Bijlage
Toetsing liederen
1. God heeft het eerste
woord 2. God heeft het eerste
woord. 3. God heeft het laatste
woord. 4. God staat aan het begin
Hij heeft in den beginne Voor
wij ter wereld kwamen, Wat Hij van oudsher zeide, en
Hij komt aan het einde.
het licht doen
overwinnen, riep Hij ons reeds bij name, wordt
aan het eind der tijden Zijn
woord is van het zijnde
Hij spreekt nog altijd voort. zijn roep wordt
nog gehoord. In heel
zijn rijk gehoord. oorsprong en doel en zin.
Jan
Wit (1914-1980)
Couplet 1 “ Hij heeft in den beginne het licht doen overwinnen”
Maar er was toch geen strijd. Dit lijkt heel muggenzifterig maar hier ligt Barth op de loer.Gen 1:3 zegt: “ En God
zeide: Er zij licht en er was licht” De duisternis overwinnen wordt in de Bijbel wel in figuurlijke zin gebruikt als
het gaat om de strijd tegen de satan, de wereld en ons eigen vlees. Dan zouden er krachten in het licht aanwezig
zijn die sterker zijn dan de duisternis
De dichter is Jan Wit - een schriftcriticus en bevrijdingstheoloog – beïnvloed door Karl Barth. Die ging
er van uit dat Gen. 1 ons geen geschiedenis vertelt. Hij vond dat er in het begin van de schepping sprake was
van een negatieve macht(de chaos en de duisternis). God bestrijd dit door het scheppen van het licht als eerste stap
op weg naar ordening van de chaos. Maar alles wat God schiep was goed. Dus geen chaos. Een gezang moet
duidelijk zijn, niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. En dat is deze wel. Hierbij past:
1
Cor. 14:8 “Indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed
maken tot de strijd.
Couplet 4“ Zijn
woord is van het zijnde oorsprong en doel en zin.” Rom. 11:36 Want uit HEM en door HEM en
tot HEM
zijn alle dingen. Drie maal Hem en niet Zijn woord. Dit is naar mijn oordeel taaltheologie(zie voor uitleg van dit
woord Lied 30)In plaats van “God” staat er “Zijn woord” Maar we hebben God de eer te brengen en niet Zijn
woord. God wordt hier uitwisselbaar met Zijn woord(gehaald uit Lied tegen het licht blz. 101)
Karl Barth gaat er van uit dat duisternis, aarde, woest en ledig een situatie was die God aantrof.
Het gaat Barth om het verhaal, hij gelooft niet in de schepping. Als reactie daarop komt God met het licht.
God schiep niet uit vrije verkiezing, maar moest in dat geval wel reageren. En dan overwint God de duisternis
door het licht. God was dus niet vrij in Zijn scheppen. Hij was gehandicapt in Zijn vrije armslag.
Karl Barth: “God maakt
echter de beide aspecten van de schepping, haar “jubel” en haar “jammer ” tot
zijn eigen
zaak in de vernedering
en de verhoging van Jezus Christus. Hij – de HERE Jezus – is zin
en doel van de
schepping.
Want de schepping is aangelegd op Jezus Christus, gelijk ze ook in Hem
geschapen is”
Hiermee wordt het werk van de middelaar Jezus al ingebracht in het doel van de schepping,
waarmee alles nog goed komt.
Kortom: In den beginne de chaos, maar door Jezus komt alles goed. Dus Algemene Verzoening.
Hiervan verzuchtte K. Schilder(H.C. deel III 1950 blz 375)
“ Als dat per slot en per opening van rekening geen algemene verzoening is, wat is het dan wel”
Dus het geciteerde uit couplet 4 is onschriftuurlijk.
Couplet 2: zijn roep wordt nog gehoord .Hierin zijn niet met hoofdletter. In andere liederen komt dit ook voor
Couplet 3: In heel zijn rijk gehoord. Ook hier zijn niet met een hoofdletter.
In verband met dit lied wil ik ook nog ingaan op wat deputaat H. Kisteman hierover in de Reformatie schreef:
Citaat 1
“Jan Wit, de berijmer van lied 1,
heeft ook psalmen berijmd waar niemand rept over vermeende Barthiaanse invloed”
Ja, dat kan zijn. Mocht dit het geval zijn, dan zullen die psalmen alsnog kritisch bekeken moeten worden. Met de 121 geselecteerde liederen kun je naar de Synode van Zuidhorn. Maar met een psalm die net zo beïnvloed zou zijn, moet je eerst de hele kerkelijke weg van kerkenraad, classis, P.S. en G.S. volgen. Dus eerst graag over dit lied waarmee ik me zoals gezegd rechtstreeks tot de eerstkomende Generale Synode kan wenden.
Citaat 2 “Omgekeerd valt invloed ook maar hoogst
zelden te bewijzen. Dat blijkt al als we bedenken dat in de bezwaren geen
uitspraken van Jan Wit zelf worden aangehaald en zeker niet diens eigen uitspraken over dit lied, maar dat meer een dus-gedachtengang wordt gevolgd in de trant van Barth had grote invloed, de Landvolkdichters zijn door hem beïnvloed. Jan Wit is een Landvolkdichter,dus is hij door Barth beïnvloed, dus is al zijn werk beïnvloed door Barth, dus is ook dit lied beïnvloed door Barth”
Maar wat er achter dat laatste dus staat is bewezen.!!!! Bij het commentaar van couplet 4. Daar blijkt dat Jan Wit bijna
letterlijk Karl Barth geciteerd heeft. Ik gebruik hier geen dus-gedachtengang.
Ik citeer deputaat Kisteman verder:
vervolg Lied 1
Citaat 3 “Zou Barth ook hebben kunnen spreken van het licht doen overwinnen vanuit zijn visie? Dat is best mogelijk. Maar dat is niet de kernvraag. Niet:zou een leerling van Barth dit lied van harte kunnen zingen? Maar: kan een oprechte gelovige in onze gereformeerde kerken die op dit punt niks van Barth wil weten, dit lied van harte zingen! Dat is het kader waarbinnen ons deputaatschap werkt,”
Maar zo kan ik dit lied niet meer zingen zonder in strijd te komen met de bijbelse boodschap. Dus de bijbelse boodschap kan ik hiermee niet van harte uitzingen. Zie weer het eerste deel van mijn verhaal.
Kisteman schetst verder dat de duisternis geen eindpunt was. Geen blijvende situatie. Dan citeer ik weer Kisteman:
Citaat 4:”Naast het niet blijvende, of in plaats daarvan kwam het licht. Dit
aspect zit in “overwinnen” Je zou de duisternis voor de schepping van het licht
kunnen vergelijken met de duisternis van iemand die blind is: altijd, elke dag,
heel het leven. Daarnaast staat de duisternis van onze nacht: duisternis die
nooit echt duister is. Die afgewisseld wordt met het daglicht. In beeld
gesproken – beelden kunnen helpen om iets aan te voelen – en let alweer op het
derde van vergelijking: het als het duister van onze slaap tegenover de
duisternis van een blinde. Kun je, mag
je dus spreken van ‘het licht doen overwinnen?’ Natuurlijk, zonder enige aarzeling.
Het verhaal van Kisteman klopt m.i. niet: 1e dag Er zij licht. Het was er gewoon. Punt uit. Er staat niet meer. We moeten oppassen om onze gedachten er op los te laten. Dat kan toch tot fantasie leiden!
Citaat 5:”Het woord overwinnen kan ook nog anders worden benaderd. De indruk
zou kunnen ontstaan, dat we de schepping
zien als een eenvoudig gebeuren in alle rust: God spreekt en het is er! Wie kan zeggen met hoeveel kracht dat gepaard ging te midden van zoveel duistenis? We lezen psalm 104 erbij over”Des HEREN heerlijkheid in de schepping”
Deputaat Kisteman probeert dan in het vervolg van zijn artikel te laten zien hoeveel geweld er volgens hem op de derde scheppingsdag gebruikt werd. En dan volgt:
Citaat 6:“En niet alleen op die dag. Ligt het niet in dat verlengde hiervan om Gods werk op de eerste scheppingsdag net zo te zien?” Nee, waarom zou dat dan ook zo moeten zijn?
Citaat 7:”De dichter brengt fraai tot uitdrukking hoeveel kracht God heeft
moeten aanwenden om alles tot stand te brengen. Dat geldt ook bij de komst van
het licht. Dat ging bepaald niet vanzelf. Voor ons is de overwinning van het
licht: de doorbraak van het licht. God heeft het licht doen doorbreken”
En verder uit het geweld van de derde scheppingsdag concludeert Kisteman dat het bij de 1e scheppingsdag ook niet vanzelf ging. Wat weten wij ervan hoe God Zijn macht gebruikt? Ik vind dan ook dat je een uitdrukking “als niet vanzelf gaan” niet mag gebruiken. Daar weten we niets van
Citaat 8:”We laten ons bepaalde woorden of uitdrukkingen niet afnemen, zelfs
al zou iemand ze verkeerd gebruiken.
Voorbeeld: Johan Cruijff
werd in Spanje “verlosser” genoem; de paus wordt als “vader” aangeduid. Die
woorden zijn daarmee niet besmet.”
Ik laat me de uitdrukkingen “het licht doen overwinnen” en “Zijn woord is van het zijnde oorsprong, doel en zin”
om redenen die ik hierboven al genoemd heb rustig afnemen.
Citaat 9:”en vooral: we moeten niet wijzer willen zijn dan God die in de
bijbel met allerlei beelden tot ons komt: Hij wordt ‘Vader’ genoemd ook
al gebruiken wij telkens andere aspecten van dit woord. Soms zijn bijbelse
beelden zó gewaagd, dat wij ze waarschijnlijk niet eens zouden durven
gebruiken. Enkele voorbeelden hiervan: Ps. 78:65 “Toen ontwaakte de HERE als een
slapende, als een held, door wijn overmand”;het ontwaken van God wordt
vergeleken met dat van een soldaat die zijn roes heeft uitgeslapen! Of
denk aan de robuuste beeldspraak van Klaagliederen 3:10-11a waarvan de HERE
wordt gezegd “Hij is mij een
loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken. Hij laat mij geen uitweg,en
verscheurt mij” en ook Hosea 13:7 ev. waar de HERE zelf zegt ”Zo ben ik hun als een leeuw geworden, loer
ik als een panter op de weg. Ik val hen aan als een van jongen beroofde berin. Ik rijt hun borstkas open,
en verslind ze dan als een leeuwin.”
Maar kun je hiermee een uitdrukking “het licht doen overwinnen” verdedigen? Als God in Zijn woord over Zichzelf een beeldspraak gebruikt die wij niet eens zouden durven gebruiken, dan geeft dat ons niet de vrijheid hetzelfde te doen.
Ik heb ook grote moeite met de uitdrukking “we moeten niet wijzer willen zijn dan God” Ik lees hier in dit verband uit dat we rustig wat vrijere uitspraken kunnen doen die we niet zo in de Bijbel kunnen vinden. Want als God het doet, hoeven wij niet wijzer te zijn. Kortom we kunnen ons uitdrukkingen veroorloven ook al staat dat niet zo in de Schrift?
1. Als God bepaalde uitdrukkingen gebruikt, geeft ons dat nog niet het recht om dat te doen.
2. Het liedboek kan doorwerken met uitdrukkingen die niet in de Bijbel staan. Laatst hoorde ik de uitdrukking:
“Christus is de vleesgeworden wil van de Vader”
Dat kun je nergens in de bijbel vinden. Wel “het vleesgeworden Woord”
Samenvattend: Dit lied is duidelijk Barthiaans getint. En daarom alleen al wil ik dit niet zingen. De bazuin klinkt niet
helder. De argumenten in de Reformatie vind ik niet overtuigend.
DIT LIED NIET GEBRUIKEN IN DE EREDIENST
Lied 6(naar Exodus 15:1-18)
1 Ik
zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag;
2. De Heer is een krijgsman, Hij trekt
voor ons uit
het komt aan de dag. en machtig verluidt
Zijn hand is verheven, zijn hand die bevrijdt, de roemrijke klank van zijn naam over ons:
zijn hand die zijn volk heeft geleid. de HERE, de God des verbonds!
De God onzer vaadren wordt heerlijk bekend. Hij heeft ons bevrijd, uit het diensthuis vandaan,
Wij prijzen zijn naam in zijn heilige tent, Hij heeft ons geleid op een veilige baan.
Hij heeft ons verlost
en Hij ging met ons mee De wateren weken en stonden gedwee,
en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee de vijand verzonk als een steen in de zee
met vliegende vaandels en blinkende zwaarden, met
vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
met wagens en paarden. met wagens en paarden.
3. Wie is er, o HERE, ter
wereld als Gij? 4.
De volken der aarde gaan eindlijk
verstaan
Wie komt U nabij wat
Gij hebt gedaan.
In heilige luister, in reddende macht Hun
leiders die bouwen op list en geweld
die wondren tot stand heeft gebracht? verstommen en zwijgen ontsteld.
Wij moeten U loven met hart en met mond, Totdat Gij uw volk dat Gij zelve formeert,
Want Gij zult ons brengen naar heilige grond. totdat
Gij het volk dat tot U zich bekeert
Uw liefde bereidt ons een veilig gebied het land van belofte hebt binnengebracht,
de vliegende vaandels en blinkende zwaarden, de
vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
de wagens en paarden. de wagens en paarden.
5.
Ik
zing voor de Heer, Hij is Koning voorgoed
en
dwars door de vloed
geleidt Hij de
zijnen. Zijn goddelijk spoor
gaat zelfs in de zee niet teloor:
de zee van zijn toorn die
de zonden verzwelgt,
het water en het bloed
dat de zonden uitdelgt.
Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan,
en zingende moeten het water in gaan
met slaafse ellende
en vorstlijke waarde
de mensen der aarde.
Jan Wit (1914-1980)
1. Toen zong Mozes met de Israëlieten de HERE
dit lied en zij zeiden: Ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte
Hij in de zee.
2. De HERE is mijn kracht en mijn psalm, Hij is
mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God
mijns vaders, Hem prijs ik.
3. De HERE is een krijgsheld; HERE is zijn
naam.
4. De wagens van Farao en zijn legermacht wierp
Hij in de zee; de keur van zijn wagenhelden werd in de Schelfzee
gedompeld.
5. Watervloeden overdekten hen; in de diepte
zonken zij als een steen.
6. Uw rechterhand, HERE, heerlijk door kracht,
uw rechterhand, HERE, verpletterde de vijand.
7. In uw grote majesteit vernietigdet Gij wie
tegen U opstonden; Gij liet uw toorngloed los, hij verteerde hen als
stoppels.
8. Door de adem van uw neus werden de wateren
opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de watervloeden
stolden in het hart der zee.
9. De vijand zeide: Ik achtervolg, haal in, deel
de buit; ik koel mijn lust aan hen, trek mijn zwaard; mijn hand roeit
hen uit.
10 Gij bliest met uw adem , de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren.
11 Wie
is als Gij, onder de goden, HERE, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid,
vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in
uw doen?
12 Gij
strektet uw rechterhand uit; de aarde verzwolg hen.
13 Gij leiddet in uw goedertierenheid het volk dat
Gij verlost hebt; Gij leiddet het door uw kracht naar uw heilige woon-
stede.
14 Volkeren
hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan.
15 Toen
verschrikten Edoms stamhoofden, huivering greep Moabs machtigen aan; alle
bewoners van Kanaän sidderden.
16 Ontzetting en schrik overviel hen, door uw
geweldige arm verstarden zij als een steen, terwijl uw volk, HERE, doortrok,
uw
volk, dat Gij U hebt verworven, doortrok.
17 Gij
brengt hen en plant hen op de berg die uw erfdeel is; de plaats die Gij, HERE,
tot uw woning gemaakt hebt; het
heiligdom, HERE, door uw hand gesticht.
18 De
HERE regeert voor altoos en eeuwig.
Niet berijmd in dit lied is Ex 15-6:10 Je kunt er over twisten of alles van dit schriftgedeelte berijmd moet worden. Maar Jan Wit laat vaker schriftgedeelten weg waar sprake is van een toornende God/ van het oordeel.
Regel 1 wijkt af van Ex. 15:1b waar staat: “Ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven,….”
God staat boven alles.Hij is de macht en de sterkte. Omdat de HERE zo hoog verheven is, wil ik Hem bezingen
Maar regel 1 zegt niet waarom ik de HERE prijs. Alleen dat ik voor de HERE zing en Zijn gezag prijs.
Regel 6 “Wij prijzen zijn naam in zijn heilige tent”
Bij de Schelfzee was helemaal geen heilige tent. Het volk wist nog niet dat er een tabernakel komen zou. En het komt ook niet in de tekst voor.
Regel 8 “Uw dreigende vinger verwijst naar het niet “We kunnen door de HERE naar de hel gezonden worden.
Maar we worden niet naar het niet gezonden.(naar het Nirwana) Daar gaat veel minder afgrijzen van uit dan van de hel. Dit vervlakkend spreken doet tekort aan het evangelie waarin zowel de heilsbeloften als de verbondsdreiging onverkort een plaats hebben.
Regel 1+2 “De volken der aarde gaan eindlijk verstaan wat Gij hebt gedaan.” Dit is niet juist. Zie Openbaring 20 en PSALM 2. En de volken gaan pas verstaan op de jongste dag als het te laat is. Wel is het zo dat de doortocht door de Schelfzee eeuwen later nog bekend is bij de heidenen. Ten diepste zien ze een geweldige god(geen hoofdletter) maar niet de almachtige Schepper van hemel en aarde.
Regel 8 “vergaan door het diepe geheim van de macht” Een mystieke wijze van spreken. Het leger van Egypte is door Gods slaande hand geoordeeld. Dat heeft niets met een diep geheim te maken.
Dit couplet komt nergens in dit schriftgedeelte naar voren
Regel 5 “de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt”
Is dit waar? Dat de zonden op die manier verzwolgen worden? Als we in Hem geloven worden die zonden in de zee van vergetelheid geworpen, en anders zal de goddeloze zichzelf kunnen verwijten, dat hij niet geluisterd heeft. Maar toch niet door Gods toorn worden de zonden verzwolgen?
Regel 6: “het water en het bloed dat de zonden uitdelgt” Een verwijzing naar de doop? Dat is toch alleen een teken.
Of op Golgotha waar er water en bloed uit de zijde van de HERE Jezus kwam. Maar dat delgt toch niet de zonden uit. Toch alleen door dat het lijdenswerk van de Heiland is volbracht.
Regel 7-10:”Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan, en zingende moeten het water in gaan met slaafse ellende en vorstelijke waarde de mensen der aarde.”
Waarom doodszee? Omdat de Egyptenaren er omkwamen?
Maar dan is de levensjordaan raar. Daar kwamen ze niet weer tot leven.
Of omdat de Israëlieten hier met de dood van de Egyptenaren geconfronteerd werden?
Maar het was voor hun toch een levenszee! Ik vind dit een onduidelijke zin. De bazuin klinkt niet helder.
En er is wel een duidelijke positieve overeenkomst tussen de Jordaan en de Schelfzee.
De 12 gedenkstenen in de Jordaan verwezen naar de Schelfzee. Waar de HERE zo’n machtig werk heeft
gedaan. En in Lied 290 wordt diezelfde Jordaan een smalle doodszee genoemd. Vreemde tegenstelling.
In het vetgedrukt van regel 8 en10 predikt Jan Wit de alverzoening.
Refrein : “met(de) vliegende vaandels en blinkende zwaarden met(de) wagens en paarden”
In het schriftgedeelte staat:” Ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog
verheven, het paard en
zijn ruiter stortte Hij in de zee(Ex 15:1)” Het refrein mist de feitelijke boodschap van de Schrift,
die veel meer van de macht en majesteit van onze God getuigt!
Samenvattend:
1. De dichter doet alsof wij door de Schelfzee zijn gegaan. Of wij dit hebben meegemaakt.(zie couplet 5) Dat is onjuist. De doortocht wordt op die manier geactualiseerd. Wij hebben toch een veel ruimer perspectief nu.
2. De toornende God is weggelaten Ex 15:6-10.
3. Couplet 3 ”Uw dreigende vinger verwijst naar het niet” is onschriftuurlijk.
4. Couplet 4 “De volken der aarde gaan eindlijk verstaan wat Gij hebt gedaan” is onschriftuurlijk.
5. Couplet 5 “de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt” is onschriftuurlijk.
6. Alverzoening(couplet 5).
7. Refrein klopt niet.
NIET GEBRUIKEN IN DE EREDIENST
1. Mijn hart verheugt zich zeer 4. De boog valt uit de hand 7. De Heer, zijn naam zij lof
en roemt in God, de Heer. van wie hem pochend spant werpt levenden in ’t stof,
Hij doet mij 't hoofd opsteken. om needrigen te treffen. doet doden weer herleven.
Hij heeft mijn eer gered. Maar wie versaagde wordt De trotsen slaat Hij neer.
Ik kan vrijmoedig met met nieuwe kracht omgord Geringen wordt de eer
al wie mij hoonde spreken. en zal zich blij verheffen. van edelen gegeven.
2. Niemand ter wereld is 5. Wie breed aan tafel zat 8. Het is de Heer die doodt
van rang en stand gewis, en lekkernijen at en die de donkre schoot
want God alleen is heilig. leert schamel brood te prijzen. van ’t graf weer kan ontsluiten.
Maar wie zijn onmacht kent Maar wie gebrek leed, is Waar Hij het leven geeft,
en tot de Heer zich wendt, gezeten aan een dis die zelve waarlijk leeft,
is in zijn hoede veilig. vol uitgelezen spijzen. daar is het niet te stuiten.
3. Waartoe dat loos gepraat 6. Een vrouw die wordt gesmaad 9. De Here God regeert.
van eigen hoge staat, om haar vergeefse staat Zijn goede trouw fundeert
die trots van kloeke mannen! krijgt rijke kinderzegen. een rijk voor al de zijnen.
De Heer die alles weet Maar wie zich heeft beroemd, Zij zijn gerust en stil.
beoordeelt lief en leed daar men haar moeder noemt, Maar wie het boze wil
en weegt der mensen plannen. staat eenzaam en verlegen zal in de nacht verdwijnen.
10. Des Heren woord beslist
der volken oude twist.
De laatsten worden eersten.
Mijn hart verheugt zich zeer,
en roemt in God de Heer.
Zijn vredevorst zal heersen. Jan Wit (1914-1980)
1. Toen bad Hanna en zeide : Mijn hart juicht in de HERE, mijn hoorn is verhoogd in de HERE.
Wijd opent zich mijn mond tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in uw hulp.
2. Er is niemand heilig gelijk de HERE, want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God
3. Spreekt toch niet steeds zo hoogmoedig, geen verwaten taal kome uit uw mond. De HERE immers is een alwetend God
en door Hem worden de daden getoetst
4. De boog der helden is verbroken, maar de wankelenden zijn met kracht omgord.
5. Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten. Zelfs een onvruchtbare baart er
zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt.
6. De HERE doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.
7. De HERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij
8. Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel
te doen verwerven. Want de grondvesten der aarde zijn des HEREN; Hij heeft daarop het aardrijk gesteld.
9. De voeten zijner gunstgenoten behoedt Hij, maar de goddelozen komen om in duisternis, want niet door kracht is een man
sterk.
10. Wie met de HERE twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De HERE richt de einden der aarde; Hij
geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.
Acta Hattem art 144, 1 : De gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw
Regel 1,2 en 3 “Niemand ter wereld is van rang en stand gewis, want God alleen is heilig.” Zit het onheilige in rang en
stand? De zonde zit toch in ons
eigen hart? Bevrijdingstheologie. Maar uit vers 2: “Er is niemand heilig gelijk de
HERE, want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God” blijkt het vertrouwen op de HERE. Dat
heeft niets met rang of stand te maken.De tegenstelling tussen gelovige en ongelovige verschuift bij veel dichters naar die tussen rijk en arm.
Regel 4 “Maar wie zijn eigen onmacht kent” Er is hier toch geen sprake van onmacht maar van heiligheid van onze God en dus onze eigen onheiligheid(=zonde).Let wel onmacht is geen zonde.
Regel 4-6: “De Heer die alles weet beoordeelt lief en leed en weegt der mensen
plannen.”
De zonde wordt hier niet genoemd. In 1 Sam. 2:3 staat o.a. “door Hem worden de daden getoetst” De zonde in ons leven wordt voor Gods troon openbaar. Wij worden niet veroordeeld omdat de Here Jezus voor ons geleden heeft. Maar in deze regels wordt alleen gesproken over lief, leed en plannen.
In 1 Samuël 2:8 staat :”Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven.”
Couplet 7 klopt hier niet mee. Waar staat dat levenden in het stof worden geworpen?
