Over recht en plicht tot toetsen
Hebben gewone kerkleden wel het recht
om synodebesluiten te beoordelen op schriftuurlijkheid? Getuigt dat niet van
een groot wantrouwen? Moeten we de besluiten van de synodes niet simpel
aanvaarden en voor vast en bondig houden?
Deze vragen zijn niet nieuw, en
bestonden ook al tijdens de Reformatie in de zestiende eeuw. En daarop zijn
toen duidelijke antwoorden gegeven. Hieronder volgt een kleine samenvatting van
de antwoorden die Luther en Calvijn vonden in de Bijbel. De samenvatting is
genomen uit een boek van de (synodaal) gereformeerde hoogleraar prof. Dr.
A.D.R. Polman[1].
Nadat Luther reeds in zijn drie voornaamste
reformatorische geschriften (Aan de Christelijke adel, De Babylonische
ballingschap der kerk, De Christelijke vrijheid, alle drie uit 1520) op het
algemene priesterschap der gelovigen gewezen had, zijn het vooral twee
geschriften uit 1523, waarin hij zijn gedachten daarover heeft uiteengezet.
Allereerst het geschrift: Dat een
Christelijke vergadering of gemeente recht en macht heeft alle leer te
beoordelen en leraars te beroepen, aan te stellen en af te zetten: grond en
oorzaak uit de Schrift. En verder: Het
institueren van dienaren der kerk (aan de senaat van Praag In Bohemen).
In het eerste geschrift begint Luther op te
merken, dat gewoonte en traditie hier niet beslissen mag, maar alleen Gods
Woord. Het woord en de leer van mensen hebben verordend, dat over de leer
alleen bisschoppen, geleerden, concilies moeten oordelen. Wat zij besloten hebben,
moet de ganse wereld voor recht en als een artikel van het geloof houden. Maar
Christus zegt: Mijn schapen horen mijn stem (Jhs 10 : 4). Eveneens: Mijn
schapen volgen de stem eens vreemden niet. (Jhs 10:5) En in vs 8: Zovelen er
gekomen zijn, zijn dieven en moordenaars, maar de schapen hoorden hen niet.
Hier ziet ge klaar, wie het recht heeft de leer te oordelen. Bisschop, paus,
geleerden en iedereen heeft macht te leren, maar de schapen moeten horen, of
zij Christus' stem leren of de stem des vreemden.. Wel, wat kunnen de
bellenblazers daartegen zeggen, die schreeuwen: Synodes, synodes! Men moet de
geleerden, de bisschoppen, de menigte horen, men moet op de oude gebruiken en
de gewoonte letten! Meent gij, dat mij Gods Woord daarvoor wijken moet? Nimmermeer.
Andermaal zegt Christus: Hoedt u voor de valse profeten, die in schaapsklederen
tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. (Mt. 7:15) Zie, hier
geeft Christus niet de profeten en leraars het oordeel, maar de leerlingen en
schapen. En Paulus zegt: Beproeft alles; wat goed is, behoudt het (1 Th. 5 :
21). Zie, hier wil hij geen leer of
stelling laten houden of de gemeente moet haar beproeven en voor goed erkennen.
Zo zegt Christus In Mt. 24 : 5: Ziet toe, dat u niemand verleide, want er
zullen velen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben Christus; en zullen velen
verleiden. Kortom, waartoe meer uitspraken? Alle waarschuwingen van Paulus
(Rom. 16: 17, 18; I Cor. 10:14; Gal.3:3; Col. 2: 8 en allerwegen) en de
uitspraken van alle profeten, waarin zij leren leringen van mensen te mijden,
zij doen niet anders dan dat zij het recht en de macht alle leringen te
oordelen aan de leraars ontnemen en met ernstig gebod, bij het heil der zielen,
de toehoorders opleggen. Zo hebben dezen niet alleen het recht en de macht
alles, wat gepredikt wordt, te oordelen, maar zij zijn daartoe verplicht.
Daarom is het de plicht der Christelijke gemeente te mijden, vlieden, af te
zetten, zich te onttrekken aan bisschop, abt, klooster e.d., omdat men publiek
ziet, dat zij tegen God en Zijn Woord leren en regeren.
