SABBAT
EN
ZONDAG
Gegevens,
over sabbat en zondag, uit Gods Woord en de kerkhistorie samengebracht, om een beter zicht te krijgen
op wat de Here
vandaag
van ons vraagt en op wat we in zondag 38 van de
Catechismus
belijden.
November 2001, W. Dijkstra te Heemse.
Het vierde gebod opnieuw in discussie?
In
onze tijd worden we opnieuw gedwongen ons te bezinnen op het vierde gebod.
Reden
daarvoor is met name de veranderde zondagswetgeving. Door het proces van
voortgaande secularisatie was de zondag voor veel mensen een vrije dag, in veel
gevallen tot een uitgaansdag geworden. Ook de ontwikkelingen in het
bedrijfsleven zorgden voor steeds meer continuarbeid, de zgn. 24-uurs economie.
De
regering sluit daarbij aan met de verruiming van de Arbeidstijden- en
Winkeltijdenwetgeving. Dit zal het proces van secularisatie ongetwijfeld nog
verder en sneller voortstuwen. Christelijke werknemers krijgen ermee te maken
als hun gevraagd wordt op zondag te werken. Ook in sollicitatiegesprekken kan
dit een belangrijk item worden. En hoe ga je er dan mee om, als je moet kiezen
tussen een leuke of goed betaalde baan
en wat de HERE in het vierde gebod van je vraagt? En dan kan zomaar de
vraag bij je opkomen, of het vierde gebod nog wel geldt voor ons vandaag.
Trouwens
die vraag komt niet alleen voort uit de
veranderende normen en waarden in de samenleving. Ook vanuit theologische hoek
kom je de vraag tegen of Gods geboden in het algemeen en het vierde gebod in
het bijzonder nog wel voor ons gelden vandaag.
Dat zagen we al in de zestiger jaren in de Gereformeerde kerken.
Toen
werd er door verschillende predikanten in de pers en op de kansel gesteld, dat
de sabbat en heel de oudtestamentische wet als wet hebben afgedaan. Ds. Visee
stelde: niet onder de wet, maar zonder de wet, in christelijke vrijheid.
Ook
vandaag, A. D. 2001, komt de vraag naar de geldigheid van het vierde gebod
opnieuw aan de orde. De generale synode van de Gereformeerde Kerken te Leusden
deed hierover de volgende uitspraak: “Dat de opvatting (…) dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een
goddelijk gebod, niet te veroordelen is”. Inmiddels wordt er in de
Gereformeerde Kerken op twee manieren Gods Woord verkondigd:
1.
De zondag, als rustdag, is niet gegrond op een goddelijk gebod voor ons
vandaag.
2.
De zondag, als rustdag, is gegrond op het goddelijk gebod, n.l. het
vierde gebod, en
geldt ook voor de gemeente van vandaag.
In
hoeverre de ontwikkelingen in de samenleving en in de kerk met elkaar te maken
hebben is een interessante vraag, maar het voert te ver om ons daar nu mee
bezig te houden.
We
hopen hiermee de actualiteit van deze zaak te hebben aangegeven en willen ons
in het vervolg richten op:
1.
Wat leert de Schrift ons over de sabbat en de zondag.
2.
Wat leren we uit de kerkgeschiedenis over deze zaak?
3.
Wat zegt onze belijdenis (en andere belijdenissen) over dit onderwerp?
4.
Wat hebben synoden t.a.v. deze
zaak besloten?
5.
Tenslotte.
We
hebben geprobeerd om de gegevens over dit onderwerp zo goed mogelijk bij elkaar
te brengen en in een logische volgorde
te zetten, zodat er een duidelijke lijn ontstaat.
De
Schriftgedeelten hebben we schuin gezet.
1. Wat leert de Schrift ons over de sabbat en de zondag.
* Eerst gaan we kijken naar het oude testament.
1.1.
Genesis 2:1-3.
“(1) Alzo werden voltooid de hemel en de
aarde en al hun heer. (2) Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat
Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. (3) En God zegende de zevende dag en heiligde die,
omdat Hij daarop gerust heeft van al
het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht”.
Niet bij de wetgeving op
de Sinai lezen we voor het eerst over de sabbat, maar al direct na de schepping van de mens.. Gods scheppend handelen
loopt er op uit.
-
Drie keer wordt gesproken over “op de zevende dag”. Bovendien lopen de beide
delen van vers 2 parallel. Deze herhalende structuur maakt duidelijk, dat de
zevende dag in het geheel van Gods scheppend handelen een belangrijke plaats
inneemt. De Septuaginta heeft het eerste “de zevende dag” veranderd in “de
zesde dag”, om daarmee misverstand uit te sluiten, n.l. dat God op de zevende
dag volbracht had, dat het klaar was. Het werkwoord sj-b-t betekent ophouden
(zie ook Gen 8:22 en Joz. 5:12). Ophouden is hier meer dan alleen maar ophouden
met iets. De structuur en de herhalingen geven iets feestelijks aan, wat we
straks ook zien bij de extra offers die op de sabbat in het heiligdom gebracht
worden. Het woord sj-b-t staat hier twee keer in verbinding met het woord “Zijn
werk”. In Ex. 20:9 en 10 en in Deut. 5:13 en 14 wordt met hetzelfde woord het
werken aangeduid, waarvan Israël rusten moet. De tien geboden grijpen hier dus
op terug.
Het ophouden van God met Zijn werk is een hoogtepunt. Het scheppen in de voorafgaande 6 dagen komt in dit rusten van God tot zijn doel. Daarom zegent God deze zevende dag en Hij heiligt die. God houdt op met scheppen, God weet van ophouden. Hij viert op de zevende dag het bereiken van Zijn doel! Gods heiligen en zegenen hebben een universeel karakter.
Het
heiligen van de zevende dag betekent, dat God deze dag apart zet, een aparte
status geeft.
Apart
door God en voor God! Niet een persoon of een plaats, maar een dag wordt hier
geheiligd! God geeft direct al bij de zes scheppingsdagen aan de tijd een
weekindeling, los van de kringloop van zon en maan. De opeenvolging van dagen
is niet doelloos. Het is het schema van zes dagen plus een dag. In de zevende
dag ligt het doel van de zes voorafgaande.
Dit
gedeelte handelt over de tijd voor de zondeval en staat dus geheel los van
zonde en genade en los van Abram en Israël. Het gaat om een universeel
gebeuren.
Gods
ritme van 6+1 staat los van wat er in de tijd gebeurd. Gods indeling bepaald
ook de tijd.
1.2.
Exodus 16:4,5,17-19,22-30.
Het gaat hier over het manna en de sabbat.
“(5) En als zij op
de zesde dag bereiden wat zij hebben binnengebracht, dan zal dit dubbel zoveel
zijn als wat zij op de andere dagen verzamelen”.
Toen sommigen toch meer verzamelden dan was opgedragen, bedierf het.
(22) ”En op de
zesde dag verzamelden zij tweemaal zoveel brood, twee gomer voor ieder; en al
de vorsten der vergadering kwamen het Mozes berichten. (23)Toen zeide hij tot
hen: Dit is wat de HERE gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het
morgen voor de HERE; bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt; laat
al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren. (24) Zij
lieten het dan tot de volgende morgen liggen, zoals Mozes bevolen had; toen
stonk het niet, en er waren geen maden in. (25) Voorts zeide Mozes: Eet dit
vandaag, want heden is het sabbat voor de HERE, vandaag zult gij het niet
vinden op het veld. (26) Zes dagen zult gij het verzamelen, maar op de zevende
dag is het sabbat; dan is het er niet. (27) Toen er dan ook van het volk op de
zevende dag heengingen om wat te verzamelen, vonden zij het niet. (28) Daarom
zeide de HERE tot Mozes: Hoelang weigert gij Mijn geboden en wetten te
onderhouden? (29) Bedenkt, dat de HERE u de sabbat gegeven heeft; daarom geeft
Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven;
niemand mag zijn plaats op de zevende dag verlaten. (30) Toen rustte het volk
op de zevende dag”.
We krijgen de indruk uit
de tekst (vers 5 en 18 en 22) dat ieder op de zesde dag evenveel verzamelt als
op de andere dagen en dat de HERE er voor zorgt, dat het dan genoeg is voor
twee dagen. Sommigen vatten vers 22 zo op, dat de Israëlieten zelf op de zesde
dag een dubbele portie verzamelen. Maar dan is het wel heel merkwaardig, dat
het volk dit bevel wel onthouden heeft en de oversten niet. N.a.v. het
broodwonder en de verbazing van de oversten legt Mozes het gebod weer uit.
Blijkbaar was het gebod van de HERE in Egypte in het vergeetboek en / of in onbruik geraakt.
Dus
nog voor de 10 geboden afgekondigd worden op de Sinai is er al sprake van het
sabbatsgebod!
1.3.
Exodus 20:8-11. “(8) Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; (9) zes dagen zult gij
arbeiden en al uw werk doen; (10) maar op de zevende dag is de sabbat van de
HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter,
noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die
in uw steden woont. (11) Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde
gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag en
heiligde die”.
En:
1.4.