En de trotsen slaat Hij neer? Wel staat er in vers 7 van dit schriftgedeelte: ” De HERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.” Dit toch alles in verband met de zonde. Maar waar spreekt Jan Wit in dit lied over de zonde. En als er geen zonde genoemd wordt, kun je couplet 7 alleen maar lezen als een stuk bevrijdingstheologie.
De laatste 2 regels zijn: “Maar wie het boze wil zal in de nacht
verdwijnen”
1 Sam. 2:9: ”maar de goddelozen komen om in duisternis.” Jan Wit zegt hier eigenlijk, dat als je kwaad wilt, verdwijn je gewoon in de duisternis. Je bent er gewoon niet meer? Je gaat - als je je van de HERE afkeert - niet naar de hel? En wat bedoelt hij precies met “boze”? Een onderdrukker die mensen onderdrukt?
Wij kunnen dit vers wel gereformeerd inlezen, maar de bazuin klinkt hier niet helder.
En nogmaals waar blijft bij Jan Wit de zonde?
In 1 Sam. 2:10a staat:” Wie met de HERE twisten, worden
gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De HERE richt de einden der aarde”
Regel 1-3: “Des HEREN woord beslist der volken oude twist. De laatsten worden eersten.”
De brutale strijd van volken en hun machthebbers tegen de HERE wordt door Jan Wit omgezet in een strijd tussen volken waarbij de HERE wel het laatste woord heeft.
Jan Wit heeft het loflied van Hanna losgetrokken uit de Messiaanse en profetische context en heeft er op deze manier een lied volgens de bevrijdingstheologie van gemaakt. Hij legt daar duidelijk verantwoording van af in het Compendium:
“ Dit
lied van vernedering en verhoging, van ondergang van de groten, de sterken en
de trotsen, en, verlossing van de
armen en de kleinen kan
natuurlijk niet zomaar zonder meer worden vergeleken met de maatschappijkritiek
die momenteel zo en vogue(=in de mode)is. Toch is het een onbegrijpelijke zaak,
dat de Christengemeente die dit lied immers van oudsher gezongen heeft, eeuwenlang met een zo bête(=domme) bewondering heeft opgezien naar
macht, voornaamheid en succes. En nog
onnatuurlijker is het dat zovele theologen van de Christenheid hun
wetenschappelijk vernuft en hun autoriteit beschikbaar gesteld hebben om vorsten, adel en
patriciaat, ja zelfs
om
de noueaux riches(=nieuwe rijken) aan een vroom alibi te helpen.
Wie dit lied oprecht zingt en erover mediteert kan onmogelijk in het meditatieve stadium blijven steken. Zijn houding tegenover de groten dezer aarde zal onontkoombaar kritischer en relativistischer worden. Intussen zij opgemerkt dat Hanna in haar lied weliswaar ernstig is, maar dat er toch in zekere mate een humoristisch aspect in haar tekst valt waar te nemen. Er mag in de kerk bij de grote daden en bij de ontmaskering van de kleingeestigheid van het aardse machtsvertoon en van de wereldse pracht en
praal gerust gelachen worden.”
Samenvattend: De bevrijdingstheologie klinkt er in door(couplet 2) , de zonde wordt weggelaten(couplet 3)
De bevrijdingstheologie waar geen plaats is voor de zonde(couplet 7)
De bazuin klinkt niet helder(couplet 9)
De verticale relatie wordt omgezet in een horizontale relatie. De antithese weggelaten.(couplet 10)
DIT LIED MAG NIET GEBRUIKT WORDEN IN DE EREDIENST. STRIJDIG MET DE SCHRIFT.
Hij zal mij geleiden Hij brengt mij op wegen geen kwaad zal ik vrezen, verkwikken en laven
naar grazige weiden. van goedheid en zegen, Gij zult bij mij wezen; zijn hemelse gaven;
Hij voert mij al zachtkens Hij schraagt me als ik wankel, o Heer, mij vertroosten Hij wil mij versterken
Aan waatren der rust. Hij draagt me als ik viel. uw stok en uw staf ! met brood en met wijn.
5. De Heer is mijn Herder!
Hem blijf ik gewijd!
‘k Zal immer verkeren
in’t huis mijnes Heren:
zo kroont met haar zegen
zijn
liefde me altijd. Jan Jacob Lodewijk ten Kate(1819-1889)
PSALM 23
1 Een
psalm van David. De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets;
2 Hij
doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren;
3 Hij
verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om zijns naams wil.
4 Zelfs
al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt
bij mij; uw stok en uw staf, die
vertroosten mij.
5 Gij
richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn
hoofd met olie, mijn beker vloeit
over.
6 Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al
de dagen van mijn leven; ik zal in het huis des HEREN verblijven
tot in lengte van dagen.
Regel 2 “ ‘k Heb al wat mij lust” is erg vrij vertaald als je naar de onberijmde tekst kijkt: ”mij ontbreekt niets”
We krijgen niet alles wat we graag willen, maar ons ontbreekt niets.
Regel 5 “ Hij voert mij al zachtkens” Maar zo zal ons leven niet altijd verlopen. Hij snoeit ook.
(Joh 15:1-8 De ware wijnstok) Opdat wij meer vrucht dragen. De Goede Herder zet het mes
er soms diep in
“Hij brengt mij op wegen van goedheid en zegen”
Maar dat is heel wat anders dan:”Hij leidt mij op de rechte paden om Zijns naams wil”
De smalle weg die moeilijk en zwaar kan zijn. Door Zijn naam staat de HERE garant.
“Al dreigt ook het graf”
De onberijmde tekst spreekt: ”Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis.” Dat zijn moeiten in dit leven waar de HERE je als Zijn kind doorheen helpt.
Het Liedboek versmalt de tekst dus tot de dood.
In PSALM 23:5a staat: “Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen”
Dat wordt hier weergegeven met: ”In ’t hart der woestijn”
Hier wordt de antithese weggelaten. Weggelaten de straf voor diegenen die Gods kinderen vervolgen.
Vergelijk Jes. 65:11-15. Oordeel en gericht wordt vaker weggelaten in deze liederen.
PSALM 23:6a “Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven”
Dat is in dit couplet weergegeven met: “zo kroont met haar zegen zijn liefde me altijd”
Dat is wel net zo te lezen als vers 6a(zie maar naar Joh 3:16) maar de bazuin kan helderder klinken.
En dat moet!.
Samenvattend:
1. Couplet 1 + 2 niet helemaal juist. God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst.
2. Couplet 3 veel te vlak.
3. Couplet 4 de antithese weggelaten.
4. De bazuin klinkt niet helder.
5. Een psalmverdringer.
Dit vers mogen we in de eredienst niet zingen. We vervangen het meerdere(berijmde versie van Psalm 23) door het mindere.
1.Loof nu, mijn ziel, de
Here, 2. Gij armen en verdrukten, 3. De
Heer is als een vader, 4. Maar 't rijk van Gods genade
loof, al wat in mij is,zijn naam! ziet uit naar Hem, die u bevrijdt; die voor zijn kindren ’t
beste wil; staat vast en blijft in eeuwigheid.
Vergeet niet, hoeveel
keren gebeukten en gebukten, wie Hem
vertrouwend naadren, Zijn trouw komt hun te stade,
de Here u heeft
welgedaan. in zijn rijk is gerechtigheid. die geeft Hij
rust, die maakt Hij stil. die Hem getrouw zijn toegewijd.
Hij wil uw schuld
vergeven, Gij die, uzelf tot schade, Hij immers
kent ons broze Gij englen, sterke helden,
u redden van de dood, des Heren weg
verliet, bestaan,
want stof zijn wij, - die doet zijn heilig woord,
gij zijt met heel uw
leven de Heer is vol genade, een teer
geluk, als rozen nooit moede ons te melden
geborgen in zijn
schoot. voor eeuwig toornt Hij niet, - zo
schoon, zo snel voorbij; al wat gij van Hem hoort,-
De Heer vernieuwt uw
krachten Hij die voor u blijft zorgen, als gras zijn
wij , als blaren, - looft
Hem, - gij zult Hem geven
als van een adelaar, de zonde van u
doet wanneer
de najaarswind de lof van 't gans heelal;
Hij maakt wie Hem
verwachten als de avond van de
morgen, door 's levens boom komt varen, en gij mijn ziel,
mijn leven,
al zijn beloften waar. ja, kwaad vergeldt met
goed. wie is er die ze vindt? loof gij Hem bovenal!
PSALM 103 Johann Gramann(1487-1541)
1 Van David. Loof de HERE, mijn ziel, en
al wat in mij is, zijn heilige naam;
2 loof de HERE, mijn ziel, en vergeet
niet een van zijn weldaden;
3 die al uw ongerechtigheden vergeeft,
die al uw krankheden geneest,
4 die uw leven verlost van de groeve,
die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
5 die uw ziel verzadigt met het goede,
zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend.
6 De HERE doet gerechtigheid en recht
aan alle verdrukten.
7 Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de
kinderen Israels zijn daden.
8 Barmhartig en genadig is de HERE,
lankmoedig en rijk aan goedertierenheid;
9 niet altoos blijft Hij twisten, niet
eeuwig zal Hij toornen;
10
Hij doet ons niet naar onze
zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden;
11
maar zo hoog de hemel is boven de
aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen.
12
Zover het oosten is van het
westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons;
13 gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de HERE over wie Hem vrezen.
14
Want Hij weet, wat maaksel wij zijn,
gedachtig, dat wij stof zijn.
15
De sterveling - zijn dagen zijn
als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij;
16
wanneer de wind daarover is
gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.
17
Maar de goedertierenheid des
HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen, en
zijn gerechtigheid
over kindskinderen,
18
over hen die zijn verbond
onderhouden, en aan zijn bevelen denken om die te doen.
19
De HERE heeft zijn troon in de
hemel gevestigd, zijn koningschap heerst over alles.
20
Looft de HERE, gij zijn engelen,
gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de
klank van zijn
woord.
21
Looft de HERE, al zijn
heerscharen, gij zijn dienaren, die zijn wil volbrengt.
22
Looft de HERE, al zijn werken,
aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof de HERE, mijn ziel.
Couplet 1 lijkt me redelijk weergegeven
PSALM 103 : 6 wordt in dit couplet op een redelijke manier door de eerste vier regels weergegeven. Maar dan:
8.
Barmhartig en genadig is de HERE, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid;
9. niet
altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Hij toornen;
Wordt weergegeven door: “Gij die, uzelf tot schade, des Heren weg verliet, de Heer is vol
genade, voor eeuwig toornt Hij niet”
Dit schriftgedeelte is naar mijn oordeel erg mager weergegeven. En ook de inhoud van vers 12 en 13 wordt in dit couplet en in
couplet 3 de eerste 4 regels erg mager weergegeven.
Niet berijmd vers 7 “Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn daden.”
“Hij doet ons
niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden, maar zo
hoog de hemel
is boven de
aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen.”
Vervolg lied 15
In het schriftgedeelte staat duidelijk, dat de HERE niet doet naar onze zonden. Want de HERE is goederentieren (om Jezus wil) voor wie Hem vrezen. Je moet Hem dus vrezen. In het berijmde gedeelte doet de HERE de zonde van ons. Nergens vind je in het lied de eis om de HERE te vrezen. Dit zweemt naar alverzoening.
“Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheiden” is veel sterker. De verlossing ondanks ons. En dat is in dit lied weggelaten. Een zeer schrale weergave van de tekst.
Regel 9-10 “als gras zijn wij, als blaren, - wanneer de najaarswind door 's levensboom komt varen”
Psalm 103:15, 16 “De sterveling – zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij:
wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer en haar plaats kent haar
niet meer.”
's Levensboom is wat er niet staat. De berijming is hier volgens mij niet tekstgetrouw. De najaarswind is een te dichterlijke vrijheid.
Weggelaten
vs 17,18: “Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem
vrezen, en zijn gerechtigheid over kindskinderen, over hen die zijn verbond
onderhouden en aan zijn bevelen denken om die te doen.” Alleen over
dezen. Dus geen alverzoening. Verwijzingen naar het verbond worden door de
Landvolkdichters heel vaak geschrapt.
Nu
kan men zeggen dat de zaak zelf er wel in staat, want kijk maar naar couplet 4:
Regel 1-4 “Maar ’t rijk van Gods genade staat vast staat vast in eeuwigheid. Zijn trouw komt hun te stade, die Hem getrouw zijn toegewijd.” Waar blijft de verplichting Hem te vrezen. Toch niet in “die Hem getrouw zijn toegewijd” Dat is heel wat anders. En in vs 17 en 18 wordt niet gesproken over het rijk van Gods genade. Zie voor verdere bespreking van deze dichtregels onder couplet 4.
Ook mist vers 11b-13: “zo
machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen. Zover het oosten is van
het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons; gelijk zich een vader
ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de HERE over wie Hem vrezen.”
De verplichting om de HERE te vrezen is o.a. weggelaten.
Regel
1-4 “ Maar
’t rijk van Gods genade staat vast in eeuwigheid. Zijn trouw komt hun te stade
die Hem zijn
toegewijd” is de berijming van vs 19:
“De HERE heeft zijn troon
in de hemel gevestigd, zijn koningschap heerst over alles.”
Wat er berijmd is, is waar,
maar niet tekstgetrouw. De laatste zes
regels lijken me goed berijmd.
Samenvattend:
De vertaler en landvolkdichter Ad den Besten heeft een tekst neergezet met als rode draad, dat we een fijne HERE hebben, Die schuld vergeeft en redt van de dood. Armen en verdrukten worden door Hem bevrijd; voor gebeukten en gebukten is er gerechtigheid. De HERE kent ons en blijft voor ons zorgen.
1. PSALM 103:8,9 is in couplet 2 regel 5-8 erg mager weergegeven! En ook vs. 12,13 in couplet 2+3
2 Couplet 2 I. Weggelaten om de HERE te vrezen.
II Zweemt naar alverzoening.
3. Niet tekstgetrouw(couplet 2, 3 en 4)
4. Verschillende teksten niet berijmd(vs 7, 11b-13 en 17-18)
CONCLUSIE: ER ONTBREEKT VEEL TE VEEL. DIT IS EEN PSALMVERDRINGER. NIET ZINGEN IN EREDIENST.
1. Laat ons nu vrolijk zingen! 2. Hoe goed is
't hun die bouwen 3 . Hij
is de Heer, de sterke,
Komt, heft uw liedren
aan op Isrels vaste rots, in
Hem is alle macht.
voor Hem, wie alle
dingen hun die zich
toevertrouwen Dat zeggen ons zijn werken,
altijd ten dienste staan. de
trouwe handen Gods. dat zeggen dag en nacht,
Ik wil de Heer
daarboven Zij
hebben ’t heil verkregen, de aarde en de hemel,
lofprijzen hier op
aard, de allerschoonste schat; de mensen en het vee,
ja, Hem van harte
loven, God
leidt hen op zijn wegen, en alles wat er wemelt
die veilig mij
bewaart. hun voet wordt moe noch mat. in
't water van de zee.
4. Hij is de Heer, de trouwe, 5. Op
duizenderlei wijze 6.
Hij is het licht der blinden,
die niemand onrecht
doet. redt Hij ons van de dood. der zwakken steun en staf.
Wie maar aan Hem zich
houden, Hij geeft ons drank en spijze Die zich in
rouw bevinden,
die geeft Hij alle
goed. in schaarste en in nood. neemt Hij de droefheid af.
Moet iemand onrecht
lijden, En als wij zijn gevangen, Maar allen die Hem haten,
de Heer staat aan zijn kant. te middernacht zendt Hij hun
wegen maakt Hij krom;
Hij doet te allen
tijde ons liedren en gezangen wat zij in trots bezaten,
Aan elk zijn woord gestand. en
maakt ons eindlijk vrij. keert Hij in gramschap om.
7. Ik arme en geringe,
hoe zou ik voor uw troon
U lof en dank toezingen?
. Gij zijt zo groot, zo
schoon.
Maar omdat Gij mijn
leven
duldt voor uw
aangezicht,
mag ik, o Heer, U geven
. de weerglans van uw
licht. Paul Gerhardt(1607-1676)
PSALM 146
1
Halleluja. Loof de HERE, mijn ziel.
2
Ik zal de HERE loven, mijn leven lang,
mijn God psalmzingen, zolang ik nog ben.
3
Vertrouwt niet op edelen, op een
mensenkind, bij wie geen heil is;
4
gaat zijn adem uit, dan keert hij weder
tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.
5
Welzalig hij, die de God van Jakob tot
zijn hulpe heeft, wiens verwachting is op de HERE, zijn God,
6
die hemel en aarde gemaakt heeft, de
zee en al wat daarin is, die trouwe houdt tot in eeuwigheid;
7
die de verdrukten recht verschaft, die
de hongerigen brood geeft. De HERE maakt de gevangenen los,
8
de HERE maakt de blinden ziende, de
HERE richt de gebogenen op, de HERE heeft de rechtvaardigen lief;
9
de HERE behoedt de vreemdelingen, wees
en weduwe houdt Hij staande, maar de weg der goddelozen
maakt Hij krom.
10 De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Halleluja.
De waarschuwing om niet op edelen te vertrouwen is niet berijmd. Niet op een mensenkind. Er staat wel hoe goed het is op de HERE te vertrouwen. De tegenstelling van het niet mogen vertrouwen op de mens en wel ons mogen verlaten op de HERE is weggelaten.
Psalm 146:3. Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind,
bij wie geen heil is;
4. gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage
vergaan zijn plannen
De vermaning in vers 3 en 4 is dus verdwenen. Wordt wel in onze eigen berijming aangehaald.
Volgens mij de berijming van vs 5:“Welzalig hij,die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft,wiens verwachting is op de HERE,zijn God,” Regel 1 + 2 geven de bedoeling van vers 5 absoluut niet weer. Dat komt in onze berijmde versie van Ps. 146 couplet 3 veel beter tot zijn recht. Wat er staat in regel 1 en 2 is schriftuurlijk, maar het is niet schriftuurlijk berijmd.
Regel 1 - 4 “Hij is de Heer, de trouwe, die niemand onrecht doet. Wie maar aan Hem zich houden, die geeft hij alle goed.”
God doet inderdaad niemand onrecht. Ook de goddeloze niet die in de hel komt. Vers 6b zegt: “die trouwe houdt tot in
eeuwigheid” De betekenis daarvan is heel wat anders dan “Hij is de Heer, de trouwe, die niemand onrecht doet”. Hij is trouw
aan Zijn beloften. Vervolgens zegt de dichter:” Moet iemand onrecht lijden, de Heer staat aan zijn kant” Zo is het
bevrijdingstheologie. De theologie die alleen horizontaal ziet. De lijdende
mens wordt bevrijd van zijn ellende.
Ik denk dat het anders is: De HERE staat aan de kant, van wie Hem gelovig volgen, ook als ze onrecht lijden.
Verdrukten, hongerigen mochten in Israël onder Gods goede wetten niet voorkomen. Maar niet iedereen hield zich aan
die wetten.(Lees 2 Kon 4:1-7: olie voor de weduwe)
Couplet 5
Regel 1 en 2 “Op duizenderlei wijze redt Hij ons van de dood” Dit staat niet in de tekst! Niet tekstgetrouw. Als hier de eerste dood is bedoeld, dan kan het zo zijn dat mensen op veel manieren aan de dood ontsnappen. Als hier de tweede dood wordt bedoeld dan worden we daar maar op één manier van gered. Namelijk door het lijden van Christus. Wat bedoelt de dichter?
Regel 6-8 “te middernacht zendt Hij ons liedren en gezangen en maakt ons eindlijk vrij.” Veel te vrije berijming van:
”De HERE maakt de gevangenen los”(PSALM 146:7b)
Couplet 6
Regel 1 en 2 “Hij is het licht der blinden, der zwakken steun en staf.” Op zich waar. Maar in de tekst staat het veel directer: “De HERE maakt de blinden ziende, de HERE richt de gebogenen op.”( PSALM 146:8)
Regel 1 kun je geestelijk opvatten. De tekst niet. Regel 2 is geen juiste weergave van “richt de gebogenen op” En waar blijven de rechtvaardigen?
De laatste vier regels lijken me wel goed. Vers 10 ontbreekt: “De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Halleluja” Dus het toekomstperspectief verdwenen? In ieder geval is de slotzang uit de onberijmde versie verdwenen. Het oordeel is gelukkig niet verdwenen: Couplet 6 regel 6 “hun wegen maakt Hij krom” MAAR DAN:
Ik arme en geringe,
Hoe zou ik voor uw troon
U lof en dank toezingen?
Gij zijt zo groot zo schoon.
Maar omdat Gij mijn leven
duldt voor uw aangezicht,
mag ik o Heer, U geven
de weerglans van uw licht.
Duldt de HERE ons? Nee toch zeker? De blijdschap van de verlossing is verdwenen!
Waar staat in de Bijbel, dat wij de weerglans van Christus licht geven? Kunnen we dat dan?
Gerhardt dichtte oorspronkelijk: Ach ich bin viel zu wenig, zu rühmen seinen Ruhm; der Herr allein ist König, ich eine
welke Blum. Jedoch weil ich gehöre gen Zion in sein Zelt, ists billig, dass Ich mehre sein
Lob vor aller Welt.
Vrij vertaald:”Ach ik ben veel te gering om zijn eer groot
te maken; de HERE alleen is koning, ik een
verwelkte
bloem. Echter omdat ik behoor tot Sion tot zijn tent, is het
billijk(goed), dat
ik zijn lof voor de ogen van de hele wereld
vermeerder” Lijkt me heel
iets anders!
Samenvattend:
1. Wezenlijke verzen weggelaten. Niet
tekstgetrouw. “Een goed kerklied is
inhoudelijk in overeenstemming met de
Schrift” De vermaning is weggelaten(vs. 3-4)
2. Vs. 10 ontbreekt, dus het toekomstperspectief is verdwenen?
3. Couplet 3 onschriftuurlijk berijmd, couplet 4 bevrijdingstheologie, couplet 5 niet tekstgetrouw, couplet 6 niet tekstgetrouw.
4. Couplet 7 staat niet in de tekst en is ook nog onschriftuurlijk.
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST. Een psalmverdringer.
1. Alles wat adem heeft love de Here 2. Vorsten zijn mensen uit aarde geboren, 3. Welgelukzalig
is ieder te noemen,
zinge de lof van Isrels
God! zij keren eens tot aarde weer; die Jakobs God als
helper heeft!
Zolang ik hier in het
licht mag verkeren, rijkdom en macht, het gaat alles
verloren, Wat zou hem schaden,wie zou hem verdoemen,
roem ik zijn liefde en
prijs mijn lot. niemand gedenkt hun daden meer. die dag aan dag met Christus leeft?
Die lijf en ziel
geschapen heeft Machtigen wanklen in hun waan, Wie met de Heer te rade gaat,
worde geloofd door al
wat leeft roepen wij dan de Here aan. die staat Hij bij met raad en daad.
Halleluja!
Halleluja!
Halleluja! Halleluja! Halleluja! Halleluja!
4. Hij is’t, die hemelen, zeeën en aarde, 5. O gij verdrukte, die onrecht moet lijden, 6. Vreemdeling,die
hier op aard moet gedogen,
die al wat is tot
aanzijn riep, Hij die u recht verschaft is hier! dat u de haat der mensen treft
de enige God die zijn
macht openbaarde, Hongrige, Hij wil u
spijze bereiden Hij richt u op, als gij neer zijt gebogen
Hem is gehoorzaam wat
Hij schiep dorstige, zie de
heilsrivier! en Hij buigt neer wie zich verheft.
Hij, die het al heeft in
zijn hand, Zijt gij geboeid, Hij maakt u vrij; Zijt gij in rouw, God is uw licht;
houdt ook ons zwak
geloof in stand. God schenkt genade velerlei. Hij schenkt, o blinde, u ’t gezicht.
Halleluja!
Halleluja!
Halleluja! Halleluja! Halleluja! Halleluja!
7. Roemt dan, gij mensen, en lofzingt tezamen
Hem die zo grote
dingen doet.
Alles wat adem heeft,
roepe nu amen,
zinge nu blijde: God is
goed!
Love dan ieder die Hem
vreest
Vader en Zoon en Heilge
Geest!
Halleluja!
Halleluja!
Johan Daniël
Hernnschmidt(1675-1723)
PSALM 146
1 Halleluja. Loof de HERE, mijn ziel.
2 Ik zal de HERE loven, mijn leven lang, mijn God
psalmzingen, zolang ik nog ben.
3 Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind,
bij wie geen heil is;
4 gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot
zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.
5 Welzalig hij, die de God van Jakob tot zijn
hulpe heeft, wiens verwachting is op de HERE, zijn God,
6 die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al
wat daarin is, die trouwe houdt tot in eeuwigheid;
7 die de verdrukten recht verschaft, die de
hongerigen brood geeft. De HERE maakt de gevangenen los,
8 de HERE maakt de blinden ziende, de HERE richt
de gebogenen op, de HERE heeft de rechtvaardigen lief;
9 de HERE behoedt de vreemdelingen, wees en
weduwe houdt Hij staande, maar de weg der goddelozen
maakt Hij krom.
