SABBAT

 

                      EN

 

 

                                 ZONDAG

 

 

 

 

 

 

Gegevens, over sabbat en zondag, uit Gods Woord en de kerkhistorie  samengebracht, om een beter zicht te krijgen op wat de Here

vandaag van ons vraagt en op wat we in zondag 38 van de

Catechismus belijden.     

 

November 2001, W. Dijkstra te  Heemse.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vierde gebod opnieuw in discussie?

 

 

In onze tijd worden we opnieuw gedwongen ons te bezinnen op het vierde gebod.

Reden daarvoor is met name de veranderde zondagswetgeving. Door het proces van voortgaande secularisatie was de zondag voor veel mensen een vrije dag, in veel gevallen tot een uitgaansdag geworden. Ook de ontwikkelingen in het bedrijfsleven zorgden voor steeds meer continuarbeid, de zgn. 24-uurs economie.

De regering sluit daarbij aan met de verruiming van de Arbeidstijden- en Winkeltijdenwetgeving. Dit zal het proces van secularisatie ongetwijfeld nog verder en sneller voortstuwen. Christelijke werknemers krijgen ermee te maken als hun gevraagd wordt op zondag te werken. Ook in sollicitatiegesprekken kan dit een belangrijk item worden. En hoe ga je er dan mee om, als je moet kiezen tussen een leuke of goed betaalde baan  en wat de HERE in het vierde gebod van je vraagt? En dan kan zomaar de vraag bij je opkomen, of het vierde gebod nog wel geldt voor ons vandaag.

Trouwens die vraag komt niet alleen voort uit  de veranderende normen en waarden in de samenleving. Ook vanuit theologische hoek kom je de vraag tegen of Gods geboden in het algemeen en het vierde gebod in het bijzonder nog wel voor ons gelden vandaag.  Dat zagen we al in de zestiger jaren in de Gereformeerde kerken.

Toen werd er door verschillende predikanten in de pers en op de kansel gesteld, dat de sabbat en heel de oudtestamentische wet als wet hebben afgedaan. Ds. Visee stelde: niet onder de wet, maar zonder de wet, in christelijke vrijheid. 

Ook vandaag, A. D. 2001, komt de vraag naar de geldigheid van het vierde gebod opnieuw aan de orde. De generale synode van de Gereformeerde Kerken te Leusden deed hierover de volgende uitspraak: “Dat de opvatting (…) dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een goddelijk gebod, niet te veroordelen is”. Inmiddels wordt er in de Gereformeerde Kerken op twee manieren Gods Woord verkondigd:

    1.  De zondag, als rustdag, is niet gegrond op een goddelijk gebod voor ons vandaag.

    2.  De zondag, als rustdag, is gegrond op het goddelijk gebod, n.l. het vierde gebod, en

         geldt ook voor de gemeente van  vandaag.

In hoeverre de ontwikkelingen in de samenleving en in de kerk met elkaar te maken hebben is een interessante vraag, maar het voert te ver om ons daar nu mee bezig te houden.

We hopen hiermee de actualiteit van deze zaak te hebben aangegeven en willen ons in het vervolg richten op:

    1.  Wat leert de Schrift ons over de sabbat en de zondag.

    2.  Wat leren we uit de kerkgeschiedenis over deze zaak?

    3.  Wat zegt onze belijdenis (en andere belijdenissen) over dit onderwerp?

    4.  Wat hebben  synoden t.a.v. deze zaak besloten?

    5.   Tenslotte.

 

We hebben geprobeerd om de gegevens over dit onderwerp zo goed mogelijk bij elkaar te brengen en  in een logische volgorde te zetten, zodat er een duidelijke lijn ontstaat.

De Schriftgedeelten hebben we schuin gezet.

 

 

1.  Wat leert de Schrift ons over de sabbat en de zondag.  

 

* Eerst gaan we kijken naar het oude testament.

 

1.1. Genesis 2:1-3.

     “(1) Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer. (2) Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het  werk, dat Hij gemaakt had. (3) En  God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij  daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht”.

 

Niet bij de wetgeving op de Sinai lezen we voor het eerst over de sabbat, maar  al direct na de schepping van de mens.. Gods scheppend handelen loopt er op uit.

- Drie keer wordt gesproken over “op de zevende dag”. Bovendien lopen de beide delen van vers 2 parallel. Deze herhalende structuur maakt duidelijk, dat de zevende dag in het geheel van Gods scheppend handelen een belangrijke plaats inneemt. De Septuaginta heeft het eerste “de zevende dag” veranderd in “de zesde dag”, om daarmee misverstand uit te sluiten, n.l. dat God op de zevende dag volbracht had, dat het klaar was. Het werkwoord sj-b-t betekent ophouden (zie ook Gen 8:22 en Joz. 5:12). Ophouden is hier meer dan alleen maar ophouden met iets. De structuur en de herhalingen geven iets feestelijks aan, wat we straks ook zien bij de extra offers die op de sabbat in het heiligdom gebracht worden. Het woord sj-b-t staat hier twee keer in verbinding met het woord “Zijn werk”. In Ex. 20:9 en 10 en in Deut. 5:13 en 14 wordt met hetzelfde woord het werken aangeduid, waarvan Israël rusten moet. De tien geboden grijpen hier dus op terug.

Het ophouden van God met Zijn werk is een hoogtepunt. Het scheppen in de voorafgaande 6 dagen komt in dit rusten van God tot zijn doel. Daarom zegent God deze zevende dag en Hij heiligt die. God houdt op met scheppen, God weet van ophouden. Hij viert op de zevende dag het bereiken van Zijn doel! Gods heiligen en zegenen hebben een universeel karakter.

Het heiligen van de zevende dag betekent, dat God deze dag apart zet, een aparte status geeft.

Apart door God en voor God! Niet een persoon of een plaats, maar een dag wordt hier geheiligd! God geeft direct al bij de zes scheppingsdagen aan de tijd een weekindeling, los van de kringloop van zon en maan. De opeenvolging van dagen is niet doelloos. Het is het schema van zes dagen plus een dag. In de zevende dag ligt het doel van de zes voorafgaande.

Dit gedeelte handelt over de tijd voor de zondeval en staat dus geheel los van zonde en genade en los van Abram en Israël. Het gaat om een universeel gebeuren.

Gods ritme van 6+1 staat los van wat er in de tijd gebeurd. Gods indeling bepaald ook de tijd.

 

1.2. Exodus 16:4,5,17-19,22-30.

Het gaat hier over het manna en de sabbat.

“(5) En als zij op de zesde dag bereiden wat zij hebben binnengebracht, dan zal dit dubbel zoveel zijn als wat zij op de andere dagen verzamelen”.

Toen sommigen toch meer verzamelden dan was opgedragen, bedierf het.

(22) ”En op de zesde dag verzamelden zij tweemaal zoveel brood, twee gomer voor ieder; en al de vorsten der vergadering kwamen het Mozes berichten. (23)Toen zeide hij tot hen: Dit is wat de HERE gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de HERE; bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt; laat al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren. (24) Zij lieten het dan tot de volgende morgen liggen, zoals Mozes bevolen had; toen stonk het niet, en er waren geen maden in. (25) Voorts zeide Mozes: Eet dit vandaag, want heden is het sabbat voor de HERE, vandaag zult gij het niet vinden op het veld. (26) Zes dagen zult gij het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat; dan is het er niet. (27) Toen er dan ook van het volk op de zevende dag heengingen om wat te verzamelen, vonden zij het niet. (28) Daarom zeide de HERE tot Mozes: Hoelang weigert gij Mijn geboden en wetten te onderhouden? (29) Bedenkt, dat de HERE u de sabbat gegeven heeft; daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven; niemand mag zijn plaats op de zevende dag verlaten. (30) Toen rustte het volk op de zevende dag”.

 

We krijgen de indruk uit de tekst (vers 5 en 18 en 22) dat ieder op de zesde dag evenveel verzamelt als op de andere dagen en dat de HERE er voor zorgt, dat het dan genoeg is voor twee dagen. Sommigen vatten vers 22 zo op, dat de Israëlieten zelf op de zesde dag een dubbele portie verzamelen. Maar dan is het wel heel merkwaardig, dat het volk dit bevel wel onthouden heeft en de oversten niet. N.a.v. het broodwonder en de verbazing van de oversten legt Mozes het gebod weer uit. Blijkbaar was het gebod van de HERE in Egypte in het vergeetboek en / of  in onbruik geraakt.

Ook valt op, dat de HERE  in vers 28 refereert aan zijn geboden en wetten en in vers 29 aan de sabbat. Blijkbaar waren Zijn geboden dus reeds voor deze gebeurtenis bekend! 

Dus nog voor de 10 geboden afgekondigd worden op de Sinai is er al sprake van het sabbatsgebod!

 

1.3. Exodus 20:8-11.  “(8) Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; (9) zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; (10) maar op de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. (11) Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag en heiligde die”.

En:

1.4. Deuteronomium 5:12-15.  “(12) Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft.  (13) Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, (14) maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; (15) want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de HERE, uw God, u geboden de sabbatdag te houden”.