Deuteronomium 5:12-15. “(12) Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de HERE, uw
God, u geboden heeft. (13) Zes dagen
zult gij arbeiden en al uw werk doen, (14) maar de zevende dag is de sabbat van
de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw
dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel,
noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw
dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; (15) want gij zult gedenken,
dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God,
u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm;
daarom heeft u de HERE, uw God, u geboden de sabbatdag te houden”.
Gods verlossen van Israël
uit Egypte is een bevrijding in velerlei opzicht. De 10 geboden leren Israël in
welke weg zij vrij kunnen blijven. Gods verlossend handelen heeft Israël
bevrijd uit de continudienst in Egypte.
En
ook liepen ze met hun levensritme uit de pas met Gods ritme.
De
machten, die gevangen nemen, huizen niet alleen in Egypte. Na de bevrijding uit
Egypte wil God daarom bovendien voorkomen, dat het volk weer in een andere
slavernij terecht komt. Door het vierde gebod wil God hun tijd bepalen en Zijn
ritme aan hen geven.
Het
gebod begint met gedenk. Dit woord
komt in combinatie met een gebod zelden voor. (ps.
103:18 en Mal.4:4). Het gedenken betekent eigenlijk: een zaak uit het verleden in het heden
tegenwoordig stellen. Ook wijst het gebod zelf in vers 11 terug naar de zevende
dag van de eerste week van de schepping. God roept Israël op Zijn tijdritme
voor ogen te stellen en daaruit te leven. Het vierde gebod spreekt over de
sabbat als een sabbat JHWH, een sabbat voor de HERE, of een aan de HERE, uw
God, gewijde sabbat (Ex. 20:10 en Deut. 5:14).
Volgens
Markus 2:27 is de sabbat er voor de mens, maar dat neemt niet weg, dat de mens
er is voor de HERE. Beide aspecten (voor de mens en voor de HERE) vinden we
terug in het sabbatsgebod. De HERE spreekt immers over rusten en heiligen.
Niet alleen ons hart en
ons bezit, maar ook de tijd komt de HERE toe. Zo is de sabbat een dag om de
HERE te loven (ps. 92) en nabij God te zijn (ps. 73). Dit feestelijk karakter
van de sabbat vinden we terug in de extra offers, die op de sabbat gebracht
worden (Num. 28:9,10) en tevens wordt
deze dag gekenmerkt door de heilige samenkomsten (Lev. 23:7 vv en Jes. 1:13).
Het Hebreeuwse woord voor arbeid in Ex.
20:9 ziet m.n. op alle beroepsarbeid.
Het
laten rusten van arbeid is voorwaarde om te kunnen rusten. Rusten en heiligen. Rusten is ook uitrusten. Dat heeft en mens
nodig. In Ex. 23:12 wordt gesproken van adem scheppen. Uitrusten raakt lichaam
en geest. De hele mens moet op adem komen. De Schepper, die zelf rust , neemt
heel de schepping mee in Zijn ritme.
In
Exodus klinkt aan het begin de oproep: gedenk. In Deuteronomium klinkt als
eerste oproep: onderhoud. Deze
oproep klinkt ook aan het einde van het vierde gebod. Ook is opmerkelijk, dat
beide keren dit bevel vergezeld gaat van de woorden: “zoals de HERE, uw God, u
geboden heeft”. Het enige verschil is, dat in vers 15 de volgorde is omgekeerd:
12. Onderhoud de sabbatdag, dat gij die
heiligt, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft.
15b. Daarom heeft u de HERE, uw God,
geboden, de sabbatdag te houden.
Het
vierde gebod wordt dus door deze beide elementen omarmt. Onderhouden, dat is
bewaren of bewaken. In het boek Deuteronomium vervult dit woord haast een sleutelpositie: het komt er zo`n 55 keer in
voor. Tevens houdt het “bewaren” in, het “doen”
van Gods gebod (4:6; 5:1 en 32; 6:25). Het liefhebben van God en het bewaren en
doen van Gods geboden gaan hand in hand. Daarom
is de liefde niet de vervanging van het gebod, maar de vervulling ervan, zij
draagt het gebod.
In
Deuteronomium vinden we niet direct de theologische motivatie uit Genesis 2:1-3
terug. Dat is ook niet nodig, Mozes herhaalt hier de wet, nu Israël aan de
ingang van het beloofde land staat.
Extra aandacht krijgen hier de dienstknechten en dienstmaagden: het sociale van
de sabbat. In Deuteronomium wordt voor “rusten” een ander woord gebruikt. Het
gaat hier niet om rusten in de betekenis van “ophouden”, maar om het rusten als
een van de grootste zegeningen, die God in het beloofde land geeft. Deze rust en erfenis horen bij elkaar. Het
ene ziet op het ophouden en het andere op het genieten. Beide werkwoorden
vullen elkaar aan.
Het
bewaren van de sabbat doet de innigste rust en vrede ervaren, het verachten van het verbond brengt daarentegen in een nieuwe
slavernij, nog erger dan in Egypte (Deut. 29:20-28). In Deuteronomium wordt
ook gewaarschuwd, dat Israël vanwege eigen ongehoorzaamheid de rust niet
definitief zal krijgen. Daarom blijft het thema van de verlossing uit Egypte
actueel. Daarom grijpt de HERE in Deuteronomium ook niet terug op de schepping,
maar op de verlossing uit Egypte. Gods machtige hand redde hen uit. Er was
niets van henzelf bij. Hun toekomst en verwachting zijn daarom van de HERE…
Eenmaal zal de HERE deze vrede schenken door een nieuw verlossend ingrijpen
(30:2-7). Daar is de sabbat een teken en een belofte van.
Dit
verklaart ook, dat het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt voor “rust”,
later een synoniem wordt voor het eeuwige leven. De viering van de sabbat ziet
vooruit naar het eschaton, naar het einde, naar de Messiaanse tijd.
1.5.
Exodus 31:12-17. Hier gaat het over onderhouden
van de sabbatten, als een teken tussen Mij en u. Vers 16 en 17 vervolgt dan: “(16) De Israëlieten zullen de sabbat
onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een
altoosdurend verbond. (17) Tussen Mij en de Israelieten is deze een teken voor
altoos, want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, en op de
zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept”.
Ook
in Ezechiel 20:12 noemt de HERE de sabbat een teken tussen Hem en hen.
Dit teken is een teken van het sabbatsverbond en is
ook een teken, dat de HERE Israël
werkelijk heiligt. De sabbat is middel van heiliging. Door de sabbat zondert de
HERE Israël af van de volken. Het boek Exodus laat ons zien, dat het hoogtepunt
van de heiliging gevonden wordt in de
tabernakel, de eredienst voor Gods aangezicht. Dit vinden we ook terug in de
extra offers op de sabbat en in de verversing van de 12 toonbroden op de
sabbat.
Door
de Tien Woorden is het zaad van Abraham tot gemeente, tot vergadering geworden.
God roept Israël als gemeente voor het eerst samen bij de Horeb. Zo hebben de
Tien Woorden de gemeente geschapen. Zo is er een overeenkomst tussen de
gemeente Gods en de schepping Gods. Beide schiep Hij door Zijn Woord, door te
spreken. Dit onderscheidt hen van de andere volken: zij hebben een God, die
spreekt! Zij zullen dus een horende gemeente moeten zijn.
Tot
nu toe was de besnijdenis het enig zichtbare teken van de bijzondere relatie
tussen God en het zaad van Abraham. De besnijdenis werd ook bij sommige andere
volken gebruikt. Nu krijgt Israël er een tweede teken bij, dat bij geen enkel
ander volk gevonden wordt. De sabbat blijft tot de tijd van de Romeinen het
merkteken van de Joden. Zo heiligt, zondert de HERE door het teken van de
sabbat Israël af van de volken. Het fundament van het teken ligt in de rust van
God bij de schepping (Ex. 31:17).
Hoe
is de sabbat middel tot heiliging? Exodus 31:13-17 geeft daarop antwoord d.m.v.
een concentrische parallellie: van buiten naar binnen opgebouwd. De
verschillende versdelen uit dit gedeelte blijken parallel te lopen, d.w.z. dat
ze hetzelfde onderwerp behandelen:
-
de verzen 13 en 17 over de sabbat als teken.
-
de verzen 14a en 16 over het onderhouden van de sabbat met twee argumenten:
14a. de
sabbat is heilig en vers 16 de sabbat is
een verbond.
-
de verzen 14b en 15b over de doodstraf op overtreding.
-
daartussenin vers 15a: “Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal
er een
volledige sabbat zijn”. Hier dus weer het
ritme van 6+1.
G.
van Ek wijst er op, dat er in Exodus 24:15-18 ( het gedeelte, dat direct
voorafgaat aan de voorschriften over de tabernakel) sprake is van dezelfde
parallellie:
-
de verzen 15 en 18 over Mozes opklimmen en Gods wolk, die bedekt.
-
de verzen 16a en 17 over de heerlijkheid van de HERE.
-
de kern staat in vers 16b: “en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende
dag riep
Hij tot Mozes midden uit de wolk”.
Voorafgaand
aan het gedeelte van Exodus 24:15-18 zegt de HERE tegen Mozes, dat Hij hem op
de berg de twee stenen tafelen zal geven.
