Communicatie, kerklied en postmodernisme

 

Ik wil het nu niet hebben over het kerklied, maar over een communicatieprobleem. Want dat probleem is er ook. Er bestaan in onze kerken helaas grote meningsverschillen rondom het kerklied. Tegelijkertijd kunnen we nauwelijks spreken van een echte discussie over dit onderwerp. Dat gebrek aan discussie is niet minder ernstig als de verschillen van inzicht. Want we bereiken elkaar niet meer.

Mijn  hypothese is dat deze communicatiekloof zo groot is, doordat veel voorstanders op postmoderne wijze denken en argumenteren, terwijl de tegenstanders niet in die denkwijze mee willen gaan.

Ik wil nu allereerst iets zeggen over dat postmodernisme, met een toespitsing naar het kerklied, daarna dat postmodernisme bezien in het licht van de bijbel, en tenslotte ingaan op de vraag hoe die kloof overbrugd zou kunnen worden.

 

Postmodernisme

Postmodernisme is niet een filosofisch of theologisch stelsel, zoals communisme, existentialisme of remonstrantisme. Het is veel meer een denkwijze, een levensinstelling. Je kunt maar in heel beperkte mate spreken over een grondlegger, of over de uitgangspunten van het postmodernisme. Het postmodernisme is geen stelsel, het beweert juist dat er geen stelsels mogelijk zijn. Postmodernisme is zeker geen logisch stelsel, het beweert juist dat logisch samenhangde stelsels niet kunnen.

 

We krijgen meer zicht op het postmodernisme, wanneer we het zien als zowel uitvloeisel van als protest tegen het modernisme. Het modernisme zag de hele wereld als een logisch systeem, dat je kunt beschrijven met de wetten van wiskunde en logica. Beschrijven levert dan ook de mogelijkheid van beheersen. Die wiskunde en logica hebben indrukwekkende resultaten opgeleverd in natuurkunde, scheikunde, techniek en zo voorts. In de loop van de twintigste eeuw werd die logica ook losgelaten op andere gebieden: psychologie, sociologie, taal. Toen liep het spaak. Die beheerste, mathematisch beschreven techniek keerde zich tegen de mens, via de oorlogstechnologie en milieubedreigingen. En de taal bleek ongrijpbaar voor de wiskundige logica. Want je kunt wel proberen taal als communicatiesysteem te gaan beschrijven en definiëren, maar uiteindelijk blijkt dat je taal alleen kunt beschrijven met behulp van taal. Je komt in een cirkelredenering, de zogenaamde hermeneutische cirkel.

Een stuk taal, een tekst dus, moet geïnterpreteerd worden, wil het iets betekenen. Wat betekent bijvoorbeeld een simpel woord als ‘ozewiezewoze’? Iedereen beleeft daarmee toch wat anders? Als ik mijn beleving ervan wil doorgeven aan een ander, moet ik opnieuw woorden gebruiken, die weer een eigen beleving meebrengen, bij mij een andere dan bij u. Kortom, een tekst heeft niet een betekenis, maar krijgt bij elke lezer of luisteraar een betekenis. Geen tekst kan dus waar zijn; hoogstens is die tekst waar voor mij of waar voor u. Voor de modernist betekent dit een probleem: de taal schiet te kort. De postmodernist ziet hier juist nieuwe mogelijkheden: het is leuk, geeft hem ruimte tot eigen omgang met teksten. Het is voor hem geen probleem dat de waarheid niet bestaat, maar op zijn best een heel persoonlijk en relatief begrip is.

 

Ik heb dus in grote stappen even voor u geschetst hoe logisch het is dat een logisch bewijs niet mogelijk is, niet in gewone taal, maar evenmin in een abstracte taal als wiskunde. Na dit bewijs, zult u ook begrip kunnen opbrengen voor de volgende postmoderne stellingen:

       Er bestaat geen absolute waarheid: dat is absoluut waar.

       We moeten volkomen tolerant zijn tegenover andersdenkenden, en wee degene die niet zo tolerant is.

 

Dit postmodernisme is dus een logisch uitvloeisel van het modernisme. Tegelijk staat het tegenover het modernisme, omdat het radicaal afrekent met de ideeën over logisch redeneren en objectieve waarheid.

 

Hoe komt het nu, dat deze denkwijze aanslaat? Onder andere doordat die op allerlei wijzen is voorbereid. Ik noem de volgende aspecten:

1. Het postmodernisme sluit aan bij het existentialisme. Waarheden zijn in deze stromingen pas waar en zinvol als zo ook belééfd worden; in het postmodernisme is de beleving het een en al, want dat is dus de waarheid – voor jou althans, en op dit moment.

2. De postmodernistische benadering van teksten is ook voorbereid door de bijbelopvattingen van Bultmann, Kuitert en vele anderen. Voor hen was de bijbeltekst immers ook slechts een verpakkingsvorm; het ging hun om de boodschap erin, om een doorleefd en toegeëigend geloofsgetuigenis.