 

Gods verlossen van Israël uit Egypte is een bevrijding in velerlei opzicht. De 10 geboden leren Israël in welke weg zij vrij kunnen blijven. Gods verlossend handelen heeft Israël bevrijd uit de continudienst in Egypte.

En ook liepen ze met hun levensritme uit de pas met Gods ritme.

De machten, die gevangen nemen, huizen niet alleen in Egypte. Na de bevrijding uit Egypte wil God daarom bovendien voorkomen, dat het volk weer in een andere slavernij terecht komt. Door het vierde gebod wil God hun tijd bepalen en Zijn ritme aan hen geven.

Het gebod begint met gedenk. Dit woord komt in combinatie met een gebod zelden voor. (ps. 103:18 en Mal.4:4). Het gedenken betekent eigenlijk: een zaak uit het verleden in het heden tegenwoordig stellen. Ook wijst het gebod zelf in vers 11 terug naar de zevende dag van de eerste week van de schepping. God roept Israël op Zijn tijdritme voor ogen te stellen en daaruit te leven. Het vierde gebod spreekt over de sabbat als een sabbat JHWH, een sabbat voor de HERE, of een aan de HERE, uw God, gewijde sabbat (Ex. 20:10 en Deut. 5:14).

Volgens Markus 2:27 is de sabbat er voor de mens, maar dat neemt niet weg, dat de mens er is voor de HERE. Beide aspecten (voor de mens en voor de HERE) vinden we terug in het sabbatsgebod. De HERE spreekt immers over rusten en heiligen.

Niet alleen ons hart en ons bezit, maar ook de tijd komt de HERE toe. Zo is de sabbat een dag om de HERE te loven (ps. 92) en nabij God te zijn (ps. 73). Dit feestelijk karakter van de sabbat vinden we terug in de extra offers, die op de sabbat gebracht worden (Num. 28:9,10) en tevens wordt deze dag gekenmerkt door de heilige samenkomsten (Lev. 23:7 vv en Jes. 1:13). Het  Hebreeuwse woord voor arbeid in Ex. 20:9 ziet m.n. op alle beroepsarbeid.

Het laten rusten van arbeid is voorwaarde om te kunnen rusten. Rusten en heiligen. Rusten is ook uitrusten. Dat heeft en mens nodig. In Ex. 23:12 wordt gesproken van adem scheppen. Uitrusten raakt lichaam en geest. De hele mens moet op adem komen. De Schepper, die zelf rust , neemt heel de schepping mee in Zijn ritme.

In Exodus klinkt aan het begin de oproep: gedenk. In Deuteronomium klinkt als eerste oproep: onderhoud. Deze oproep klinkt ook aan het einde van het vierde gebod. Ook is opmerkelijk, dat beide keren dit bevel vergezeld gaat van de woorden: “zoals de HERE, uw God, u geboden heeft”. Het enige verschil is, dat in vers 15 de volgorde is omgekeerd:

   12. Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft.

   15b. Daarom heeft u de HERE, uw God, geboden, de sabbatdag te houden.

Het vierde gebod wordt dus door deze beide elementen omarmt. Onderhouden, dat is bewaren of bewaken. In het boek Deuteronomium vervult  dit woord haast een sleutelpositie: het komt er zo`n 55 keer in voor. Tevens houdt het “bewaren” in, het “doen” van Gods gebod (4:6; 5:1 en 32; 6:25). Het liefhebben van God en het bewaren en doen van Gods geboden gaan hand in hand. Daarom is de liefde niet de vervanging van het gebod, maar de vervulling ervan, zij draagt het gebod.

In Deuteronomium vinden we niet direct de theologische motivatie uit Genesis 2:1-3 terug. Dat is ook niet nodig, Mozes herhaalt hier de wet, nu Israël aan de ingang  van het beloofde land staat. Extra aandacht krijgen hier de dienstknechten en dienstmaagden: het sociale van de sabbat. In Deuteronomium wordt voor “rusten” een ander woord gebruikt. Het gaat hier niet om rusten in de betekenis van “ophouden”, maar om het rusten als een van de grootste zegeningen, die God in het beloofde land geeft. Deze rust en erfenis horen bij elkaar. Het ene ziet op het ophouden en het andere op het genieten. Beide werkwoorden vullen elkaar aan.

Het bewaren van de sabbat doet de innigste rust en vrede ervaren, het verachten van het verbond brengt daarentegen in een nieuwe slavernij, nog erger dan in Egypte (Deut. 29:20-28). In Deuteronomium wordt ook gewaarschuwd, dat Israël vanwege eigen ongehoorzaamheid de rust niet definitief zal krijgen. Daarom blijft het thema van de verlossing uit Egypte actueel. Daarom grijpt de HERE in Deuteronomium ook niet terug op de schepping, maar op de verlossing uit Egypte. Gods machtige hand redde hen uit. Er was niets van henzelf bij. Hun toekomst en verwachting zijn daarom van de HERE… Eenmaal zal de HERE deze vrede schenken door een nieuw verlossend ingrijpen (30:2-7). Daar is de sabbat een teken en een belofte van.

Dit verklaart ook, dat het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt voor “rust”, later een synoniem wordt voor het eeuwige leven. De viering van de sabbat ziet vooruit naar het eschaton, naar het einde, naar de Messiaanse tijd.

 

1.5. Exodus 31:12-17.  Hier gaat het over onderhouden van de sabbatten, als een teken tussen Mij en u. Vers 16 en 17 vervolgt dan: “(16) De Israëlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond. (17) Tussen Mij en de Israelieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept”.

 

Ook in Ezechiel 20:12 noemt de HERE de sabbat een teken tussen Hem en hen.

Dit teken is een teken van het sabbatsverbond en is ook  een teken, dat de HERE Israël werkelijk heiligt. De sabbat is middel van heiliging. Door de sabbat zondert de HERE Israël af van de volken. Het boek Exodus laat ons zien, dat het hoogtepunt van de heiliging gevonden wordt in de tabernakel, de eredienst voor Gods aangezicht. Dit vinden we ook terug in de extra offers op de sabbat en in de verversing van de 12 toonbroden op de sabbat.

Door de Tien Woorden is het zaad van Abraham tot gemeente, tot vergadering geworden. God roept Israël als gemeente voor het eerst samen bij de Horeb. Zo hebben de Tien Woorden de gemeente geschapen. Zo is er een overeenkomst tussen de gemeente Gods en de schepping Gods. Beide schiep Hij door Zijn Woord, door te spreken. Dit onderscheidt hen van de andere volken: zij hebben een God, die spreekt! Zij zullen dus een horende gemeente moeten zijn.

Tot nu toe was de besnijdenis het enig zichtbare teken van de bijzondere relatie tussen God en het zaad van Abraham. De besnijdenis werd ook bij sommige andere volken gebruikt. Nu krijgt Israël er een tweede teken bij, dat bij geen enkel ander volk gevonden wordt. De sabbat blijft tot de tijd van de Romeinen het merkteken van de Joden. Zo heiligt, zondert de HERE door het teken van de sabbat Israël af van de volken. Het fundament van het teken ligt in de rust van God bij de schepping (Ex. 31:17).

Hoe is de sabbat middel tot heiliging? Exodus 31:13-17 geeft daarop antwoord d.m.v. een concentrische parallellie: van buiten naar binnen opgebouwd. De verschillende versdelen uit dit gedeelte blijken parallel te lopen, d.w.z. dat ze hetzelfde onderwerp behandelen:

- de verzen 13 en 17 over de sabbat als teken.

- de verzen 14a en 16 over het onderhouden van de sabbat met twee argumenten: 14a. de

   sabbat is heilig en vers 16 de sabbat is een verbond.

- de verzen 14b en 15b over de doodstraf op overtreding.

- daartussenin vers 15a: “Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal er een

  volledige sabbat zijn”. Hier dus weer het ritme van 6+1.

G. van Ek wijst er op, dat er in Exodus 24:15-18 ( het gedeelte, dat direct voorafgaat aan de voorschriften over de tabernakel) sprake is van dezelfde parallellie:

- de verzen 15 en 18 over Mozes opklimmen en Gods wolk, die bedekt.

- de verzen 16a en 17 over de heerlijkheid van de HERE.

- de kern staat in vers 16b: “en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende dag riep

   Hij tot Mozes midden uit de wolk”.

Voorafgaand aan het gedeelte van Exodus 24:15-18 zegt de HERE tegen Mozes, dat Hij hem op de berg de twee stenen tafelen  zal geven.

We zien hier dus, dat het belangrijke gedeelte over de bouw van de tabernakel aan het begin en aan het eind omsloten wordt door een kunstig gedeelte met het schema –zes dagen, zevende dag-. Deze fragmenten van Gods heilig ritme worden op hun beurt voorafgegaan en gevolgd door de twee stenen tafelen die Gods heilige woorden bevatten.

Hieruit volgt de conclusie, dat de heiliging van de zevende dag haar hoogtepunt bereikt in de ontmoeting met de HERE in het heiligdom!

