouden moeten hebben om de tucht al dan niet toe te passen? Juist in onze tijd,
waarin het aantal echtscheidingen enorm toeneemt – met alle gevolgen daarvan –
moet de synode duidelijk zijn en (alleen) de Bijbel laten spreken.
Stelling G2
Onder bepaalde omstandigheden lijkt het deputaten niet juist
om een echtscheiding zonder meer “onder de wet te plaatsen”. Gods gebod
daarentegen is heel duidelijk: wat God heeft samengevoegd, dat mag de mens niet
scheiden.
Bij echtscheiding zien we
vaak twee mensen of een heel gezin met veel verdriet. Het is goed daar aandacht
voor te hebben. Toch kunnen we echtscheiding ook in een verkeerd daglicht
zetten door alleen maar te letten op de verbroken relatie, het verdriet, de
boosheid en de hulp die nodig is. Want het huwelijk wordt wel eens een
‘drievoudig snoer’ genoemd (vanuit Prediker 4: 12), in die zin dat het een
verbond is tussen een man, een vrouw en de Here God. Maar dat betekent ook wat
voor echtscheiding. Daar is God ook bij betrokken. Wat Hij Zelf heeft
samengevoegd, mag de mens niet scheiden. En daarom is een kerkenraad die de
tucht toepast niet bezig de situatie van echtscheiding “onder de wet te
plaatsen”. Dat is een rare uitdrukking, want het huwelijk en ook echtscheiding
vallen al lang onder de wet van God. En dat is juist geweldig want zo wordt de
band tussen man en vrouw beschermd door de wijze bepalingen van onze Vader.
Voor ons eigen bestwil en ons eigen geluk zegt Hij: “Wat Ik samengevoegd heb,
mogen jullie als mensen niet scheiden”.
Stelling H1
Elke ambtsdrager die artikel 55 KO serieus neemt, heeft aan
het Nederlands Dagblad een dagtaak.
In artikel 55 van de Kerkorde staat: “Voor het weren van
valse leer en dwaling, die via lectuur en andere communicatiemiddelen het leven
van de gemeente bedreigen, moeten de predikanten en de ouderlingen
onderrichten, weerleggen, waarschuwen en vermanen, zowel in de prediking als
bij het catechetisch onderwijs en het huisbezoek.”
In de stelling wordt een relatie gelegd tussen het
Nederlands Dagblad en de taak die ambtsdragers hebben volgens artikel 55 van de
Kerkorde. Het ND heeft een brede verspreiding onder vrijgemaakten. De krant
heeft die brede verspreiding gehouden ondanks een wezenlijke verandering in de
manier van omgaan met het nieuws. Het Nederlands Dagblad geeft sinds de jaren
’80 van de vorige eeuw expliciet geen leiding meer aan de lezers. Ook – en dat
houdt er verband mee – is de krant interkerkelijk geworden. Het gevolg van deze
twee keuzes is dat het Nederlands Dagblad een soort platform is geworden.
Allerlei meningen en opvattingen staan in de krant naast en door elkaar heen.
Gereformeerde opvattingen naast evangelische, hervormde ideeën naast
rooms-katholieke. Omdat het Nederlands Dagblad de interkerkelijkheid nodig
heeft om als krant te blijven bestaan, biedt het aan al die standpunten een
basis.
In artikel 55 van de Kerkorde staat nadrukkelijk dat valse
leer en dwaling “het leven van de gemeente bedreigen”. Wie dag aan dag
geconfronteerd wordt met allerlei ongereformeerde opvattingen, zal op den duur
de invloed daarvan ondervinden. Misschien niet direct doordat die opvattingen overtuigen,
maar wel doordat ze hun plaats claimen en krijgen.
Niemand eet bewust voedsel dat schadelijk is. Maar van de
schadelijke invloed van een krant die ons – onder de naam ‘gereformeerd” – elke
dag overspoelt met allerlei opvattingen van bedenkelijke inhoud, zijn we ons
nauwelijks bewust. Welke opvattingen vinden wij inmiddels ‘normaal’ omdat we er
zo vaak een verdediging van lezen?