We moeten hierbij ook denken aan het dialoog-karakter, dat aan de Bijbel werd toegekend. De Bijbel was immers relevant omdat en voorzover die met ons in dialoog gaat? Diezelfde subjectieve waardebepaling kent ook het postmodernisme.

3. Vanuit het modernisme was er een sterke tendens tot individualisme. Het postmodernisme trekt dit verder, en geeft elk individu een gigantische vrijheid. Er is in wezen een absolute vrijheid in het aanvaarden en interpreteren van normen – als je nog van normen kunt spreken.

4. Postmodernisme past in onze welvaartsmaatschappij. Vroeger was samenwerking en conformisme een levensvoorwaarde, anders was er geen mogelijkheid van bestaan, geen voedsel en geen bescherming. Maar nu al die basale levensvoorwaarden royaal vervuld zijn, brood en spelen een vanzelfsprekendheid zijn geworden, zoeken de mensen naar steeds verdere zelfontplooiing en zelfverwerkelijking. Postmodernisme geeft die vrijheid, in wezen een zeer individualistische vrijheid.

 

Kan de postmoderne mens nog wel communiceren? Nu de taal als communicatie­medium heeft afgedaan, kan er nu nog wel gecommuniceerd worden? Kan de postmoderne mens nog wel communiceren over de wezenlijke zaken: leven en dood, liefde en haat, de relatie met God? Ja, dat kan, maar dan niet met alledaags taalgebruik, alleen via de kunst. Kunstuitingen – beeldende kunst, literatuur, muziek – communiceren op een dieper niveau. Buiten het bereik van de logica dus.

 

Deze schets van het postmodernisme is erg summier en onvolledig. En in zekere zin ook te volledig. Want ik presenteer het u als toch een min of meer logisch samen­hangend geheel. En dat kan eigenlijk niet, volgens de denkwijze van het postmodernisme. Iemand die consequent postmodernist is, denkt niet consequent.

 

Wanneer mijn hypothese juist is, en we inderdaad bij de voorstanders van deze gezangen-selectie te maken hebben met postmodernistische tendenzen, dan worden een paar zaken opeens heel helder:

1. Deputaten vinden de bijbel op allerlei plaatsen eenzijdig, zelfs tegenstrijdig. Maar dat laten ze graag zo, zij ontlenen er zelfs een argument aan dat ook liederen eenzijdig zouden mogen zijn. Mijn tegenwerping dat het lied in overeenstemming moet zijn met het geheel van de bijbel, en mijn bezwaar dat de bijbel niet met zichzelf in tegenspraak kan zijn, zal bij hen niet landen. Dat zijn zulke absolute uitspraken over teksten. Nee, we moeten onbekommerd eenzijdig kunnen zijn, zoals de Bijbel dat zelf ook doet, las ik in het besprekingsverslag in de Acta van Leusden.

2. Hebt u ooit bij deputaten gelezen dat ze een lied aanwezen als onbijbels? Ik niet. Ze hebben in hun rapport aan Zuidhorn wel 3 liederen teruggetrokken, maar dat was alleen omdat er te veel kans is op misverstand. De beleving door sommige gemeenteleden is dus het probleem. Zo heeft ook de synode in Leusden niet gestemd over de schriftuurlijkheid van de 131 besproken liederen, maar alleen om te bepalen of er draagvlak was in de kerken.

3. In de criteria van de synode van Leusden staat niet meer dat een lied schriftuurlijk moet zijn, maar dat het schriftuurlijk geïnterpreteerd moet kunnen worden. Het gaat immers niet om de tekst, maar om de interpretatie ervan.

4. In hun liedbesprekingen zijn deputaten niet bezig met de analyse van een lied, maar beschrijven ze vooral welke associaties een lied bij ons zou kunnen oproepen.

5. De bijbelliederen in het Liedboek zijn vooral geen weergave van de bijbeltekst; ook spreken ze niet, uitgaande van die ene tekst, het geheel van de schriften na, maar het zijn dichterlijke reacties bij en naar aanleiding van de bijbeltekst. De subjectieve verwerking van de bijbeltekst wordt niet maar getolereerd, maar zelfs tot norm verheven.

 

Zo ziet u dat mijn hypothese veel verklaren kan van de bestaande communicatiekloof.

Er is nog een andere factor die hieraan bijdraagt. Die mag ik hier niet ongenoemd laten, maar ik zie dat als een secundaire factor. Dat is de invloed van de evangelische beweging op Amerikaanse leest. Want die evangelische beweging is sterk anti-intellectualistisch. Dat zeggen Amerikaanse evangelischen zelf. En als je het intellect uitschakelt bij het beoordelen van liederen, dan wordt je gevoel en smaak de norm. En over smaak valt niet te disputeren, hoogstens voor of tegen te roepen.