In Exodus 29:43 zegt de HERE: “Ik zal daar samenkomen met de Israëlieten, en zij zullen door Mijn heerlijkheid geheiligd worden”. Zo leert de HERE hen, dat ze niet geheiligd worden door eigen prestaties op de sabbat, maar door het handelen van God in de bediening van de verzoening.

 

1.6.Exodus, wat verboden is op sabbat.

Op sabbat moet Israël rusten van alle werk. Dit omvat zowel de gewone dagelijkse arbeid bij de uitoefening van het beroep, als ook de arbeid in huis. Bij de eerste gave van het manna leert de HERE, dat men voor de aanvang van de sabbat moet bakken en koken wat men nodig heeft (Ex. 16:23). De HERE onderbreekt zelf ook de dagelijkse gang: op de sabbat vindt Israël geen manna(Ex. 16:25).  Men mag op sabbat ook geen vuur aansteken (Ex. 35:3).

Men mag geen hout sprokkelen(Num. 15:32-36). In de woestijntijd moet ieder in het legerkamp blijven (Ex. 16:29). Dit is als zodanig geen reisverbod; God laat immers later Israël op de sabbat juist de langste reis maken! Op die dag moesten ze 7 x om de stad Jericho trekken (Joz. 6:15). De profeet Jeremia moet Israël waarschuwen geen lasten te dragen  op sabbat (17:21, 22). Het dragen van lasten ziet op handel en transport. Het ziet dus niet op het dragen van de matras van een zieke, die door Jezus genezen werd, maar op het uitoefenen van koophandel.  God geeft de sabbat om op adem te komen, en niet om de adem af te snijden.

De sabbat neemt een aparte plaats in, omdat deze dag het hart mag zijn van het bevrijde leven van Israël. Hij is het teken van Gods verbond tussen Hem en Zijn volk. Hij is garantieteken van de volmaakte rust die er overblijft voor het volk van God. Omdat de sabbat getuigt van  schepping,  verlossing en  voltooiing.

 

 

1.7.Onderwijs na de ballingschap.

Na de ballingschap bestaat het godsdienstige leven uit een mengsel van heidense en Joodse elementen. Er is dus een reformatie nodig. Dit raakt niet alleen het probleem van de gemengde huwelijken, maar ook de viering van de sabbat. In Nehemia 8 kunnen we lezen, dat Ezra, de priester/ schriftgeleerde, op de eerste dag van de zevende maand een hele dag onderwijs geeft uit Gods wet. Ook de betekenis van de sabbat wordt uitgelegd. Dan begint het volk te huilen, omdat ze zich schuldig voelen tegenover de HERE. Ezra en Nehemia vermanen dan het volk om niet te huilen, omdat deze dag heilig is voor de HERE. Hier komt heel scherp naar voren, dat de sabbat een dag van vreugde is (Neh. 8:11).

Nehemia zorgt er vervolgens voor, dat de handelaren op sabbat uit Jeruzalem geweerd worden, ja zelfs mogen ze zich niet vlak bij de poorten ophouden op sabbat.

 

1.8. De tijd tussen de testamenten.

 Hier komt aan de orde waar de wortels liggen van de sabbatsviering van de Farizeeën.

We willen eerst zien hoe de sabbat in het oude testament gevierd werd. De vrijdag was de dag van voorbereiding. Er was veel te doen: het klaarmaken van de maaltijden, het plaatsen van het warme eten in de hooikist, het dekken van de tafel, het vullen van de wijnbeker, het aansteken van de lichten, het douchen, het aantrekken van de feestelijke kleding. Als de zon ondergaat vangt de sabbat aan. Het gezin heeft zich rond de tafel geschaard, de moeder in het gezin heeft de twee sabbatskaarsen aangestoken, waarvan de ene heet “gedenk” en de andere “bewaar”. Ze zijn genoemd naar de beginwoorden van de beide versies van de wet uit Exodus en Deuteronomium.  Op de tafel staan twee broden, ze symboliseren het dubbele portie manna, dat de Israëlieten op de zesde dag mochten verzamelen. Met elkaar begroet de kring zingend de sabbat als een bruid. De maaltijd is net als de kleding feestelijk. Gods scheppen en onderhouden vormen het thema voor deze avond. Er wordt gelezen, gebeden en gezongen. Op de feestelijke avond volgt de rust van de nacht. In de Joodse traditie is het een “gebod”, dat de man en vrouw de vreugde van de huwelijksgemeenschap beleven.

Op de zaterdagmorgen is er de gang naar de synagoge. Dan volgt thuis de middagmaaltijd, al weer feestelijk. Aan het samenzijn in familieverband wordt grote waarde gehecht. Het is verboden om ruzie te maken, te vechten of te debatteren op sabbat. De vreugde en vrede van de sabbat mogen niet ontheiligd worden. De sabbat geeft een voorproef, een vooruitblik op de Messiaanse tijd, waarin alles door de vrede bloeien zal. Daarom is het verboden om op sabbat te treuren, te vasten of rouw te bedrijven.

Na Ezra en Nehemia zien we dat het houden van de sabbat niet gedragen wordt door de liefde tot God, maar dat het meer een moeten wordt.  Eerst zijn er dan de schrijvers, families, die de schrijfkunst machtig zijn. Deze families worden steeds machtiger en krijgen steeds meer invloed. Hieruit komen waarschijnlijk de schriftgeleerden voort. Zij gaan in de tijd tussen de testamenten de wet van Mozes uitleggen en steeds meer uitwerken in ge- en verboden.

 

 

* Vervolgens gaan we kijken in het nieuwe testament.

 

1.9. Mattheus 5:17: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden, maar om te vervullen”.

Jezus` handelen is niet in strijd met Gods eigen openbaring, ook niet met de wet. De reden van de ergernis bij de Farizeeën is, dat Jezus` optreden in strijd is met hun uitleg van de wet.

Christus haalt hier het hele oude testament aan. Hij is gekomen om alles in vervulling te doen gaan. Mattheus spreekt steeds over: “opdat de Schrift vervuld zou worden”(10x).

Het vervullen van de wet door Christus, houdt in, dat Hij de eerste mens is, die al Gods geboden voluit naleeft. Hij heeft niet getornd aan de sabbat, maar Hij is de volmaakte mens, die Gods bedoeling met de sabbat volmaakt verstaat en volbrengt. Dat Christus zijn discipelen niet tegen de sabbat heeft opgezet blijkt ook  als Hij in het graf ligt. Lukas vermeldt, dat Jezus` volgelingen, ondanks de schokkende gebeurtenissen op de sabbat rustten naar het gebod (23:56). Ook de sabbatsconflicten tussen de Farizeeën en de Here Jezus in de evangeliën gaan uiteindelijk niet over de sabbat, maar over de persoon Jezus. Jezus geneest op de sabbat, omdat Hij dat moet doen als de Zoon van God. Die pretentie maakt de Farizeeën woedend. 

 

1.10. Mattheus 12:8.  “Want de Zoon des mensen is heer over de sabbat”. Evenals David is Hij op missie. De Zoon des mensen is volgens Daniel de Messias. Hij jaagt het doel van de sabbat na als geen ander. Het doel, dat aan dit gedeelte vooraf gaat: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (11:28). Christus is als Heer van de sabbat bezig met het schenken van de ware rust. En straks brengt Hij het grote offer dat de eeuwige rust zal doen verwerven.

 

1.11. Markus 2:27.    “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat”. Christus heeft het hier over de instelling van de sabbat. God liet de mens delen in Zijn sabbat en zo in Zijn zegen. De Farizeeën zien de sabbat niet als een gave, maar als een opgave. De sabbat is tot eer van God en tot heil van de mens, die Hem is toegewijd.  Christus ziet de sabbat als gave aan de mens. Adam is de mens en de vader van de mensheid. Gods dag is dus gave aan heel de mensheid.

 

Er waren verschillende conflicten tussen de Here Jezus en de Farizeeën over de sabbat.

Een paar willen we noemen.

 

1.12. Mattheus 12:10.  “En zie, daar was een mens met een verschrompelde hand. En zij legden Hem de vraag voor, of het geoorloofd is op de sabbat te genezen, om Hem te kunnen aanklagen”.  Het gaat hier niet over levensgevaar, waarbij een arts te hulp moet komen, daar waren ze het wel over eens. Ze zien Jezus tekenen niet als tekenen van God, maar als werk van een knappe dokter. Dan volgt het antwoord van Jezus, over iemand met een schaap, dat in de put is gevallen. Zo`n dier kan niet weer overeind komen en zal sterven. Daarom was het toegestaan onder de Joden om zo`n dier op te richten. Jezus tekent hier de eigenaar van het schaap. Zou de eigenaar z`n hele bezit niet te hulp komen? Hoeveel gaat een mens een schaap te boven en is het geoorloofd wel te doen? Christus is hier de eigenaar! De Kurios! Als Hij de heer van de sabbat is, dan is Hij de Heer van alle mensen en van Israël in het bijzonder. Zo zijn de genezingen geen daden van een dokter, maar tekenen van Gods liefde en zorg voor Zijn volk. Deze tekenen wijzen heen naar het grote doel: Gods verlossend handelen in Jezus Christus om Zijn volk te doen delen in de grote rust. Een mens genezen is het verlossen van een mens uit de gevolgen van de zonde en van de vloek van de zonde. Jezus laat zien, dat een mens met een verdorde hand voor Hem van waarde is, als was deze man Zijn hele bezit.