10 De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Halleluja.
Couplet 1 Gaat uitgebreid in op PSALM 146:1
Couplet 2 Hier wordt aandacht gegeven aan vorsten die vergaan
Maar in de grondtekst staat:” Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.“
Ook in dit lied ontbreekt het unieke van Gods hulp als tegenstelling tegenover de vergankelijke hulp van stervelingen.
Er staat wel iets over vorsten(couplet 2) Maar niet dat je niet op hen mag leunen. Onze berijming van psalm 146 is beter
“Machtigen wanklen in hun waan” lijkt op bevrijdingstheologie
Couplet 3 Lijkt me wel schriftuurlijk
Regel 3:”de enige God die zijn macht openbaarde” Deze zin is niet helder. Natuurlijk vinden we dat er maar één God
is. Maar dat staat er niet. De bazuin klinkt niet helder.
Regel 4:”Hem is gehoorzaam wat Hij schiep” Maar de zondeval is er toch geweest. Dus die zin is onschriftuurlijk.
De tekst:” de HERE richt de gebogenen op, de HERE heeft de rechtvaardigen lief;”(vs. 8b)
Wordt als volgt weergegeven: “Hij richt u op, als gij neer zijt gebogen en Hij buigt wie zich verheft”(regel 3+4)
Dit is wel heel iets anders dan er staat. De rechtvaardigen worden niet genoemd als tegenstelling met de goddelozen
Opvallend. Het oordeel weggelaten. Lijkt op bevrijdingstheologie. Samen met “Machtigen wanklen in hun waan”
Vers 9:” De HERE behoedt de vreemdelingen, wees en weduwe houdt Hij staande, maar de weg der goddelozen
maakt Hij krom”
Vreemdelingen, wezen en weduwen hadden het in Israël niet breed. Dit wordt door de dichter als volgt weergegeven: “Vreemdeling, die hier op aard moet gedogen, dat u de haat der mensen treft”(regel 1+2)
“Hij richt u op als gij neer zijt gebogen en Hij buigt neer wie zich verheft”(regel 3+4)
Maar dat is heel wat anders dan dat de HERE de vreemdeling behoedt.
Vervolg Lied 21
Dat wordt omgebogen naar bevrijdingstheologie. Vers 8b “de HERE richt de gebogenen op, de HERE
heeft de recht-
vaardigen lief;” wordt in deze berijming achter vers 9 gezet. De vreemdeling wordt blijkbaar gehaat en die wordt
opgericht. Maar zo staat het er niet.
De dichter laat onberijmd:”maar de weg der goddelozen maakt Hij krom” De antithese is weer weggelaten. Zoals
vaker in deze liederen
Vers 10:”De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion is van geslacht tot geslacht. Halleluja.”
Wat er in de berijming staat is waar, alleen in de grondtekst komt de rijkdom van Gods verbond naar voren en daar komt
hier niets van terecht. Anders gezegd: Waar is hier de schriftuurlijke lof op de HERE gebleven als Koning van Zijn kerk
en de God van het verbond die werkt in de geslachten.
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST WANT: 1. Het unieke van Gods hulp is weggelaten
2. Couplet 4 regel 4 is onschriftuurlijk
3. Bevrijdingstheologie heeft in deze berijming een plaats
4. De antithese weggelaten.
5. Couplet 4 regel 3: De bazuin klinkt niet helder
6. Waar is hier de schriftuurlijke lof op de HERE gebleven als Koning van Zijn kerk en de God van het verbond die werkt in de geslachten.
1. Het zal zijn in het laatste der tijden 2. Als Jeruzalems tinnen gaan blinken
dat de berg van de tempel verheerlijkt zal staan, en beschamen der bergen en heuvelen trots,
dat de wegen er heen zullen leiden zal van Sion uit blijde weerklinken
en de volken der aarde op weg zullen gaan het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods.
om de rechten des Heren te leren Tot bescherming van allen die leven
zich tot God en elkaar te bekeren. staat de wet van Gods heil er geschreven.
3. En een smidse van ’t huis onzes Heren
Maakt het zwaard tot een ploegschaar, de speer tot een zicht.
Niemand zal meer een wapen hanteren
maar zij groeten elkaar in het heldere licht
van de waarheid die eindlijk zal dagen
over
mensen van zijn welbehagen. Jan
Wit(1914-1980)
Jesaja 2:2-5
1. En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen
2. en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem.
3. En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen en zij zullen de oorlog niet meer leren
4. Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht des HEREN.
Regel 5 en 6: “om de rechten des Heren te leren, zich tot God en elkaar te bekeren.”
Maar wat staat er in Jesaja 2:3 “opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem”
Het woord van de HERE brengt de volkeren in een crisis: Voor of tegen de HERE. De antithese
Daarom is “zich tot God en elkaar te bekeren” misplaatst. Want het gaat niet om een strijd van volkeren die zich moeten verbroederen En we kunnen ons niet tot elkaar bekeren. Wel vergeven. Alleen tot de HERE bekeren.
Jes. 2:4 “En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën” is niet berijmd
De keuze voor of tegen de HERE en dat gebeurt niet zonder de klem van het gericht
En die klem is weggelaten. Er komt geen wereldvrede zonder gericht. Weg pacifisme. De antihese is weggelaten.
Couplet 2
Regel 4-6 het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods. Tot bescherming van allen die leven staat de wet van
Gods heil er geschreven.
DE BEVRIJDING VAN DE ZONDEN DOOR CHRISTUS IS HET ECHTE HEIL VOOR DE VOLKEREN.
Maar hier wordt alverzoening gepredikt. Dus verzoening voor alle mensen. Dit is niet schriftuurlijk. Er is geen algemene verzoening.
Citaten van Jan Wit uit het Compendium:
1. “Het gaat om de verhoging en de verheerlijking van de tempelberg in het laatste der dagen d.w.z. aan het einde van de geschiedenis”
2. “Ook deze stralende profetie van gerechtigheid en vrede zullen wij niet op eerlijke wijze in de mond kunnen nemen wanneer we niet bezield zijn door een vruchtbaar verlangen naar nieuwe verhoudingen tussen de mensen
en de volken en wanneer wij niet bereid zijn aan de realisering daarvan mee te werken”
Dus een horizontaal denken. Kan ook niet anders bij een schriftcriticus
SAMENVATTEND:
1. Het gericht is weggelaten, de antithese.
2. De alverzoening wordt geleerd
3. Het lied heeft in zich een horizontaal denken i.p.v. een verticaal denken, een wereldvrede zonder gericht. Zie citaat van Jan Wit.
4. Couplet1: “zich tot God en elkaar te bekeren.” is misplaatst
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
1. Daar is uit ’s werelds duistre wolken 2. Gij wilt met vrede tot ons komen,
een licht der lichten opgegaan. met vreed’ en vrijheid, vreugd’ en eer.
Komt tot zijn schijnsel, alle volken, Het juk is van de hals genomen,
en gij, mijn ziele, bid het aan! God lof, wij zijn geen slaven meer!
Het komt de schaduwen beschijnen, De staf des drijvers ligt verbroken,
de zwarte schaduw van de dood aan wie ons hart zich had verkocht,
De nacht der zonde zal verdwijnen, en ’t wapentuig in brand gestoken
genade spreidt haar morgenrood van hem, die onze ziele zocht
3. Wat heil, een Kind is ons geboren 4. O Vredevorst,Gij kunt gebieden
een Zoon gegeven door Gods kracht! de vreed’op aard’en in mijn ziel!
De heerschappij zal Hem behoren Doe alle volken tot U vlieden,
zijn last is licht, zijn juk is zacht dat al wat ademt voor U kniel!
Zijn naam is“Wonderbaar”,zijn daden Des HEREN ijver zal bewerken,
zijn wondren van genaad’ alleen dat Hij de zetel, U bereid,
Hij doet ons, hoe met schuld beladen, met recht en met gericht zal sterken.
verzoend voor ’t oog des Vaders treên. Hem zij de lof in eeuwigheid! Nicolaas Beets(1814-1903)
1. Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een
groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een
licht.
2. Gij hebt het volk vermenigvuldigd, zijn
vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde
bij de oogst, zoals men juicht bij het
verdelen van de buit.
3. Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede
van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midiansdag.
4. Want
elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal
verbrand worden, een prooi van het vuur.
5. Want
een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op
zijn schouder en men noemt hem
Wonderbare
Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
6. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon
van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met
recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der
heerscharen zal dit doen.
7. De
HERE heeft een woord gezonden in Jakob en het is gevallen in Israel.
8. En
het ganse volk zal het ervaren, Efraim en de inwoners van Samaria, die in
hoogmoed en grootsheid van hart zeggen:
9. Tichelstenen
zijn gevallen, maar met gehouwen stenen herbouwen wij; wilde vijgebomen zijn
geveld, maar ceders zetten
wij daarvoor in de plaats.
10. Doch
de HERE verhief Resins tegenstanders tegen hen en Hij hitste hun vijanden op:
11. Aram
in het oosten en de Filistijnen in het westen, zodat zij Israel gulzig
verslonden. Ondanks dit alles keert zijn toorn
zich
niet af en blijft zijn hand uitgestrekt.
12. Doch
het volk heeft zich niet bekeerd tot Hem die het sloeg, en het heeft de HERE
der heerscharen niet gezocht.
13. Toen
sneed de HERE op één dag van Israël kop en staart, palmtak en riet af.
14. De
oude en aanzienlijke, die is de kop, en de profeet die leugen onderwijst, die
is de staart.
15. De
leiders van dit volk waren verleiders en wie zich leiden lieten, werden op een
doolweg gebracht.
16. Daarom
verheugt de HERE Zich niet over de jonge mannen en ontfermt Hij Zich niet over
de wezen en weduwen, want
elkeen is een godvergetene en een booswicht
en elke mond spreekt dwaasheid. Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet
af
en blijft zijn hand uitgestrekt.
17. Want goddeloosheid brandt als een vuur, dat
dorens en distels verteert en de dichte takken van het woud aansteekt, zodat
zij
in rookwolken opgaan.
18. Door de verbolgenheid van de HERE der heerscharen
wordt het land in brand gezet, zodat het volk tot een prooi van het
vuur
wordt; de ene mens spaart de ander niet,
19. men bijt naar rechts en toch hongert men,en men
verslindt naar links en toch wordt men niet verzadigd, ieder
verslindt
het vlees van zijn eigen arm:
20. Manasse
Efraim en Efraim Manasse, en samen keren zij zich tegen Juda. Ondanks dit alles
keert zijn toorn zich
niet af en blijft zijn hand uitgestrekt.
Jes 9:1 Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet
een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe
duisternis, straalt een
licht.
Dit couplet is geen goede tekstgetrouwe berijming. Wel wordt hier beschreven wat er gebeurt en zal gebeuren.
Jes 9:2 Gij hebt het volk
vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt: het verheugt zich voor uw
aangezicht als met
de vreugde bij de
oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit.
vervolg lied 26
Berijmd met: Gij wilt met vrede tot ons komen, met vreed’ en vrijheid, vreugd’ en eer. Niet tekstgetrouw
Jes. 9: 3-4 Want het
juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver,
hebt Gij verbroken als
op Midiansdag. Want elke
schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand
worden, een prooi van het vuur.
Wordt berijmd met: “Het
juk is van de hals genomen, God lof, wij zijn geen slaven meer!
(Regel 3-8) De staf des
drijvers ligt verbroken, aan wie ons hart zich had verkocht,
en
wapentuig in brand gestoken van hem, die onze ziele zocht.”
Lang niet tekstgetrouw
Jes. 9:5-6 Want een
Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn
schouder en men
noemt hem Wonderbare
Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn
en
eindeloos de vrede op
de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest
met recht en
gerechtigheid, van nu
aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen.
In couplet 3 zijn de eerste 5 regels redelijk goed berijmd. De rest niet
In couplet 4 wordt alleen de Vredevorst genoemd. Weggelaten: Sterke God, Eeuwige Vader.
En als deze berijming naar heel Jes. 9 is dan is vers 7-20 zeker niet berijmd. Daarin juist de toorn van de HERE.
En men kan er natuurlijk voor kiezen om alleen Jes. 9:1-6 te berijmen. Maar weer is het opvallend dat de antithese is weggelaten.(vs 7-20) Dat komt in deze liederen regelmatig voor. Het weglaten van de antithese is een heel opvallende lijn.
Samenvattend:
1. Geen tekstgetrouwe berijming.
2. Antithese weggelaten
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
LIED 28(naar Jes 26:1-6)
1. Wij hebben een sterk stad, 2. Wie wonen daar in die stad,
eene stad met muren en schansen, die stad op de nieuwe aarde?
wij hebben een sterke stad, Een volk dat de Heer aanbad
een stad waar de kinderen dansen en de trouw aan zijn roeping bewaarde.
en waar men muziek maakt en zingt, O poortwachter, open de poort
een stad door de Heer omringd. voor al wie vertrouwt op zijn woord?
3. Vertrouwt op de Heer, vertrouwt 4. Rechtvaardigen, hier is uw stad,
want
eeuwig zal Hij ons dragen.
standvastigen, hier uw sterkte.
De vesting zo hoog gebouwd, Een ruimte die niemand mat,
die heeft Hij ternedergeslagen een toekomst die niemand bewerkte
maar mensen die steeds zijn geknecht dan Israëls Heiland alleen,
die wandelen hier in het licht. Hij voert de verdrukten erheen. W. Barnard(1920-…)
Eerst haal
ik hier Jes. 25 bij aan om de context duidelijker te maken
1.
O HERE, Gij zijt
mijn God, U zal ik verheffen, uw naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan,
raadsbesluiten
uit
een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd.
2. Want Gij hebt de stad tot
een steenhoop gemaakt, de versterkte veste tot een bouwval, de burcht der
vreemden
tot wat geen stad meer
is; in eeuwigheid zal deze niet herbouwd worden.
3. Daarom zal een sterke
natie U eren, de veste van gewelddadige volken zal U vrezen;
4. want Gij zijt voor de geringe een sterkte
geweest, een sterkte voor de arme toen hij benauwd was, een
schuilplaats
tegen de stortbui, een schaduw tegen de hitte. Want het briesen der
geweldenaars is als een stortbui tegen een
muur, als hitte in een dorre streek. Het rumoer der vreemden onderdrukt
Gij;
5. als hitte door de schaduw van een wolk wordt
het gezang der geweldenaars gedempt.
6. En de HERE der heerscharen zal op deze berg
voor alle volken een feestmaal van vette spijzen aanrichten, een
feestmaal van belegen wijnen: van mergrijke,
vette spijzen, van gezuiverde, belegen wijnen.
7. En Hij zal op deze berg de sluier
vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmede alle volken
bedekt zijn.
8. Hij zal voor eeuwig de
dood vernietigen, en de HERE HERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen
en de
smaad van zijn volk zal
Hij van de gehele aarde verwijderen, want de HERE heeft het gesproken.
9. En men zal te dien dage
zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen;
dit is de
HERE, op wie wij
hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft.
10. Want
de hand des HEREN zal op deze berg rusten, maar Moab zal op zijn plaats neergestampt worden, zoals
stro
neergestampt wordt in het water van een mestkuil.
11. Spreidt het zijn handen daarin uit, zoals een zwemmer
ze uitspreidt om te zwemmen, dan zal Hij zijn hoogmoed
vernederen ondanks zijn
listige handgrepen.
12. Ja, de ontoegankelijke versterking uwer muren zal
Hij neerwerpen, vernederen, op de grond doen neerstorten tot
in het
stof.
In het bovenstaande wordt gesproken over het toekomstige oordeel. Maar ook over het heil dat men zal ontvangen
voor wie in de HERE gelooft. Daarop volgend zegt Jesaja in hoofdstuk 26 vers 1:
6. Voeten zullen haar vertreden: de voeten der ellendigen, de treden der geringen.
Couplet 1
Toegevoegd: 1. dansende kinderen, musicerende mensen. Volgens de dichter:”Want al vermeldt Jesaja met zoveel
woorden geen stad waar de kinderen dansen, hij heeft die stellig wel voor zich gezien”.Dat staat nergens. Niet berijmd
is: ”Hij stelt heil tot muren en voorwal” Wel een stad met muren en schansen. Wel een stad door de HERE omringd.
Maar niet Zijn heil die er voor zorgt dat de stad beschermt wordt. Dit couplet is volgens mij niet tekstgetrouw.
Couplet 2
Hier wordt een poortwachter ten tonele gevoerd, die in dit schriftgedeelte niet genoemd wordt. Barnard zegt in het
Compendium: “Daarvoor leek een beurtspraak gewenst tussen het optrekkend volk en een denkbeeldige
poortwachter, en wat dat betreft is het lied dus breder dan de profetie”
Niet berijmd: ”Standvastige zin bewaart Gij in volkomen vrede(Jes 26:3a)
vervolg Lied 28
Couplet 3
In vers 5 en 6 wordt de ondergang van de goddelozen(bewoners van de hoogte = Moab(zie Jes 25:10)) met hun bolwerk
getekend. Dat wordt hier versmald tot de ondergang van de vesting.
Het element van wraak door de HERE wordt er zo uitgehaald(“Weet wat je zingt” blz 71)
Regel 5 en 6:”maar mensen die steeds zijn geknecht die wandelen hier in het licht.” Het gaat hier blijkbaar om onderdrukten en
dus ook weer om onderdrukkers. Niet om goddelozen en die de HERE vrezen. Bevrijdingstheologie.
Die onderdrukten wandelen hier in het licht(regel 5 en 6) En niet de gelovigen.
Couplet 4:
“Hij voert verdrukten erheen.”(regel 6) Jesaja spreekt over rechtvaardigen(vs 7) en goddelozen(vs 10)
En niet over geknechten/verdrukten en dus verdrukkers. Het sluit weer aan bij het commentaar bij couplet 3.Bevrijdings-
theologie. En dat hier sprake is van bevrijdingstheologie wordt door Barnard zelf bevestigd. Citaat uit Compendium
”omgekeerd is de bitse vernedering tot de grond toe van de arendsburchten(=de hoogte,zie tekst) der onderdrukkers in de
strofische vorm niet terug te vinden.”
SAMENVATTEND: 1. Schriftgedeelte weggelaten.
2. Niet tekstgetrouw.
3. Niet in juiste context.
4. Bevrijdingstheologie.
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
Lied 30
Voordat we overgaan tot bespreking van Lied 30 eerst een korte bespreking van de taaltheologie van de Landvolkdichters.
Ik maak hierbij gebruik van citaten uit “Lied tegen het licht”(blz 100) van J.P.C. Vreugdenhil en H. Vreugdenhil-Busstra
Wat houdt dat in?
Gods Woord en de woorden van de dichters vallen samen.
Laatste 2 regels van Liedboeklied 84: Maak onze eigen woorden tot de taal van God!
Dichter Muus Jacobse
Landvolkdichter Heeroma: “Het heeft God beliefd menselijke taal te worden en dat maakt onze religie tot een taalreligie, ons geloof tot een taalgeloof, ons bestaan tot een taalbestaan” Blz 71 van “IN NADER TOT EEN TAALTHEOLOGIE”
Ook geciteerd in “Lied tegen het licht”(blz 98) van J.P.C. Vreugdenhil en H. Vreugdenhil-Busstra
Heeroma onderscheidt hier 3 vormen van taal die hij laat corresponderen met de drie Personen in de Drieëenheid:
1. God de Spreker
2. God de Logos(moeilijk woord voor Woord = Christus)
3. God het Pneuma(de Heilige Geest)
Er worden nog wel bijbelse woorden en dogmatische begrippen gebruikt, maar ze worden aangewend voor een algemeen menselijke religiositeit
Het gevolg: God, in al Zijn majesteit als Schepper, in zijn rechtvaardigheid en liefde, is vervangen door een mytische voorstelling van een menselijke taal
Als persoon bestaat Hij hoogstens in de verbeelding. De bijbel bevat woorden die mensen ooit over God gedacht en gesproken hebben.
De consequenties van deze theologie voor je geloof zijn verstrekkend: De Bijbel is niet meer het Woord van de levende God,
ze is niet meer dan een mythologische verhaal over God; Gods koninkrijk wordt vervuld in menselijke rechtvaardigheid op aarde.
Lied 30(naar Jesaja 40:12-31)
1. Wie mat de waatren in zijn holle hand, 2. Waarmee is God te
vergelijken? Ziet: 3. Een
bronzen beeld, bedekt met blinkend goud
bepaalde in het
scheppingslicht één enkle druppel in zijn hand hoogstralend, in de ruime zaal,
van berg en heuvel het
gewicht? en op zijn waag één korrel zand en in het nederig portaal
Wie is het die de
hemelbol omspant? is
bij de Heer der volken macht, meer niet.
een wijgeschenk van donker
ebbenhout:
Wie gaf Hem raad en
reden Als alle cederwouden komt door die dode dingen
die aller
eeuwigheden als offers branden zouden -
het werk van stervelingen -
begin en einde
draagt? en al hun wild verging hemel en aarde saam?
Hebt gij het niet
gehoord? ja, als de Libanon Hebt gij het niet gehoord?
Weet gij het niet?- Het wóórd, één altaar wezen kon, Gij
kent Hem door zijn woord,
o volk dat naar Hem
vraagt. het ware te gering Hij woont hier in zijn naam
4. Hebt gij dan geen begrip van laag en hoog 5.
Waarmee zou God te vergelijken zijn?
is
’t u van oudsher niet bericht? Wat
zoekt gij een gelijkenis
God heeft zijn zetel hoog in ’t
licht: met Hem die hoog en heilig is?
sprinkhanen
zijn de mensen in zijn oog Sla op uw ogen naar het diep
geheim,
Geweldenaars
en rijken
naar de miljoenen
lichten
die
vast geworteld lijken, en
laat u onderrichten.
zij
worden uitgewist, Wie bracht dit al tot stand?
als
Hij in ’t firmament God schiep het door zijn woord
zijn
weidse vierschaar spant Hij
leidt de sterren voort
en
hun geding beslist. Niet één valt uit zijn hand.
6. Wie
zegt gij, Israël: God kent mij niet
7. De gang wordt vast, het lied krijgt nieuw
geluid.
mijn
rechtszaak gaat aan Hem voorbij? De bloem der jonglingschap
versaagt,
Der
eeuwigheden Heer is Hij, maar
al wie naar de HERE vraagt
de hele schepping is zijn
rijksgebied slaat
als een adelaar zijn vleugels uit.
Maar
aller heemlen orde Zij
wandlen onvermoeibaar
doet
Hem niet moede worden zij
trekken onuitroeibaar
om
voor u in te staan door
deze wereldnacht. Hebt gij het niet gehoord? Hebt
gij het niet gehoord?
Weet
gij het niet? Het woord Weet
gij het niet? Het woord
zal
altijd met u gaan. geeft
moeden nieuwe kracht.
Jan Wit(1914-1980)
Vervolg lied 30
12 Wie mat de wateren met zijn holle hand, bepaalde de omvang der hemelen met een span, vatte met een maat het stof der
aarde, woog de bergen met een waag en de heuvelen met een weegschaal?
13 Wie bestuurde de Geest des HEREN en onderrichtte Hem als zijn raadsman
14 Wie raadpleegde Hij, dat deze Hem inzicht zou geven, het rechte pad zou leren, kennis bijbrengen en de weg des
verstands doen kennen?
15 Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en een stofje aan een weegschaal; zie eilanden zijn als fijn stof, dat
uitgestrooid wordt;
16 de Libanon is niet toereikend als brandhout en zijn wild gedierte niet ten brandoffer.
17 Alle volken zijn als niets voor Hem, zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel.
18 Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?
19 Een vakman giet het beeld en een goudsmid overdekt het met goud en smeedt er zilveren ketenen voor.
20 Wie te arm is voor een wijgeschenk kiest een stuk hout dat niet verrot; hij zoekt zich een kundige vakman om een beeld op te richten, dat niet wankelt.
21 Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Is het u van de aanvang niet verkondigd? Hebt gij geen begrip van de
grondvesten der aarde?
22 Hij troont boven het rond der aarde en haar bewoners zijn als sprinkhanen; Hij breidt de hemel uit als een doek en spant hem uit als een tent waarin men woont.
23 Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging, Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid;
24 nauwelijks zijn zij geplant, nauwelijks gezaaid, nauwelijks wortelt hun stek in de aarde, of Hij blaast reeds op hen, zodat zij verdorren, en een storm neemt ze op als stoppels.
25 Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige.
26 Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk
daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter.
27 Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de HERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God
voorbij?
28 Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de HERE, Schepper van de einden der aarde. Hij wordt
noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden.
29 Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert hij sterkte.