We
zien hier dus, dat het belangrijke gedeelte over de bouw van de tabernakel aan
het begin en aan het eind omsloten wordt door een kunstig gedeelte met het
schema –zes dagen, zevende dag-. Deze fragmenten van Gods heilig ritme worden
op hun beurt voorafgegaan en gevolgd door de twee stenen tafelen die Gods
heilige woorden bevatten.
Hieruit
volgt de conclusie, dat de heiliging van de zevende dag haar hoogtepunt bereikt
in de ontmoeting met de HERE in het heiligdom!
In Exodus 29:43 zegt de HERE: “Ik zal daar samenkomen met de Israëlieten, en zij zullen door Mijn heerlijkheid geheiligd worden”. Zo leert de HERE hen, dat ze niet geheiligd worden door eigen prestaties op de sabbat, maar door het handelen van God in de bediening van de verzoening.
1.6.Exodus, wat verboden is
op sabbat.
Op sabbat moet Israël rusten van alle werk. Dit omvat zowel de gewone dagelijkse arbeid bij de uitoefening van het beroep, als ook de arbeid in huis. Bij de eerste gave van het manna leert de HERE, dat men voor de aanvang van de sabbat moet bakken en koken wat men nodig heeft (Ex. 16:23). De HERE onderbreekt zelf ook de dagelijkse gang: op de sabbat vindt Israël geen manna(Ex. 16:25). Men mag op sabbat ook geen vuur aansteken (Ex. 35:3).
Men mag geen hout sprokkelen(Num. 15:32-36). In de
woestijntijd moet ieder in het legerkamp blijven (Ex. 16:29). Dit is als
zodanig geen reisverbod; God laat immers later Israël op de sabbat juist de
langste reis maken! Op die dag moesten ze 7 x om de stad Jericho trekken (Joz. 6:15). De profeet Jeremia moet Israël
waarschuwen geen lasten te dragen op
sabbat (17:21, 22). Het dragen van lasten ziet op handel en transport. Het ziet
dus niet op het dragen van de matras van een zieke, die door Jezus genezen
werd, maar op het uitoefenen van koophandel.
God geeft de sabbat om op adem te komen, en niet om de adem af te snijden.
De
sabbat neemt een aparte plaats in, omdat deze dag het hart mag zijn van het
bevrijde leven van Israël. Hij is het teken van Gods verbond tussen Hem en Zijn
volk. Hij is garantieteken van de volmaakte rust die er overblijft voor het
volk van God. Omdat de sabbat getuigt van
schepping, verlossing en voltooiing.
1.7.Onderwijs
na de ballingschap.
Na de ballingschap
bestaat het godsdienstige leven uit een mengsel van heidense en Joodse
elementen. Er is dus een reformatie nodig. Dit raakt niet alleen het probleem
van de gemengde huwelijken, maar ook de viering van de sabbat. In Nehemia 8
kunnen we lezen, dat Ezra, de priester/ schriftgeleerde, op de eerste dag van
de zevende maand een hele dag onderwijs geeft uit Gods wet. Ook de betekenis
van de sabbat wordt uitgelegd. Dan begint het volk te huilen, omdat ze zich
schuldig voelen tegenover de HERE. Ezra en Nehemia vermanen dan het volk om
niet te huilen, omdat deze dag heilig is voor de HERE. Hier komt heel scherp
naar voren, dat de sabbat een dag van vreugde is (Neh. 8:11).
Nehemia
zorgt er vervolgens voor, dat de handelaren op sabbat uit Jeruzalem geweerd
worden, ja zelfs mogen ze zich niet vlak bij de poorten ophouden op sabbat.
1.8.
De tijd tussen de testamenten.
Hier komt aan de orde waar de wortels liggen
van de sabbatsviering van de Farizeeën.
We
willen eerst zien hoe de sabbat in het oude testament gevierd werd. De vrijdag
was de dag van voorbereiding. Er was veel te doen: het klaarmaken van de
maaltijden, het plaatsen van het warme eten in de hooikist, het dekken van de
tafel, het vullen van de wijnbeker, het aansteken van de lichten, het douchen,
het aantrekken van de feestelijke kleding. Als de zon ondergaat vangt de sabbat
aan. Het gezin heeft zich rond de tafel geschaard, de moeder in het gezin heeft
de twee sabbatskaarsen aangestoken, waarvan de ene heet “gedenk” en de andere
“bewaar”. Ze zijn genoemd naar de beginwoorden van de beide versies van de wet
uit Exodus en Deuteronomium. Op de
tafel staan twee broden, ze symboliseren het dubbele portie manna, dat de
Israëlieten op de zesde dag mochten verzamelen. Met elkaar begroet de kring
zingend de sabbat als een bruid. De maaltijd is net als de kleding feestelijk.
Gods scheppen en onderhouden vormen het thema voor deze avond. Er wordt gelezen,
gebeden en gezongen. Op de feestelijke avond volgt de rust van de nacht. In de
Joodse traditie is het een “gebod”, dat de man en vrouw de vreugde van de
huwelijksgemeenschap beleven.
Op
de zaterdagmorgen is er de gang naar de synagoge. Dan volgt thuis de
middagmaaltijd, al weer feestelijk. Aan het samenzijn in familieverband wordt
grote waarde gehecht. Het is verboden om ruzie te maken, te vechten of te
debatteren op sabbat. De vreugde en vrede van de sabbat mogen niet ontheiligd
worden. De sabbat geeft een voorproef, een vooruitblik op de Messiaanse tijd,
waarin alles door de vrede bloeien zal. Daarom is het verboden om op sabbat te
treuren, te vasten of rouw te bedrijven.
Na
Ezra en Nehemia zien we dat het houden van de sabbat niet gedragen wordt door
de liefde tot God, maar dat het meer een moeten wordt. Eerst zijn er dan de schrijvers, families,
die de schrijfkunst machtig zijn. Deze families worden steeds machtiger en
krijgen steeds meer invloed. Hieruit komen waarschijnlijk de schriftgeleerden
voort. Zij gaan in de tijd tussen de testamenten de wet van Mozes uitleggen en
steeds meer uitwerken in ge- en verboden.
* Vervolgens gaan we kijken in het nieuwe testament.
1.9.
Mattheus 5:17:
“Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet
of de profeten te ontbinden, maar om te vervullen”.
Jezus` handelen is niet
in strijd met Gods eigen openbaring, ook niet met de wet. De reden van de
ergernis bij de Farizeeën is, dat Jezus` optreden in strijd is met hun uitleg
van de wet.
Christus
haalt hier het hele oude testament aan. Hij is gekomen om alles in vervulling
te doen gaan. Mattheus spreekt steeds over: “opdat de Schrift vervuld zou
worden”(10x).
Het vervullen van de wet
door Christus, houdt in, dat Hij de eerste mens is, die al Gods geboden voluit
naleeft. Hij heeft niet getornd aan de sabbat, maar Hij is de volmaakte mens,
die Gods bedoeling met de sabbat volmaakt verstaat en volbrengt. Dat Christus
zijn discipelen niet tegen de sabbat heeft opgezet blijkt ook als Hij in het graf ligt. Lukas vermeldt,
dat Jezus` volgelingen, ondanks de schokkende gebeurtenissen op de sabbat
rustten naar het gebod (23:56). Ook de sabbatsconflicten tussen de Farizeeën en
de Here Jezus in de evangeliën gaan uiteindelijk niet over de sabbat, maar over
de persoon Jezus. Jezus geneest op de sabbat, omdat Hij dat moet doen als de
Zoon van God. Die pretentie maakt de Farizeeën woedend.
1.10.
Mattheus 12:8. “Want
de Zoon des mensen is heer over de sabbat”. Evenals David is Hij op missie.
De Zoon des mensen is volgens Daniel de Messias. Hij jaagt het doel van de
sabbat na als geen ander. Het doel, dat aan dit gedeelte vooraf gaat: “Komt tot
Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (11:28).
Christus is als Heer van de sabbat bezig met het schenken van de ware rust. En
straks brengt Hij het grote offer dat de eeuwige rust zal doen verwerven.
1.11.
Markus 2:27. “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de
mens om de sabbat”. Christus heeft het hier over de instelling van de
sabbat. God liet de mens delen in Zijn sabbat en zo in Zijn zegen. De Farizeeën
zien de sabbat niet als een gave, maar als een opgave. De sabbat is tot eer van
God en tot heil van de mens, die Hem is toegewijd. Christus ziet de sabbat als gave aan de mens. Adam is de mens en
de vader van de mensheid. Gods dag is dus gave aan heel de mensheid.
1.12.
Mattheus 12:10. “En zie, daar was een mens met een verschrompelde hand. En zij legden
Hem de vraag voor, of het geoorloofd is op de sabbat te genezen, om Hem te
kunnen aanklagen”. Het gaat hier
niet over levensgevaar, waarbij een arts te hulp moet komen, daar waren ze het
wel over eens. Ze zien Jezus tekenen niet als tekenen van God, maar als werk
van een knappe dokter. Dan volgt het antwoord van Jezus, over iemand met een
schaap, dat in de put is gevallen. Zo`n dier kan niet weer overeind komen en
zal sterven. Daarom was het toegestaan onder de Joden om zo`n dier op te
richten. Jezus tekent hier de eigenaar van het schaap. Zou de eigenaar z`n hele
bezit niet te hulp komen? Hoeveel gaat een mens een schaap te boven en is het
geoorloofd wel te doen? Christus is hier de eigenaar! De Kurios! Als Hij de
heer van de sabbat is, dan is Hij de Heer van alle mensen en van Israël in het
bijzonder. Zo zijn de genezingen geen daden van een dokter, maar tekenen van
Gods liefde en zorg voor Zijn volk. Deze tekenen wijzen heen naar het grote
doel: Gods verlossend handelen in Jezus Christus om Zijn volk te doen delen in de grote rust. Een mens genezen is
het verlossen van een mens uit de gevolgen van de zonde en van de vloek van de
zonde. Jezus laat zien, dat een mens met een verdorde hand voor Hem van waarde
is, als was deze man Zijn hele bezit.