1.13. Lukas 13:10-17.  De genezing van een zieke verkromde vrouw.

Zij was gedwongen naar beneden te staren. Jezus geneest haar. De vrouw verheerlijkt God. Zij is bevrijd uit de banden van zwakheid en dood. Het is nu pas echt sabbat voor haar. Sabbat vieren is afhankelijk van het zien op Jezus en het zien wie Hij is.

 

1.14. Joh. 7:22.   Over de relatie tussen besnijdenis en sabbat.

Op de achtste dag moesten de jongentjes besneden worden. Mozes geeft aan, dat het sabbatsgebod, niet het gebod van de besnijdenis terzijde stelt (Lev. 12:3). Het teken van Gods verbond en genade ontheiligt dus niet de sabbat, maar is er een mee. Bij de besnijdenis wordt slechts een klein stukje voorhuid, als teken van de onreinheid verwijderd. Het is een teken van geestelijke heling, hoeveel te meer wordt Gods dag geheiligd door de Zoon, als Hij naar de wil van Zijn Vader een hele mens geneest tot eer van God en alle onreinheid verwijdert.

 

1.15. Zo ook de blindgeborene uit Joh. 9.   Christus heeft het ook voor deze man werkelijk sabbat gemaakt.

 

1.16. Sabbat in de Handelingen der apostelen.  (13:14,27,42,44; 15:21; 16:13; 17:2; 18:4).

Uit het feit, dat Paulus op sabbat tot de heidenen spreekt, kunnen wij niet zomaar de conclusie trekken, dat hij dus voor de heidenen de sabbat instelt. Het is een strategische zet, omdat hij dan de Joden op een plaats bij elkaar weet en hij  maakt van die gelegenheid gebruik om het evangelie te brengen.

 

1.17. De Hebreeënbrief.  (3:7-19; 4:1-11).

De verwantschap tussen de situatie van de Hebreeën en die van het volk in de woestijn is duidelijk: God heeft aan beiden beloofd, dat ze tot Zijn rust mogen ingaan. De vaderen hebben de belofte van de rust in het aardse Kanaan door hun ongeloof verijdeld, maar zo kan ook de Hebreeën de rust ontgaan. Zoals bij hun vaderen is het ingaan tot de rust afhankelijk van hun gelovig en gehoorzaam omhelzen van de belofte. Ongeloof vertoornt de HERE. Deze ernstige waarschuwing loopt als een rode draad door heel deze brief. Maar de belofte om in te gaan in de rust staat voor de Hebreeën nog open. Maar wat is dan Gods rust? De auteur neemt ons mee naar het begin van de bijbel. Gods eigen rust is er vanaf het begin. In deze rust mogen degenen, die geloven ingaan (4:3). Voor deze rust gebruikt de Geest het Griekse woord sabbatismos. Het gaat hier over een rust die hier op aarde nog niet gevonden wordt. Sabbat en rust horen bij elkaar. Geen enkele gelovige geniet op aarde deze rust. Hoewel Christus de zijnen Zijn rust schenkt, is het nog niet de rust van God in de volle betekenis. De sabbatismos ontvangen de gelovigen pas als zij sterven. Openbaringen 14:13 “zalig zijn de doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na”.

In de Hebreeënbrief zien we dus opnieuw de blijvende geldigheid van Gods rusten in Gen. 2:1-3. Gods rusten is er vanaf het begin. God belooft Zijn rust aan de gelovigen. Als zij gehoorzaam volharden, zullen zij in deze rust ingaan.  Christus heeft opnieuw de toegang tot Gods rust verworven. Hij doet degenen, die in Hem geloven en volharden, in deze rust ingaan. Daarin is Hij meer dan Jozua. Dit betekent niet, dat Christus de sabbatismos tot stand heeft gebracht. De rust zelf is er vanaf de grondlegging der wereld. Daarom is de rust van Gen. 2:1-3 eeuwige werkelijkheid.

 

 

 

1.18. Paulus in de brief aan de Romeinen over de sabbat.  (14:5 en 6).

Paulus handelt in hoofdstuk 12 impliciet en in hoofdstuk 13 expliciet over de naastenliefde.

Hierna behandelt hij in hoofdstuk 14:1-15:13 uitvoerig hoe zwakken en sterken in de gemeente elkaar moeten zien en behandelen. Blijkens het tekstgedeelte gaat het hier vooral over de concrete punten van vlees en wijn (14:21) en dit ook nog eens in relatie met het verplicht waarnemen van bepaalde dagen (14:2,5,6,14vv). In de wetten van Mozes wordt het drinken van wijn en sterke drank niet verboden dan alleen aan de Nazireeërs (Num. 6) en aan de priesters, als zij dienst doen in de tempel (Lev.10:9).

Omdat het eten en drinken in verband staat met bepaalde dagen, wordt de indruk gewekt, dat het in deze verzen gaat over bepaalde vastendagen. God gaf Israël een vastendag: de grote verzoendag (Lev. 16:29,31; 23:32). Later heeft men nog andere vastendagen ingesteld (Zach. 7:3,5; 8:19; Luk. 18:12). Waarschijnlijk gaat het hier om zulk soort dagen, vooral ook omdat Paulus niet ingaat op de dagen, maar op het eten en drinken. De oudtestamentische orde van heilige dagen en tijden is dus volgens Paulus voorbij. Alle ceremoniële en rituele heiligheid is verdwenen. Dat betekent echter niet, dat er geen bijzondere dagen meer zijn. Hij eindigt dan met: wat je ook doet, je moet het bewust doen voor het aangezicht van de Here.

Conclusie: Paulus beweert niet, dat de zevende dag gelijk is aan de andere zes.

 

1.19. Paulus in Galaten 4:9-11.  Over dagen, maanden en vaste tijden.

Het gaat in dit gedeelte over Galaten, die dreigen na hun verlossing uit de slavernij van het heidendom in een nieuwe slavernij terecht te komen, n.l. van de Judaisten.  Ze moeten de wet van Mozes onderhouden en met name de besnijdenis, anders kunnen ze niet zalig worden.

Het gaat bij de Galaten om een heilsnoodzakelijke plicht, die de Judaisten opleggen. Daarom is het Evangelie van Jezus Christus in geding.

Niet alleen het juk van de besnijdenis, maar ook van de Joodse feestkalender.

Dat het om de Joodse feestkalender gaat, blijkt ook uit de opsomming. Door telkens het woordje en te herhalen, geeft Paulus tegelijk het eindeloze hiervan aan. (Vgl. Kol. 2:16).

Onder dagen moeten we hier de sabbatten verstaan. De maanden zijn de dagen van de nieuwe maan. De tijden zijn de Joodse feesten: de drie grote, maar ook het purimfeest, nieuwjaarsfeest, sabbatsjaren en het jubeljaar. De Galaten krijgen door de Judaisten een heel systeem opgedrongen, dat hen van Christus afvoert. Een stelsel, dat heel anders is dan het erkennen van Christus als Heere van de sabbat. Door dit Judaistisch drijven komt werkheiligheid in de plaats van de rechtvaardiging van de goddeloze door het bloed van Christus.

Conclusie: het gaat hier niet om de gave van het schema van zes dagen en een dag, maar om de opgave van de hele feestkalender.

 

1.20. Paulus in Col. 2:16, 17.  “Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is”.

Ook in Kolosse was dwaalleer. Aan de ene kant lijkt het ook hier om Judaisten te gaan(2:21), aan de andere kant schijnt er bij de engelenverering (2:18) sprake te zijn van heidense invloeden.  Volgens van Kooten hebben we hier vooral te doen met Judaistische tendensen. Joden schijnen christenen uit de heidenen te meten aan de maat van hun eigen spijswetten en aan de maat van hun eigen feestkalender. Dat er ook gesproken wordt van drank, wijst zelfs op een verfijnde, ascetische vorm ervan, omdat er inzake het drinken van wijn en sterke drank, zoals we bij Romeinen 14:5,6 zagen, alleen voorschriften golden voor Nazireeërs en dienstdoende priesters.  Paulus spoort de Kolossenzen aan zich los te maken van het oordeel van deze Joden. Dat Jodenchristenen zich nog houden aan de spijswetten en zo het onderscheid tussen rein en onrein hanteren, is voor Paulus geen punt. Zelf houdt hij ook bepaalde Joodse gewoonten: Pinksterfeest (1Kor. 16:8), feest ongezuurde broden (Hand. 20:6), gelofte (Hand. 18:18 en 21:23), onderhouden van de wet (Hand. 21:24).