In het geschrift ,Het institueren van de dienaren der kerk" erkent Luther ten volle, dat het ambt van dienaar des Woords een ordening krachtens autoriteit der Schrift is. Maar daarmee wordt het algemene priesterschap der gelovigen niet geloochend. Veeleer kent de Schift nergens in het Nieuwe Testament een dergelijk priesterschap, als de Roomse kerk bezit. Wel het algemene, waarvan in 1 P. 2:9 en Openb. 5:10 gesproken wordt. De priesterlijke plichten van de gelovigen zijn: het Woord leren en prediken, dopen, avondmaal houden, zonden houden en vergeven, offeren, voor anderen bidden en oordelen en beslissen over de leer. In zeven ,,officia" d.i. plichten, taken, werkzaamheden wordt door Luther de zin van dit algemene priesterschap der gelovigen ontsloten. Alles zou in de verleden tijden anders gelopen zijn, als dit algemene priesterschap gebloeid had en pausen en synodes dit niet aan zich getrokken hadden. Maar nu verstaat Christus' gemeente de roepstem van de Heiland weder: Wacht u voor de valse profeten (Mt. 7: 15); wacht u voor de zuurdesem der Farizeeërs, welke geveinsdheid is. (Mt. 16) De Christenen hebben de zalving van de Heilige Geest, Die hen alles indachtig maakt en in al de waarheid leidt. Wat blijft er zo over van het front der Pauselijke, die pochen: De leken moeten ons geloven en niet zichzelf?
Dit algemene priesterschap sluit de ambten
niet uit. Er moet orde in Christus' kerk zijn en geen Babylonische verwarring.
Maar deze geordende ambtsdragers moet men geen priesters noemen, maar naar de
Schift dienaars, diakenen, bisschoppen, uitdelers, oudsten. (1 Cor. 4:1) Zij
worden echter van de gemeente aangesteld en aan het Woord gemeten. (Tit 1, 1
Tim; 2 en 3)
Ook Calvijn heeft dit recht en deze
schuldige plicht der gelovigen krachtig beklemtoond. Al spreekt hij evenmin van
een ambt aller gelovigen, zo heeft hij toch ten volle de mondigheid der
gemeenteleden in het Nieuwe Verbond erkend.
Het feit, dat de leden, die de kerk vormen, gekwalificeerde leden zijn
(verkiezing Gods, het geloof als gave des Geestes), het stellen van de eis van
de belijdenis van het geloof, de instelling van het ouderlingenambt, het recht
van approbatie der gemeente, zijn weigering om van clerus en leken te spreken,
daar de ganse gemeente het erfdeel des Heren is, de macht der ambtsdragers, die
alleen in het Woord gelegen en aan de keur der gemeenteleden onderworpen is,
zonder mandatarissen der gemeente te worden, worden terecht door Rutgers als
bewijzen voor de mondigheid der gemeenteleden aangevoerd. Op deze mondigheid
der gemeente der nieuwe bedeling rust het recht en de plicht van iedere
gelovige elke vergadering, die zich de titel van kerk geeft, te beproeven en
zkh alleen bij de ware aan te sluiten. Calvijn legt wel sterker dan Luther nadruk
op het onderscheid tussen geordende ambtsdragers en gewone gemeenteleden, maar
het recht en de plicht van afscheiding en aansluiting wordt door hem toch ook
voor de gemeenteleden ten volle gehandhaafd. Dit is, zo verklaart Calvijn
tegenover Sadoleto, hun onvervreemdbaar recht. (1 Th. 5: 21; 1 Jhs 4:1) De
profeet, die leert, moet van de ganse vergadering beoordeeld worden. (1 Cor. 14
: 29) Gij laat de menigte der gelovigen in de geschillen der religie niets
anders dan het zich met afgewende ogen onderwerpen aan de geleerden. Maar zo
vaststaat, dat de ziel aan satan vervallen is, die op iets anders dan op God
alleen steunt, dan zijn zij voorwaar ellendig eraan toe, die zich een
dergelijke rudimentaire geloofsopvatting aanpassen. Uw theologie is ons veel te
gemoedelijk. Zelfs de meest onontwikkelde zwijnenhoeder moet in de hachelijke
kamp tegen satan het zwaard des Woords kunnen voeren (Ef 6:17) Wie in deze kamp
op geleerden bouwt, is verloren. Het geloof is een persoonlijke zaak, door de
vinger Gods in de harten geschreven en daaruit ontspringt de bekwaamheid om te
oordelen, die wij de kerk toekennen en onverzwakt willen handhaven. In de
grootste beroerten der wereld en midden in de strijd der meningen wordt de
gelovige ziel nooit zo verlaten, dat zij de rechte koers der zaligheid zou
verliezen. Zolang zij bij het Woord blijven, is dit klaar en duidelijk genoeg,
zodat zij niet wankelen. In dit recht en in deze schuldige plicht der gelovigen
ligt het goed recht der Reformatie gefundeerd.
Het is ontroerend de apologie te lezen, die
Calvijn čn de ambtsdrager čn het gewone gemeentelid voor Gods rechterstoel laat
houden, om dit goed recht der Reformatie der kerk tegen de aanklacht van
scheurmakerij te handhaven. Tweeërlei apologie - dit is weer tekenend voor Calvijn
- maar ook elk lidmaat der gemeente heeft hier zijn volle verantwoordelijkheid
voor God.
[1] A.D.R. Polman, Onze Nederlandse
geloofsbelijdenis III,
Franeker z.j., p. 304v. Voor opgave van vindplaatsen e.d. wordt verwezen naar
dit boek. In de tekst is het woord concilie
vervangen door synode.