J.P.C. Vreugdenhil en H. Vreugdenhil-Busstra
Achterburg 13
2641 LA Pijnacker
tel. (015) 36 40 543
Brief 2 aan de Generale Synode te Leusden
betreft: Reactie op rapport van deputaten Liturgie
Pijnacker, 15 maart 1999
Weleerwaarde broeders,
Op een enkel onderdeel van het rapport van deputaten
Liturgie willen wij reageren. Deze reactie moet u beschouwen als een aanvulling
op de kritiek die wij in Berkel al uitten op het rapport van studiedeputaten -
kritiek die nog behandeld moet worden.
Alleen op het onderdeel ordinarium gaan wij nu verder
in. Want in het nieuwe deputatenrapport is op dit onderdeel sprake van een
voortgezette discussie. Wij leggen u het volgende voor:
1. In grond 5.3 van het Berkelse besluit wordt
gesproken over >de Rooms-Katholieke mis met de transsubstantiatieleer=.
Dit is een misleidende uitdrukking, alsof het venijn van de mis in het
middeleeuws-scholastieke begrip transsubstantiatie zou zitten (veel roomsen
geloven daar ook niet meer in, maar zijn nog voluit rooms!). Hierdoor is deze >grond=
niet in overeenstemming met antw. 80 van onze catechismus, die veel preciezer
de pijnpunten in de mis aanwijst.
Wij verzoeken u deze misleidende >grond=
te schrappen uit het besluit van Berkel.
2. De nieuwe deputaten hebben er in hun rapport
gelukkig wel oog voor gehad dat de dwaling in de roomse mis ouder is dan de
transsubstantiatie-idee. Maar ook in hun nieuwe rapport beoordelen zij het
ontstaan van de ordinarium-liturgie vanuit de vraag of er sprake is van
specifiek rooms-katholieke dwaling.
Wij menen dat dit een te enge blikrichting is. Ruw geschetst is er het volgende
aan de hand:
- Het ontstaan van de ordinarium-structuur en
-liederen is terug te leiden tot ongeveer de vierde eeuw, vooral in het gebied
van het oost-romeinse rijk. Op die
tijd en plaats op zoek gaan naar >roomse dwaling=
is onjuist[1].
- In deze tijd, toen het christelijke kerk staatskerk
werd, kwam er een flinke invloed van heidense ideeën in de kerk. Het avondmaal
werd steeds meer gezien als verzoenend offer; invloeden van de
mysterie-godsdiensten en andere heidense gebruiken deden zich gelden.
- Dit is ook de tijd en plaats waar de
oosters-orthodoxe liturgie is ontstaan. Als voorbeeld van afkeurenswaardige
mis-verklaringen hadden deputaten bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar Theodorus
van Mopsuestia, Chrysostomos of pseudo-Dionysius Areopagus in de 4e en 5e eeuw[2].
Nu verwijzen zij slechts naar de 8 eeuw (op p. 191).
Wat we in het vervolg opmerken over het ordinarium is
niet alleen van toepassing op de vorm van de rromse mis, maar ook op de
oosters-orthodoxe liturgie.
3. Deputaten hebben zich in hun rapport gebogen over
de vraag wat de ordinariumstructuur niet
zou zijn. Welke betekenis deze vorm wel zou hebben, wordt bij hen niet
duidelijk. Voor hen schijnt het gegeven dat deze structuur oud is, en in veel
(dwalende !) kerken gebruikt wordt, toereikend te zijn.
Toch zijn de gegevens uit de tijd van ontstaan
duidelijk genoeg. Het ordinarium is gestructureerd op een model van naderen van
buitenaf naar het centrum van het heiligdom waarop het cultische hoogtepunt
(mysterie) volgt. Dat laatste wordt al direct duidelijk als we ons realiseren
dat in het ordinarium niet de preek, maar de mis[3]
het hoogtepunt vormt. Het ordinarium is naar zijn grondplan een offergang.
De naderingsvorm is te onderkennen aan de introïtus
(intochtslied)[4], het
Sanctus, dat aangeeft dat er gemeenschap met het hemelse is, en het >gezegend
hij die komt= wat voorbereid op het mysterie.