Maar van al deze wetten mag de heidenen niets opgelegd worden (Hand. 21:25).

Immers de wetten van het oude testament zijn schaduwen van het lichaam. Zolang het lichaam niet gekomen is, hebben zij hun betekenis, omdat het lichaam zelf zijn schaduw vooruitwerpt. Maar als het lichaam gekomen is, is het invoeren van schaduwen schadelijk. Nu Christus gekomen is mogen Joden niet de schaduwdienst opleggen aan de christenen uit de heidenen. Wanneer dat wel gebeurt, stelt men Christus en Zijn opstanding in de schaduw!

Conclusie: deze tekst zegt niet, dat het vierde gebod is afgeschaft. Het zegt wel, dat inzake spijswetten, sabbatten en de Joodse feestkalender de oudtestamentische vorm niet aan de heidenen mag worden opgelegd. Paulus verbiedt de christenen uit de heidenen niet om de sabbat te vieren, hij verbiedt wel het verplicht opleggen van de vorm van de Joodse sabbat en van andere schaduwachtige zaken. Dit betekent niet, dat er voor de christenen uit de heidenen geen nieuwe vormen  kunnen zijn of komen. Dat is immers wel heel duidelijk het geval. Maar het gaat dan wel om vormen, die het lichaam niet in de schaduw stellen.

Zo mag de doop voor de heidenen gelden als hun besnijdenis. Deze vorm is direct verbonden met Christus in wiens dood en opstanding zij gedoopt worden (Kol. 2:11 en 3:11; Rom. 2:29 en 3:30 en 4:11 en 12). In de plaats van de paasmaaltijd ontvangen de christenen het avondmaal. In het O.T. was het paaslam de schaduw van Christus, maar als Hij gekomen is, dan mogen brood en wijn heel direct verwijzen naar “Mijn lichaam en bloed”.

 

1.21. Het vierde gebod geen schaduwdienst.

De tempeldienst kon geheel verdwijnen, omdat alles wat daar gebeurde schaduw was van het lichaam van Christus (Hebr. 10:1). De wet der geboden in inzettingen bestaande is door Hem vervuld (Ef. 2:15 en Kol. 2:14). Het vierde gebod valt hier niet onder. Het is immers geen schaduw van Christus en Zijn werk. In Hebr. 4:4 hebben we gezien, dat de rust van God de rust van Gen. 2:1-3 is. De oudtestamentische sabbat was geen schaduw van de rust die Christus verwerven zou. De rust van God is de werkelijkheid vanaf de schepping van de wereld. De Hebreeënbrief zegt dan ook, dat de gelovigen in de nieuwtestamentische bedeling in deze rust zullen ingaan. Het vierde gebod kan dan ook geen schaduw genoemd worden van hetgeen komen moest (Kol. 2:17), het is een directe vrucht en een belofte van deze rust van God. En de belofte van het ingaan in deze rust staat nog steeds open, daar heeft de komst van Christus geen verandering in gebracht.

 

1.22. Sabbat en apostelconvent.

In het N.T. zien wij nergens, dat het vierde gebod zou zijn afgeschaft en niet meer zou gelden. In het boek Handelingen zien wij dan ook gewoon de voortgang van de viering van de sabbat. Paulus is steeds weer opnieuw in de synagoge te vinden. Maar wat moeten we dan aan met Hand. 15? Daar komen we het vierde gebod niet tegen bij het besluitenlijstje van het apostelconvent.  De inzet is ook hier weer de theologie van de Judaisten, die ook van de heidenen eisen, dat ze de besnijdenis en de andere wetten van Mozes zullen onderhouden. Het gaat daar om wetten die een schaduw zijn van de dingen die komen zouden. Er wordt op het convent geen totaallijst opgesteld van wat voor de heidenen geldt.

Het is juist veel zeggend, dat in de brieven de tien geboden ook voor de heidenen ontvouwd worden in hun diepe consequenties voor het leven van de heiliging. Geen heiden kan antwoorden: “Ja, maar dat hebben zij in Jeruzalem niet besloten”. Het gaat op het convent m.n. om de ceremoniële wetten, niet om de geboden van de decaloog en dan wordt afgesproken, dat de christenen zich moeten onthouden van wat door de afgoden besmet is, van hoererij, van het verstikte en van bloed (Hand. 15:20). Als reden wordt erbij gegeven: “Immers Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen” (15:21). Dit betekent, dat de heidenen op dit  punt rekening moeten houden met de Joden. Het ging dus om het los komen van de mozaische bepalingen inzake rein en onrein. Daarom maakte men overgangsbepalingen. Blijkbaar was er op deze vergadering nog geen strijd over het onderhouden van dagen als de sabbat. Later komt die strijd er wel. Vandaar ook, dat dit punt toen niet aan de orde is gekomen. Ook de rest van de apostolische brieven laat zien, dat in ieder geval negen van de tien geboden zonder meer gelden voor de heidenen en dat in directe relatie met de oorspronkelijke formulering. Paulus merkt bijv. in zijn brief aan de Efeziers (6:2) niet zonder reden bij het vijfde gebod op, dat dit het eerste gebod is met een belofte! Kortom, het besluit van het apostelconvent te Jeruzalem zegt niets over de geldigheid van het vierde gebod. De motivatie voor het onderhouden van de zevende dag ligt nadrukkelijk in Gods eigen handelen. Het gaat terug op de sabbat om het navolgen van God als Gods beelddragers. Bij de eerste officiële formulering van het gebod wordt Israël opgeroepen om te “gedenken”.  Ze moeten de openbaring van genesis 2:1-3 in het heden tegenwoordig stellen.  Omdat het in Genesis 2:1-3 gaat om de Schepper, heeft Gods rusten, heiligen en zegenen van de zevende dag van meet aan een universele betekenis.  Bij de profeet Jesaja openbaart de HERE, dat in de toekomst ook de heidenen in deze zegen zullen gaan delen (56:1-8 en 66:23). Christus pakt deze lijn op, als Hij verkondigt dat de sabbat gemaakt is om de mens, en niet de mens om de sabbat (Markus 2:27). Christus zegt niet, dat de sabbat gemaakt is om de Jood! Het gaat dus om Adam, de mens.      

Johannes schrijft zijn Evangelie aan de heiden christenen in Klein-Azie. Hij wijst hen erop, dat Christus op de eerste dag is opgestaan en hen op die dag bij elkaar roept (20:19). Het zelfde gebeurt op de achtste dag. Christus neemt hierin het initiatief. Als Johannes terugkijkt ontdekt hij daarin een wonderlijk geheim. Hier liggen de wortels van het geheim, dat de eerste dag voor de christenen een bijzondere dag is geworden. Al heel vroeg vinden we getuigenissen, dat de christenen op de avond van deze dag samenkomen.

Het is ook heel treffend, dat Johannes spreekt van de eerste en de achtste dag. Beide dagen komen we ook in het oude testament tegen. Bij het paasfeest mag er op de eerste dag geen dienstwerk gedaan worden en er is ook een heilige samenkomst (Ex. 12:16; Lev. 23:7; Num. 28:18). Wel mag het eten klaargemaakt worden (Ex. 12:16). Ook bij het loofhuttenfeest worden de eerste en de achtste dag aangeduid als verbodsdagen, waarop geen dienstwerk gedaan mag worden en waarop een heilige samenkomst gehouden moet worden (Lev. 23:35 e.v.).

Conclusie: het is opvallend, dat de HERE in het oude testament in relatie met de grote feesten, dus in een zeer feestelijk kader, verbodsdagen gaf naast de sabbat. Deze dagen tekenden al iets uit van de nieuw testamentische dag des Heren. Over deze dag des HEREN heeft Johannes het ook in Openbaringen 1:10.  Sommigen denken, dat het hier gaat over de oordeelsdag.  Deze uitleg vindt echter geen steun in de grondtekst. In het Grieks staat er dan immers steeds: hemera kuriou, dag van de Here.  We zien dat in: Jes. 2:12; 13:6;13:9; Joel 1:15; 1Thes. 5:2 en 2 Petrus 3:10. Maar in Openbaringen 1:10 staat in het Grieks: tei kuriakei hemerai, dus het bijvoeglijk naamwoord van kuriakos. In het nieuwe testament komt het bijv. naamwoord nog een keer voor en wel in 1 Kor. 11: 20. Daar heeft Paulus het over de kuriakon deipnon, de maaltijd van de Here. Het gaat daar dus over de maaltijd die bij Christus hoort en door hem is ingesteld. Johannes heeft juist dit woord hier gekozen om de dag van Christus opstanding te scheiden van dag van het oordeel. Paulus heeft dit bijv. naamwoord dus eerst christologisch gebruikt voor het heilig avondmaal en Johannes trekt deze lijn door in Openb. 1:10, wanneer hij spreekt over de (opstandings) dag  van de Here. Ook de kerkvaders hebben steeds deze benaming aangehouden voor de dag van de Here als opstandingsdag. Die ontwikkeling was blijkbaar zo fundamenteel, dat tot de dag van vandaag in Griekenland de zondag wordt aangeduid als kuriake.