We moeten in de eerste plaats onze eigen
verantwoordelijkheid kennen: als lezers, als ouders en ook als ambtsdragers. Als
wij samen de HERE willen dienen (Jozua 24: 15b), wat doen wij dan tegen de
bedreiging van die dienst?
Stelling H2
De Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt,
maar te vaak doorbreken mensen de grenzen die door de Geest zijn gemaakt.
“En de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn
gemaakt”. Dat is een bekende regel uit het al even bekende lied “Samen in de
naam van Jezus” (Lied 168 uit de eerste E&R-bundel). Een mooie regel, want
God de Heilige Geest breekt inderdaad door de grenzen heen die mensen maken.
Hij doorbreekt het ongeloof. Hij verandert ons hart en onze wil. Hij geeft ons
liefde tot God en liefde tot onze naaste. Vooral liefde voor onze broeders en
zusters waarmee we één zijn in het geloof. Samen met hen heffen we, in de naam
van de Here Jezus, een loflied aan tot eer van God.
Maar het bederf van het mooiste leidt tot het slechtste.
Daarom moeten we ons afvragen hoe, wanneer en met wie we dit lied zingen. Niet
met alle mensen komen we samen in de naam van de Here Jezus. Want Hij is het
Woord van God. En helaas zijn er veel mensen die zich christen noemen, maat die
toch het Woord van God aan de kant zetten, geheel of gedeeltelijk. Door één te
zijn met zulke mensen, zetten we de eenheid tussen Christus en Gods Woord juist
opzij.
Daarom zijn er grenzen. Daarom zijn er ook kerkgrenzen. Als
die grenzen door mensen gemaakt worden binnen het volk waarvan de HERE wil dat
het als één voor zijn Aangezicht komt, dan is er sprake van zonde en schuld.
Maar de meeste kerkgrenzen zijn juist door de Heilige Geest getrokken. Om het
volk van God te beschermen tegen dwaalleer en vrijzinnigheid. Als we die
grenzen ter discussie stellen en ze proberen uit te wissen, dan is dat zondig
mensenwerk. Laten we samen bidden of de Heilige Geest de grenzen wil doorbreken
die door mensen zijn gemaakt. Maar laten we ook bidden of de Heilige Geest de
grenzen van de kerk wil bewaren en bewaken, daar waar die grenzen door Hem Zelf
gesteld zijn.
Stelling H3
Ook als een predikant onder een schuilnaam twijfels
publiceert, komt hij in strijd met zijn ondertekeningsformulier.
Door een handtekening te zetten onder het
ondertekeningsformulier beloven ouderlingen, diakenen, predikanten en docenten
aan de Theologische Universiteit in Kampen om niets te leren dat tegen de
Bijbel en de belijdenis ingaat. Dat is om verwarring in de kerk te voorkomen.
Ambtsdragers zijn er om de opbouw van het Lichaam van Christus te dienen. Die
taak mogen ze niet misbruiken om voor verwarring te zorgen. Daarom moeten
ambtsdragers en ook docenten aan de TU beloven dat ze allen in de kerkelijke
weg (via de kerkenraad, de classis en de synoden) hun vragen over onze
belijdenis aan de orde zullen stellen. En dat ze niet openlijk een preek zullen
houden of een boek of artikel zullen publiceren met twijfel over de waarheid
van Gods Woord.
Henk Jasperse heeft dat toch gedaan. Hij brak zijn belofte
en schreef een artikel waarmee hij zijn twijfel ronduit de kerken in stuurde.