Deze twee, postmodernisme en anti-intellectualisme, versterken elkaar, doordat beide eigenlijk geen norm buiten ons meer kennen, maar die norm zoeken in onszelf.

 

Wat heeft de Bijbel op dit postmodernisme te zeggen? Kort en duidelijk: Nee. Dat wil ik op een paar onderdelen kort toelichten.

1. Waarheid en leugen bestaan, net zo absoluut als dat God bestaat, die Zelf dé waarheid is.

2. Gewone taal is bruikbaar om waarheden, eeuwige waarheden, aan mensen mee te delen. Lees bijv. Johannes 5:39.  Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen.

3. De Schrift spreekt niet in de eerste plaats de taal van beleven en voelen, maar veeleer taal van rechtspraak en harde afspraken, juist als het gaat om ons heil. Denk maar aan worden als verbond, rechtvaardig, vrijspraak, voldoening, getuigen.

4. De Schrift roept ons op tot toetsen, niet alleen van de geesten, maar zelfs van alle dingen. Dat kan alleen als we een toetssteen, een norm hebben – en die norm is de Bijbel.

Maar de postmodernistische mens legt de norm niet bij de Bijbel, maar in zijn eigen beleving, hij is zichzelf tot wet. De oude kwaal van het subjectivisme steekt hier in een nieuw jasje.

 

Wat moeten we met die kloof? Want de kloof is breed en diep. Als ik iets afwijs met als argument: ‘er staat immers geschreven … ‘, dan is de reactie zoiets als: ‘ik voel dat zo niet’, of ‘ik beleef dat anders’. Komt dat ooit nog uit boven het niveau van welles tegenover nietes?

Probeer je in een iets uitgebreider betoog in te gaan op wat deputaten schrijven, en krijg je een reactie van hen – dat is een paar keer gelukt – dan merk je dat ze niet ingaan op het geheel van je betoog. Er worden een paar elementen uitgepikt, en daar wordt op gereageerd. Zoals het postmodernisme verbrokkeld redeneert, lijken ook deputaten verbrokkeld te lezen.

 

Tegen een consequente postmodernist – als zo iemand kan bestaan – is geen redeneren mogelijk. Eigenlijk past tegenover hem alleen het bevel, de vermaning: bekeer je! Wat dat betreft is een postmodernist net zo veel of net zo min hopeloos als een nihilist, communist, boeddhist enz. Er is ‘alleen maar’ het wonder van de bekering nodig.

 

Maar lang niet alle mensen met wie we te maken hebben in onze kerken, zijn zo postmodern. Ik zou niet graag beweren dat al die dominees en ouderlingen die voor de Liedboekselectie hebben gestemd, ook postmodern zijn. Maar de postmoderne invloeden zijn wel sterk, al zijn de meesten zich daarvan nauwelijks bewust. Ik noem er een paar:

1. De aandacht voor de waarheid is verminderd. De aandacht is verschoven naar wat we voelen en ervaren. Hoeveel tijd wordt in de preek, de kerkenraad, het huisbezoek en de studie nog besteed aan het opkomen voor de waarheid, het bestrijden van dwaling? Vergelijk dat eens met de aandacht voor ervaringsonderwerpen: saamhorigheid, gemeenteopbouw, welbevinden.

Hetzelfde merk je in discussies over liederen: een zorgvuldige analyse van een lied wordt terzijde gelegd met de opmerking: ik voel dat niet zo. Einde discussie?

2. Het beroep op de bijbel wordt als het erop aan komt onmogelijk gemaakt. Iedereen leest daarin toch iets anders, we weten toch allang dat je het daarover toch niet eens wordt! Het is de postmoderne omgang met de Bijbel als een tekst. Maar het betekent uiteindelijk een radicale streep door de Bijbel als de enige norm en als een helder licht.

3. Zoals het postmodernisme het waarheidsbegrip heeft verruimd, hebben wij ook het kerkbegrip verruimd. We treffen in de boekhandel een bundel liederen aan van roomse, mystieke, lutherse, piëtistische, anglicaanse, doperse, remonstrantse en vrijzinnige oorsprong, en dat noemt de synode dan de ‘schat van de kerk der eeuwen’. Elk onderscheidingsvermogen naar art. 28 NGB hebben we blijkbaar in de ijskast of het museum gezet.

 

We zullen onszelf en elkaar als leden van Christus’ kerk een spiegel moeten voorhouden: hoe postmodern zijn wij?  En goed bijlichten met het ene grote licht dat we daarvoor hebben gekregen: de Bijbel. We moeten ook daarin concreet op elkaar toezien. Hopelijk schrikken er velen, juist ook in de generatie die nu de leiding heeft. Het kan een heilzame schrik zijn.

 

J.P.C. Vreugdenhil, januari 2002