 

1.23. Opstandingsdag / rustdag? 

Sommigen zijn van mening, dat op de eerste dag van de week de christenen al heel snel

`s morgens vroeg en `s avonds laat bij elkaar kwamen. Overdag werkten ze; ze hielden deze dag nog niet als rustdag. De Joden en christenen uit de Joden hielden vaak nog gewoon de sabbat als rustdag en de christenen uit de Joden kwamen dan bovendien op de eerste dag 2x samen. De Jodenchristenen hielden dus de eerste eeuwen de sabbat nog en kwamen ook op de zondag bij elkaar. Zo werd toch de gave van de rust van Genesis 2:1-3 en van Gods ritme bewaard. Anderen menen, dat de vroege en late diensten op zondag met name werden gehouden, zodat ook de slaven in de gelegenheid zouden zijn om de kerkdiensten te bezoeken. Ze zeggen, dat de gemeenteleden, die niet de positie van slaaf hadden wel rustten op de zondag. Ze verwijzen naar getuigen uit de eerste eeuwen, m.n. de Apostolische Vaders. Dat waren mannen, die na de apostelen zijn opgetreden. Voor een deel waren zij nog leerlingen van de apostelen geweest. Zij hebben ons geschriften nagelaten, meest praktische, godsdienstige getuigenissen. We noemen enkele: Clemens Romanus, die twee brieven schreef aan de gemeente te Korinte; Barnabas; Pastor Hermas; Ignatius van Antiochie; Polycarpus en Papias. Ook is er nog het geschrift: Het onderwijs van de twaalf apostelen. Het stamt uit het begin van de tweede eeuw, dus ongeveer het jaar 110. En tenslotte nog Justinus de Martelaar, die leefde van omstreeks de jaren 100-165. Deze getuigenissen stammen dus uit de tijd, dat Johannes op Patmos de Openbaringen ontving.

Uit: Het onderwijs van de twaalf apostelen, lezen we: “op de dag des Heren zult u samenkomen, het brood breken en dankzeggen na openlijk uw zonden beleden te hebben, opdat uw offer rein mag zijn”.

En Justinus de Martelaar schreef: Over de wekelijkse samenkomst.

“3. Op de dag die men zondag noemt, vindt er een bijeenkomst plaats van allen die in de stad en op het land wonen. Dan lezen ze de gedenkschriften van de apostelen en de geschriften van de profeten, zolang dat nodig is. 4. Als de voorlezer ophoudt geeft de voorzitter door middel van een toespraak een vermaning en roept op al deze schone dingen na te volgen. 5. Daarna zenden we gemeenschappelijk gebeden op… 7. Op zondag komen we allemaal bijeen omdat het de eerste dag is, de dag waarop God door verandering van de duisternis en de materie de wereld schiep en waarop Jezus Christus onze Redder vanuit de doden opstond”.

Langzamerhand heeft de Geest de gemeenten geleid van pascha naar avondmaal, van besnijdenis naar doop en van zevende dag naar de eerste dag als rustdag. De eerste dag was wel vanaf de opstanding een vierdag van de gemeente en werd waarschijnlijk pas met keizer Constantijn weer een rustdag voor iedereen. Hoe het in die eerste eeuwen precies geweest is, is eigenlijk niet echt van doorslaggevend belang. Immers wat de Here ons Zelf in de Bijbel zegt over het rusten en heiligen, het gedenken en bewaren, en het vieren is duidelijk genoeg, om te kunnen weten, dat de rustdag een goddelijk gebod is voor de kerk uit oude- en nieuwe bedeling!

 

2.  Wat leren we uit de kerkgeschiedenis over deze zaak?

 

2.1. Van Didache tot Constantijn.

Op 3 maart 321 riep keizer Constantijn per decreet de zondag uit tot rustdag.

Rond het jaar 100 verscheen het christelijk geschrift, dat de naam Didache of ook wel onderwijs van de twaalf apostelen draagt. Dit werk gaat uit van het vieren van de dag des Heren op de eerste dag der week. Het vasten werd verschoven naar de vierde en de zesde dag.

Ook in een brief van de Romeinse stadhouder Plinius wordt verteld, dat de christenen al voor het aanbreken van de dageraad op de dag des Heeren samen komen en tot hun God liederen zingen, en zich door een eed verplichten jegens elkaar, dat ze zich zullen onthouden van diefstal, moord, echtbreuk, enz. en dat ze na de arbeid opnieuw samenkomen.

Dan is er ook nog de Barnabasbrief. Volgens deze auteur is de sabbat aan het begin van de wereldgeschiedenis op de zevende dag ingesteld. Volgens hem zal de volkomen vervulling van de scheppingsordening gevonden worden met Christus wederkomst; tot die dag leeft de christen uit de dag van Christus opstanding.

Tertulianus, die leefde rond het jaar 200, schreef als eerste over het zich onthouden van beroepsarbeid. Het rusten wordt bij hem bepaald door het vieren.

Op het Concilie van Laodicea (363?) schijnt de zondag voor het eerst op de agenda geplaatst te zijn. Mogelijk reageert het concilie op een Judaistische misstand. Er wordt uitgesproken, dat de christenen niet op Joodse manier moeten leven. Ze moeten op zaterdag gewoon werken. Ze moeten de voorrang geven aan de zondag.

Karel de Grote (742-814) vaardigt zelfs 10 zondagswetten uit. Zijn hoftheoloog Alcuinus is ervan overtuigd, dat de viering van de sabbat terecht is overgegaan in die van de zondag. Karel verwijst in zijn zondagswetten zowel naar de opstanding van Christus, als ook naar het vierde gebod. Beide zijn  grond voor de zondagsviering.

 

2.2. Dag des Heren.

Wanneer christelijke schrijvers de relatie tussen de zondag en het vierde gebod niet leggen, komen zij tot een vergeestelijken van de zondag: het rusten op de oud testamentische sabbat is volgens hen een voorafschaduwing van de rust die Christus brengt. De sabbat wordt zo een vorm van geestelijke rust in het hart! Het rusten van boze werken. Dit heeft zelfs doorgewerkt bij Calvijn! Ook Douma ziet de betekenis van het vierde gebod als blijvend, en de betekenis van het vieren van de sabbat op de zevende dag als voorlopig.

Het vierde gebod kan als gave alleen recht verstaan worden vanuit het opschrift van de decaloog. De God van de bevrijding en verlossing geeft het vierde gebod: Israël mag een door Jahwe  bevrijd volk zijn. Zo mag de Jood elke week de uittocht vieren en zo de feestklanken van Gods ritme bij de schepping gedenken en weten dat God de mens doet zijn naar Zijn beeld en deel geeft aan Zijn ritme.

Het opschrift boven de decaloog krijgt vanuit Gods grote daden in Jezus Christus een nog diepere dimensie. De bevrijding uit Egypte mag nu verstaan worden als verlossing uit de geestelijke dood en als bevrijding van de dood als gericht. Vanuit dit geheim mag de dag des Heren evenals de sabbat ontvangen worden als een geschenk. Dit behoedt ons voor zowel een wettische, als voor een antinomiaanse opvatting van het vierde gebod.

Vanuit de wet klinkt eerst de oproep om te gedenken. Dat is het tegenwoordig stellen van Gods rusten bij de schepping.  God heeft zelf de tijd geheiligd en een gezegend ritme gegeven. Het weten van ophouden wordt in Genesis 2:1-3 getekend als een feestelijk gebeuren! De mens die niet van ophouden weet, is geen door God bevrijd mens, maar is teruggevallen in de slavernij (van Egypte). Als tweede richt dit gedenken zich op het zich wijden aan de Here.

In de derde plaats volgt dan de oproep om alle beroepsarbeid na te laten.  Deze rust schept alle mogelijkheid om onbekommerd de dag van de Here te vieren en Hem te wijden.

In de vierde plaats wordt het gebod uitgewerkt naar alle kanten: het hele gezin, alle slaven, zelfs de dieren mogen adem scheppen en op adem komen. Dit is het sociale aspect.

In de vijfde plaats zien we in de versie van Deuteronomium het aspect van het bewaren.

Het bewaren krijgt gestalte in de weg van het doen.

 

2.3. Sabbat en dag des Heren.

De sabbat en de dag des Heren zijn beide een gestalte van het vierde gebod. We kunnen verschillende overeenkomsten zien: het zijn beide feestdagen, er is verlossing te vieren, de eredienst neemt op beide dagen een belangrijke plaats in, zo als de sabbat gemaakt is voor de mens is ook de zondag gemaakt voor de mens.

Het bewarende element in de zondagviering zien we het best bewaard bij een puriteinse viering. Een land zonder zondag moet op den duur worden een land zonder gemeente, zonder Woord en zonder de sacramenten, zonder de Naam van God en zonder christelijke barmhartigheid.

Douma zegt hierover: “Want sabbat vieren is een duidelijke proef op de som, of men het heft in eigen handen wil houden of z`n leven onbezorgd aan de Heere wil toevertrouwen”.