30 Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen,
31 maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen maar worden
niet moede; zij wandelen maar worden niet mat
---------------------------------------------------
Lied 30 stelt wel dezelfde vraag als Jesaja 40, maar geeft steeds een ander antwoord
Over wie gaat het hier in dit schriftgedeelte: Over de HERE, dit alles in Zijn hand heeft, die alles bestuurt
Het antwoord op Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? is:
1. Is het u van de aanvang niet verkondigd? Hebt gij geen begrip van de grondvesten der aarde?(vs 21)
2. Een eeuwig God is de HERE, Schepper van de
einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is
niet te doorgronden.(vs 28)
DE HERE STAAT HIER CENTRAAL. HET GAAT OM ZIJN EER
Het refrein van Jesaja 40 en volgende hoofdstukken is dat God, en God alleen het is:”Mijn eer geef ik aan geen ander”
In Couplet 1, 3, 5, 6 en 7 wordt “het woord” uitwisselbaar met God, de HERE zelf.(Licht tegen het licht blz 101) Dit is niet
volgens de tekst . En het is ook niet schriftgetrouw want het woord(met kleine letter!) is niet God zelf
Dit ruikt naar Barthianisme. Barth gelooft niet in een almachtige Schepper van hemel en aarde. De levende God wordt hier vervangen door “woord”
Dit is naar mijn oordeel een voorbeeld van taaltheologie.
Bekijk nu de coupletten
In couplet 1 wordt als antwoord gegeven: Het woord o volk dat naar Hem vraagt. MAAR HET GAAT IN DIT
SCHRIFTGEDEELTE OVER DE ALMACHTIGE SCHEPPER VAN HEMEL EN AARDE EN NIET OF WIJ
NAAR HEM VRAGEN. DAT MOETEN WE NATUURLIJK WEL, MAAR HET GAAT HIER OM DE EER
VAN GOD.
In couplet 3: Gij kent Hem door zijn woord, Hij woont hier in zijn naam. Het woordje “zijn” met kleine letter. NIET HET
ANTWOORD VAN HET SCHRIFTGEDEELTE(de eer v.d Schepper) EN VERDER: WIE WOONT HIER IN
WIENS NAAM. DIT KOMT IN HET BOVENSTAAND SCHRIFTGEDEELTE NIET VOOR
In couplet 5: Hier wordt de vraag niet gesteld maar wel een antwoord gegeven
“God schiep het door zijn woord, Hij leidt de sterren voort, Niet één valt uit zijn hand.” DIT LIJKT NOG HET
MEEST OP HET ANTWOORD DAT DE SCHRIFT ZELF GEEFT. Maar hier ook “zijn woord”
In couplet 6: Het woord zal altijd met u gaan. NU OOK WEER: HET GAAT IN DIT SCHRIFTGEDEELTE OVER DE
ALMACHTIGE SCHEPPER VAN HEMEL EN AARDE. EN NIET OF HIJ MET ONS MEE GAAT
vervolg Lied 30
In couplet 7: “Het woord geeft moeden nieuwe kracht”. DAT IS WEL WAAR EN HET STAAT OOK IN HET BOVEN-
STAAND SCHRIFTGEDEELTE, MAAR HET IS GEEN ANTWOORD OP DE VRAAG:” Weet gij het
niet?Hebt gij het niet gehoord?” HET GAAT WEER OM DE EER V. D. ALMACHTIGE SCHEPPER VAN
HEMEL EN AARDE
Opvallend is dus dat Jan Wit steeds andere antwoorden geeft op de vraag: Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord?”
Hij zegt in het Compendium o.a. het volgende:”De meeste van onze bijbelse liederen berusten op aanzienlijk kortere pericopen.
Daarbij komt ook nog dat dit tweede gedeelte van Jesaja 40 in de grondtekst enerzijds poëtisch maar aan de andere kant ook beschouwelijk en betogend is. Men moet om van zulk een uitgangspunt tot een zingbaar lied te komen wel naar een kernwoord zoeken dat het geheel als een Leitmotiv tot een poëtische eenheid kan maken. Ik heb dit Leitmotiv gemeend te vinden in de verzen 21 en 28 en inhoudelijk in het feit dat, hoewel de pericoop allerlei zeer zichtbare beelden oproept en de hoorder en/of lezer wordt uitgenodigd de sterrenhemel te beschouwen en daar zelf zijn conclusies uit te trekken, de profeet toch als theologische stellingname zich terugtrekt op datgene wat van oudsher is overgeleverd, in zekere zin een prelude op Paulus’ woorden. Het geloof is uit het gehoor.”
Het geloof is uit het gehoor. Ja, maar ook daar gaat het in dit schriftgedeelte niet om. EN WEL WEER OM DE EER VAN DE HERE ALS ENIGE EN ALMACHTIGE SCHEPPER VAN HEMEL EN AARDE.
Samenvattend: 1. Het Leitmotiv van Jan Wit is mislukt(zie boven) De eer van de enige en almachtige Schepper wordt niet
benadrukt
2. Het “woord” met kleine letter is naar mijn oordeel Barthiaans. Wordt zo uitwisselbaar met de God de HERE
zelf(taaltheologie)
3. Einde couplet 3: De bazuin klinkt niet helder. Wie woon hier in wiens naam? Komt ook niet in de tekst
voor.
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
1.Om Sions wil zwijg ik niet stil, 2.Uw luister gaat als dageraad 3. Zoals een maagd die wordt gevraagd
maar zal het heil des Heren voor alle volken blinken. is Sion opgetogen.
Jeruzalem, met luider stem Gij draagt voortaan een nieuwe naam Zoals een bruid haar man verblijdt,
lofzingend profeteren die God u toe zal denken zal zij de Heer verhogen.
totdat uw leed gewroken is, O kroonjuweel, o donkre gloed, Haar land zal niet verlaten zijn,
totdat uw licht ontstoken is, o kleinood Gods dat flonkren moet ’t zal bruiloft in haar straten zijn
totdat gij straalt in ere met glans die Hij zal schenken en lente in haar hoven.
4.Rondom de muur wordt ieder uur 5.Dan wordt uw ooft niet meer geroofd, 6.Ruim baan, ruim baan! Gods volk mag gaan
Gods wachtwoord doorgegeven geen oogst gaat meer verloren. naar ’t land van melk en honing
Zo is de tijd die nu verstrijkt Dan zult gij staan met most en graan Trekt voort, trekt voort! gaat door de poort
met zijn geheim doorweven in ’t huis, door God verkoren van zijn verheven woning
Gun u geen rust bij dag en nacht, De zaaier eet de vrucht van ’t land De volken zien uw heilig spoor
totdat door Gods gezag en macht Dit heeft God bij zijn rechterhand zij volgen het en neigen voor
Jeruzalem
mag leven. aan Israël gezworen de standaard van uw koning
Jan
Wit(1914-1980)
Jesaja 62:1-12
verlossing als een brandende fakkel.
2. Volken zullen uw heil zien, alle koningen uw heerlijkheid en men zal u noemen met een nieuwe naam, die de mond
des HEREN zal bepalen;
3. gij zult een sierlijke kroon in de hand des HEREN zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God.
4. Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij; maar gij zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde. Want de HERE heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen.
5. Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden.
6. Op uw muren, o Jeruzalem, heb Ik wachters aangesteld, die de ganse dag en de ganse nacht nimmer zullen zwijgen. Gij, die de HERE indachtig maakt, gunt u geen rust
7. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde.
8. De HERE heeft gezworen bij zijn rechterhand en bij zijn sterke arm: Nooit zal Ik
uw koren meer aan uw vijanden tot spijze geven en nooit zullen vreemdelingen
meer de most drinken, waarvoor gij gezwoegd hebt;
9. maar zij die het oogsten, zullen het eten
en de HERE loven, en zij die hem
inzamelen, zullen hem drinken in de voorhoven van mijn heiligdom.
10. Trekt, trekt door de poorten, bereidt de weg voor het volk, baant,
baant de weg, zuivert hem van stenen, heft een banier omhoog boven de volken.
11. Want de HERE doet het horen tot het einde der aarde: Zegt tot
de dochter Sions: zie, uw heil komt; zie, zijn loon is bij Hem
en
zijn vergelding gaat voor Hem uit.
12. En men zal hen noemen: Het heilige Volk, De Verlosten des HEREN; en gij zult genoemd worden: Begeerde, Niet
verlaten
Stad.
Algemeen: In het Compendium zegt Jan Wit:
“Het gehele lied gaat echter over het tot ere komen van het na de ballingschap herbouwde Jeruzalem, maar dan in eschatologisch perspectief. En dan zijn, zie het slot van het lied en van de perikoop, de volken opgenomen in het heil van de stad Gods. Dit Jeruzalemlied bezingt dus niet alleen het eerherstel en het heil van Sion, maar het behelst ook een eschatologisch heenreiken naar de verzoening tussen Israël en de volken. Als de christelijke gemeente dit lied zingt, moet zij zich dus niet al te snel met het volk van Sion identificeren en zeker niet menen dat wat Jeruzalem onder de oude bedeling was, de christelijke kerk door de nieuwe bedeling geworden is. Integendeel, wanneer wij dit lied zingen doen wij dat uit solidariteit met Israël en met een vurig verlangen naar de uiteindelijke verzoening”.
Couplet 1 Daarom is dit vers ook niet goed berijmd
Het heil des Heren wordt lofzingend geprofeteerd
totdat uw leed gewroken is, totdat uw licht ontstoken is?
Gaat
het daarom? Dat ons leed gewroken is? En ons licht ontstoken is? Waar blijft
hier de Christus? Hij wordt hier toch in vers
1 en 2a als volgt aangeduid: om Sions wil zal ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal ik niet rusten, totdat zijn heil opgaat als
een lichtglans en zijn verlossing
als een brandende fakkel. En volken zullen uw
heil zien, alle koningen uw heerlijkheid
Dat
is toch heel wat anders! In het hele lied wordt m.i aan de Christus
voorbijgegaan.
Couplet 2 (hier heeft Jan Wit de verzen 2 en 3 berijmd).
regel 3 + 4 “Gij draagt voortaan een nieuwe naam die God u toe zal denken.” Dat staat inderdaad in vers 2.
Jesaja zegt dat in vers 3 veel sterker: “een koninklijke tulband in de hand van uw God.” En dat wordt weggelaten.
Geen kroonjuweel zoals Jan Wit zegt maar sierlijke kroon. Dus regel 3 en 4 zijn erg zwak uitgedrukt.
Zoals een maagd die
wordt gevraagd is Sion opgetogen. Zoals een bruid haar man verblijdt, zal zij
de Heer verhogen
vervolg lied 34 (en vervolg couplet 3)
Jes. 62:5 Want zoals
een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom
zich over de bruid
verblijdt, zal uw God Zich
over u verblijden.
Vergelijk beide dan zal u opvallen dat in Jesaja het initiatief bij God als bruidegom ligt. Maar in dit couplet staat de maagd centraal. “is Sion opgetogen”, “zal zij de Heer verhogen” Juist andersom. Juist verkeerd. Dit initiatief hoort bij de HERE te liggen, want Hij heeft welgevallen, Hij zoekt Zijn bruid op en niet andersom. En kijk nog eens een keer naar couplet 3. Die bruid zal haar Heer verhogen. Dat kan toch niet! Wel kunnen we de HERE lof brengen. Dus wat er gedicht staat is niet schriftuurlijk
Regel 1 en 2 “Rondom de muur wordt ieder uur Gods
wachtwoord doorgegeven”
Maar een wachtwoord is alleen voor ingewijden. Op grond daarvan heeft men dan toegang.
Er word in dit bijbelgedeelte helemaal niet gesproken over een wachtwoord. Hebben we een wachtwoord
nodig om tot God te naderen? Volgens mij niet schriftuurlijk.
Regel 3 en 4 “Zo is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven.” Wat voor een geheim. De HERE is toch duidelijk met
Zijn beloften. Daar is toch niets geheimzinnigs aan! Couplet 4 is dus niet schriftgetrouw.
Regel 5 – 7 “Gun u geen rust bij dag en nacht, totdat door Gods gezag en macht Jeruzalem mag leven.”
Jesaja zegt in vers 6 en 7:
6. Op
uw muren, o Jeruzalem, heb Ik wachters aangesteld, die de ganse dag en de ganse
nacht nimmer
zullen zwijgen. Gij, die de HERE indachtig maakt, gunt u geen rust.
7. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde.
Wij moeten de HERE geen rust gunnen, aanhoudend bidden. We mogen daarbij pleiten op Gods verbondsbeloften. Dat is hier
de strekking. Maar Jan Wit heeft het niet over aanhoudend bidden. Wel dat we ons geen rust moeten gunnen.
“Totdat door Gods gezag en macht Jeruzalem mag leven”.
Ruim baan, ruim baan!
Gods volk mag gaan
naar ’t land van melk en honing.
Trekt voort, trekt voort! gaat door de poort
van zijn verheven
woning.
De volken zien uw heilig spoor,
zij volgen het en neigen voor SOLIDARITEIT MET ISRAËL. Zie ook verderop!
de standaard van uw koning.
De eerste vier regels
berijmen vers 10. Waar is hier berijmd:”zuivert
hem van stenen,”?
Ik heb hierboven niet elk couplet besproken, maar wel van ieder couplet aangegeven welke verzen van dit hoofdstuk zijn berijmd Dan valt het op dat Jes. 62 vers 11 en 12 niet berijmd zijn
Daar staat:11. Want de HERE doet het horen tot het einde der
aarde: Zegt tot de dochter Sions: zie, uw heil komt; zie,
zijn
loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit
12. En men
zal hen noemen: Het heilige Volk, De
Verlosten des HEREN; en gij zult genoemd worden:
Begeerde, Niet
verlaten Stad.
In vers 11 wordt gesproken over loon en vergelding. Loon dat wil Jan Wit wel. Maar van vergelding wil hij niet weten. Het lijkt wel een refrein. Steeds de toorn van de HERE weglaten. En wat blijft er dan nog over van de laatste 3 regels van couplet 6? Want alle volken volgen de standaard van uw koning. Algemene verzoening? Daar lijkt het veel op. Juist omdat vers 11 weggelaten is!!! Dit vers is ook te vinden in Jes. 40 : 10 In hoofdstuk 40 troost de HERE Zijn volk, dat in ballingschap is. Blijkbaar moeten de volken solidair zijn met Israël. Dat blijkt ook uit het aangehaalde citaat van het Compendium aan het begin van de bespreking van dit lied. En dat is niet de strekking van dit hoofdstuk. Die strekking is:
Samenvattend:
1.Couplet 1 Waar blijft het werkelijk heil: de Christus? Wordt daar in het hele lied niet aan voorbij gegaan?
2.Couplet 2 niet tekstgetrouw. Weggelaten: “Een koninklijke tulband in de hand van uw God” En geen ‘kroonjuweel” maar
een “sierlijke kroon”.
3.Couplet 3 Volgorde van bruid en bruidegom is omgedraaid
4.Waar blijft het aanhoudend bidden? Wachtwoord ook niet schriftuurlijk(couplet4)
Zo is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven. Gun u geen rust bij dag en nacht, totdat door Gods gezag en
macht Jeruzalem mag leven. Er is toch niets geheimzinnigs aan? Waar blijft het stellen tot een lof op aarde?
5.Couplet 6 Solidariteit met Israël Weer de toorn van de HERE weggelaten.
6. Jes. 62:12 weggelaten die wel bij vers 11 hoort.
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST!!!!!
Lied 39(naar Joël 2:21-24 en 28-32)
1. Vrees niet, gij land, verheug u en wees blijde 2. De wijnstok bloeit, de vijgeboom zal dragen
en dieren, weest gerust in bos en weide Dit zal een oogstfeest zijn van welbehagen
Jong gras ontkiemt, de wildernis wordt groen Sion, verblijd u, want de Here doet
in dit seizoen u waarlijk goed.
3. De regen zal, de vroege en de spade 4. Daarna doet God de hoge hemel open
u teken zijn van goedheid en genade. en antwoordt op uw bidden en uw hopen.
De beken zwellen en de vijvers zijn Hij giet zijn eigen Geest in overvloed
weer koel en rein. op vlees en bloed
5. Die Geest geeft ’s Heren woord in kindermonden. 6. Ja ook op wie de vrijheid niet genieten,
De oude mannen dromen onomwonden op slaven zal de Heer zijn Geest uitgieten
De jongelingen zien een vergezicht Zij krijgen deel aan een vernieuwd bestaan
van vrede en licht. in ’s HEREN naam.
7. Zij zullen allen op de dag des Heren, 8. De geestesstorm zal door de wereld varen.
de grote, de geduchte, profeteren, God zal zijn volle glorie openbaren.
zij zien de tekens van het naadrend uur: In bloed en duister zal het licht vergaan
bloed, rook en vuur. van zon en maan
9 En allen die naar’s Heren wegen vragen,
die van zijn grote naam het zegel dragen,
vieren in ’t nieuw Jeruzalem het feest
van Woord en Geest. Jan Wit(1914-1980)
In het hier onderstaande
schriftgedeelte staat meer dan bij het berijmde deel wordt vermeld. Ik haal in
de bespreking ook de extra verzen aan
18 Toen nam de HERE het op voor
zijn land en Hij kreeg medelijden met zijn volk.
19 De
HERE antwoordde zijn volk: Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij
daarmede verzadigd
wordt, en Ik zal u
niet meer prijsgeven tot een smaad onder de volken.
20
Ik zal van u wegdrijven die uit het Noorden en hem verjagen naar een dor en
woest land, zijn voorhoede
naar de oostelijke zee en zijn
achterhoede naar de westelijke zee, en zijn stank zal opstijgen en zijn vuile
lucht zal opstijgen, want hij
heeft grote dingen gedaan.
21
Vrees niet, o land, jubel en verheug
u, want de HERE heeft grote dingen gedaan.
22
Vreest niet, gij dieren des velds,
want de weiden der woestijn groenen, want het geboomte draagt zijn vrucht,
vijgeboom
en wijnstok geven hun rijkdom.
23
En gij, kinderen van Sion, juicht en
verheugt u in de HERE, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid;
ja,
regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege regen en late regen, zoals
voorheen.
24
De dorsvloeren zullen vol koren zijn
en de perskuipen van most en olie overstromen.
25 Ik
zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan [alles] opvrat, de verslinder en
de kaalvreter en de
knager, mijn groot leger dat
Ik op u afzond.
met u gehandeld
heeft; mijn volk zal nimmermeer te schande worden.
27 Dan
zult gij weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik, de HERE uw God
ben, en niemand
anders; mijn volk zal
nimmermeer te schande worden.
28
Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn
Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen
profeteren;
uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien.
29
Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden
zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten.
30
Ik zal wonderen geven in de hemel en
op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen.
31
De zon zal veranderd worden in
duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag
des
HEREN komt.
32
En het zal geschieden, dat ieder die
de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion
en
te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de
ontkomenen zullen zij behoren, die de
HERE
zal roepen.
Vervolg
Lied 39
Wat zegt de dichter Jan Wit in het Compendium
over dit lied:
“Men zou
misschien met enige overdrijving, kunnen zeggen dat Joël 2:28-32 de oudste
preektekst is van de christelijke
gemeente. Met het citeren van deze verzen legt Petrus in Handelingen 2 uit wat de uitstorting van de Heilige Geest, de vurige tongen, de geweldig gedreven wind en het God loven in “vreemde” talen te betekenen heeft. Ik heb deze perikoop dan ook als pinksterlied vertaald. Maar juist daarom bewerkte ik als inleiding de verzen 21-24 uit hetzelfde hoofdstuk, omdat die gezongen zouden kunnen worden als lied op het Israëlitische Pinksterfeest, dat immers onder andere een lenteoogstfeest was. In deze twee schriftgedeelten is niet zoals in een aantal van onze Pinksterliederen de blik naar achteren gewend. Het gaat niet om zich herinneren wat God in het verleden gedaan heeft, maar om een bezingen van wat God in de toekomst, het laatste der dagen, zal gaan doen. Let wel, ook de op de aardse natuur slaande verzen 21-24 geven vorm aan eschatologische verwachting. Een Pinksterlied als lied van de hoop dus; hoop die de gehele schepping omvat, planten en dieren komen ook ter sprake; hoop ook die de gehele maatschappij omvat. En toch is er ook sprake van gericht”.
Commentaar:
De vetgedrukte verzen, de verzen die niet in het
lied berijmd zijn geven de tijd goed weer waarin Israël toen leefde. Het is de
zegen en
de vloek van
1. Lev. 26 (vanaf vers 40 de zegen als het volk zich
bekeert)
2. Deut. 28 (vanaf vers 15 de vloek als het volk zich
niet bekeert)
In Joël 2:27 staat: Dan zult gij weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik,
de HERE uw God ben, en niemand
anders; mijn volk
zal nimmermeer te schande worden.
En dan volgt in vers 28:”Daarna zal het geschieden….
Dat is een andere uitgangspositie dan die van Jan
Wit(zie vetgedrukte van zijn citaat)
Zowel in Joëls dagen als in Hand. 2 bij het
Pinksterfeest. Jan Wit spreekt niet over wat voor zegeningen eraan vooraf
gingen.
(vs 25-28) We hebben altijd geleerd dat je een
tekst niet uit zijn verband moet halen.
Dan bespreking van het lied zelf:
Couplet 1 en 2 eerst deel
Die geven volgens mij vers 21 en 22 weer
21
Vrees niet, o land, jubel en verheug u, want de HERE heeft grote dingen gedaan.
22
Vreest niet, gij dieren des velds, want de weiden der woestijn groenen, want
het geboomte draagt zijn vrucht,
vijgeboom en wijnstok geven hun rijkdom.
1. Vrees
niet, gij land, verheug u en wees blijde 2. De wijnstok bloeit, de vijgeboom zal
dragen
en dieren, weest gerust in bos
en weide Dit zal een oogstfeest zijn van
welbehagen
Jong gras ontkiemt, de
wildernis wordt groen Sion, verblijd u, want de HERE doet
in dit seizoen
u waarlijk goed.
Couplet
2 tweede deel en couplet 3
Die geven vers 23 weer:
23 En
gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de HERE, uw God, want Hij geeft
u de leraar ter gerechtigheid;
ja, regenstromen laat Hij voor u
nederdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen.
3. De regen zal, de vroege en de spade
u teken zijn van goedheid en genade MAAR
WAAR BLIJFT DE LERAAR DER GERECHTIGHEID IN HET LIED?
De
beken zwellen en de vijvers zijn
weer
koel en rein.
Couplet
4
Dit couplet berijmt vers 28a: “Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn
Geest zal uitstorten op al wat leeft”
4.
Daarna doet God de hoge hemel open
en antwoordt op uw bidden en uw hopen.
Hij
giet zijn eigen Geest in overvloed
op vlees en bloed
MAAR: “Daarna doet God de hemel open” Ja waarna????
Wat hier weggelaten wordt is dat de HERE eerst zijn volk gestraft heeft. En dat de HERE medelijden krijgt met Zijn volk. En
dat de HERE zelf uitkomst geeft(vs18-20) Nadat de sprinkhaan, de verslinder, de kaalvreter en de knager alles opvraten.Daarna
brengt de HERE een keerpunt. En dan zal zijn volk nimmermeer te schande worden. Dan zal het volk weten dat de HERE in het midden van Israël is.(vs 25-27)
Vervolg Lied 39
Maar wat zegt Jan Wit: Na het ontkiemen van het gras, na het groen worden van de wildernis, nadat de wijnstok is gaan bloeien
en de vijgenboom is gaan dragen. En na een
oogstfeest. Nadat de vroege en late regen is gevallen en de beken en vijvers
zijn gezwollen.
Daarna doet God
de hemel open. Net alsof er geen vloek is geweest. Voor de zoveelste keer: Jan
Wit moet niets hebben van
de toorn van God. Die laat hij gewoon weg. Hij plakt hier twee schriftgedeelten aan elkaar, waar een gedeelte tussen zit
waaruit de ellende van het volk uit blijkt. Door eigen schuld in terechtgekomen. Die ellende blijkt ook uit vers 18-20 er aan voor afgaand
In Joël 2:27 staat: Dan zult gij
weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik, de HERE,uw God ben, en
niemand anders; mijn volk zal
nimmermeer te schande worden. En
dan volgt vs 28:”Daarna zal het
geschieden….
Er wordt gesproken over slaven, terwijl in de tekst dienstknechten en dienstmaagden staat. Hoeven geen slaven te zijn
Verder krijgen die slaven deel aan een nieuw bestaan in ’s Heren naam. Daarover staat niets in de tekst. Als ze in de HERE geloven wel. Maar het lijkt wel veel op bevrijdingstheologie!! Omdat de vetgedrukte zinnen zomaar te voorschijn komen terwijl er niets over in de tekst staat. De bazuin klinkt hier niet helder!!!!!!