1.13.
Lukas 13:10-17. De genezing van een zieke
verkromde vrouw.
Zij was gedwongen naar beneden te staren. Jezus geneest haar. De vrouw verheerlijkt God. Zij is bevrijd uit de banden van zwakheid en dood. Het is nu pas echt sabbat voor haar. Sabbat vieren is afhankelijk van het zien op Jezus en het zien wie Hij is.
1.14.
Joh. 7:22. Over de relatie tussen besnijdenis en
sabbat.
Op
de achtste dag moesten de jongentjes besneden worden. Mozes geeft aan, dat het
sabbatsgebod, niet het gebod van de besnijdenis terzijde stelt (Lev. 12:3). Het
teken van Gods verbond en genade ontheiligt dus niet de sabbat, maar is er een
mee. Bij de besnijdenis wordt slechts een klein stukje voorhuid, als teken van
de onreinheid verwijderd. Het is een teken van geestelijke heling, hoeveel te
meer wordt Gods dag geheiligd door de Zoon, als Hij naar de wil van Zijn Vader
een hele mens geneest tot eer van God en alle onreinheid verwijdert.
1.15.
Zo ook de blindgeborene uit Joh. 9. Christus
heeft het ook voor deze man werkelijk sabbat gemaakt.
1.16.
Sabbat in de Handelingen der apostelen.
(13:14,27,42,44; 15:21; 16:13; 17:2; 18:4).
Uit het feit, dat Paulus
op sabbat tot de heidenen spreekt, kunnen wij niet zomaar de conclusie trekken,
dat hij dus voor de heidenen de sabbat instelt. Het is een strategische zet,
omdat hij dan de Joden op een plaats bij elkaar weet en hij maakt van die gelegenheid gebruik om het
evangelie te brengen.
1.17.
De Hebreeënbrief. (3:7-19; 4:1-11).
De verwantschap tussen de
situatie van de Hebreeën en die van het volk in de woestijn is duidelijk: God
heeft aan beiden beloofd, dat ze tot Zijn rust mogen ingaan. De vaderen hebben
de belofte van de rust in het aardse Kanaan door hun ongeloof verijdeld, maar
zo kan ook de Hebreeën de rust ontgaan. Zoals bij hun vaderen is het ingaan tot
de rust afhankelijk van hun gelovig en gehoorzaam omhelzen van de belofte.
Ongeloof vertoornt de HERE. Deze ernstige waarschuwing loopt als een rode draad
door heel deze brief. Maar de belofte om in te gaan in de rust staat voor de
Hebreeën nog open. Maar wat is dan Gods rust? De auteur neemt ons mee naar het
begin van de bijbel. Gods eigen rust is er vanaf het begin. In deze rust mogen
degenen, die geloven ingaan (4:3). Voor deze rust gebruikt de Geest het Griekse
woord sabbatismos. Het gaat hier
over een rust die hier op aarde nog niet gevonden wordt. Sabbat en rust horen
bij elkaar. Geen enkele gelovige geniet op aarde deze rust. Hoewel Christus de
zijnen Zijn rust schenkt, is het nog niet de rust van God in de volle
betekenis. De sabbatismos ontvangen de gelovigen pas als zij sterven.
Openbaringen 14:13 “zalig zijn de doden, die in de Here sterven, van nu aan.
Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen
na”.
In
de Hebreeënbrief zien we dus opnieuw de blijvende geldigheid van Gods rusten in
Gen. 2:1-3. Gods rusten is er vanaf het begin. God belooft Zijn rust aan de
gelovigen. Als zij gehoorzaam volharden, zullen zij in deze rust ingaan. Christus
heeft opnieuw de toegang tot Gods
rust verworven. Hij doet degenen, die in Hem geloven en volharden, in deze
rust ingaan. Daarin is Hij meer dan Jozua. Dit betekent niet, dat Christus de
sabbatismos tot stand heeft gebracht. De rust zelf is er vanaf de grondlegging
der wereld. Daarom is de rust van Gen. 2:1-3 eeuwige werkelijkheid.
1.18.
Paulus in de brief aan de Romeinen over de sabbat. (14:5 en 6).
Paulus handelt in
hoofdstuk 12 impliciet en in hoofdstuk 13 expliciet over de naastenliefde.
Hierna behandelt hij in hoofdstuk 14:1-15:13 uitvoerig hoe zwakken en sterken in de gemeente elkaar moeten zien en behandelen. Blijkens het tekstgedeelte gaat het hier vooral over de concrete punten van vlees en wijn (14:21) en dit ook nog eens in relatie met het verplicht waarnemen van bepaalde dagen (14:2,5,6,14vv). In de wetten van Mozes wordt het drinken van wijn en sterke drank niet verboden dan alleen aan de Nazireeërs (Num. 6) en aan de priesters, als zij dienst doen in de tempel (Lev.10:9).
Omdat
het eten en drinken in verband staat met bepaalde dagen, wordt de indruk
gewekt, dat het in deze verzen gaat over bepaalde vastendagen. God gaf Israël
een vastendag: de grote verzoendag (Lev. 16:29,31; 23:32). Later heeft men nog
andere vastendagen ingesteld (Zach. 7:3,5; 8:19; Luk. 18:12). Waarschijnlijk
gaat het hier om zulk soort dagen, vooral ook omdat Paulus niet ingaat op de
dagen, maar op het eten en drinken. De oudtestamentische orde van heilige dagen
en tijden is dus volgens Paulus voorbij. Alle ceremoniële en rituele heiligheid
is verdwenen. Dat betekent echter niet, dat er geen bijzondere dagen meer zijn.
Hij eindigt dan met: wat je ook doet, je moet het bewust doen voor het
aangezicht van de Here.
Conclusie:
Paulus beweert niet, dat de zevende dag gelijk is aan de andere zes.
1.19.
Paulus in Galaten 4:9-11. Over dagen, maanden en vaste
tijden.
Het gaat in dit gedeelte
over Galaten, die dreigen na hun verlossing uit de slavernij van het heidendom
in een nieuwe slavernij terecht te komen, n.l. van de Judaisten. Ze moeten de wet van Mozes onderhouden en
met name de besnijdenis, anders kunnen ze niet zalig worden.
Het gaat bij de Galaten
om een heilsnoodzakelijke plicht, die de Judaisten opleggen. Daarom is het
Evangelie van Jezus Christus in geding.
Niet alleen het juk van
de besnijdenis, maar ook van de Joodse feestkalender.
Dat het om de Joodse
feestkalender gaat, blijkt ook uit de opsomming. Door telkens het woordje en te
herhalen, geeft Paulus tegelijk het eindeloze hiervan aan. (Vgl. Kol. 2:16).
Onder dagen moeten we
hier de sabbatten verstaan. De maanden zijn de dagen van de nieuwe maan. De
tijden zijn de Joodse feesten: de drie grote, maar ook het purimfeest,
nieuwjaarsfeest, sabbatsjaren en het jubeljaar. De Galaten krijgen door de
Judaisten een heel systeem opgedrongen, dat hen van Christus afvoert. Een stelsel,
dat heel anders is dan het erkennen van Christus als Heere van de sabbat. Door dit Judaistisch drijven komt
werkheiligheid in de plaats van de rechtvaardiging van de goddeloze door het
bloed van Christus.
Conclusie: het gaat hier
niet om de gave van het schema van zes dagen en een dag, maar om de opgave van
de hele feestkalender.
1.20. Paulus in Col. 2:16, 17. “Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is”.
Ook in Kolosse was
dwaalleer. Aan de ene kant lijkt het ook hier om Judaisten te gaan(2:21), aan
de andere kant schijnt er bij de engelenverering (2:18) sprake te zijn van heidense
invloeden. Volgens van Kooten hebben we
hier vooral te doen met Judaistische tendensen. Joden schijnen christenen uit
de heidenen te meten aan de maat van hun eigen spijswetten en aan de maat van
hun eigen feestkalender. Dat er ook gesproken wordt van drank, wijst zelfs op
een verfijnde, ascetische vorm ervan, omdat er inzake het drinken van wijn en
sterke drank, zoals we bij Romeinen 14:5,6 zagen, alleen voorschriften golden
voor Nazireeërs en dienstdoende priesters.
Paulus spoort de Kolossenzen aan zich los te maken van het oordeel van
deze Joden. Dat Jodenchristenen zich nog houden aan de spijswetten en zo het
onderscheid tussen rein en onrein hanteren, is voor Paulus geen punt. Zelf
houdt hij ook bepaalde Joodse gewoonten: Pinksterfeest (1Kor. 16:8), feest
ongezuurde broden (Hand. 20:6), gelofte (Hand. 18:18 en 21:23), onderhouden van
de wet (Hand. 21:24).