 

2.4. Thomas van Aquino 1224/1225-1274.

De viering van de zondag wordt in de loop van de eeuwen steeds meer in verband gebracht met het vierde gebod. Op deze ontwikkeling heeft ook de middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino belangrijke invloed gehad. In zijn standaardwerk Summa Theologiae behandelt hij in het kader van  de “Voorschriften der gerechtigheid” (de Tien Geboden) ook het vierde gebod. Hij gebruikt de onderscheiding moreel en ceremonieel ten aanzien van de wet der Tien Geboden. Bij het morele aspect gaat het volgens hem om datgene wat blijvend is voor de kerk van het nieuwe verbond. Bij ceremonieel gaat het om datgene, wat alleen betekenis had voor de kerk van het oude verbond. Bij zijn uitleg van het vierde gebod zei hij, dat moreel is, dat de mens een deel van zijn leven moet afzonderen om vrij te zijn voor de dienst aan God. Ceremonieel is volgens hem, dat deze dag in het vierde gebod op de zevende dag valt. Het morele van de sabbatsrust is volgens hem ook, dat de mens moet rusten van al zijn zonden en geestelijk moet rusten in God. Tot in onze tijd heeft de onderscheiding van Thomas van Aquino  t.a.v. de geboden door gewerkt.  

 

2.5. Luther, Zwingli en Calvijn.

Luther en Zwingli trekken de lijn van Thomas van Aquino verder door.

Zij zoeken de betekenis van het vierde gebod in het vergeestelijken ervan: het rusten van de zonde en het dienen van God. Daarom zien zij ook eigenlijk geen onderscheid tussen de zondag en de overige dagen van de week. Calvijn lijkt op het eerste gezicht verwantschap te tonen met de opvatting van Luther. Toch graaft hij dieper. Hij zegt dat God bij  Horeb het vierde gebod geeft voor drie doeleinden:

   1. Door de rust van de zevende dag wil God Israël de geestelijke rust voor ogen stellen, dus

       de arbeid onderbreken om Gods Geest in je te laten werken.

   2. God wil, dat de mensen een dag vrij zijn, om de wet te horen, en geoefend te worden in de

       vreze Gods.

  3. Deze dag is ook gegeven als rustdag voor de slaven.

Calvijn zegt vervolgens ook, dat het vierde gebod is afgeschaft in zoverre het een ceremoniële, wettelijke instelling was voor de Joden. Zo is de sabbat een schaduw geweest tot de komst van Christus. Dit raakt m.n. de voorafschaduwing van de geestelijke rust. Deze rust is door Christus opstanding verworven. De schaduwen verdwijnen, nu het lichaam gekomen is. De tweede betekenis heeft ook in Christus blijvende geldigheid.

Echter het is moeilijk om Calvijns visie goed in het vizier te krijgen, omdat hij in zijn Institutie anders over deze zaken schrijft dan in zijn commentaar op Genesis 2:1-3. In het laatste noemt Calvijn het ritme van zes dagen plus een dag niet slechts geldig voor een volk, maar voor het hele menselijke geslacht.

 

3.  Wat zegt onze belijdenis (en andere belijdenissen) over dit onderwerp?

 

3.1. De Catechismus.

Drie aspecten: 1. het onderhouden van  de dienst des Woords en de scholen.

                        2. dat ik op de sabbat, dat is de rustdag, tot de gemeente kom om Gods Woord

                            te horen, de sacramenten te gebruiken, God aanroepen en de armen

                            christelijke handreiking te doen.

                        3. de geestelijke rust.

In het Duitse origineel van de Catechismus wordt gesproken over de “Feiertag”. Het woord “sabbat” komt alleen in de Nederlandse vertaling voor, van Petrus Dathenus.

Het vierde gebod is positief geformuleerd. Het zegt niet wat niet mag, maar richt de aandacht op datgene,  waartoe de HERE ons wel oproept.

 

Ad. 1. De Catechismus begint met de ruimtescheppende randvoorwaarden voor de dag van de HERE: de dienst des Woords en de scholen.  Dit lijkt heel materieel, maar het is diep geestelijk: er is geen kerk-zijn, geen sabbatsviering mogelijk zonder dat de bediening van het Evangelie in stand gehouden wordt. Het gaat dan immers om de verkondiging van de bevrijding in Christus en de door hem verworven rust. De verkondiging van het Evangelie moet voortgang hebben. De dienst der offerande is dus een wezenlijk onderdeel van de bevrijdingsdag. Bij scholen moeten we eerst denken aan de opleiding van predikanten.

Festus Hommius trekt in zijn catechismusverklaring de lijn door naar de scholen: ”De scholen dewelke als planthoven zijn van de gemeente”. Hij zegt: “Ze moeten in de kennis en de vreze Gods onderwezen en opgevoed worden”. De christelijke gemeente kan het belang van goed christelijk onderwijs niet snel overschatten. De HERE zelf geeft daar duidelijke aanwijzingen voor. De gemeente heeft er op toe te zien, dat het beste voor het zaad van de gemeente wordt aangewend. Het onderwijs dient voluit schriftuurlijk onderwijs te zijn.

 

Ad. 2. En dat ik vooral op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot Gods gemeente zal komen. Het gaat niet om een club, waar je je geregeld moet laten zien. Het gaat om het samenkomen van mensen, die door God zijn samengeroepen. De samenkomsten gaan van God uit, Hij roept op. Hij roept samen.

Om het Woord te horen. Onze God is een sprekende God. Hij is de God van het Woord.

Om de sacramenten te gebruiken. De heilige doop en het avondmaal. Tekenen van de bevrijding.

 

Ad. 3. Dat de eeuwige sabbat in dit leven begin. Begeren wij nu de andere dagen van de week te leven vanuit deze ene dag? Begeren wij, dat de Geest van God steeds meer in ons Zijn heerschappij gaat voeren? De Geest heiligt en herschept. Hij is de band met Christus. 

 

3.2. De Westminster belijdenis.

Dit geschrift zegt: “Dat God in Zijn Woord door een positief, moreel en voortdurend gebod, alle mensen in alle eeuwen bindend, in het bijzonder een dag op de zeven heeft aangewezen voor een sabbat, die voor Hem heilig gehouden moet worden. Van de opstanding van Christus is deze dag veranderd in de eerste dag van de week, welke in de Schrift de dag des Heren wordt genoemd, en onderhouden moet worden tot het einde van de wereld als de christelijke sabbat” (hoofdstuk 21 sectie 7).

 

3.3. De Nederlandse geloofsbelijdenis.

In artikel 25 wordt heel in het kort ingegaan op de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven. Zij zegt, dat er in Christus aan de schaduwen een einde gekomen is. Verder zegt zij, dat voor ons blijft de waarheid en de inhoud ervan die in Christus Jezus hun vervulling hebben.

Tenslotte, dat wij nog gebruik maken van de getuigenissen uit de wet en de profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en overeenkomstig Zijn wil te leven tot Zijn eer.

We vinden hier dus geen direct verband met het vierde gebod.

 

 

4. Wat hebben synoden t.a.v. deze zaak besloten?

 

4.1. Synode van Dordt 1618 / 1619.

Zeeland beklaagt zich over de slappe houding van andere provincies t.a.v. het vierde gebod.

Daarover ontstaat dan een conflict tussen de Zeeuwse afgevaardigden tijdens de synode.

De twisten lopen zo hoog op, dat de synode wel heel snel een beslissing moet nemen in deze zaak. De hoogleraren krijgen opdracht om met de afgevaardigden van Zeeland om de tafel te gaan en met elkaar een voorlopige oplossing te vinden. Dat besluit wordt genomen tijdens de ochtendvergadering van de 163e zitting. Tussen de middag komen de hoogleraren met beide partijen samen en `s middags wordt er in de 164e zitting al een besluit genomen. Het besluit is een compromis van beide opvattingen. De snelheid laat zien, dat er geen tijd was voor diepgaande studie. Dordt heeft dus de zaak niet opgelost. Het was een noodoplossing tot er diepgaander studie zou zijn gemaakt en er een definitief besluit zou kunnen worden genomen.   

Bovendien ging het op de synode van Dordrecht niet om de vraag of er wel of geen gebod van de Heere is om te rusten, maar over wat wel en niet mocht op zondag, over het verschil tussen de puriteinse- en de vrije opvatting. Zeeuwse afgevaardigden beklagen zich over de slappe houding van andere provincies t.a.v. het doorbrengen van de zondag.

De ad hoc uitspraak van Dordrecht had als bedoeling, het vastleggen van een aantal algemene regels, waaraan elke partij zich moet houden, tot er op een eerstvolgende Nationale Synode er naar deze zaak diepgaander onderzoek kan plaatsvinden en er een definitieve uitspraak gedaan kan worden. Deze regels gaven dus de grenzen aan waarbinnen de strijdende partijen moesten blijven. Die definitieve uitspraak is echter nooit gekomen.

We vermelden hieronder nog het besluit van de betreffende synode, zoals dat in de post-acta van de 164e zitting vermeld staat:

   1e.  Int 4e ghebodt vande godtlycke wet is yet (iets) ceremoniaels ende yet moraels.