Couplet 7
Ernstiger is dat in couplet 7 gezegd wordt: Zij zullen allen op de dag des Heren, de grote, de geduchte, profeteren
“Zij” waarover gesproken wordt slaat terug op couplet 6: De slaven. Zullen die profeteren? Nee er staat:”Uw zonen en uw dochters zullen profeteren” Dus niet juist berijmd. Met opzet? Het lijkt er op.Zie bevrijdingstheologie in couplet 6
In ieder geval zoals het er nu staat is het onschriftuurlijk.
vers 32
“ En het zal geschieden, dat ieder die de naam des
HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg
Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HERE gezegd heeft; en tot
de ontkomenen zullen zij behoren,
die de HERE zal roepen.”
Wat maakt Jan Wit hiervan:
9. En allen die naar ’s Heren wegen vragen,
die van zijn grote naam
het zegel dragen,
vieren in ’t nieuw
Jeruzalem het feest
van Woord en Geest
Ik denk dat dit niet overeenkomt met vers 32. Die van zijn grote naam het zegel dragen. De doop zal hier bedoeld zijn.
1.Je kunt dit zo uitleggen: Allen die de HERE vrezen en gedoopt zijn zullen ook in het nieuwe Jeruzalem komen.
Ik heb hier bewust het woordje “en” onderstreept. Want daar komen die eerste 2 zinnen op neer. Het woordje “die” in
de 2e regel slaat namelijk terug op de eerste regel. Maar dan klopt het niet. Want er worden ook mensen behouden die
niet gedoopt zijn. Die b.v. te elfder ure behouden worden. Lees je het als “Allen die de HERE vrezen of gedoopt zijn”
dan kloppen de berijmde regels 1+2 daar niet mee. En dan klopt het schriftuurlijk gezien ook niet. Want dan wordt je
behouden als je de HERE vreest. Maar dat kan ook als je alleen gedoopt bent. Maar hoe is het dan uit te leggen?
2.Allen die de HERE vrezen en die op grond daarvan ook gedoopt moeten worden. En de baby’s dan? Die vrezen de
HERE nog niet. Wat dan? De 2e regel had gewoon weggelaten moeten worden. Dan waren de vragen die nu hieronder
1+2 staan niet opgekomen En i.p.v. “vragen” zou het woord “aanroepen” gebruikt moeten worden.
Ik denk dat we gewoon moeten vaststellen, dat vers 28 niet schriftuurlijk berijmd is. Er staat verder veel meer dat niet
berijmd is: “Ontkoming”, “ontkomenen”, “die de HERE zal roepen” Dit couplet is naar mijn oordeel dan ook niet
meer schriftuurlijk
Samenvattend:
1. Hij begint met de verkeerde context. Jan Wit moet niets hebben van de toorn van God. Dat laat hij gewoon weg.
Zie commentaar onder couplet 4.
2. Couplet 2
tweede deel en couplet 3 geven vers 23 weer. Maar waar blijft de leraar der
gerechtigheid?
3. Couplet 6 lijkt bevrijdingstheologie: Slaven krijgen deel aan een vernieuwd bestaan in ’s HEREN naam. Staat niet in
de tekst.
4. Jan Wit in het Compendium:
“Een Pinksterlied als lied van de hoop dus; hoop
die de gehele schepping omvat, planten en dieren komen ook
ter sprake; hoop ook die de gehele
maatschappij omvat. En toch is er ook sprake van gericht”
Ja maar van welk gericht: Je gaat naar de hemel
of naar het niet? In lied 6 couplet 3 staat:
“ Uw dreigende vinger verwijst naar het niet” Zie verder het commentaar daar.
Dus Jan Wit kan wel spreken over het gericht, maar dat is wat anders dan wij er onder verstaan.
5. Couplet 7: Zullen de slaven profeteren?
6. Couplet 9 lijkt me niet schriftuurlijk.
7. Vers 24 wordt niet berijmd. NIET ZINGEN IN DE EREDIENST.
Lied 42 (Zach. 9:9-10)
1. Verheug u, gij dochter van Sion, 2. Verheug u, gij dochter van Sion, 3. Verheug u, gij dochter van Sion
en jonkvrouw Jeruzalem,
juich ! en jonkvrouw Jeruzalem, juich! en jonkvrouw Jeruzalem, juich!
Uw koning rijdt
binnen,
Hij zal u regeren
Zijn daden, zij zullen
het rijk gaat
beginnen,
met
God en met ere. de aarde vervullen,
de zalige tijden, De wagens, de paarden, voor jood en voor heiden
Hij komt ons
bevrijden
de
wapens, de zwaarden, door
dood en door lijden
rechtvaardig,
zachtmoedig, krijgszuchtige plannen, draagt
Hij met zich mede
de aarde zal
spoedig
Hij
zal ze verbannen, de blijdschap, de vrede,
een bloeiende tuin zijn
van vrede en recht, Hij zal ze verdoen
in zijn toorn en zijn recht, Hij rijdt
op een ezel.Hij lijdt als een knecht,
de Heer heeft het heden gezegd. het is van te voren gezegd zo brengt Hij het leven terecht.
W.
Barnard(1920-…
9
Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw
koning komt tot u, hij is rechtvaardig
en zegevierend, nederig, en rijdende op
een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.
10.Dan zal Ik de wagens
uit Efraim en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen, ook de strijdboog wordt
tenietgedaan;
en hij zal de volken vrede verkondigen,
en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de
Rivier tot de einden der aarde.
Waar gaat het volgens
mij in dit schriftgedeelte om?
Het gaat over de
heerschappij van Christus over de volken. De HERE Jezus zegt zelf dat Zijn koninkrijk niet van deze aarde is. Hier wordt
het vrederijk beschreven dat komende is. Niet door kracht of geweld, maar door
Zijn Geest. Dus geen paradijs op deze aarde.
Maar wat dicht Barnard?
De dichter zegt hier: “Hij komt ons bevrijden, rechtvaardig,
zachtmoedig”.(regel 6+7)
O, ja? Toch in de eerste
plaats door Golgotha. En verder :Wij
zullen op de jongste dag de HERE
tegemoet gaan
in de lucht. Maar deze
aarde zal met geweld vergaan.
Daar is niets
zachtmoedigs aan. De dichter zal hier het woord zachtmoedig uit Matth 21: 5 hebben gehaald:
“Zegt der dochter Sions:
Zie, uw Koning komt tot u zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen,
het jong van een lastdier.” Dat was toen. Maar een week later en bij het
laatste oordeel niet!
En dan:
de
aarde zal spoedig
een
bloeiende tuin zijn van vrede en recht,
de
Heer heeft het heden gezegd.
De dichter gaat na onze
bevrijding weer naar dezelfde aarde: Een bloeiende tuin van vrede en recht. Het
oordeel wordt overgeslagen! En dat wordt ondersteund door wat er in regel 3-5
staat.”U koning rijdt binnen, het rijk gaat beginnen de zalige tijden”
Maar de HERE tekent in het schriftgedeelte Zijn
wereldomvattende heerschappij over de Kerk. En dat is een
koninkrijk dat niet van
deze aarde is. Bevrijdingstheologie!
Regel 3 en 4 Hij zal u regeren met God en met ere.
Een vreemde zin. Wat staat er eigenlijk? Dat Christus ons met God de Vader zal regeren? Is dat zo?
En wat betekent dan dat Hij ons zal regeren met ere? Onduidelijk.
En verder: De wagens, de paarden,
de wapens, de zwaarden
krijgszuchtige plannen,
Hij
zal ze verbannen,
Bij mij ontstaat de volgende indruk: Hier wordt een aards vrederijk gesticht zonder wapens.
Hier wordt gezegd dat God tegen wapens toornt(Hij zal ze verdoen in Zijn toorn). Maar God toornt tegen de zonde. De HERE zal ze ertoe brengen dat ze Zijn vrede aanvaarden(gedwongen of niet). Daarin zit oordeel. Zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde. Dit is een hemels vrederijk met Jezus Christus als koning. Voor een ieder die gelooft, allen die bestemd zijn ten eeuwigen leven. Maar in couplet 2 wordt de indruk van bevrijdings-theologie versterkt.
Zijn daden, zij zullen
de aarde vervullen,
voor jood en voor
heiden
door dood en door
lijden
draagt Hij met zich
mede
de blijdschap, de
vrede,
Hij rijdt op een ezel.
Hij lijdt als een knecht,
zo brengt Hij het
leven terecht.
Regel 1+2 “Zijn daden, zij zullen de aarde vervullen.” Welke aarde? De oude aarde mag hier niet bedoeld zijn. De nieuwe
aarde dan? Maar daar wordt niet meer gesproken over jood en heiden. Dit lijkt weer muggenzifterig. Maar hier is
de dichter op zijn minst onduidelijk. Heidenen zullen niet op de nieuwe aarde zijn. En dat weten we allemaal. Maar
naar de voorgaande verzen getoetst te hebben, meen ik ook hier de vinger bij te moeten leggen.De bazuin mag niet
onhelder klinken.
Regel 5+6 “draagt Hij met Zich mede de blijdschap, de vrede”
Ja maar wel door het oordeel heen
Regel 7+8 “Hij rijdt op een ezel. Hij lijdt als een
knecht
zo brengt Hij
het leven terecht.”
Laat deze twee zinnen op u inwerken. Daarvoor wordt gezegd wat de HERE Jezus allemaal doet.
Maar Hij brengt het leven blijkbaar terecht door te lijden als een knecht en te rijden op een ezel.
Wat is lijden als een knecht? De HERE Jezus wordt wel mijn knecht genoemd(Jes. 42) Maar zijn lijden is toch geen lijden als een knecht. Bevrijdingstheologie? Je zou wel kunnen zeggen:”Lijden als knecht” Maar dan geeft het nog niet het verschrikkelijke lijden van de HERE Jezus weer. Dus het antwoord op de vraag of hier sprake is van bevrijdingstheologie is
wat mij betreft “Ja”
En dan blijft er van deze beide laatste zinnen van couplet 3 niets meer over.
Samenvattend: 1. Van zachtmoedige bevrijding is geen sprake
2. Op deze aarde gericht. Zonder oordeel. Bevrijdingstheologie.
3. Laatste 2 regels van couplet 3 zijn ook nog onschriftuurlijk.
4. De bazuin klinkt niet helder. Couplet 3 regel 1 + 2
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
1. Die dag zal komen, brandend als een oven, 2. Voor allen die hun harten hoog verhieven
een bosbrand die niet meer te stuiten is; als sterren aan de hemel van de tijd,
een vuurgloed aangestoken uit den hoge die leefden zonder hoop en zonder liefde,
verteert de wortels van de duisternis. is dit het einde, want hun rijk is uit.
3. Maar allen die de naam des Heren vrezen 4. Laat dan de lof van God in ’t ronde schallen,
gaat dan de zon der wereld stralend op. zij zullen zijn als dieren in de wei,
Hij breidt zijn vleugels uit en komt genezen als kalveren die springen uit de stallen,
al wie verkommerd zijn in ’s werelds loop. de winter ging voorbij en zij zijn vrij.
5. Dit is de dag, de grote dag des Heren 6. Allen die de gerechtigheid verachtten
als alle onrecht brandende vergaat, worden als as, vertreden door de voet,
het daglicht zal in duisternis verkeren, dit is de dag, waarvoor wij overnachten,
maar
uit de nacht verrijst de dageraad . de dag
die Hij, de Heer, verrijzen doet Barnard(1920-…)
1
Want zie, de dag komt, brandend als een
oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid be-
drijven,
zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in brand steken - zegt de HERE der heerscharen - welke
hun wortel noch tak zal overlaten.
2
Maar voor u, die mijn naam vreest, zal
de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar
vleugelen;
gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal.
zal, zegt de HERE der heerscharen.
Couplet 1
Maleachi begint hier met het oordeel:“Dan zullen alle overmoedigen en allen die
goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in
brand steken - zegt de HERE der heerscharen - welke hun wortel noch tak zal
overlaten.” Barnard heeft het
over het verteren van de wortels van de duisternis, terwijl de Bijbel het heeft
over uitroeien van personen
(overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven). Barnard dicht dus niet wat
er staat. Weglaten van het eigenlijke
oordeel.
Bij couplet 1 gaf ik
al aan om welke personen het ging(overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven).
Wat zegt Barnard hier?
“Voor allen die hun harten hoog verhieven” Dus de goddelozen blijven buiten schot. Wel wordt gesproken over mensen zonder hoop en zonder liefde. Dat is heel wat anders.
Maleachi
4:2
“Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan,
en er zal genezing zijn onder haar
vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal.”
In couplet 3 wordt wel gesproken over allen die de naam des HEREN vrezen. Maar dan komt de regel”gaat dan de zon der wereld stralend op” Ja dat is wel zo maar die zon gaat ook over de goddelozen op. En die zon breidt zijn vleugels uit?
En als bedoeld wordt na de jongste dag dan is er geen zon meer, want de HERE God zal de aarde verlichten. Kwalijk is dat Barnard hier niet dicht “zon der gerechtigheid”. Dus Barnard dicht hier iets wat niet schriftuurlijk is. De statenvertaling geeft in de kanttekeningen weer(ik vertaal wat hedendaagser): Zo wordt Christus Jezus genoemd, omdat Hij ons verstand door Zijn Woord en Geest verlicht, en de harten der gelovigen verkwikt door vergeving der zonden en toerekening der gerechtigheid.
En wie worden er genezen? Wie zijn dat: “al wie verkommerd zijn in ‘s werelds loop” Zijn dit de mensen die de HERE vrezen en op het einde der tijden vervolgd worden. Zijn dit de ellendigen en verdrukten in deze samenleving? Bevrijdingstheologie?
Naar mijn oordeel een raar vers. Niet schriftuurlijk.
Lijkt me wel schriftuurlijk.
In dit couplet wordt gesproken over onrecht dat brandende vergaat! Wat is dat onrecht?
Naar de mensen toe? Of het onrecht dat God aangedaan wordt door onze zonden, waar we alleen vergeving voor krijgen door Jezus Christus. Anders worden we veroordeeld. En vergaat het onrecht brandende? De oude aarde zal wel brandende vergaan.
Zeker weten we dat het onrecht niet meer op de nieuwe aarde zal zijn. Ik leg hier de vinger bij want dat het onrecht vergaat
lijkt m.i. op bevrijdingstheologie!
Waarom is hier niet gezegd: De goddelozen in plaats van allen die gerechtigheid verachtten.
Die goddelozen worden vertreden.
Is hier alleen sprake van sociale ongerechtigheid?. Dan is het toch onschriftuurlijk!
En wat is dat:”dit is de dag, waarvoor wij overnachten de dag die Hij, de Heer, verrijzen doet.” ?
De dag voor de jongste dag?
En waarom wordt dit dan zo raar gezegd? Dit lijkt mij rijmelarij!
Samenvattend: 1. Weglating van het oordeel(couplet1)
2. Goddelozen blijven buiten schot(couplet 2)
3. Zon der wereld is onschriftuurlijk(couplet 3) In dit couplet is ook sprake van bevrijdingstheologie?
4. Bevrijdingstheologie in couplet 5?
5. Couplet 6 is een raar vers
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
bij Mattheus 25:1-13, Lucas 12:35-40
1. De Heer verschijnt te middernacht! 2. Want ook als niemand naar Hem vraagt 3. Wie waakt er als een trouwe knecht,
Nu is nog alles stil, noch in zijn dag gelooft, zijn Meester toegedaan,
maar
zalig hij die toch reeds wacht zijn komst wordt door geen macht vertraagd: dat als de Heer komt om zijn recht
en Hem begroeten wil. Hij heeft het zelf beloofd. hij voor Hem kan bestaan?
4. Zijn onze lampen wel gereed 5. De Heer verschijnt te middernacht
en branden ze wel goed, Nu is nog alles stil,
zodat, als Christus binnentreedt, Zalig die toch geduldig wacht
Hij
waardig wordt begroet?
en Hem begroeten wil. Johann Christoph
Rube(1665-1746)
Vertaling
M.C. Postema geb. 1928
Hieronder het schriftgedeelte nog uitgebreid met Mattheus 24:43-51
hebben
en in zijn huis niet hebben laten inbreken.
44
Daarom, weest ook gij bereid, want op een
uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen.
46
Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn
komst zo bezig zal vinden.
47 Voorwaar, Ik
zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen.
48
Maar als die slaaf slecht was, en in zijn
hart zou zeggen:
49
Mijn heer blijft uit, en hij zou beginnen
zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken,
50
dan zal de heer van die slaaf komen op
een dag, dat hij het niet verwacht, en op een uur,
51
dat hij het niet weet, en hij zal hem
folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween
zijn en het tandengeknars.
1.
Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken
worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken,
de bruidegom tegemoet.
2 En vijf van haar waren dwaas en
vijf waren wijs.
3 Want de dwaze namen haar lampen
mede, maar geen olie;
4 doch de wijze namen olie in haar
kruiken, met haar lampen.
5 Terwijl de bruidegom uitbleef,
werden zij allen slaperig en sliepen in.
6 En midden in de nacht klonk een
geroep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!
7 Toen stonden al die maagden op
en brachten haar lampen in orde.
8 En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze
lampen gaan uit.
9 Maar de wijze antwoordden en
zeiden: Neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de
verkopers en koopt voor uzelf.
10 Doch
terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren,
gingen met hem de bruiloftszaal
binnen, en de deur werd gesloten.
11 Later
kwamen ook de andere maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open!
12 Maar
hij antwoordde en zeide: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet.
13 Waakt
dan, want gij weet de dag noch het uur.
35 Laten
uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende.
36 En
gij, weest gelijk aan mensen, die op hun heer wachten, wanneer hij van de
bruiloft wederkeert, om hem, als hij
komt en klopt, terstond te kunnen opendoen.
37 Zalig
die slaven, die de heer bij zijn komst wakende zal aantreffen. Voorwaar, Ik zeg
u, hij zal zich omgorden en
hen aan tafel nodigen,
en bij hen komen om hen te bedienen.
38 En
wanneer hij in de tweede of in de derde nachtwake komt en hen zo aantreft,
zalig zijn zij.
39
Maar weet dit: Als de heer des huizes geweten had, op welk uur de dief zou
komen, hij zou in zijn huis niet hebben
laten inbreken.
40 Weest
ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des
mensen.
Opvallend is dat van Lucas 12:35-40 nauwelijks iets berijmd wordt In het Compendium legt de vertaler M.C.Postema daar verantwoording vanaf:
“Het origineel heeft tien strofen, waarvan een vijftal werd vertaald: 1, 2, 4, 5 en 10. De overige, bespiegelend van toon en wat minder rechtstreeks met het bijbels thema verband houdend, waren wel wat veel van het goede. Door alleen die strofen op te nemen, die rechtstreeks betrekking hadden op Matt. 24 en 25 meenden wij het lied aan zeggingskracht te doen winnen. Het is dus een echt bijbels lied, zonder stichtelijke franje. Het wil de dingen voor zich zelf laten spreken.”
Vervolg Lied 63
Neem nu eens de strofen 3, 7 en 8 van het oorspronkelijke lied waar ik er direct de vertaling bij lever:
3. Wie liegt die Welt so blind und tot! vertaald Hoe ligt de wereld zo blind en
dood
Sie schläft in Sicherheit Zij slaapt in zekerheid
Und meint, des groszen Tages Not En meent dat de nood van de grote dag
Sei noch so fern und weit. Nog zo ver en wijd is(heel ver weg is)
7. Sei immer wach, mein Herz und Sinn vertaald Wees altijd wakker, mijn hart en zinnen
Und
schlummre ja nicht mehr! En
sluimer immers niet meer
Blick täglich auf sein Komen hin Heb dagelijks uw blik op zijn komst gericht
Als ob es heute wär. alsof het vandaag was.
8. Der Tag der Rache nahet sich vertaald De dag van de wraak nadert
Der Herr kommt zum Gericht De HERE komt tot het gericht
Du, meine Seele, schicke dich Jij, mijn ziel, schik je
Steh und verzage nicht Sta en versaag niet
Wat is dus weggelaten: 1. Dat de wereld heerlijk slaapt alsof er niets aan de hand is
2. De oproep om waakzaam te zijn bij zijn komst
3. De waarschuwing, dat de dag van de WRAAK nadert
Kern van de tekst is het thema: “Waken”
Want we weten nog de dag noch het uur
In Matt. 25:6 staat: ”En midden in de nacht klonk een geroep: De
bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!”
Het kan dus laat worden.
Iedereen kan zich daarop voorbereiden door het nemen van maatregelen.
We weten dus dat we
constant waakzaam moeten zijn.
En dan regel 2:”Nu is nog alles stil” Ja in die nacht
misschien wel. Maar dit klopt niet in onze nieuwtestamentische bedeling
De satan woedt toch,
zoekende wie hij zal verslinden. De tekenen van de tijden zijn er toch(zie Matt
24) De voorboden van Zijn wederkomst.
Regel 4: “en Hem begroeten wil.” Gaat het daarom?
Of gaat het om hoe wij de HERE verwachten? Ik noem dit omdat in couplet 4 ook
gesproken wordt over waardig begroeten. En daar toon ik aan dat het daar niet
om gaat!!
Wat staat er eigenlijk: Als we maar goed waken komt alles goed. Dan kunnen we voor Hem bestaan.
Nee, dat kunnen we toch alleen door het lijden van de HERE Jezus? Niet door ons waken worden we behouden. We moeten wel
waken, maar uit dankbaarheid.
Onze lampen moeten gereed zijn om Christus waardig te begroeten staat hier.
Kunnen we Christus waardig begroeten? Met al onze zonden? Er is niets waardig aan ons. Maar wij krijgen door Hem een nieuw feestkleed aan. En dan kunnen we waardig de bruiloftszaal in gaan.
Maar er is meer. De vijf dwaze meisjes werden in die tijd ondanks dat wel met oosterse gastvrijheid binnengehaald.
En dan is de schok nog erger: ”Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet!”.De kern is dus niet dat wij de bruidegom waardig moeten
begroeten. Dat kunnen we niet. Wel de oproep om te waken. Wel om de waarschuwing: :”Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet!.
En over die dwaze maagden is niets berijmd! De antithese weggelaten. Voor de zoveelste keer in die liederen.
SAMENVATTING 1. Wezenlijke zaken weggelaten: a. Dat de wereld heerlijk slaapt alsof er niets aan de hand is
b. De oproep om waakzaam te zijn bij zijn komst
c. De waarschuwing, dat de dag van de WRAAK nadert
2. Couplet 1 en 5 wel correct?
3. Couplet 3 niet schriftuurlijk
4. Couplet 4 niet schriftuurlijk. Er wordt niet over de dwaze maagden gesproken. De antithese dus
Daarom: NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
1. U kennen, uit en tot U leven, 2. Gij zijt het brood van God gegeven, 3. O Christus, ons van God gegeven,
Verborgene die bij ons zijt de spijze van de eeuwigheid; Gij tot in alle eeuwigheid
zolang ons ’t aanzijn is gegeven, Gij zijt genoeg om van te leven de weg, de waarheid en het leven,
de aarde en de aardse tijd, voor iedereen en voor altijd. Gij zijt de zin van alle tijd.
o Christus, die voor ons begin Gij voedt ons nog, om hemels brood, Vervul van dit geheimenis
en einde zijt, der wereld zin! met leven midden in de dood. uw kerk die in de wereld is.
4 zie couplet 1 5. Gij zijt het water ons ten leven; 6. zie couplet 3
de bronnen van de eeuwigheid
zijn ons ter lafenis gegeven,
zijn doorgebroken in de tijd.
O Gij, die als een bron ontspringt
in elk die tot U komt en drinkt.
7 zie couplet 1 8. Gij zijt het licht van God gegeven, 9. zie couplet 3
een zon die nog haar stralen spreidt,
wanneer het nacht wordt in ons leven,
wanneer het nacht wordt in de tijd.
O licht der wereld, zie er is
voor wie U kent geen duisternis.
10 zie couplet 1 11. Gij zijt de wijnstok van het leven, 12. zie couplet 3
in duizend ranken uitgebreid,
het leven, ons in U gegeven,
draagt goede vruchten op zijn tijd.
Laat ons uw ranken zijn voorgoed,
doorstroom ons met uw hartebloed.
13 zie couplet 1 14. Gij zijt tot herder ons gegeven, 15. zie couplet 3
wij zijn de schapen die Gij weidt;
waar Gij ons leidt is ’t goed te leven,
Heer, die ons voorgaat door de tijd.
Wie bij U blijft en naar U ziet,
verdwaalt in deze wereld niet. Georg Neumark. Vertaler Ad den
Besten
Joh. 4:10-14
10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien
gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt:
Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem
gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven.
11. Zij zeide tot Hem: HERE, Gij hebt geen emmer en de put is diep;
hoe komt Gij dan aan het levende
water?
12. Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons
de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met
zijn zonen en zijn kudden?
13. Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder,
die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen;
14. maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik
hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid,
maar het water, dat Ik hem zal geven,zal in hem worden tot een
fontein van water,dat springt ten eeuwigen leven.
gelooft, zal nimmermeer dorsten.
36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft,
ook al hebt gij Mij gezien.
12.
Wederom dan sprak Jezus tot hen en zeide: Ik ben het licht der wereld; wie Mij
volgt, zal nimmer in de
duisternis wandelen, maar hij zal het licht
des levens hebben.
11.
Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen;
12.
maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de
wolf aankomen, laat de schapen
in de steek en vlucht - en de wolf rooft
ze en jaagt ze uiteen –
13.
want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.
14.
Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,
15.
gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de
schapen.
Vervolg Lied 75
16. Nog andere schapen heb Ik die niet van deze
stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem
horen
en het zal worden één kudde, één herder.
17. Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn
leven afleg om het weder te nemen.
18. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit
Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te
nemen;
dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.
Joh 15:1-8
1.
Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is
de landman.
2. Elke rank aan Mij,die geen vrucht draagt,
neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt,snoeit Hij,opdat zij meer
vrucht drage.
3. Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u
gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u.
4. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit
zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij
in Mij niet blijft.
5. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie
in Mij blijft, gelijk Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij
kunt gij niets doen.
6. Wie in Mij niet blijft, is buiten geworpen
als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur
en zij worden verbrand.
7. Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat
gij maar wilt, en het zal u geworden.
8. Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn.
Hierin valt de aanspraak van de HERE Jezus op: Verborgene. De HERE Jezus wordt in de Schrift nooit verborgene genoemd.
Echter Karl Barth spreekt in zijn theologie over de verborgenheid van God.
Waar heeft hij het dan over? Ten diepste op het niet aankunnen op Zijn Woord. Gods openbaring is een openbaring zoals die voor jou/u geldt. En die openbaring kan voor de één anders zijn dan voor de ander. Maar dat is geen zekerheid.
En dan de laatste 2 regels:”o Christus, die voor ons begin en einde zijt, der wereld zin!”
Wat wordt hiermee bedoeld: Het bestaan van het mensdom, van de wereld heeft zin door de HERE Jezus? Dan is het onschriftuurlijk. Want alleen voor de gelovigen is er uitzicht. En wat de consequentie is als Christus voor ons niet het begin en het einde is staat er niet! Verder lijken deze 2 regels Barthiaans(vergelijk lied 1 couplet 4).
In dit couplet wordt Joh 6:35a berijmd. Daar zegt de HERE Jezus:”Ik ben het brood des levens”
In regel 2 wordt Christus “de spijze van de eeuwigheid” genoemd. In vers 51 van Joh. 6 staat:
“Ik ben het levende
brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij
zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor
het leven der wereld”
En in Joh 6:55 “Want Mijn vlees is ware spijs en Mijn bloed is ware drank.”
De HERE Jezus is dus “de spijs ten eeuwigen leven” Dat is wat anders dan “de spijze van de eeuwigheid”
Je kunt de uitdrukking “de spijze van de eeuwigheid” nog wel gereformeerd inkleuren, maar wat er staat is niet juist.
Letterlijk staat er dat de HERE Jezus ons voedsel is in het eeuwige leven en nu. Dit lijkt weer muggezifterig. Maar we hebben
geleerd dat het met Gods Woord heel nauw steekt. Hoe je daar over spreekt en dicht.
Regel 3 en 4 “Gij zijt genoeg om van te leven voor iedereen en voor altijd.”
Ja als iedereen zich zou bekeren dan zou ook ieder behouden worden. Maar we weten dat niet ieder zich zal
bekeren. Dit zweemt naar alverzoening. De bazuin klinkt zeer onhelder. En dat mag niet!!
regel 2 en 3 “ Gij tot in alle eeuwigheid de weg, de waarheid en het leven” Natuurlijk Hij is altijd de waarheid.
De weg geldt voor deze bedeling. Christus is wel het leven tot in alle eeuwigheid, maar zoals het er nu staat
zweemt het naar alverzoening. De bazuin klinkt weer niet helder.
Couplet 5
Regel 2, 3 en 4:”de bronnen van de eeuwigheid zijn ons ter lafenis gegeven, zijn doorgebroken in de tijd.”
Dit is niet in de Bijbel te vinden. Verder Joh 4:10-14 zeer summier berijmd.
regel 2, 3 en 4:”een zon die nog haar stralen spreidt, wanneer het nacht wordt in ons leven, wanneer het nacht wordt in de tijd”
Wordt het nacht in ons leven? Het kan wel heel moeilijk gaan in ons leven.
Maar wat betekent dan: ”wanneer het nacht wordt in de tijd” Wordt het voor iedere gelovige helemaal
uitzichtloos? Heeft iedere gelovige dan het gevoel, dat de HERE er niet meer is? Dat lijkt me niet reëel.
De bazuin klinkt niet helder. Dus wat hier gedicht wordt, is naar mijn oordeel niet schriftuurlijk.
Verder: in verband met de uitdrukking “een zon die nog haar stralen spreidt” eerst de volgende tekst:
Joh. 8:12. Wederom dan sprak Jezus tot hen en zeide:
Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de
duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.
vervolg lied 75
(en vervolg couplet 8)
Het steekt hier weer heel nauw hoe we over de HERE Jezus spreken. De uitdrukking “een zon die nog haar stralen spreidt”
is heel wat anders dan in Joh. 8:12 staat. Hij wordt zelfs nergens in de Schrift zo genoemd.
Dergelijke dichterlijke vrijheden mogen niet. Christus wordt in Mal. 4 wel zon der gerechtigheid genoemd.
regel 6 “doorstroom ons met uw hartebloed.” Dit lijkt wel Luthers
Bij het avondmaal wordt wijn geen bloed. Wat daar in regel 6 staat is wat mij betreft ook Rooms te duiden. Worden we rein om dat hartebloed zelf.? Nee toch! Zie nu Joh. 15:3 hieronder
Joh 15:3 “Gij zijt rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.” Dus volgens mij is regel 6 onschriftuurlijk.
Volgens mij wordt hier geprobeerd om Joh 10:11-18 te berijmen.
Waar gaat het hierom? De vraag: Is men een herder of een huurling? Daar wordt nergens over gesproken in dit couplet.
We zijn alleen veilig bij de Herder als wij Hem willen volgen En niet achter een huurling aan gaan. Daar gaat het om.
Aan de strekking van dit schriftgedeelte wordt voorbijgegaan.
Regel 5 en 6 “Wie bij
U blijft en naar U ziet, verdwaalt in deze wereld niet.”
Dit vers blijft steken in deze bedeling.
Samenvattend: 1. Christus wordt verborgene genoemd. Barthiaans(couplet 1, 4, 7, 10, 13).
2. Christus is der wereld zin(couplet 1, 4, 7, 10, 13) De bazuin klinkt hier niet helder. Lijkt Barthiaans
3. Couplet 2 De HERE Jezus is niet “de spijze van de eeuwigheid”, maar “de spijs ten eeuwigen leven”. Ook
hier klinkt de bazuin niet helder. Regel 3 en 4 zwemen naar alverzoening.
4. Couplet 5 regel 2, 3 en 4 zijn niet schriftuurlijk. Niet in de Bijbel te vinden. Verder Joh. 4:10-14 zeer
summier berijmd.
6. Couplet 8 vind ik niet duidelijk. De bazuin klinkt niet helder.
Aanspreektitel van Christus “een zon die nog haar stralen spreidt” staat nergens in de Schrift.
7. Couplet 11 regel 6 “doorstroom ons met uw hartebloed”. Bij het roomse af. Onschriftuurlijk.
8. Couplet 14 De bedoeling van Joh 10:11-18 wordt gemist. En dit lied blijft steken in deze bedeling.
“Wie bij U blijft en naar U ziet, verdwaalt in deze wereld niet”.
Conclusie: NIET ZINGEN IN DE EREDIENST.
1.Laat me in U blijven, groeien, bloeien, 2.Ik kan mijzelf geen wasdom geven: 3. Neen, Heer, ik wil van U niet scheiden,
o Heiland die de wijnstok zijt! niets kan ik zonder U, o Heer! ‘k blijf de Uw’ altijd, blijf Gij de mijn’!
Uw kracht moet in mij overvloeien, In uw gemeenschap kiemt er leven Uw liefde moet alom mij leiden,
of ‘k ben een wis verderf gewijd. en levensvolheid meer en meer! uw leven moet mijn leven zijn,
Doorstroom, beziel en zegen mij, Uw Geest moet in mij uitgestort: uw licht moet schijnen in mijn huis
opdat ik waarlijk vruchtbaar zij! de rank die U ontvalt, verdort. bij kruis naar kracht en kracht naar kruis.
4.Dan blijft mijn ziel voor U gewonnen,
dan wint mijn ziel door U in kracht!
Het werk in needrigheid begonnen,
wordt dan in heerlijkheid volbracht!
Wat in de windslen sliep, ontbot,
en
komt in ’t licht en rijpt voor God. Jan
Jacob Lodewijk ten Kate(1819-1889)
Johannes
15:1-8
1. Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de
landman.
2. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt,
neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer
vrucht
drage.
3. Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u
gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u.
4. Evenals
de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok
blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
5. Ik
ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem die
draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij
niets doen.
6. Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als
de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij
worden
verbrand.
7. Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u
blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.
8. Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij
veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn.
Citaat uit het Compendium:
“Kenmerkend voor dit gebedslied is allereerst de persoonlijke toon. Het gaat om mijn verbondenheid met de Heer. Dan ook om de nadruk die valt op de (aan de natuur georiënteerde) geestelijke groei en wasdom.” De mens staat hier blijkbaar centraal
Nu eerst Joh 15:1,2: “Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de
landman.Elke rank aan Mij, die geen vrucht
draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage”
Dit is niet in het lied terug te vinden en daarmee komt het lied los te staan van de Vader als de landman.
Ook niet berijmd: 7.Indien gij in Mij blijft en mijn
woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.
8.Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat
gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn.
Het weglaten van vers 8
sluit nauw aan bij het weglaten van vers 1 en 2 waar ook over de Vader wordt
gesproken.
Joh 15:3 “Gij zijt rein om het woord dat ik tot u
gesproken heb; blijf in Mij, gelijk Ik in U.”
Regel 1 en 2: “Neen,
Heer, ik wil van U niet scheiden, ‘k blijf de Uw’ altijd, blijf Gij de mijn’!.”
De volgorde wordt hier omgedraaid.Maar de HERE komt met Zijn beloften van genade tot ons. Hij blijft in ons door Zijn Geest
De vraag is vervolgens of wij uit dankbaarheid naar Hem toe willen leven. De vraag is dus niet aan de orde of Hij ons blijft
vasthouden, maar of wij in Hem blijven. Die volgorde is in dit lied omgedraaid en daarmee onschriftuurlijk.
Regel 3-6: “Uw liefde moet alom mij leiden, uw leven moet mijn leven zijn, uw licht moet schijnen in mijn huis, bij kruis naar
kracht en kracht naar kruis.
Regel 1+2 couplet 4: “Dan blijft mijn ziel voor U gewonnen, dan wint mijn ziel door U in kracht!”
Dit kan in verband met het voorgaande volgens mij op 2 manieren worden uitgelegd.
I. Regel 3-6 van couplet 3 moet allemaal gebeuren. Een verzuchting van de dichter. En anders komt het niet goed. Dan
wordt mijn ziel niet voor u gewonnen, dan wint mijn ziel door U niet in kracht.
II Dus de HERE moet aan een heel hoop voorwaarden voldoen, wil ik voor Hem gewonnen zijn. Dat staat nergens in Joh 15. Het is nog al aanmatigend. Om niet te zeggen arrogant.
Op zijn minst klinkt de bazuin weer niet helder. Het kan positief worden uitgelegd, maar ook heel negatief!
vervolg Lied 78
De laatste 2 regels “Wat in de windslen sliep, ontbot, en komt in ’t licht en rijpt voor God” Waar slaat dit op. Het lijkt me onzin
Samenvattend: 1. Joh 15:1, 2, 7 en 8 weggelaten. Het werk van de
Vader. Met name wat er gebeurt als we geen vrucht dragen
En ook de verheerlijking van de Vader
weggelaten.
2. Couplet 2 klopt niet. De bazuin klinkt niet helder
3. De vraag is niet aan de orde of Hij ons blijft vasthouden, maar of wij in Hem blijven.(couplet 3). De
volgorde is onschriftuurlijk.
4 Verder klinkt in couplet 3 + 4 de bazuin niet helder!
5. Laatste 2 regels van couplet 4 lijken me onzin. NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
1. Wij
willen God de ere geven 2. Wij
zijn met onze Heer verbonden 3. De
mensheid der verloren tijden
en maken zijn genade groot; en door de doop Hem toegewijd. deed Christus
sterven aan zijn kruis,
want wij zijn voor de zonde dood Wij
gingen midden in de tijd opdat Hij uit het slavenhuis,
en wat God zelf heeft afgeschreven in
Christus’ dood voor onze zonde als nieuwe mensen, zijn bevrijden
zal niet herleven . geheel
te gronde.
zou uitgeleiden.
4. Al onze boosheid en ellende 5. Zoals de
Christus is verrezen
ging met de Heer ter rust in ’t graf. door
’s Vaders heerlijke overmacht,
Wij zijn ontslagen van de straf zo zijn ook
wij aan ’t licht gebracht
en God wil zich weer tot ons wenden om
nieuw te leven, zonder vrezen,
als zijn gekenden. nu en na dezen. Jan Wit(1914-1980)
Voor
ik over ga tot het bespreken van de verschillende coupletten graag nog even de
context waar deze perikoop in staat.
In
Rom. 5 wordt gesproken over Adam en Christus. Door Adam is de zonde in de
wereld gekomen. Door Christus hebben we vrijspraak. En dan volgt Rom. 5:18-21.
18. Derhalve, gelijk het door één daad van
overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door
één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven.
19. Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen
zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de
gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden.
dan overvloedig geworden,
21. opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de
genade zou heersen door rechtvaardigheid
ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze HERE.
En dan volgt Rom. 6:1,2:
Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de
genade toeneme?
Rom 6:3-6
3. Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt
zijn, in zijn dood gedoopt zijn?
4. Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat,
gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de
majesteit des Vaders, zo
ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.
5. Want indien wij samengegroeid zijn met
hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen
gelijk
is) aan zijn opstanding;
6. dit weten wij immers, dat onze oude mens mede-gekruisigd is, opdat
aan het lichaam der zonde zijn kracht zou
ontnomen worden en
wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;
Rom
6:1-6 staat niet los van Rom 6:7-14. Met name gaat het daarbij om Rom 6:12-14.
7. want wie gestorven
is, is rechtens vrij van de zonde.
8. Indien wij dan met
Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven,
9. daar wij weten, dat
Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen
heerschappij
meer over Hem.
10. Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de
zonde eens voor altijd gestorven wat zijn leven betreft, leeft Hij voor
God.
11. Zo moet het voor u vaststaan, dat gij wèl dood
zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.
12.
LAAT DAN DE
ZONDE NIET LANGER ALS KONING HEERSEN IN UW STERFELIJK LICHAAM, ZODAT GIJ
AAN
ZIJN BEGEERTEN ZOUDT GEHOORZAMEN,
13. EN
STELT UW LEDEN NIET LANGER ALS WAPENEN DER ONGERECHTIGHEID TEN DIENSTE VAN DE
ZONDE, MAAR STELT U TEN DIENSTE VAN GOD, ALS MENSEN, DIE DOOD ZIJN GEWEEST,
MAAR THANS LEVEN, EN
STELT UW LEDEN ALS WAPENEN DER GERECHTIGHEID.
TEN DIENSTE VAN GOD.
14. IMMERS,
DE ZONDE ZAL OVER U GEEN HEERSCHAPPIJ VOEREN, WANT GIJ ZIJT NIET ONDER DE
WET, MAAR ONDER DE GENADE.
Dus de hele perikoop
stopt niet bij vers 6 maar loopt door tot vers 14.
Nu valt me op dat ROM
6:1 “Wat
zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme?”
ontbreekt in de
berijming. Jan Wit zegt het met zoveel woorden in het Compendium:”De vraag uit Romeinen 6:1 komt in dit lied niet aan
de orde; des te meer het antwoord uit vers 2(couplet 1).
ROM 6:1 is niet berijmd. En het antwoord wordt volgens mij
op die manier ook niet in dit couplet gegeven.
Het staat er nu als een
los couplet zonder vraag. Daardoor wordt de bedoeling gemist.
Regel 1 en 2 “Wij
willen God de ere geven en maken zijn
genade groot.” Maken wij zijn
genade groot?
Zijn genade is groot
vanwege onze zonden. Paulus waarschuwt echter dat we niet bij de zonde mogen
blijven opdat de genade
toeneme. Dus zo mogen we
de genade in ieder geval niet groot maken.(ROM 6:1,2). Het is dan meer een
verachting van de genade. Maar de HERE maakt toch zelf Zijn genade groot. Dat
doen wij niet. Wij moeten alleen uit dankbaarheid leven.
Regel 1+2 “Wij zijn met onze Heer verbonden en door de
doop Hem toegewijd.” We zijn zeker met de HERE verbonden.
Als bevestiging daarvan
zijn wij gedoopt. Het initiatief gaat van de HERE uit. Hij richt het verbond
met ons op.
Maar de doop is een
teken en zegel. De doop bevestigt Gods beloften. Maar zo staat het niet in
couplet 2. Daar staat:”Wij
zijn daardoor de HERE
toegewijd.” Net alsof de doop iets mystieks in zich heeft. Dat is rooms. Wel
horen wij Hem uit dank-
baarheid toegewijd te
zijn door Christus verlossingwerk.
Regel 1 en 2 “De mensheid der verloren tijden deed Christus sterven aan zijn kruis.”
Dat Christus onder Zijn eigen toelating door mensen aan het kruis is geslagen, is duidelijk. Hier is vs 6 berijmd. Maar daar wordt gesproken over de “oude mens.” En niet over de mensheid der verloren tijden.
Waarom niet het begrip “oude mens” berijmd. Ik kan niet anders concluderen, dan dat het hier met opzet niet schriftuurlijk is
neergezet.
En als het de oude mens
is, dan staat er in regel 1 en 2:”De
oude mens deed Christus sterven aan zijn kruis”. Klop nog niet met de tekst
hieronder.
Rom. 6:6.dit weten wij immers, dat onze oude mens
mede-gekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht
zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;
regel 1-2 “Al onze boosheid en ellende ging met de
Heer ter rust in ’t graf.”
Vers 4 zegt:”Wij zijn dan met Hem begraven door de
doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden
opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo
ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen”
Onze zonden zijn
vergeven.. Wij moeten de zonde niet langer als koning laten heersen(vers
12).Maar de zonde is er wel. Zie verder vs 13,14. De boosheid blijft voorlopig
nog. Dus wat berijmd is, is niet schriftuurlijk Hier uit blijkt dat Jan Wit het
schriftgedeelte op een vreemde manier heeft afgekapt.(na vers 6)
regel 3-5 “zo zijn ook wij aan ’t licht gebracht om
nieuw te leven, zonder vrezen, nu en na dezen”
En Rom. 6:4b zegt:”zo ook wij in nieuwheid des levens zouden
wandelen” Let wel zouden wandelen. Maar niet zonder vs. 12-14.
Samenvattend: 1. Vers 1 of wij niet bij de zonde mogen blijven
is niet berijmd. Couplet 1 is nu
antwoord zonder een vraag
er
bij. De bedoeling van vers 1 is daarmee verdwenen. Romeinen 6 stelt in vers 1
een duidelijke vraag. Het
antwoord volgt in vs 12-14. En dat slaat
Jan Wit over. Daarmee m.i. niet schriftuurlijk.
Couplet 1 krijgt pas inhoud met Rom.
6:12-14 erbij.
2. Wij
maken Zijn genade niet groot(couplet 1).
3. We
zijn niet door de doop Hem toegewijd(couplet 2). Rooms.
4. Couplet 3 niet schriftuurlijk.
5. Onze boosheid ging met Christus te ruste in het graf. Onschriftuurlijk(couplet 4).
6. Couplet 5 kan niet zonder Rom. 6:12-14.
1. Is God de Heer maar
voor mij, 2. Dit weet ik vast en
zeker, 3. De grond van
mijn vertrouwen 4. Mijn Jezus is
mijn ere.
wat
zou mij tegen zijn? dat mij de Heer bemint, is
Christus, - in zijn bloed Had Hij niet, Hij, mijn licht
Ik
roep:’ach Here, hoor mij!’ dat Hij mijn deel, mijn beker, is
voor wie op Hem bouwen bij mij in willen keren,
en
wat mij kwelt wordt klein. mijn Vader is, mijn vriend, Gods
heil in overvloed. ‘k zou voor Gods aangezicht
Al
heeft zich ook verheven dat Hij geen kwaad kan willen, Ik vind in eigen leven niet staande kunnen blijven:
de
macht van hel en dood, dat Hij mij bij wil staan, niets
lieflijks hier op aard; zijn bliksem zou mij slaan
ik
heb voor heel mijn leven dat Hij de storm zal stillen, wat
Hij mij heeft gegeven en
in levenden lijve
in
God mijn bondgenoot. mijn vijand zal verslaan. alleen
is minnenswaard. zou ‘k in Gods vuur vergaan.
5. O liefde,- Hij die
bluste 6.Zijn Geest wil in mij wonen, 7. En
als het nacht gaat worden, 8.
Dan spreekt van zoete dingen
’t
vuur dat een mens verteert, Hij richt mijn wens en wil, een
nacht vol schrik en pijn, zijn Geest tot mijnen geest:
doet
in zijn trouw mij rusten, en wat er ook mag komen, dan
zucht de Geest in woorden dat God zijn gunstelingen
meer
dan ik heb begeerd. Hij spreekt en maakt mij stil. die
onuitzegbaar zijn. rust geeft, hun ziel geneest
Ja, ik wil dapper wezen Al wat de Heer
van binnen En wat mijn hart
wil spreken, en dat Hij voor hen bouwde
in alle tegenspoed:
geplant heeft, rijpt tot vrucht. maar
wat geen stem meer krijgt, een schone,
nieuwe stad,
ik hoef voor niets te vrezen,- Hij is de Geest, die
in mij is taal voor Hem en
teken, waar’t hart dat haar aanschouwde
Hij schonk mij heldenmoed.
en met mij ‘Vader!’ zucht. als
Hij zich overneigt. vindt wat het zoekt, - zijn schat.
9.Wat er mij ook
gebeure, 10. ’t Zij engelen of machten, 11. Mijn hart wil blij opspringen,
in eeuwigheid zijt Gij, Gij maakt
mij van hen vrij. het kan niet treurig zijn,
en wat ter wereld, Here, Der
diepten donkre krachten, ik lach en loop te zingen
zou scheiden U en mij? der hoogten hovaardij,- in louter zonneschijn.
Al tonen zich verbolgen zij mogen mij
verdrukken De zon die staat te stralen,
de groten van de tijd, en doden,
- Gij houdt stand; o Jezus, dat zijt Gij.
geen honger of vervolging,
zij kunnen mij niet
rukken Ik dank U duizendmalen,-
Paul
Gerhardt(1607-1676)
niets dat mij van U scheidt. Heer Jezus, uit uw
hand. wat zijt Gij goed voor mij! vertaling Ad den Besten geb.1923
26. En
evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden
zullen naar behoren, maar de
Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke
verzuchtingen.
27. En Hij,
die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar
de wil van God voor heiligen
pleit.
28. Wij
weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God
liefhebben, die volgens zijn
voornemen geroepenen zijn.
29. Want die
Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid
aan het beeld zijns Zoons,
opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele
broederen;
30. en die
Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen
heeft, dezen heeft Hij ook
gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd
heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
31. Wat
zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons
zijn?
32. Hoe zal
Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven
heeft, ons met Hem ook niet
alle dingen schenken?
33. Wie zal
uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt;
34. wie zal
veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die
ter rechterhand Gods is, die
ook voor ons pleit.
35. Wie zal
ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of
vervolging of honger,of naaktheid,
of gevaar, of het zwaard?
36. Gelijk
geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend
als slachtschapen.
37. Maar in
dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.
38. Want ik
ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden
noch toekomst, noch
krachten,
39. noch
hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de
liefde Gods, welke is in
Christus Jezus, onze HERE.
--------------
Iets over de dichter: Paul Gerhardt heeft in 1580 de “dwaalleer” van het Calvinisme afgewezen. Door het ondertekenen van het Konkordienformel. Toen in 1662 keurvorst Friedrich Wilhelm III eiste, dat alle predikanten hun handtekening zouden zetten onder een edict, dat het verdere schelden en veroordelen over en weer tussen Lutheranen en Calvinisten verbood, weigerde hij dat en werd in 1666 uit zijn ambt ontzet.