Maar van al deze wetten
mag de heidenen niets opgelegd worden (Hand. 21:25).
Immers de wetten van het
oude testament zijn schaduwen van het lichaam. Zolang het lichaam niet gekomen
is, hebben zij hun betekenis, omdat het lichaam zelf zijn schaduw vooruitwerpt.
Maar als het lichaam gekomen is, is het invoeren van schaduwen schadelijk. Nu
Christus gekomen is mogen Joden niet de schaduwdienst opleggen aan de
christenen uit de heidenen. Wanneer dat wel gebeurt, stelt men Christus en Zijn
opstanding in de schaduw!
Conclusie: deze tekst
zegt niet, dat het vierde gebod is afgeschaft. Het zegt wel, dat inzake
spijswetten, sabbatten en de Joodse feestkalender de oudtestamentische vorm niet aan de heidenen mag worden opgelegd.
Paulus verbiedt de christenen uit de heidenen niet om de sabbat te vieren, hij
verbiedt wel het verplicht opleggen van
de vorm van de Joodse sabbat en van andere schaduwachtige zaken. Dit
betekent niet, dat er voor de christenen uit de heidenen geen nieuwe vormen kunnen zijn of komen. Dat is immers wel heel
duidelijk het geval. Maar het gaat dan wel om vormen, die het lichaam niet in
de schaduw stellen.
Zo mag de doop voor de heidenen gelden als hun
besnijdenis. Deze vorm is direct
verbonden met Christus in wiens dood en opstanding zij gedoopt worden (Kol.
2:11 en 3:11; Rom. 2:29 en 3:30 en 4:11 en 12). In de plaats van de paasmaaltijd ontvangen de christenen
het avondmaal. In het O.T. was het
paaslam de schaduw van Christus, maar als Hij gekomen is, dan mogen brood en
wijn heel direct verwijzen naar “Mijn lichaam en bloed”.
1.21. Het vierde gebod
geen schaduwdienst.
De tempeldienst kon
geheel verdwijnen, omdat alles wat daar gebeurde schaduw was van het lichaam
van Christus (Hebr. 10:1). De wet der geboden in inzettingen bestaande is door
Hem vervuld (Ef. 2:15 en Kol. 2:14). Het vierde gebod valt hier niet onder. Het is immers geen schaduw
van Christus en Zijn werk. In Hebr. 4:4 hebben we gezien, dat de rust van God
de rust van Gen. 2:1-3 is. De oudtestamentische sabbat was geen schaduw van de
rust die Christus verwerven zou. De rust van God is de werkelijkheid vanaf de
schepping van de wereld. De Hebreeënbrief zegt dan ook, dat de gelovigen in de
nieuwtestamentische bedeling in deze rust zullen ingaan. Het vierde gebod kan
dan ook geen schaduw genoemd worden van hetgeen komen moest (Kol. 2:17), het is
een directe vrucht en een belofte van deze rust van God. En de belofte van het
ingaan in deze rust staat nog steeds open, daar heeft de komst van Christus
geen verandering in gebracht.
1.22. Sabbat en apostelconvent.
In het N.T. zien wij
nergens, dat het vierde gebod zou zijn afgeschaft en niet meer zou gelden. In
het boek Handelingen zien wij dan ook gewoon de voortgang van de viering van de
sabbat. Paulus is steeds weer opnieuw in de synagoge te vinden. Maar wat moeten
we dan aan met Hand. 15? Daar komen we het vierde gebod niet tegen bij het
besluitenlijstje van het apostelconvent.
De inzet is ook hier weer de theologie van de Judaisten, die ook van de
heidenen eisen, dat ze de besnijdenis en de andere wetten van Mozes zullen
onderhouden. Het gaat daar om wetten die een schaduw zijn van de dingen die
komen zouden. Er wordt op het convent geen totaallijst opgesteld van wat voor
de heidenen geldt.
Het is juist veel
zeggend, dat in de brieven de tien geboden ook voor de heidenen ontvouwd worden
in hun diepe consequenties voor het leven van de heiliging. Geen heiden kan
antwoorden: “Ja, maar dat hebben zij in Jeruzalem niet besloten”. Het gaat op
het convent m.n. om de ceremoniële wetten, niet om de geboden van de decaloog
en dan wordt afgesproken, dat de christenen zich moeten onthouden van wat door
de afgoden besmet is, van hoererij, van het verstikte en van bloed (Hand.
15:20). Als reden wordt erbij gegeven: “Immers Mozes heeft van oudsher
in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt
voorgelezen” (15:21). Dit betekent, dat de
heidenen op dit punt rekening moeten
houden met de Joden. Het ging dus om het los komen van de mozaische bepalingen
inzake rein en onrein. Daarom maakte men
overgangsbepalingen. Blijkbaar was er op deze vergadering nog geen strijd over
het onderhouden van dagen als de sabbat. Later komt die strijd er wel. Vandaar
ook, dat dit punt toen niet aan de orde is gekomen. Ook de rest van de
apostolische brieven laat zien, dat in ieder geval negen van de tien geboden
zonder meer gelden voor de heidenen en dat in directe relatie met de
oorspronkelijke formulering. Paulus merkt bijv. in zijn brief aan de Efeziers
(6:2) niet zonder reden bij het vijfde gebod op, dat dit het eerste gebod is
met een belofte! Kortom, het besluit van het apostelconvent te Jeruzalem zegt
niets over de geldigheid van het vierde gebod. De motivatie voor het
onderhouden van de zevende dag ligt nadrukkelijk in Gods eigen handelen. Het
gaat terug op de sabbat om het navolgen van God als Gods beelddragers. Bij de
eerste officiële formulering van het gebod wordt Israël opgeroepen om te “gedenken”. Ze moeten de openbaring van genesis 2:1-3 in het heden
tegenwoordig stellen. Omdat het in
Genesis 2:1-3 gaat om de Schepper, heeft Gods rusten, heiligen en zegenen van
de zevende dag van meet aan een
universele betekenis. Bij de
profeet Jesaja openbaart de HERE, dat in de toekomst ook de heidenen in deze
zegen zullen gaan delen (56:1-8 en 66:23). Christus pakt deze lijn op, als Hij
verkondigt dat de sabbat gemaakt is om de
mens, en niet de mens om de sabbat (Markus 2:27). Christus zegt niet, dat
de sabbat gemaakt is om de Jood! Het gaat dus om Adam, de mens.
Johannes schrijft zijn
Evangelie aan de heiden christenen in Klein-Azie. Hij wijst hen erop, dat
Christus op de eerste dag is opgestaan en hen op die dag bij elkaar roept (20:19).
Het zelfde gebeurt op de achtste dag. Christus neemt hierin het initiatief. Als
Johannes terugkijkt ontdekt hij daarin een wonderlijk geheim. Hier liggen de
wortels van het geheim, dat de eerste dag voor de christenen een bijzondere dag
is geworden. Al heel vroeg vinden we getuigenissen, dat de christenen op de
avond van deze dag samenkomen.
Het is ook heel treffend,
dat Johannes spreekt van de eerste en de achtste dag. Beide dagen komen we ook
in het oude testament tegen. Bij het paasfeest mag er op de eerste dag geen
dienstwerk gedaan worden en er is ook een heilige samenkomst (Ex. 12:16; Lev.
23:7; Num. 28:18). Wel mag het eten klaargemaakt worden (Ex. 12:16). Ook bij
het loofhuttenfeest worden de eerste en de achtste dag aangeduid als
verbodsdagen, waarop geen dienstwerk gedaan mag worden en waarop een heilige
samenkomst gehouden moet worden (Lev. 23:35 e.v.).
Conclusie: het is
opvallend, dat de HERE in het oude testament in relatie met de grote feesten,
dus in een zeer feestelijk kader, verbodsdagen gaf naast de sabbat. Deze dagen
tekenden al iets uit van de nieuw testamentische dag des Heren. Over deze dag
des HEREN heeft Johannes het ook in Openbaringen 1:10. Sommigen denken, dat het hier gaat over de
oordeelsdag. Deze uitleg vindt echter
geen steun in de grondtekst. In het Grieks staat er dan immers steeds: hemera
kuriou, dag van de Here. We zien dat
in: Jes. 2:12; 13:6;13:9; Joel 1:15; 1Thes. 5:2 en 2 Petrus 3:10. Maar in
Openbaringen 1:10 staat in het Grieks: tei kuriakei hemerai, dus het bijvoeglijk
naamwoord van kuriakos. In het nieuwe testament komt het bijv. naamwoord nog
een keer voor en wel in 1 Kor. 11: 20. Daar heeft Paulus het over de kuriakon
deipnon, de maaltijd van de Here. Het gaat daar dus over de maaltijd die bij
Christus hoort en door hem is ingesteld. Johannes heeft juist dit woord hier
gekozen om de dag van Christus opstanding te scheiden van dag van het oordeel.
Paulus heeft dit bijv. naamwoord dus eerst christologisch gebruikt voor het
heilig avondmaal en Johannes trekt deze lijn door in Openb. 1:10, wanneer hij
spreekt over de (opstandings) dag van
de Here. Ook de kerkvaders hebben steeds deze benaming aangehouden voor de dag
van de Here als opstandingsdag. Die ontwikkeling was blijkbaar zo fundamenteel,
dat tot de dag van vandaag in Griekenland de zondag wordt aangeduid als kuriake.