Het Nederlands Dagblad hielp een handje mee en voorzag de dominee van een
schuilnaam, een pseudoniem. Dan kon hij tenminste zonder al te veel problemen
zijn belofte breken en de kerken in verwarring brengen. Niemand weet wie Henk
Jasperse is, niemand kan bezwaar maken, niemand weet of het misschien de eigen
predikant is die met allerlei twijfels rondloopt. Misschien wordt dat wel nooit
duidelijk. Blijft staan dat Henk Jasperse, óók onder een schuilnaam, zijn
belangrijke belofte breekt.
Stelling I1
Gods voorzienigheid is de kracht van God waardoor Hij alle
dingen zó leidt dat de uitverkorenen de hemelse heerlijkheid bereiken.
Als wij spreken over Gods voorzienigheid is dat soms
moeilijk, soms vertroostend, maar vaak blijft het een beetje mager. Dat laatste
komt omdat we Gods voorzienigheid vaak koppelen aan de schepping en
onderhouding van de wereld. En terecht, want daarmee heeft de voorzienigheid
ook alles te maken. Niet voor niets staat Zondag 10 van de Heidelbergse
Catechismus onder het kopje “God de Vader en onze schepping”.
De stelling wijst op het verband tussen Gods voorzienigheid
en onze uitverkiezing en verlossing. Dat verband vergeten we vaak. En als we
dat doen, duiken er twee problemen op. In de eerste plaats zien we de relatie
tussen Gods Vaderhand en het werk van de Here Jezus niet meer. En in de tweede
plaats wordt onduidelijk of en, zo ja, op welke manier Gods voorzienigheid voor
gelovigen andere gevolgen heeft dan voor ongelovigen.
Maar Gods voorzienigheid heeft niet alleen met ons aardse
leven te maken. Zelfs niet in de eerste plaats. Door alle aardse gebeurtenissen
(eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede enz.) heen, vervult
God Zijn beloften èn Zijn straffen. Mensen die Hij heeft uitgekozen, krijgen
van Hem eten en drinken, kleren, vrienden en familieleden. Ze komen tot geloof.
Hun ouders voeden hen christelijk op. Of ze komen op een andere manier in
aanraking met het Evangelie. Dat ene gesprek, die ene vriend of vriendin. De
HERE leidt alle dingen door Zijn voorzienigheid. Door al het geluk en verdriet
van deze wereld heen bereiken de uitverkorenen de hemelse heerlijkheid. Dat is
pas voorzienigheid!
Stelling I2
Wie de moeiten waarmee gelovige mensen geconfronteerd worden
allereerst wijt aan het werk van de Satan, doet tekort aan Gods voorzienigheid.
Het moeilijke van Gods voorzienigheid ligt misschien wel in
de woorden “alle dingen” uit Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus:
(vraag 27) “Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid?”
(antwoord 27) “De almachtige en tegenwoordige kracht van
God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in
stand houdt en zo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en
onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede
en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen.”
Als je in het antwoord alle ‘negatieve’ woorden onderstreept
(droogte, onvruchtbare jaren, ziekte, armoede), dan lijkt de belijdenis van
Gods voorzienigheid onbegrijpelijk te worden. Ook die moeilijke dingen komen
uit Gods vaderhand! Wij zijn eerder geneigd ze te verbinden met onze zonde en
met het werk van de Satan. Dat eerste is heel terecht, want als er geen zonde
was, dan was er ook geen droogte, armoede, honger enz. Maar toch komt alles uit
Gods vaderhand. Nooit is Satan de eerste. Hij staat niet naast de HERE, zelfs
op geen stukken na. Als we steeds naar Satan
kijken, dan doen we tekort aan Gods almacht en ook aan Zijn
voorzienigheid. Satan heeft geen zelfstandige rol en functie. Zelfs niet als
het gaat om honger, armoede en verdriet. Ook al begrijpen we het niet: àlle
dingen krijgen wij “tot ons heil” van onze Vader, óók de moeilijke
gebeurtenissen.
Stelling J1
Levende vissen zwemmen tegen de stroom in, dode vissen
drijven met de stroom mee.