   2e.  Ceremoniael is gheweest de ruste vanden sevenden dach na de scheppinghe, ende  de

         strenge onderhoudinghe vanden selven dach, die het Jodische volck bysonderlyck

        (opgelegd) was.

   3e. Morael, dat een seeckeren ende gesetten dach den goodtsdienst zy toegeeygent (bestemd

         zij), ende daar toe zoo veel ruste, als tot den Goodtsdienst ende heilighe overdenckinghe

        des selffs van noden is.

   4e. Zijnde den Sabbath der Joden affgeschaft, moeten de Christenen den Zondach

        solemnelick (plechtig) heylighen.

   5e. Desen dach is sedert de Apostelen, inde oude Catholycke Kercke altyd onderhouden

        gheweest.

   6e. Deselve dach moet alsoo den goodtsdienst toegeeygent worden, datmen op den selven

        moet rusten van alle slaeffwerken (uytgesondert diegenen, die de lyeffde (liefde), ende de

        teghenwoordighe noodsaeckelickheden vereyschen), mitsgaders van alle sodanighe

        recreatien (ontspanning) die den Goodtsdienst verhinderen.

Dordrecht heeft deze zaak dus niet opgelost. Later ontstaat er tussen de hoogleraren Gomarus en Walaes opnieuw een dispuut.  Voetius (17e eeuw) heeft de diverse strijdende partijen trachten te verzoenen met een sabbatsleer, die strenger is dan die van de reformatoren, maar tegelijk milder dan die van de Puriteinen. Met name Voetius` opvatting is bepalend geweest voor de latere, gereformeerde zondagsviering in Nederland.    

 

 

 

 

 

4.2. De synode van Hoogeveen.

Ook de synode van Hoogeveen (1969-1970) nam besluiten n.a.v. een discussie over de rustdag in het oude en nieuwe testament en de plaats en betekenis van Gods wet, die omstreeks 1958 in de kerken op gang kwam. De synode veroordeelde de leer van ds. J.O. Mulder en ds. G. Visee over Gods wet (Acta art. 249, m.n. pagina 212-217).

Op deze synode werd ook een amendement ingediend door ds.C.J. Breen en ds. J. van Raalte. Dit amendement hield in: dat de synode zou afwijzen de opvatting van ds. Visee “dat het vierde gebod als gebod om te rusten van de beroepsarbeid, in navolging van God, voor de nieuwtestamentische kerk niet meer verbindend is”. Een dergelijke uitspraak zou dan moeten komen na de 5 veroordelingen van de uitspraken van ds. Mulder en Visee.

Echter de synode verwierp dit amendement. En met welke reden? Heel gewoon deze, dat de synode er niet van overtuigd was, dat deze predikanten de genoemde opvatting (je hoeft niet rusten op zondag) inderdaad leerden. Integendeel, ds. Visee had zelf geschreven, dat, hoewel in het nieuwe testament geen uitdrukkelijk gebod te vinden is over het rusten op de zondag, toch dat laten rusten van beroepsarbeid gebiedende eis is tot een rechte viering van de wekelijkse rustdag. Dus, ondanks de vreemde leer van ds. Visee over de 10 geboden, was niet te bewijzen dat hij wilde tornen aan het rusten op de zondag.

Dat was dan ook de reden dat het amendement verworpen werd. Het was dus niet, dat zij ruimte wilde geven aan de opvatting, zoals in het amendement genoemd, maar alleen omdat zij niet wilde uitspreken, dat dit ook inderdaad de opvatting van ds. Visee was.

Dus de synode vond niet, dat het rusten op de zondag niet meer door de Here geboden zou zijn. Ook niet dat er ruimte in de kerk zou moeten zijn op dit punt.

 

4.3. De synode van Leusden.

Op deze synode kwam aan de orde een appel van de gereformeerde kerk van Nieuwegein tegen het besluit van de particuliere synode van Utrecht met betrekking tot een preek van ds. D. Ophoff over zondag 38 van de Catechismus. In deze preek bracht de betreffende predikant naar voren:  - we hebben geen goddelijk gebod meer van de Here om op zondag te rusten.

                     - de rustdag is wel een goede menselijke instelling, die we zoveel mogelijk

                        moeten onderhouden.

De synode sprak het volgende uit:

            1. dat in de preek van ds. D. Ophoff van 2 juni 1996 over zondag 38 HC het belang

                van de erediensten en van de ruimte daarvoor duidelijk naar voren zijn gekomen;

            2. dat evenwel in deze preek onvoldoende uitkomt, dat in zondag 38 HC sprake is van

                een gebod, namelijk om vooral op de rustdag trouw de kerkdiensten te bezoeken;

            3. dat de opvatting van ds. D. Ophoff dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een

               goddelijk gebod, niet te veroordelen is;

            4. dat er bovendien geen reden is om aan te nemen, dat ds. D. Ophoff in het geheel van

                zijn functioneren als dienaar van het Woord binnen de Gereformeerde kerken in

                Nederland afwijkt van de leer van de kerk met betrekking tot het vierde gebod van

                de wet van de Here.

In haar gronden verwijst zij naar de besluiten van de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619). De zes regels door die synode opgesteld genieten volgens Leusden onder ons moreel gezag. Volgens de Leusder synode functioneert de rust in de zes betreffende regels als middel om ruimte te maken voor de eredienst en de verwerking daarvan. Verder voert zij aan, dat er in de loop van de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland altijd ruimte is geweest, om verschillend te denken over de Schriftuurlijke fundering van de zondag als rustdag. Vervolgens voert zij aan, dat de zondag, als rustdag, gegrond is op een verantwoorde keus van de christelijke kerk.

Ook verwijst de Leusder synode  naar de synode van Hoogeveen en wijst daarbij op het amendement, dat door de predikanten Breen en van Raalte was ingediend, en  door deze synode werd verworpen. We hebben boven al gezien of dit beroep terecht is of niet.

 

4.4. Hoe nu verder?

We zien dus dat het rusten uit Zondag 38 ten dele wordt gehonoreerd. Over de geestelijke rust is men het wel eens. Echter van de materiele rust wordt gezegd, dat zij niet meer geldt voor de kerk van het nieuwe verbond.

We vragen ons af, waarom alleen het vierde gebod vervallen zou zijn voor wat betreft de daarin nadrukkelijk geboden rust? De HERE heeft toch Zelf gezegd, dat Hij dat gebod om te rusten koppelt aan Zijn eigen rusten bij de schepping:

            “Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat

             daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE  de sabbatdag

             en  heiligde die”.

Als we het dus als kerken eens zijn, dat de kerken op de synode van Hoogeveen hebben vastgesteld, dat alle tien geboden nog steeds van kracht  zijn, waarom zou dan juist dat ene element uit het vierde gebod niet meer van kracht zijn?!

We hopen van harte, dat de eerstvolgende generale synode het besluit van Leusden aangaande deze zaak herroept. We bidden of de Here ons als gereformeerde kerken wil blijven bewaren bij Zijn Woord, want alleen dan is er toekomst voor de kerk!

  

5. Tenslotte.

Geraadpleegde literatuur.

            *  Van sabbat naar zondag, van ds. Joh. Francke.

            *  De decaloog; schetsen over de tien geboden, van ds. R. Zijlstra.

            *  De wet niet verzetten, van ds. A. Geelhoed.

            *  Heiligt Mijn Naam en Mijn dag, van ds. R. van Kooten.

            *  Acta van de Geref. Kerken in Nederland, te Hoogeveen in 1969 /1970.

            *  Acta van de Geref. Kerken in Nederland, te Leusden in 1999.

            *  Aanvulling, de nummers 2, 4, 5 en 6.

            *  Artikelen van ds. P. van Gurp uit verschillende nummers van Reformanda.

            *  Artikel in het Gereformeerd Kerkblad van ds. A. Bas.

 

Bijzondere dank en waardering.

We hebben vooral veel gehad aan het boek van

ds. R. van Kooten

Heiligt Mijn Naam en Mijn dag.

1998, Uitgeverij Den Hertog B.V. te Houten.

ISBN 90 331 065 2

Het is een prachtig- en goed leesbaar boek (het leest als een roman). Het laat op een boeiende

wijze en  in een eigentijdse stijl  de boodschap van de Schriften t.a.v. de sabbat aan ons zien.

Het gaat ook in op vragen rond zondagsarbeid, de zondagswetgeving, de arbeidstijdenwet, de winkelsluitingswet en de secularisatie. Ook de gegevens uit de kerkgeschiedenis zijn in dit boek verwerkt. Kortom, een prachtig boek! Wie dit boek ongelezen laat, mist veel!

Dus van harte aanbevolen.

We hebben een samenvatting van genoemd boek in dit verhaal verwerkt en er stukken uit over genomen. Dit laatste is gebeurd met instemming van zowel de schrijver als de uitgever.

Daarvoor zeggen we hen hartelijk dank.

 

W. Dijkstra, Heemse.