1.23. Opstandingsdag /
rustdag?
Sommigen zijn van mening,
dat op de eerste dag van de week de christenen al heel snel
`s morgens vroeg en `s
avonds laat bij elkaar kwamen. Overdag werkten ze; ze hielden deze dag nog niet
als rustdag. De Joden en christenen uit de Joden hielden vaak nog gewoon de
sabbat als rustdag en de christenen uit de Joden kwamen dan bovendien op de
eerste dag 2x samen. De Jodenchristenen hielden dus de eerste eeuwen de sabbat
nog en kwamen ook op de zondag bij elkaar. Zo werd toch de gave van de rust van
Genesis 2:1-3 en van Gods ritme bewaard. Anderen menen, dat de vroege en late
diensten op zondag met name werden gehouden, zodat ook de slaven in de
gelegenheid zouden zijn om de kerkdiensten te bezoeken. Ze zeggen, dat de
gemeenteleden, die niet de positie van slaaf hadden wel rustten op de zondag.
Ze verwijzen naar getuigen uit de eerste eeuwen, m.n. de Apostolische Vaders.
Dat waren mannen, die na de apostelen zijn opgetreden. Voor een deel waren zij
nog leerlingen van de apostelen geweest. Zij hebben ons geschriften nagelaten,
meest praktische, godsdienstige getuigenissen. We noemen enkele: Clemens
Romanus, die twee brieven schreef aan de gemeente te Korinte; Barnabas; Pastor
Hermas; Ignatius van Antiochie; Polycarpus en Papias. Ook is er nog het
geschrift: Het onderwijs van de twaalf apostelen. Het stamt uit het begin van
de tweede eeuw, dus ongeveer het jaar 110. En tenslotte nog Justinus de
Martelaar, die leefde van omstreeks de jaren 100-165. Deze getuigenissen
stammen dus uit de tijd, dat Johannes op Patmos de Openbaringen ontving.
Uit: Het onderwijs van de
twaalf apostelen, lezen we: “op de dag des Heren zult u samenkomen, het brood
breken en dankzeggen na openlijk uw zonden beleden te hebben, opdat uw offer
rein mag zijn”.
En Justinus de Martelaar
schreef: Over de wekelijkse samenkomst.
“3. Op de dag die men
zondag noemt, vindt er een bijeenkomst plaats van allen die in de stad en op
het land wonen. Dan lezen ze de gedenkschriften van de apostelen en de
geschriften van de profeten, zolang dat nodig is. 4. Als de voorlezer ophoudt
geeft de voorzitter door middel van een toespraak een vermaning en roept op al
deze schone dingen na te volgen. 5. Daarna zenden we gemeenschappelijk gebeden
op… 7. Op zondag komen we allemaal bijeen omdat het de eerste dag is, de dag
waarop God door verandering van de duisternis en de materie de wereld schiep en
waarop Jezus Christus onze Redder vanuit de doden opstond”.
Langzamerhand heeft de
Geest de gemeenten geleid van pascha
naar avondmaal, van besnijdenis naar
doop en van zevende dag naar de eerste dag als rustdag. De eerste
dag was wel vanaf de opstanding een vierdag van de gemeente en werd
waarschijnlijk pas met keizer Constantijn weer een rustdag voor iedereen. Hoe
het in die eerste eeuwen precies geweest is, is eigenlijk niet echt van
doorslaggevend belang. Immers wat de Here ons Zelf in de Bijbel zegt over het
rusten en heiligen, het gedenken en bewaren, en het vieren is duidelijk genoeg,
om te kunnen weten, dat de rustdag een goddelijk gebod is voor de kerk uit
oude- en nieuwe bedeling!
2. Wat leren
we uit de kerkgeschiedenis over deze zaak?
2.1. Van Didache tot
Constantijn.
Op 3 maart 321 riep
keizer Constantijn per decreet de zondag
uit tot rustdag.
Rond het jaar 100
verscheen het christelijk geschrift, dat de naam Didache of ook wel onderwijs van de twaalf apostelen draagt. Dit
werk gaat uit van het vieren van de dag des Heren op de eerste dag der week.
Het vasten werd verschoven naar de vierde en de zesde dag.
Ook in een brief van de
Romeinse stadhouder Plinius wordt
verteld, dat de christenen al voor het aanbreken van de dageraad op de dag des
Heeren samen komen en tot hun God liederen zingen, en zich door een eed
verplichten jegens elkaar, dat ze zich zullen onthouden van diefstal, moord,
echtbreuk, enz. en dat ze na de arbeid opnieuw samenkomen.
Dan is er ook nog de Barnabasbrief. Volgens deze auteur is
de sabbat aan het begin van de wereldgeschiedenis op de zevende dag ingesteld.
Volgens hem zal de volkomen vervulling van de scheppingsordening gevonden
worden met Christus wederkomst; tot die dag leeft de christen uit de dag van
Christus opstanding.
Tertulianus,
die leefde rond het jaar 200, schreef als eerste over het zich onthouden van
beroepsarbeid. Het rusten wordt bij hem bepaald door het vieren.
Op het Concilie van Laodicea (363?) schijnt de
zondag voor het eerst op de agenda geplaatst te zijn. Mogelijk reageert het
concilie op een Judaistische misstand. Er wordt uitgesproken, dat de christenen
niet op Joodse manier moeten leven. Ze moeten op zaterdag gewoon werken. Ze
moeten de voorrang geven aan de zondag.
Karel de Grote (742-814) vaardigt zelfs 10 zondagswetten uit. Zijn hoftheoloog
Alcuinus is ervan overtuigd, dat de viering van de sabbat terecht is overgegaan
in die van de zondag. Karel verwijst in zijn zondagswetten zowel naar de
opstanding van Christus, als ook naar het vierde gebod. Beide zijn grond voor de zondagsviering.
2.2. Dag des Heren.
Wanneer christelijke schrijvers de relatie
tussen de zondag en het vierde gebod niet leggen, komen zij tot een vergeestelijken van de zondag: het
rusten op de oud testamentische sabbat is volgens hen een voorafschaduwing van
de rust die Christus brengt. De sabbat wordt zo een vorm van geestelijke rust
in het hart! Het rusten van boze werken. Dit heeft zelfs doorgewerkt bij
Calvijn! Ook Douma ziet de betekenis van het vierde gebod als blijvend, en de
betekenis van het vieren van de sabbat op de zevende dag als voorlopig.
Het vierde gebod kan als
gave alleen recht verstaan worden vanuit het opschrift van de decaloog. De God
van de bevrijding en verlossing geeft het vierde gebod: Israël mag een door
Jahwe bevrijd volk zijn. Zo mag de Jood
elke week de uittocht vieren en zo de feestklanken van Gods ritme bij de
schepping gedenken en weten dat God de mens doet zijn naar Zijn beeld en deel
geeft aan Zijn ritme.
Het opschrift boven de decaloog krijgt vanuit Gods
grote daden in Jezus Christus een nog diepere dimensie. De bevrijding uit
Egypte mag nu verstaan worden als verlossing uit de geestelijke dood en als
bevrijding van de dood als gericht.
Vanuit dit geheim mag de dag des Heren evenals de sabbat ontvangen worden als
een geschenk. Dit behoedt ons voor zowel een wettische, als voor een
antinomiaanse opvatting van het vierde gebod.
Vanuit de wet klinkt
eerst de oproep om te gedenken. Dat
is het tegenwoordig stellen van Gods
rusten bij de schepping. God heeft zelf
de tijd geheiligd en een gezegend ritme gegeven. Het weten van ophouden wordt
in Genesis 2:1-3 getekend als een feestelijk gebeuren! De mens die niet van
ophouden weet, is geen door God bevrijd mens, maar is teruggevallen in de
slavernij (van Egypte). Als tweede richt dit gedenken zich op het zich wijden aan de Here.
In de derde plaats volgt
dan de oproep om alle beroepsarbeid na
te laten. Deze rust schept alle
mogelijkheid om onbekommerd de dag van de Here te vieren en Hem te wijden.
In de vierde plaats wordt
het gebod uitgewerkt naar alle kanten: het hele gezin, alle slaven, zelfs de
dieren mogen adem scheppen en op adem komen. Dit is het sociale aspect.
In de vijfde plaats zien
we in de versie van Deuteronomium het aspect van het bewaren.
Het bewaren krijgt
gestalte in de weg van het doen.
2.3. Sabbat en
dag des Heren.
De sabbat en de dag des
Heren zijn beide een gestalte van
het vierde gebod. We kunnen verschillende overeenkomsten zien: het zijn beide
feestdagen, er is verlossing te vieren, de eredienst neemt op beide dagen een
belangrijke plaats in, zo als de sabbat gemaakt is voor de mens is ook de
zondag gemaakt voor de mens.
Het bewarende element in
de zondagviering zien we het best bewaard bij een puriteinse viering. Een land
zonder zondag moet op den duur worden een land zonder gemeente, zonder Woord en zonder de sacramenten, zonder de Naam van
God en zonder christelijke barmhartigheid.