--------------
Voor we de coupletten bespreken eerst nog even dit:
Rom. 8:26-39 staat niet los van het voorgaande, waarin gesproken wordt over de schepping die in al haar delen zucht en in barensnood is(vers 18-25). Wij verwachten de verlossing van ons lichaam.
laatste regel: ”in God mijn bondgenoot”.
God heeft wel het verbond met ons opgericht. En het verbond is 2-zijdig in zijn voortbestaan. Maar om over God te spreken als mijn bondgenoot lijkt me niet juist. We zijn niet de gelijke van God.
En op dezelfde wijze: Is mijn Vader mijn vriend(regel 4)?
regel 5:”dat Hij geen kwaad kan willen” is niet juist. De HERE kan geweldig toornen over de zonde. In deze context lijkt die uitdrukking heel logisch. Maar het is niet juist. Niet schriftgetrouw.
Regel 5-8:”Ik vind in eigen leven niets lieflijks hier op aard; wat Hij mij heeft gegeven alleen is minnenswaard”.
Erg zoet gerijm. Men berijmd hier volgens mij: “over de schepping die in al haar delen zucht en in barensnood is”(vers 18-25)?
Het staat in ieder geval niet in de tekst.
Regel 1-5 “Mijn Jezus is mijn ere. Had Hij niet, Hij, mijn licht bij mij in
willen keren, ‘k zou voor Gods aangezicht niet staande kunnen blijven.”
Volgens mij is dit niet gereformeerd. Het doet mij denken aan een uitdrukking die vroeger en misschien nog wel in evangelische kring gebezigd wordt: Al was de HERE Jezus duizendmaal in Betlehem geboren, maar niet in mij, gewis ik ging verloren.
En deze 5 regels berijmen niets van Rom. 8.
Regel 1 en 2 O liefde, - Hij die bluste ’t vuur dat een mens verteert. Het vuur is niet geblust. Wij zijn als een brandhout
uit het vuur gerukt.
Regel 5+ 6 “Ja, ik wil dapper wezen in alle tegenspoed.” Staat volgens mij niet in de tekst. Het klinkt ook alsof ik het
allemaal wel zal redden als ik maar dapper genoeg ben.
Regel 8: “Hij schonk mij heldenmoed.” Een rare uitdrukking. We krijgen wel kracht naar kruis. Maar hier is heel
wat anders berijmd.
Het schriftgedeelte wat hier bij past, is volgens mij Rom. 8:15
“.Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te
vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van
het zoonschap, door welke wij roepen: ABBA,
VADER.”
Wat staat er in couplet
6:
“Zijn Geest wil in mij wonen, Hij richt mijn wens en wil, en wat er ook
mag komen, Hij spreekt en maakt mij
stil.
Al wat
de Heer vanbinnen geplant heeft, rijpt tot vrucht. Hij is de Geest,die in
mij en met mij “VADER!” zucht”
Dat is heel wat anders!
Niet testgetrouw.
Ik denk dat hier Rom 8:26 berijmd is:
”En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp;
want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de
Geest
zelf pleit voor ons met ONUITSPREKELIJKE
VERZUCHTINGEN.”
De eerste 4 regels van
dit couplet zijn:
”En als het nacht gaat worden, een nacht vol schrik en pijn, dan zucht
de Geest in woorden die ONUITZEGBAAR
zijn.”
Een
zeer vrije vertaling. Absoluut niet tekstgetrouw. De Geest spreekt niet alleen
met onuitsprekelijke verzuchtingen als we het
moeilijk hebben. Altijd,
want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren.
Dus wat hier berijmd
wordt, is ook niet schriftgetrouw.
En dan de laatste 4
regels
En wat mijn hart wil spreken, maar wat geen stem
meer krijgt, is taal voor Hem en teken, als Hij zich overneigt.
Ik denk dat het anders
is:
Wat wij niet goed bidden
omdat we zondig zijn, omdat wij wankelmoedig zijn in ons geloof, daarin komt de
Heilige Geest ons te hulp. En niet wat mijn hart wil spreken.
En de HERE hoeft zich niet voorover te buigen om ons te horen. Hij weet zo ook wel wat er aan ons gebed ontbreekt.
En men kan denken” Moet je daar nu weer over vallen?” Ja, want zo staat het niet in de Schrift!!!
Onderstaand couplet komt bij Gerhardt niet voor. Maar omdat zowel het oorspronkelijke lied als het vertaalde lied 11 coupletten telt, heeft Ad den Besten blijkbaar iets niet vertaald. Zie daarvoor de volgende pagina.
vervolg Lied 90
Da ist mein Teil und Erbe vrij vertaald naar strekking wel hetzelfde Daar is mijn deel en erfenis
Mir prächtig zugericht; Voor mij prachtig toegerust
Wenn ich gleich fall und sterbe, Als ik direct val en sterf
Fällt doch mein Himmel nicht ontvalt toch mijn hemel niet.
Muss ich auch gleich hier fleuchten Als ik ook direct hier met tranen
Mitt Tränen meine Zeit, mijn tijd ontvluchten moet
Mein Jesus und sein Leuchten Mijn Jezus en zijn Verlichting
Durchsüsset alles Leid Doorzoet alle leed
Alleen de laatste regel van het weggelaten vers zit min of meer in couplet 8 regel 1.
De volgende tekst zit voor een deel ook in dat weggelaten couplet.
Rom.8:17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook
erfgenamen: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus;
immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.
Rom. 8:16 “Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn”.
Let wel: Dit vers hoort niet bij Rom. 8:26-39. Evenals vers 17 hier vlak boven.
Wat dicht Ad den Besten:”Dan spreekt van zoete dingen zijn Geest tot mijnen geest: dat God zijn gunstelingen rust geeft, hun ziel geneest”. Dat is beslist wat anders.
En dan de laatste 4 regels:”en dat Hij voor hen bouwde een schone, nieuwe stad, waar ’t hart dat haar aanschouwde vindt wat het zoekt, - zijn schat”. Ook dit staat beslist niet zo in Rom. 8. Niet tekstgetrouw.
Regel 1-4 “Wat er mij ook gebeure, in eeuwigheid zijt Gij, en wat ter wereld, Here, zou scheiden U en mij?”
Wanneer worden wij niet gescheiden van de HERE? Als we uit dankbaarheid t.o.v. Hem leven.
Regel 5-8 ”Al tonen zich verbolgen de groten van de tijd, geen honger of vervolging, niets dat mij van U scheidt”.
Moeten we van de groten van de tijd bevrijd worden? Staat niet in de tekst. Bevrijdingstheologie? Een deel van Rom 8:35 is
berijmd in de regels 3,4 en 7,8 van couplet 9.Maar jammer van de groten van de tijd. Weggelaten “verdrukking of benauwheid”
Je zou hier Rom. 8:38,39 berijmd kunnen zien:
38. Want
ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch
heden noch toekomst, noch
krachten,
39. noch
hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de
liefde Gods, welke is in
Christus Jezus, onze HERE.
regel 5 en 6: “De zon die staat te stralen, o Jezus, dat
zijt Gij.”
Hier
staat letterlijk dat Jezus de zon is. Je kunt het natuurlijk zo lezen, dat onze
Verlosser in zijn verheerlijkte staat ons als het ware al tegemoet komt. Zoals
Petrus, Johannes en Jacobus hem zagen bij de verheerlijking op de berg. Maar
dat staat er niet.
Dus onschriftuurlijk.
--------------------
Algemeen:
Wat wordt niet berijmd:
27. En
Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk
naar de wil van God voor
heiligen pleit.
30. en die Hij tevoren bestemd
heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij
ook
gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft
Hij ook verheerlijkt.
32. Hoe
zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen
overgegeven heeft, ons met Hem ook niet
alle dingen schenken?
33. Wie
zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt;
34. wie
zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte,
die ter rechterhand Gods is, die
ook voor ons pleit.
36. Gelijk
geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend
als slachtschapen.
37. Maar
in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.
Misschien is er nog wel
meer wat niet vertaald is. Maar de dichter is zo vrij met de tekst
omgesprongen, dat ik daar geen zicht
meer op heb. Ik heb het
gevoel dat er nog wel veel meer over dit lied is op te merken.
vervolg Lied 90
Samenvattend:
1.
Verschillende keren
aangetoond dat het lied niet tekstgetrouw is. Dat geeft de vertaler/dichter Ad
den Besten zelf ook
toe in het Compendium.
2. De benaming “God mijn bondgenoot” kan me niet bekoren(couplet 1 laatste regel). En ook “vriend” niet in couplet 2
En “dat Hij geen kwaad kan willen” is onschriftuurlijk.
3. Couplet 3 “zoet” gerijm. Regel 5-8 staat niet in de tekst.
4. Couplet 4 niet gereformeerd.
5. Couplet 5 niet tekstgetrouw. Niet schriftuurlijk. Verder krijgen we geen heldenmoed. Wel kracht naar kruis. En dat is
wat anders.
6. Couplet 6 niet tekstgetrouw.
7. Couplet 7 niet tekstgetrouw. Ook niet schriftuurlijk..
8. Couplet 8. Niet tekstgetrouw. Ik aarzel of ik niet zal zeggen:”Niet schriftgetrouw”.
9. Couplet 9 Bevrijdingstheologie?
10. Couplet 11 onschriftuurlijk.
11. Schriftgedeelten weggelaten.
12. Rom. 8:26-39 staat niet los van het voorgaande. Daarin zucht de schepping in al haar delen en is in barensnood
WIJKT AF VAN DE SCHRIFT. NIET ZINGEN IN DE EREDIENST.
1. Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, 2. Immers daarom is Hij ons voorgegaan,
of sterft zichzelf, wij zijn met Christus één. is Hij gestorven, is Hij opgestaan.
Wanneer wij leven leven wij voor Hem, Daarom werd Hij weer levend, zie Hij leeft
wanneer wij sterven horen wij zijn stem. opdat Hij ons met Hem het leven geeft.
In leven en in sterven weten wij: En levenden en doden allebei
wij zijn geborgen in zijn heerschappij. zijn onderworpen aan zijn heerschappij.
3. Waarom veroordeelt gij uw broeder dan? 4. Zoals geschreven is zo zal het zijn:
Waarom veracht gij hem? Van man tot man, Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.
van mens tot mens is hij uw lotgenoot. En alle knie op aarde buigt zich neer,
Wij worden allen eens voorbij de dood en alle mond belijdt mij als de Heer.
gesteld voor Christus’ rechterstoel en Hij Wij loven U o God, Gij zijt nabij
stelt
ons in ’t oordeel van zijn heerschappij. met de
genade van uw heerschappij.
J.W. Schulte Nordholt(1920-1995)
Hieronder staat niet alleen het schriftgedeelte dat berijmd is, maar ook wat er aan vooraf ging. En ook vers 11 en 12
Rom. 14:1-12
1. Aanvaardt de zwakke in het geloof, maar niet
om overwegingen te beoordelen.
2. De
één gelooft, dat hij alles eten mag, maar de zwakke eet plantaardig voedsel.
3. Wie
wel eet, minachte hem niet, die niet eet, en wie niet eet, oordele hem niet,
die wel eet, want God heeft hem
aanvaard.
4. Wie
zijt gij, dat gij eens anders knecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn
eigen heer aan. Maar hij zal
staande
blijven, want de HERE is bij machte hem vast te doen staan.
5. Deze
immers stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij
voor zijn eigen besef ten volle
overtuigd.
6. Wie
aan een bepaalde dag hecht, doet het om de HERE, en wie eet, doet het om de
HERE, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de HERE en ook hij
dankt God.
7. Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en
niemand sterft voor zichzelf;
8. want als wij leven, het is voor de HERE, en
als wij sterven, het is voor de HERE. Hetzij wij dan leven, hetzij
wij
sterven, wij zijn des HEREN.
9. Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij en over doden en over levenden heerschappij voeren zou.
10. Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods.
11. Want er staat geschreven: (Zo waarachtig als)
Ik leef, spreekt de HERE: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal
God loven.
12. Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf
rekenschap geven aan God.
In vers 1-6 wordt gesproken over de zwakken
en de sterken in het geloof. Er was in Rome verschil van inzicht over eten
en drinken.
Toch waren er middelmatige zaken aan de orde. Want als
er bij één van beide partijen sprake zou zijn geweest van afwijking van het
apostolisch onderwijs, dan zou de apostel toch tot bekering hebben
opgeroepen?(zie b.v. Rom. 6:17)
Wat wordt hier bedoeld met zwakken?
Zwak op dit punt. Beslist geen zaak van “gebrek aan overtuiging”. Ze weigeren
heel bewust om vlees te eten en wijn te drinken(voor vlees/wijn zie Rom.
14:21). Ze wilden gehoorzaam zijn aan de HERE.
Ze stonden zwak 1. Omdat ze zich niet op de Schrift konden
beroepen.
2. Hun vatbaarheid voor zonde.
En de sterken
dan?
Hun kracht ligt niet in hen zelf, maar in het evangelie.
Daaraan hebben ze genoeg om op dit punt staande te blijven.
Bij dat sterk zijn, hoort een houding van ”Niet onszelf
in de eerste plaats behagen, maar onze naaste”.
Het gaat daarbij om het welzijn van je naaste en om de
opbouw van Christus’ gemeente.
Paulus richt zich juist tot die sterken. Het is voor hen
verleidelijk om het punt in geding op te blazen tot een principekwestie. En om
grote woorden te gaan spreken over de vrijheid die er in Christus toch is.
Couplet 1 en 2 lijken me schriftuurlijk berijmd zoals het er staat. Maar jammer is dat het verband waarin dit staat nu niet tot zijn recht komt. De verzen 1-6 hadden er ook bij genomen moeten worden. Zo komt dit lied niet in een goede context te staan.
Regel 4-6: “Wij worden allen eens voorbij de
dood gesteld voor Christs’
rechterstoel en Hij stelt ons in ’t oordeel van zijn
heerschappij.” Het vetgedrukte is niet schriftuurlijk! Wij zullen weliswaar allen gesteld worden voor de rechterstoel van God, maar dat is niet voor allen na de dood. Bij de wederkomst zullen diegenen die nog leven ook voor Gods rechterstoel vervolg lied 91
komen. Ook hier krijgen mensen soms het gevoel: ”Moet je daar nu weer over vallen?”. Ja, want de Schrift leert ons anders.
En wat betekent: “Hij stelt ons in ’t oordeel van zijn heerschappij.”?
11.Want er staat geschreven: (Zo
waarachtig als) Ik leef, spreekt de HERE: voor Mij zal alle knie zich
buigen, en
alle tong zal God loven.
Als we hier nauwkeurig lezen, dan staat het in het couplet anders dan in de tekst:
In de tekst: “(Zo
waarachtig als) Ik leef, spreekt de HERE.” Een eed. Niet minder.
Regel 1: “Zoals geschreven i,s zo zal het zijn:” En dan volgt de dubbele punt. Er komt een nadere verklaring van wat dan zo zal zijn. En dat is:
Regel 2: “Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.”
De dichter heeft hier wat tussen haakjes staat niet berijmd. Als dat weggelaten wordt, dan lijkt het net of er geen eed staat. Maar dan verandert de zin volgens mij niet:
“Ik leef, spreekt de HERE: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong
zal God loven”.
De zin zegt nog steeds hetzelfde: Denk er om, Ik leef en zal oordelen.
Het blijft een eed. En die eed komt in regel 2 niet
naar voren.
En verder: “Gij zijt mijn.” staat helemaal niet in de tekst.
En daarmee is de werkelijke bedoeling niet goed berijmd. Daarmee niet schriftuurlijk. Want: Zie nu bespreking van regel 3 en 4.
Daar slaat de eed op. En de woordjes “gij zijt mijn” zijn hier naar mijn oordeel volledig misplaatst. Ieder mens hoort bij de HERE? Die indruk wordt nu van regel 3+4 gewekt.
Regel 5+6: “Wij loven u o God, Gij zijt nabij met de genade van uw heerschappij.”
Het lijkt mij een nadere uitwerking van regel 3 en 4. Ik teken er wel bij aan, dat deze regels absoluut niet in de tekst staan.
De vraag dringt zich op: Wie zijn die wij? Alle mensen van regel 3 en 4? En de genade is dus voor alle mensen?
Dit zweemt naar alverzoening.
Samenvattend:
1. Het schriftgedeelte uit zijn context gehaald. Vs 1-6 hadden er bij genomen moeten worden.
2. Couplet 3 regel 4 en 5 zijn onschriftuurlijk.
3. In couplet 4 is iets berijmd wat niet in de tekst staat: “gij zijt mijn.”
4. Het lijkt op alverzoening. Als in couplet 4 duidelijker verwoord was, dat alleen de uitverkorenen
behouden worden, dan had ik er op dit punt minder moeite mee.
Niet schriftuurlijk. NIET ZINGEN IN DE EREDIENST!!!!
Lied 103 1 De heiligen, ons voorgegaan, 2 Zij trokken uit als Abaham, 3 Die van de aarde vrijgekocht
hebben hier niets verworven, door God de Heer geroepen nu rusten van hun werken,
maar zijn aan ’t einde van hun baan zonder te weten waar hij kwam, zij spreken en getuigen nog
als vreemdeling gestorven. om ’t land van God te zoeken. om ons geloof te sterken,
Maar zij geloofden dat Gods hand Zij zijn gestorven in zijn naam dat wij omgeven door de wolk
die hen tot daar geleid had en hebben niets geweten de weg ten einde lopen,
in ’t beter, hemels vaderland dan dat Hij had gezegd:Ik schaam één met het heilig trekkend volk
een stad voor hen bereid had. mij niet uw God te heten. in liefde en in hope.
Geprezen zij zijn naam! Geprezen zij zijn naam! Geprezen zij zijn naam!
Hij deed hen veilig gaan! Hij deed hen veilig gaan! Hij doet ons veilig gaan!
Komt, zingen wij tezaam Komt, zingen wij tezaam Komt, zingen wij tezaam
met alle heiligen met alle heiligen! met alle heiligen!
Hebr. 10:36-39
36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te
verkrijgen hetgeen beloofd is.
37 Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en
niet op Zich laten wachten,
38 en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig
wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.
39 Doch
wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met
geloof, dat de ziel behoudt.
1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het
bewijs der dingen,die men niet ziet.
2 Want door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven.
3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot
stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is
uit
het waarneembare.
4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kain;
hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig
was,
daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij
gestorven is.
5 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en
hij werd niet meer gevonden, want God had hem
weggenomen. Want voordat hij werd weggenomen, is van hem getuigd,
dat hij Gode welgevallig was geweest;
6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want
wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en
een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.
7 Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had
over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark
toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat (geloof)
heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam ge-
worden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt.
8 Door
het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar
een plaats, die hij ter erfenis zou
ontvangen,
en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.
9 Door
het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar
hij in tenten woonde met Izak en
Jakob,
die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte;
10 want hij verwachtte de stad met fundamenten,
waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.
11 Door het geloof heeft ook Sara kracht
ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem,
die
het beloofd had, betrouwbaar achtte.
12 Daarom zijn er dan ook uit één man, en wel een
verstorvene, voortgekomen als de sterren des hemels in menigte en gelijk
het
zand aan de oever der zee, dat ontelbaar is.
13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven,
zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die
gezien
en
begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op
aarde.
14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen,
dat zij een vaderland zoeken
15 En als zij gedachtig geweest waren aan het
vaderland ,dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug
te
keren;
16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is
een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te
heten,
want Hij had hun een stad bereid.
17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij
verzocht werd, Izak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had,
wilde
zijn enige zoon offeren,
18 hij, tot wie gezegd was: Door Izak zal men van
nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was
hem
zelfs uit de doden op te wekken,
19 en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van
spreken teruggekregen.
20 Door het geloof heeft Izak aan Jakob en Esau
zijn zegen gegeven, ook voor de toekomst.
21 Door het geloof heeft Jakob bij zijn sterven
ieder der zonen van Jozef gezegend en hij heeft aangebeden, (leunende) op het
uiteinde
van zijn staf.
22 Door het geloof heeft Jozef aan het einde van
zijn leven gewaagd van de uittocht der kinderen Israëls en voorschriften
gegeven
over zijn gebeente.
23 Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie
maanden door zijn ouders verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij
een
schoon kind was, en zij hebben het bevel des konings niet gevreesd.
24 Door het geloof heeft Mozes, volwassen
geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter,
25 maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad
verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten;
26 en hij heeft de smaad van Christus groter
rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de
vergelding.
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten,
zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende
de
Onzienlijke.
28 Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden
en het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet
zou
aanraken.
vervolg
Lied 103
29 Door het geloof zijn zij door de Rode Zee
gegaan als over droog land, terwijl de Egyptenaars, toen zij het ook
beproefden,
verzwolgen
werden.
30 Door het geloof zijn de muren van Jericho
neergestort, nadat (het volk) er zeven dagen lang omheen getrokken was.
31 Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met
de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had
opgenomen.
32 En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers,
de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak,
Simson,
Jefta, David en Samuël en de profeten,
33 die door het geloof koninkrijken onderworpen,
gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben,
muilen
van leeuwen dichtgesnoerd,
34 de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij
zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij kracht
ontvangen,
zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen.
35 Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding
terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding
willen
weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben.
36 Anderen weder hebben hoon en geselslagen
verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap.
37 Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld,
doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in
schapevachten
en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling
38 - de wereld was hunner niet waardig - zij
hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen
der aarde.
39 Ook
deze allen,hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is,hebben het
beloofde niet verkregen,
40 daar
God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid
konden komen.
Hoofdstuk 12
3 VESTIGT UW AANDACHT DAN OP HEM, DIE ZULK EEN
TEGENSPRAAK VAN DE ZONDAREN TEGEN
ZICH
HEEFT VERDRAGEN, OPDAT GIJ NIET DOOR MATHEID VAN ZIEL VERSLAPT.
------------
Bij het volgende heb ik op verschillende plaatsen gebruik gemaakt van citaten uit “Lied tegen het licht”
van J.P.C Vreugdenhil en H. Vreugdenhil-Busstra en ook uit “Weet wat je zingt” van H. Vreugdenhil-Busstra
Samenvatting van Hebr. 10:36
tot en met Hebr. 12:3.
In Hebr. 10:36 wordt gezegd, dat
we volharding nodig hebben. En niet nalatig mogen zijn(vs38). Daarmee hebben
we niets van doen. Nalatigheid leidt naar het
verderf. En om de Hebreeën te stimuleren vol te houden staat
hoofdstuk 11 in de Schrift. Dat
hoofdstuk vat ik hieronder samen.
Door het geloof kwamen er bij de gelovigen in het oude
testament grootse dingen aan het licht:
1.Geloven dat God de wereld
geschapen heeft.
2.Door het geloof van Abel werd
van hem getuigd, dat hij rechtvaardig
was.
3.Henoch was door het geloof Gode welgevallig.
4.Noach bouwde de ark ondanks het
ongeloof van zijn omgeving en is door dat geloof voor de zondvloed bewaard gebleven.
5. Zie ook de geloofsdaden van
Abraham. Door het geloof kon hij dat doen. Sara geloofde ondanks haar eerdere ongeloof.
Nu vers 13: In (dat) geloof zijn deze allen
gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte
hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat
zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde.
Zij zoeken een beter hemels
vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had
voor hen een stad bereid. En zo worden verder de geloofsdaden beschreven van
andere gelovigen uit het Oude Testament. Vruchten van het geloof.
vers 39,40 Ook deze
allen,hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is,hebben het beloofde
niet ver-
kregen, daar God iets beters
met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.
Maar let wel: God geeft hier dat
getuigenis in vers 39. Zij hebben het beloofde niet verkregen. De gelovigen in
het Oude Testament hebben de nieuwe bedeling zelf nodig. Christus heeft - op
het moment dat de schrijver de brief schrijft - al voor ons geleden. Ze
konden dus niet zonder de Hebreeën(en
zonder ons). Wij weten dat de HERE
Jezus voor onze zonden geleden heeft. De oudtestamentische gelovigen wisten dat
er geen zaligheid was zonder Christus.
En dan nu Hebr. 12:1-3. Waar gaat
het hierom? De Hebreeën moesten en wij moeten strijden onder het oog
van hen die
de prijs
behaalden(de wolk van getuigen).Daarbij is die wolk van getuigen niet meer dan
toeschouwers. Die kan geen kracht
geven. Het
geloof dat de Hebreeën hielp, kan ook ons steunen. Want het geloof blijft
hetzelfde. Dus konden zij en kunnen
ook wij
volharden. Het oog gericht op Christus. Hij blijft namelijk trouw tot het
einde. Hij heeft veel tegenspraak ontvangen van
zondaren.