Douma zegt hierover:
“Want sabbat vieren is een duidelijke proef op de som, of men het heft in eigen
handen wil houden of z`n leven onbezorgd aan de Heere wil toevertrouwen”.
2.4. Thomas van Aquino
1224/1225-1274.
De viering van de zondag
wordt in de loop van de eeuwen steeds meer in verband gebracht met het vierde
gebod. Op deze ontwikkeling heeft ook de middeleeuwse theoloog Thomas van
Aquino belangrijke invloed gehad. In zijn standaardwerk Summa Theologiae
behandelt hij in het kader van de
“Voorschriften der gerechtigheid” (de Tien Geboden) ook het vierde gebod. Hij
gebruikt de onderscheiding moreel en
ceremonieel ten aanzien van de wet
der Tien Geboden. Bij het morele aspect gaat het volgens hem om datgene wat
blijvend is voor de kerk van het nieuwe verbond. Bij ceremonieel gaat het om
datgene, wat alleen betekenis had voor de kerk van het oude verbond. Bij zijn
uitleg van het vierde gebod zei hij, dat moreel is, dat de mens een deel van
zijn leven moet afzonderen om vrij te zijn voor de dienst aan God. Ceremonieel
is volgens hem, dat deze dag in het vierde gebod op de zevende dag valt. Het
morele van de sabbatsrust is volgens hem ook, dat de mens moet rusten van al
zijn zonden en geestelijk moet rusten in God. Tot in onze tijd heeft de
onderscheiding van Thomas van Aquino
t.a.v. de geboden door gewerkt.
2.5. Luther, Zwingli
en Calvijn.
Luther en Zwingli trekken
de lijn van Thomas van Aquino verder door.
Zij zoeken de betekenis van
het vierde gebod in het vergeestelijken ervan: het rusten van de zonde en het
dienen van God. Daarom zien zij ook eigenlijk geen onderscheid tussen de zondag
en de overige dagen van de week. Calvijn lijkt op het eerste gezicht
verwantschap te tonen met de opvatting van Luther. Toch graaft hij dieper. Hij
zegt dat God bij Horeb het vierde gebod
geeft voor drie doeleinden:
1. Door de rust van de zevende dag wil God
Israël de geestelijke rust voor ogen stellen, dus
de arbeid onderbreken om Gods Geest in
je te laten werken.
2. God wil, dat de mensen een dag vrij
zijn, om de wet te horen, en geoefend te worden in de
vreze Gods.
3. Deze dag is ook gegeven als rustdag voor
de slaven.
Calvijn zegt vervolgens
ook, dat het vierde gebod is afgeschaft in zoverre het een ceremoniële,
wettelijke instelling was voor de Joden. Zo is de sabbat een schaduw geweest
tot de komst van Christus. Dit raakt m.n. de voorafschaduwing van de
geestelijke rust. Deze rust is door Christus opstanding verworven. De schaduwen
verdwijnen, nu het lichaam gekomen is. De tweede betekenis heeft ook in
Christus blijvende geldigheid.
Echter het is moeilijk om
Calvijns visie goed in het vizier te krijgen, omdat hij in zijn Institutie
anders over deze zaken schrijft dan in zijn commentaar op Genesis 2:1-3. In het
laatste noemt Calvijn het ritme van zes dagen plus een dag niet slechts geldig
voor een volk, maar voor het hele menselijke geslacht.
3. Wat zegt
onze belijdenis (en andere belijdenissen) over dit onderwerp?
3.1. De Catechismus.
Drie aspecten: 1. het
onderhouden van de dienst des Woords en
de scholen.
2. dat ik op de
sabbat, dat is de rustdag, tot de gemeente kom om Gods Woord
te horen, de
sacramenten te gebruiken, God aanroepen en de armen
christelijke
handreiking te doen.
3. de geestelijke
rust.
In het Duitse origineel
van de Catechismus wordt gesproken over de “Feiertag”. Het woord “sabbat” komt
alleen in de Nederlandse vertaling voor, van Petrus Dathenus.
Het vierde gebod is
positief geformuleerd. Het zegt niet wat niet mag, maar richt de aandacht op
datgene, waartoe de HERE ons wel
oproept.
Ad. 1. De Catechismus
begint met de ruimtescheppende randvoorwaarden voor de dag van de HERE: de
dienst des Woords en de scholen. Dit
lijkt heel materieel, maar het is diep geestelijk: er is geen kerk-zijn, geen
sabbatsviering mogelijk zonder dat de bediening van het Evangelie in stand
gehouden wordt. Het gaat dan immers om de verkondiging van de bevrijding in
Christus en de door hem verworven rust. De verkondiging van het Evangelie moet
voortgang hebben. De dienst der offerande is dus een wezenlijk onderdeel van de
bevrijdingsdag. Bij scholen moeten we eerst denken aan de opleiding van
predikanten.
Festus Hommius trekt in
zijn catechismusverklaring de lijn door naar de scholen: ”De scholen dewelke
als planthoven zijn van de gemeente”. Hij zegt: “Ze moeten in de kennis en de
vreze Gods onderwezen en opgevoed worden”. De christelijke gemeente kan het
belang van goed christelijk onderwijs niet snel overschatten. De HERE zelf
geeft daar duidelijke aanwijzingen voor. De gemeente heeft er op toe te zien,
dat het beste voor het zaad van de gemeente wordt aangewend. Het onderwijs dient
voluit schriftuurlijk onderwijs te zijn.
Ad. 2. En dat ik vooral
op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot Gods gemeente zal komen. Het gaat
niet om een club, waar je je geregeld moet laten zien. Het gaat om het
samenkomen van mensen, die door God zijn samengeroepen. De samenkomsten gaan
van God uit, Hij roept op. Hij roept samen.
Om het Woord te horen.
Onze God is een sprekende God. Hij is de God van het Woord.
Om de sacramenten te
gebruiken. De heilige doop en het avondmaal. Tekenen van de bevrijding.
Ad. 3. Dat de eeuwige
sabbat in dit leven begin. Begeren wij nu de andere dagen van de week te leven
vanuit deze ene dag? Begeren wij, dat de Geest van God steeds meer in ons Zijn
heerschappij gaat voeren? De Geest heiligt en herschept. Hij is de band met
Christus.
3.2. De Westminster
belijdenis.
Dit geschrift zegt: “Dat
God in Zijn Woord door een positief, moreel en voortdurend gebod, alle
mensen in alle eeuwen bindend, in het bijzonder een dag op de zeven heeft
aangewezen voor een sabbat, die voor Hem heilig gehouden moet worden. Van de
opstanding van Christus is deze dag veranderd in de eerste dag van de week,
welke in de Schrift de dag des Heren wordt genoemd, en onderhouden moet worden
tot het einde van de wereld als de christelijke sabbat” (hoofdstuk 21 sectie
7).
3.3. De Nederlandse
geloofsbelijdenis.
In artikel 25 wordt heel
in het kort ingegaan op de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de
gebruiken die door de wet waren voorgeschreven. Zij zegt, dat er in Christus
aan de schaduwen een einde gekomen is. Verder zegt zij, dat voor ons blijft de
waarheid en de inhoud ervan die in Christus Jezus hun vervulling hebben.
Tenslotte, dat wij nog
gebruik maken van de getuigenissen uit de wet en de profeten, om ons in het
Evangelie te bevestigen en overeenkomstig Zijn wil te leven tot Zijn eer.
We vinden hier dus geen
direct verband met het vierde gebod.
4. Wat hebben synoden t.a.v. deze zaak besloten?
4.1. Synode van Dordt
1618 / 1619.
Zeeland beklaagt zich
over de slappe houding van andere provincies t.a.v. het vierde gebod.
Daarover ontstaat dan een
conflict tussen de Zeeuwse afgevaardigden tijdens de synode.
De twisten lopen zo hoog
op, dat de synode wel heel snel een beslissing moet nemen in deze zaak. De
hoogleraren krijgen opdracht om met de afgevaardigden van Zeeland om de tafel
te gaan en met elkaar een voorlopige
oplossing te vinden. Dat besluit wordt genomen tijdens de
ochtendvergadering van de 163e zitting. Tussen de middag komen de
hoogleraren met beide partijen samen en `s middags wordt er in de 164e
zitting al een besluit genomen. Het besluit is een compromis van beide
opvattingen. De snelheid laat zien, dat er geen tijd was voor diepgaande
studie. Dordt heeft dus de zaak niet opgelost. Het was een noodoplossing tot er diepgaander studie zou zijn gemaakt en er
een definitief besluit zou kunnen worden genomen.
Bovendien ging het op de synode van Dordrecht niet om
de vraag of er wel of geen gebod van de Heere is om te rusten, maar over wat
wel en niet mocht op zondag, over het verschil tussen de puriteinse- en de
vrije opvatting. Zeeuwse afgevaardigden beklagen zich over de slappe houding
van andere provincies t.a.v. het doorbrengen van de zondag.
De ad hoc uitspraak van
Dordrecht had als bedoeling, het vastleggen van een aantal algemene regels,
waaraan elke partij zich moet houden, tot er op een eerstvolgende Nationale
Synode er naar deze zaak diepgaander onderzoek kan plaatsvinden en er een
definitieve uitspraak gedaan kan worden. Deze
regels gaven dus de grenzen aan waarbinnen de strijdende partijen moesten
blijven. Die definitieve uitspraak is echter nooit gekomen.
We vermelden hieronder
nog het besluit van de betreffende synode, zoals dat in de post-acta van de 164e
zitting vermeld staat:
1e. Int 4e ghebodt vande godtlycke wet is yet (iets) ceremoniaels ende yet moraels.
2e. Ceremoniael is gheweest de ruste vanden sevenden dach na de scheppinghe, ende de
strenge onderhoudinghe vanden selven dach, die het Jodische volck bysonderlyck
(opgelegd) was.
3e. Morael, dat een seeckeren ende gesetten dach den goodtsdienst zy toegeeygent (bestemd
zij), ende daar toe zoo veel ruste, als tot den Goodtsdienst ende heilighe overdenckinghe
des selffs van noden is.
4e. Zijnde den Sabbath der Joden affgeschaft, moeten de Christenen den Zondach
solemnelick (plechtig) heylighen.
5e. Desen dach is sedert de Apostelen, inde oude Catholycke Kercke altyd onderhouden
gheweest.
6e. Deselve dach moet alsoo den goodtsdienst toegeeygent worden, datmen op den selven
moet rusten van alle slaeffwerken (uytgesondert diegenen, die de lyeffde (liefde), ende de
teghenwoordighe noodsaeckelickheden vereyschen), mitsgaders van alle sodanighe
recreatien (ontspanning) die den Goodtsdienst verhinderen.
Dordrecht heeft deze zaak
dus niet opgelost. Later ontstaat er tussen de hoogleraren Gomarus en Walaes
opnieuw een dispuut. Voetius (17e
eeuw) heeft de diverse strijdende partijen trachten te verzoenen met een
sabbatsleer, die strenger is dan die van de reformatoren, maar tegelijk milder
dan die van de Puriteinen. Met name Voetius` opvatting is bepalend geweest voor
de latere, gereformeerde zondagsviering in Nederland.
4.2.
De synode van Hoogeveen.
Ook
de synode van Hoogeveen (1969-1970) nam besluiten n.a.v. een discussie over de
rustdag in het oude en nieuwe testament en de plaats en betekenis van Gods wet,
die omstreeks 1958 in de kerken op gang kwam. De synode veroordeelde de leer
van ds. J.O. Mulder en ds. G. Visee over Gods wet (Acta art. 249, m.n. pagina
212-217).
Op
deze synode werd ook een amendement ingediend door ds.C.J. Breen en ds. J. van
Raalte. Dit amendement hield in: dat de synode zou afwijzen de opvatting van
ds. Visee “dat het vierde gebod als gebod
om te rusten van de beroepsarbeid, in navolging van God, voor de
nieuwtestamentische kerk niet meer verbindend is”. Een dergelijke uitspraak
zou dan moeten komen na de 5 veroordelingen van de uitspraken van ds. Mulder en
Visee.
Echter
de synode verwierp dit amendement. En met welke reden? Heel gewoon deze, dat de synode er niet van overtuigd was,
dat deze predikanten de genoemde opvatting (je hoeft niet rusten op zondag)
inderdaad leerden. Integendeel, ds. Visee had zelf geschreven, dat, hoewel
in het nieuwe testament geen uitdrukkelijk gebod te vinden is over het rusten
op de zondag, toch dat laten rusten van beroepsarbeid gebiedende eis is tot een
rechte viering van de wekelijkse rustdag. Dus, ondanks de vreemde leer van ds.
Visee over de 10 geboden, was niet te bewijzen dat hij wilde tornen aan het
rusten op de zondag.
Dat was dan ook de reden dat het amendement verworpen
werd. Het was dus niet, dat zij ruimte
wilde geven aan de opvatting, zoals in het amendement genoemd, maar alleen
omdat zij niet wilde uitspreken, dat dit ook inderdaad de opvatting van ds.
Visee was.
Dus de synode vond niet, dat het rusten op de zondag niet meer door de Here geboden zou zijn. Ook niet dat er ruimte in de kerk zou moeten zijn op dit punt.
4.3. De synode van Leusden.
Op deze synode kwam aan de orde een appel van de gereformeerde kerk van Nieuwegein tegen het besluit van de particuliere synode van Utrecht met betrekking tot een preek van ds. D. Ophoff over zondag 38 van de Catechismus. In deze preek bracht de betreffende predikant naar voren: - we hebben geen goddelijk gebod meer van de Here om op zondag te rusten.
- de rustdag is wel een goede menselijke instelling, die we zoveel mogelijk
moeten onderhouden.
De synode sprak het volgende uit:
1. dat in de preek van ds. D. Ophoff
van 2 juni 1996 over zondag 38 HC het belang
van de erediensten en van de
ruimte daarvoor duidelijk naar voren zijn gekomen;
2. dat evenwel in deze preek
onvoldoende uitkomt, dat in zondag 38 HC sprake is van
een gebod, namelijk om vooral
op de rustdag trouw de kerkdiensten te bezoeken;
3. dat de opvatting van ds. D.
Ophoff dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een
goddelijk gebod, niet te
veroordelen is;
4. dat er bovendien geen reden is om
aan te nemen, dat ds. D. Ophoff in het geheel van
zijn functioneren als dienaar
van het Woord binnen de Gereformeerde kerken in
Nederland afwijkt van de leer
van de kerk met betrekking tot het vierde gebod van
de wet van de Here.
In haar gronden verwijst zij naar de besluiten van de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619). De zes regels door die synode opgesteld genieten volgens Leusden onder ons moreel gezag. Volgens de Leusder synode functioneert de rust in de zes betreffende regels als middel om ruimte te maken voor de eredienst en de verwerking daarvan. Verder voert zij aan, dat er in de loop van de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland altijd ruimte is geweest, om verschillend te denken over de Schriftuurlijke fundering van de zondag als rustdag. Vervolgens voert zij aan, dat de zondag, als rustdag, gegrond is op een verantwoorde keus van de christelijke kerk.
Ook verwijst de Leusder synode naar de synode van Hoogeveen en wijst daarbij op het amendement, dat door de predikanten Breen en van Raalte was ingediend, en door deze synode werd verworpen. We hebben boven al gezien of dit beroep terecht is of niet.
4.4. Hoe nu verder?
We zien dus dat het rusten uit Zondag 38 ten dele wordt gehonoreerd. Over de geestelijke rust is men het wel eens. Echter van de materiele rust wordt gezegd, dat zij niet meer geldt voor de kerk van het nieuwe verbond.
We vragen ons af, waarom alleen het vierde gebod vervallen zou zijn voor wat betreft de daarin nadrukkelijk geboden rust? De HERE heeft toch Zelf gezegd, dat Hij dat gebod om te rusten koppelt aan Zijn eigen rusten bij de schepping:
“Want in zes dagen heeft de HERE de
hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat
daarin is, en Hij rustte op de
zevende dag; daarom zegende de HERE de
sabbatdag
en heiligde die”.
Als we het dus als kerken eens zijn, dat de kerken op de synode van Hoogeveen hebben vastgesteld, dat alle tien geboden nog steeds van kracht zijn, waarom zou dan juist dat ene element uit het vierde gebod niet meer van kracht zijn?!
We hopen van harte, dat de eerstvolgende generale synode het besluit van Leusden aangaande deze zaak herroept. We bidden of de Here ons als gereformeerde kerken wil blijven bewaren bij Zijn Woord, want alleen dan is er toekomst voor de kerk!
5. Tenslotte.
Geraadpleegde literatuur.
*
Van sabbat naar zondag, van ds. Joh. Francke.
*
De decaloog; schetsen over de tien geboden, van ds. R. Zijlstra.
*
De wet niet verzetten, van ds. A. Geelhoed.
*
Heiligt Mijn Naam en Mijn dag, van ds. R. van Kooten.
*
Acta van de Geref. Kerken in Nederland, te Hoogeveen in 1969 /1970.
*
Acta van de Geref. Kerken in Nederland, te Leusden in 1999.
*
Aanvulling, de nummers 2, 4, 5 en 6.
*
Artikelen van ds. P. van Gurp uit verschillende nummers van Reformanda.
*
Artikel in het Gereformeerd Kerkblad van ds. A. Bas.
Bijzondere dank en waardering.
We
hebben vooral veel gehad aan het boek van
ds. R. van Kooten
Heiligt Mijn Naam en Mijn dag.
1998, Uitgeverij Den Hertog B.V. te Houten.
ISBN 90 331 065 2
wijze
en in een eigentijdse stijl de
boodschap van de Schriften t.a.v. de sabbat aan ons zien.
Het
gaat ook in op vragen rond zondagsarbeid, de zondagswetgeving, de
arbeidstijdenwet, de winkelsluitingswet en de secularisatie. Ook de gegevens
uit de kerkgeschiedenis zijn in dit boek verwerkt. Kortom, een prachtig boek!
Wie dit boek ongelezen laat, mist veel!
Dus
van harte aanbevolen.
We
hebben een samenvatting van genoemd boek in dit verhaal verwerkt en er stukken
uit over genomen. Dit laatste is gebeurd met instemming van zowel de schrijver
als de uitgever.
Daarvoor
zeggen we hen hartelijk dank.
W.
Dijkstra, Heemse.