Maar als er bij ons slapheid is, dan hoeft er geen afgematheid(van ziel) te
komen, waardoor opwaken onmogelijk is.
EINDE SAMENVATTING
vervolg Lied 103
Bespreking
Waar loopt dit bijbelgedeelte op uit? Op Hebr. 12:1-3. Met
zo’n wolk van getuigen erbij met volharding de wedloop lopen.
Hebr. 11 roept ons dus op om het geloof van de oudtestamentische gelovigen na te volgen. Dus laten we de wedloop lopen en daarbij alles wat ons in de weg zit – met name de zonde! – loslaten en laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus(dus niet op Abraham). Zij volhardden in de verwachting van de Christus. Die toespitsing ontbreekt in dit lied. Het is een oudtestamen-tisch lied dat een orthodoxe Jood ook heel goed mee kan zingen. Deze heiligen in dit lied trokken uit als Abraham. Niet wetende waar hij en zij dus zouden komen(couplet 2). En zo moeten wij ook doen.
Refrein
Refrein
in het lied: Geprezen zij zijn naam!
Hij deed(doet) hen(ons) veilig gaan!
Komt, zingen wij tezaam
Met alle heiligen!
Refrein in de tekst: Door
het geloof.
In plaats van het thema
“door het geloof “wil dit lied ons
het veilig trekken van Abraham en anderen ten voorbeeld
stellen. De Hebreeën, wij en alle heiligen zijn het heilig trekkend volk op weg om het land van God te zoeken.
Zie maar in couplet 3
“Die van
de aarde vrijgekocht nu rusten van hun werken, zij spreken en getuigen nog om ons
geloof te sterken, dat wij omgeven
door de wolk de weg ten einde lopen, één
met het heilig
trekkend volk in liefde en in hope.”
Maar daar gaat het in Hebr. 11 niet om. Het gaat om het getuigenis, dat God geeft van hun geloof. Wat
zij konden door hun geloof. Dat spoort ons aan vol te houden. Ook kunnen we hier niet samen zingen met
de heiligen. Die heiligen zijn toeschouwers. Het refrein is dus niet schriftuurlijk.
Verder iets van de dichter zelf:
Het refrein is volgens de dichter de kern van het tekstgedeelte:
Muus Jacobse(K.H.Herema) zegt in het Compendium:
De leidende gedachte van het lied is echter
stellig de verbondenheid van de gemeente die wij zijn met
“ de heiligen, ons voorgegaan”. Dat zit ook in
het refrein – als bij alle refreinliederen het eerst geschreven
en dus het dichterlijk uitgangspunt -: “komt,
zingen wij tezaam/met alle heiligen!” Wij zingen in de kerk
samen met allen die ons zijn voorgegaan, wij
zingen, in hun spoor meetrekkend, hun achterna naar
“ ’t beter, hemels vaderland” ; Gezang 103 is,
even als Gezang 11, een reislied, een treklied.
Bij de dichter is de kern de verbondenheid van de gemeente die wij zijn
met de “heiligen, ons voorgegaan”.
Nu bespreking van de coupletten:
Regel 2: “hebben hier niets verworven,”
Hebr. 11:39: ”hebben het beloofde niet verkregen.” Namelijk de Christus. Dat is heel wat anders dan
“hebben hier niets verworven.” Ook van b.v. Abraham kun je dat niet zeggen. Hij heeft weliswaar het beloofde
land niet gekregen, maar hij heeft Isaäk gekregen. Een kind, dat hem beloofd was.
Dus regel 2 is niet schriftuurlijk
In regel 1 staat: “Zij trokken uit als Abraham,” Maar ook daar gaat het niet om.Het beeld dat God ons
voorhoudt is, dat van de wedloop. We worden hier niet opgeroepen om net als Abraham uit te trekken.
Kijk maar naar Rachab, Gideon, Barak, Simson enz.
Ook onderwierpen oudtestamentische gelovigen koninkrijken, snoerden muilen van leeuwen dicht enz.
(vers 32-38). De vruchten van het geloof worden hier beschreven.
Hebr.11 roept ons wel op om het geloof van de oudtestamentische gelovigen na te volgen.
De wedloop wordt ons voorgehouden. Daarin worden we bemoedigd door het getuigenis, dat God
geeft aan deze gelovigen.
Abraham is wel de vader van de gelovigen. Maar daarom is zijn reis naar Kanaän nog geen
ideaalbeeld van ons leven! Wij krijgen b.v. geen opdracht een kind te offeren.
En verder leefde hij vele jaren als vreemdeling in het land der belofte. In die jaren moest hij zijn
geloofsgehoorzaamheid weer anders tonen. Heeft hij ook niet jaren op Izaäk moeten wachten?
Waarbij hij moest vertrouwen op de belofte van de HERE.
vervolg lied 103
Vertaald in ons eigen leven: laten we doorzetten en daarbij alles wat ons in de weg zit – met name de
zonde! – loslaten, en laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus (en niet op Abraham of het
onbekende land). Op Jezus, de leidsman en voleinder van het geloof(Hebr. 12:1-3).
Regel 5-8:
“ Zij
zijn gestorven in zijn naam
en
hebben niets geweten
dan
dat Hij had gezegd: Ik schaam
mij niet uw God te heten.”
Voor bespreking van deze regels kijken we eerst naar Hebr 11:13-16:
13 In
(dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben;
slechts uit de
verte hebben zij die
gezien en begroet, en zij hebben
beleden, dat zij vreemdelingen en
bijwoners waren op aarde.
14 Want
wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken.
15 En
als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden,
zouden zij
gelegenheid gehad hebben terug te
keren;
16 maar
nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt
God Zich
voor hen niet hun God te
heten, want Hij had hun een stad bereid.
Hier schaamt de HERE Zich niet hun God te heten, omdat de geloofsgetuigen niet weer terug wilden
naar hun aardse vaderland maar naar een hemels vaderland. Dat is heel iets anders dan wat in dit couplet
staat. Hebben ze niets geweten, dan dat Hij had gezegd: Ik schaam mij niet uw God te heten.?
Zij wisten toch van de beloofde Christus!!!!! Abraham verwachtte een stad met fundamenten(vs10).
En dat blijkt toch ook uit Hebr. 11:13-16. Dus regel 5-8 zijn niet schriftuurlijk.
Regel 1: “Die van de aarde vrijgekocht.” Niemand is van de aarde vrijgekocht. We zijn van onze zonden
vrijgekocht. Zie ook HC vraag en antwoord 34.
Regel 2: “nu rusten van hun werken,” Ze rusten niet van hun werken, maar van hun moeiten.
Openb.
14:13: En ik hoorde een stem uit de
hemel zeggen: Schrijf, zalig de doden, die in de HERE
sterven,
van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun
werken
volgen hen na.
Regel 3-6: “zij
spreken en getuigen nog om ons geloof te sterken dat wij omgeven door de wolk
de
weg ten einde lopen,”
Spreken en getuigen ze nog? Laten we eens weer kijken naar Hebr.11:39,40.
Daar staat 39. Ook
deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben
het
beloofde niet verkregen,
40. daar God iets beters met ons
voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid
konden
komen.
Zijzelf getuigen niet -
want zij zijn alleen toeschouwers - maar God heeft dus een getuigenis aan
hen gegeven. DAT DOET DE HERE OM ONS GELOOF TE STERKEN.
Dus als de dichter zegt: “zij spreken en getuigen nog” dan is dat niet waar. Niet schriftuurlijk.
Regel 7+ 8: “ één met het heilig trekkend volk in liefde en in hope.”
En waar blijft het geloof dan? Daar wordt overal in dit tekstgedeelte toch over gesproken?
SAMENVATTEND:
1. Het refrein is niet schriftuurlijk.
2. Couplet 1 regel 2 is niet schriftuurlijk: “hebben hier niets verworven”.
3. Couplet 2 regel 1: “Zij trokken uit als Abraham” is niet schriftuurlijk.
En ook regel 5-8
niet: “zij zijn gestorven in zijn naam en hebben niets geweten dan dat Hij
had gezegd: Ik schaam
mij niet uw God te heten.”
4. Couplet 3. De oudtestamentische gelovigen spreken niet meer! Zij zijn nu alleen toeschouwers. Zij vuren ons niet aan.
Zij getuigen niet. God geeft getuigenis aan hen.
Zij zijn niet van de aarde vrijgekocht, maar van hun zonden. En zij rusten van hun moeiten en niet van hun werken.
Regel 7+ 8: “één met het heilig trekkend volk in liefde en in hope.” Waar blijft het geloof?
5. Een orthodoxe jood kan dit lied zonder enig probleem meezingen. Waar blijft de Christus?????
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST
1. O grote God die liefde zijt, 2. Maak ons volbrengers van dat woord,
o Vader van ons leven, getuigen van uw vrede,
vervul ons hart, dat wij altijd dan gaat wie aarzelt met ons voort,
ons aan uw liefde geven. wie afdwaalt met ons mede.
Laat ons het zout der aarde zijn, Laat ons getrouw de weg begaan
het licht der wereld, klaar en rein. tot allen die ons verre staan
Laat ons uw woord bewaren, en laat ons zonder vrezen
uw waarheid openbaren. de minste willen wezen.
3. Leer ons het goddelijk beleid 4. Wij danken U, o liefde groot,
der liefde te beamen, dat Christus is gekomen.
opdat wij niet door onze strijd Wij hebben in zijn stervensnood
uw goede trouw beschamen. uw diepste woord vernomen.
Leg ons de woorden in de mond Nog klinkt dat woord; het spreekt met macht
die weer herstellen uw verbond. en het wordt overal volbracht
Spreek zelf door onze daden waar liefde wordt gegeven,
van vrede en genade. wij uit uw liefde leven.
Regel 3+4: “vervul ons hart, dat wij altijd ons aan uw liefde geven.” Wat staat hier in het vetgedrukte? Wat betekent het, dat we ons aan uw liefde geven. We kunnen wel onze handen in Vaders handen leggen. We kunnen ons wel overgeven aan een liefdevolle Vader door Christus. Maar we geven ons niet over aan Zijn liefde maar aan Hem zelf, want Hij is met Zijn liefde tot ons gekomen. Nu is het net alsof die liefde een persoon is. God is niet gelijk aan Zijn liefde. Ik zie hier een stukje taaltheologie. Voor uitleg van dit woord, zie lied 30.
Verder wordt in de Schriften niet alleen gesproken van Gods liefde, maar ook van Zijn toorn, haat en oordeel. Zie ook de psalmen 5, 11, 45. Zo is het ook met Gods kinderen; er wordt ook gesproken over haten, b.v. psalm 139: “Zou ik niet haten, wie U haten?” Nu kun je er natuurlijk voor kiezen, om over Gods liefde te zingen, dat is prachtig en goed! Maar als dan de andere aspecten van Gods openbaring maar niet vergeten worden. Het kan natuurlijk zijn, dat dit in andere liederen gebeurt?
Toch… voorzover ik heb kunnen nagaan is dit echter maar éénmaal het geval(in lied 20, couplet 6, tweede helft). Verder wordt de toorn van de HERE steeds weggelaten. Dat houdt in, dat het liedboek in dit opzicht erg eenzijdig is en een verkeerd, onschriftuurlijk beeld geeft van God. En dus een verkeerde indruk wekt en doorgeeft aan wie dit zou zingen.
Regel 7+ 8: “Laat ons uw woord bewaren, uw waarheid openbaren.”
We hebben nu Gods volledig geopenbaarde wil. Dat woord moeten we bewaren. Maar “uw waarheid openbaren”!!! In de Schrift komen we dat alleen op die manier tegen in 1 Kor. 14: 6,26,30. Maar dat was in de tijd dat de canon nog niet gesloten was. Toen we nog niet alle 66 bijbelboeken hadden. Dus zo’n openbaring krijgen we niet meer als in 1 Kor. 14: 6,26,30. Dus wat er staat is niet juist, omdat die canon gesloten is.
Deputaten zeggen het volgende daarvan: ”Mensen leren God kennen via ons. De bijbel, Gods openbaring op schrift, dient meestal tot versterking van een reeds kleine aanzet tot geloof. Die aanzet, dat begin, ontstaat, doordat de buurman door onze manier van doen, door onze manier van praten, het als iets aantrekkelijks is gaan zien om onze God te leren kennen. Onze kinderen leren God kennen via ons. Jongeren in de kerk trekken zich op aan identificatiefiguren, die hun geloof in God uitstralen. Wie of wat openbaart in deze wereld Gods waarheid? Dat boek (met eerbied gesproken) of de kerk of allebei?”
Hier staan 6 regels typewerk. De deputaten geven in dit gedeelte geen antwoord op de vraag of wij nu wel of niet zelf Gods waarheid kunnen openbaren.
Regel 1:”Maak ons volbrengers van dat woord,”
Kunnen we dat? We kunnen Gods wil niet doen. En pas op de nieuwe aarde zullen wij volmaakt zijn. Deputaten: ”Het lijkt er in dit lied zelfs op, dat wij dingen moeten doen die alleen God kan doen, zoals: ……. zijn woord volbrengen, ……..”.
Citaat 2 deputaten: ” En het is minder erg, dat de kerk onderling strijd voert(couplet 3, regel 3), omdat er toch in elk geval nog dat “boek” is en de mensen in deze wereld uiteindelijk voor het evangelie gewonnen moeten worden door de kracht van het Woord? “U bent het zout der aarde”, zei Jezus, “u bent het licht der wereld.” Daarmee geeft Hij ons een grote verantwoorde-lijkheid in handen, Hij, die zelf het licht der wereld is(voor Mattheus 5:14 komt Mattheus 4:14-16!). Zo kan Hij zeggen, dat wij zijn Woord moeten volbrengen(vergelijk Jacobus 1 en 2).”
Ja dan volbrengen we op één punt Gods Woord, namelijk dat we door onze houding en woorden mensen tot het evangelie trekken. Maar dicht dat dan ook op die manier. Nu staat er dat wij in deze bedeling zo door de HERE omgevormd kunnen worden, dat wij in alles Zijn wil doen, Zijn wil volbrengen. We weten, dat dat in deze bedeling niet zal gebeuren.
Regel 3: “dan gaat wie aarzelt met ons voort,”. Ja? Er zijn ook mensen die aarzelen, die uiteindelijk niet naar de HERE luisteren.
Regel 4: ” wie afdwaalt met ons mede,”. Ook dat hoeft helemaal niet. Gods woord kan ook ongeloof, tegenstand en haat als reactie hebben: wie het Woord hoort, wordt rein door Christus of wordt nog vuiler. De HERE heeft ons niet beloofd, dat iedereen, die het Woord hoort, zich ook bekeert.
vervolg Lied 481
Regel 1-4: “Leer ons het goddelijk beleid der liefde te beamen, opdat wij niet door onze strijd uw goede trouw beschamen.”
Wat staat hier eigenlijk? “Opdat wij niet door onze strijd uw goede trouw beschamen”.
Welke strijd? Onze houding naar mensen toe waardoor wij conflicten oproepen? Waardoor de naam des HEREN om ons gelasterd wordt? Of wordt de geestelijk strijd hier bedoeld ? Daarin vallen we steeds. Dan beschamen we de trouw van de HERE steeds. Dus dan kloppen regel 3 en 4 niet. Die zijn dan onschriftuurlijk. Of mogen wij niet strijden, omdat dat in tegenspraak met Gods liefde is?
Dus de BAZUIN KLINKT NIET HELDER. En dat moet!
Regel 5+6: “ Leg ons de woorden in de mond die weer herstellen uw verbond.”
Dat kunnen woorden niet. De Here Jezus heeft het verbond tussen God en mens weer hersteld. Het voorhangsel scheurde middendoor. Dus de regels 5+6 zijn onschriftuurlijk.
1e citaat
deputaten: ”Het lijkt er in dit
lied zelfs op, dat wij dingen moeten doen die alleen God kan doen, zoals: ……..,
Gods verbond herstellen”.
2e citaat: “Daar schuilt een diepe kern van waarheid in. God laat zijn waarheid bekendmaken door ons, Hij laat zijn
veelbelovende
woorden vergezeld gaan van onze daarbij passende daden. Zo kunnen wij ook
zeggen, dat Hij ons
zelf het verbond weer laat herstellen. Dit is realiteit. Mensen leren God kennen via ons.”
Wacht even! Mensen die niet bij het verbond horen, kunnen door onze houding tot bekering komen.
Maar het verbond was er al. Dat hoeft niet hersteld te worden. Nogmaals dat heeft Christus gedaan.
3e citaat: “Zo kan Hij zeggen, dat wij zijn Woord moeten volbrengen(vergelijk Jacobus 1 en 2). God doet zijn werk
in deze wereld niet alleen zonder ons en buiten ons, maar ook door ons. Zo zou Hij ook kunnen zeggen, dat wij het
verbond moeten herstellen. Wij schenden het toch ook? Roept de HERE zijn volk Israël in Jeremia 3:12 en 14 ook
niet tot dat herstellen op?”
Ja wij keren door onze zonden de HERE dagelijks de rug toe. Deputaten halen Jer. 3:12 en 14 aan. Maar in Jer. 3:12-14 zegt de
HERE tot Jeremia, dat Israël weer moet terugkeren tot de God van het verbond. De HERE zal het volk niet donker aanzien, want Ik de HERE ben genadig. Ik zal niet altoos blijven toornen. Het volk moet dan wel zijn ongerechtigheid erkennen, dat het zich van de HERE heeft afgewend en op eigen wegen heeft gewandeld.
Ik ben heer over u, Ik zal u nemen, Ik zal u herders geven.
De HERE zelf zal het verbond herstellen door de zonden ons niet toe te rekenen. Het gaat van God uit. In hoofdstuk 4 zegt de HERE(vs. 1): “Indien gij u bekeert, Israël, luidt het woord des HEREN, dan moogt gij tot Mij wederkeren, en indien gij uw gruwelen wegdoet uit mijn ogen, dan behoeft u niet te vlieden.” De HERE heeft met ons een nieuw verbond opgericht.
Jer. 31:33b-34:“Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” Deputaten hadden hier naar heel Jer. 3 moeten verwijzen.
De HERE zegt dus niet, dat wij het verbond moeten herstellen. Dat kunnen wij niet eens, maar wij moeten onze zonden erkennen en belijden. Dan zal God door Christus’ volmaakte offer ons niet doen naar onze zonden (Ps. 103:10a). Verder staat er ook in dit couplet: “Spreek zelf door onze daden van vrede en genade.”
Is dat zo?! God spreekt wel in Zijn Woord en door het werk van Zijn Zoon van vrede en genade. Wanneer dat van ons zou afhangen, (van onze daden) zag het er niet best uit!
Regel 1 en 2:”Wij danken U, o liefde groot, dat Christus is gekomen.”
De HERE wordt als “liefde groot”aangesproken. Dit is een aanspreektitel die ik nergens in de Schrift gevonden heb. Het luistert nauw hoe we God aanspreken.
Regel 3+4: “Wij hebben in zijn stervensnood uw diepste woord vernomen.”
Het
klinkt wel mooi, maar volgens mij niet juist. Het “diepste woord” vernamen we van de Vader toen het voorhangsel
van de
tempel middendoor scheurde. Tijdens het lijden van de HERE Jezus aan het kruis
kreeg Hij zelfs geen enkel woord.
“Mijn
God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten?” De Vader had Zich helemaal teruggetrokken.
Vlak voor Christus’ sterven klonk pas: ”Het is volbracht.” En dan na
Christus’ sterven onmiddellijk het “diepste
woord” van de Vader.
Regel 5: “Nog klinkt dat woord.” Dat dat woord nog klinkt klopt. We kunnen in de Bijbel van het voorhangsel lezen.
Regel 5-8: “het spreekt met macht en het wordt overal volbracht waar liefde wordt gegeven, wij uit uw liefde leven.”
Hieruit blijkt dat dat “diepste woord” afhangt van de mens. Onschriftuurlijk. Verder is het niet waar dat dat woord overal wordt volbracht waar liefde wordt gegeven, wij uit uw liefde leven.
Wel geldt: liefde naar de HERE geven we uit dankbaarheid. En dan hebben we onze naaste lief als onszelf.
Daarbij is er de opdracht het evangelie te brengen.
Er staat dat dat woord overal wordt volbracht. Een subtiele verwijzing naar het kruiswoord. Iemand met enige bijbelkennis
wordt door de dichter er als vanzelf toe gebracht aan het kruiswoord te denken. Dan is het kwalijk, dat dit zo gedicht is.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Wat hieronder bij 1 en 2 staat, kunt u uitgebreider lezen op blz. 52-55 van het boekje “Weet wat je zingt” van H. Vreugdenhil-Busstra
1. In dit lied lees ik de volgende lijn:
God gaf Zijn eigen Zoon, opdat wij nooit meer door Hem verlaten zouden worden. Als wij uit dat evangelie
leven, zullen de vruchten te zien zijn in een leven naar Zijn wil. Dan gaan we steeds meer God en onze naaste
liefhebben. Dat is iets wat Hij door Zijn Geest in ons werkt. En zo getuigt ons leven van Hem. Aan ons is te zien
dat Hij! ons leven vernieuwt, zodat wij steeds meer op Hem lijken.
Dus God gaf Zijn liefde en die liefde mogen wij doorgeven. Door onze woorden en daden zien onze naasten wie
God is en wat liefde vermag. Zo bevorderen wij Zijn rijk. Zo raken het unieke van Gods liefde en ook
onze eigen zondige
aard buiten beeld.
Er staat in het lied niets over het over het belangrijkste van Christus’ werk: de verzoening van onze zonden en
het eeuwige leven voor de zijnen.
De volgende lijn staat er wel in: “Helpend en dienend gaf Hij Zijn leven, en nu doet Hij een beroep op ons om
dat na te volgen. Zo geven wij gestalte aan Zijn werk.”
Maar dan gaat Gods werk op in hulp aan mensen, om zo het leven weer goed te maken. Alles speelt zich af op
aarde. Via ons werkt Hij aan Zijn rijk.
Is het daarom belangrijk, dat wij aan de slag gaan?
2. Hieronder laat ik zien dat de woorden “God” – “liefde” – “woord” uitwisselbaar worden in dit lied.
Want: Hoe kennen we God die liefde is, en Zijn diepste liefdewoord? Dat woord heeft geklonken op Golgotha, in
het lijden en sterven van Christus(volgens mij later, zie onder couplet 4). En door zo’n liefde te geven, bewaren en
volbrengen ook wij Gods woord, herstellen wij Zijn verbond, openbaren wij Zijn waarheid. Want Zijn waarheid,
ja Hijzelf is in één woord te typeren: Liefde.
Dus “God”, “liefde” en “woord” worden uitwisselbaar. Hier vervagen grenzen.
Ik wijs in dit verband nog naar Lied 1 waar God en Zijn woord uitwisselbaar zijn. Dat geldt ook voor lied 30.
Deputaten zeggen van dit lied in hun toelichting(1e regel): “Een lied over de liefde tussen mensen als antwoord op de liefde van God.”
Tot slot laat ik Jan Wit zelf aan het woord in het Compendium: “een lied over de intermenselijke liefde als antwoord op Gods liefde.”
En ook:”Ik hoop dat het zowel voor hen die aan zending en evangelisatie denken als ook voor hen die meer voor christelijk-sociale actie voelen, een inspiratiebron zal wezen en wijs tevens op de oecumenische kanten van deze tekst.”
Samenvattend:
1. Couplet 1 God kan ook haten. Hij is niet alleen liefde. De toorn van de HERE komt in deze liederen nauwelijks voor.
We kunnen niet Gods waarheid openbaren. God is niet “Zijn liefde”.
2. Couplet 2 Onschriftuurlijk. Wij kunnen in deze bedeling Gods wil niet volbrengen. En niet iedereen die
afdwaalt en Gods woord hoort, komt tot bekering. Niet iedereen die aarzelt gaat met ons voort.
3. Couplet 3 De bazuin klinkt niet helder(opdat wij niet door onze strijd uw goede trouw beschamen).
Onschriftuurlijk(Leg ons de woorden in de mond die weer herstellen uw verbond).
4. Couplet 4 De HERE wordt aangesproken op een manier zoals de Schrift ons die zelf niet leert.(o liefde groot).
Regel 3-8 onschriftuurlijk. Het “diepste woord” van de Vader is het antwoord van HEM op het sterven van
de Here Jezus, toen het voorhangsel middendoor scheurde. Het “diepste woord” zoals dat beschreven is in de regels 5-8 van dit couplet hangt af van de mens.
ALGEMEEN
5a. Het unieke van Gods liefde raakt buiten beeld. En dat gebeurt ook met onze zondige aard.
5b. Gods werk gaat op in hulp aan mensen.
6. “God”, “liefde” en “woord” worden uitwisselbaar. Taaltheologie.
NIET ZINGEN IN DE EREDIENST