4. Deputaten stellen in hun rapport (p. 192) dat
oudere gereformeerde auteurs geen verband leggen tussen de roomse offergedachte
en de ordinariumgezangen. Maar die conclusies is al te lichtvaardig geformuleerd
en getrokken. We moeten beseffen dat de met name genoemde auteurs schreven in
een situatie waarin geen gereformeerde ook maar suggereerde dat de
ordinariumstructuur zou kunnen passen in een gereformeerde kerkdienst. Evenmin
hadden de genoemde auteurs er ook maar over gedacht die vaste liederen los te
maken uit de mis-structuur, en daarmee dan iets te doen. De vraag zou niet
moeten zijn waarom geen gereformeerde zo=n
verband heeft gelegd, maar waarom vroegere gereformeerden nooit op het idee
zijn gekomen deze structuur wel binnen te halen.
Ten aanzien van de zestiende eeuw ligt de zaak iets
gecompliceerder. Het is een onloochenbaar feit dat overal waar de kerken gereformeerd
werden, de ordinariumliederen eraan moesten geloven.
Een
voorbeeld vinden we in Straatsburg: in het Teutsch Kirchenamt van 1524 staan
nog Duitse ordinariumteksten; maar de drukker geeft een jaar later al toe dat
dit boekje >wider willen und gehelle=(toestemming)
van de predikanten is gedrukt. In latere drukken ontbreken de
ordinariumgezangen. (S.J. Lenselink, De
Nederlandse Psalmberijmingen van de Souterliedekens tot Datheen, Assen
1959, p104-105)
Om een enigszins volledig beeld over deze materie te
krijgen, zal toch zeker aandacht gegeven moeten worden aan de lotgevallen van
het Engelse Book of common prayer,
met de reacties daarop, en hoe daarin is gepoogd nog enkele ordinariumgezangen
te handhaven, vermoedelijk als compromis. Tenminste zou M. Bucers Censura geraadpleegd moeten worden. Ook
zou moeten worden onderzocht waarom de Nederlandse vluchtelingengemeenten in
Engeland zo=n bezwaar hadden zich te conformeren aan die Engelse
liturgie.
5. Wij hebben de indruk dat deputaten zich wel bewust
zijn van de relatie tussen ordinarium en offerdienst. Zij hebben naar Berkel
toe al gepleit voor een eredienst, opgezet volgens de structuur van de
offergang. In hun brochure Licht op
Liturgie hebben zij opnieuw dit pleit gevoerd. Dit pleidooi spoort met hun
voorstel om een ordinariumstructuur op te nemen.
6. In het studierapport hadden deputaten een pleidooi
gevoerd de kerkdienst te beschrijven met twee
brandpunten. Dat geeft al een verschuiving ten opzichte van de gangbare visie,
waarbij de preek (de bediening van het Woord) centraal staat. Maar bij de
introductie van de ordinariumstructuur gaan we over naar een dienst met slechts
één brandpunt, het avondmaal. De preek komt dan in het inleidende gedeelte.
7. Bij Berkel hadden we al bezwaar gemaakt tegen
diverse individuele liederen uit het ordinarium, en de waarde die deputaten
daaraan hechten. Wij hebben in het nieuwe rapport niet gezien dat daarop is
gereageerd. Wij vragen de synode deze bezwaren alsnog te betrekken in de
overwegingen.
8. Opnieuw wijzen we erop dat zo=n
ordinariumstructuur ons zou verwijderen van andere gereformeerde kerken, en een
schijneenheid zou suggereren met kerken waarmee wij niet één zijn.
9.Tot slot wijzen we nog op een ander verschil tussen
de gereformeerde eredienst en de gangbare versies van het ordinarium. Bij de
ordinarium-achtige liturgieën is meestal een groet-uitwisseling opgenomen
tussen de gemeente en de voorganger.
Ook deputaten stellen dat nu voor (rapport,
p.195/196). Maar de gereformeerde eredienst begint met een zegengroet, die onmiskenbaar
Gods zegengroet is, waarna de
gemeente God antwoordt. Diverse
gereformeerde synodes hebben aan het begin van de dienst gehandhaafd dat na de
zegengroet aan het begin een antwoordlied
van de gemeente komt.[5] Toch blijken
deputaten, zowel in Licht op Liturgie
als in hun rapporten en voorstellen, zonder nadere motivatie tegen deze
synodebesluiten in te gaan.
Wij
verzoeken de synode geen orde van dienst op basis van ordinariumteksten of
ordinariumstructuur vrij te geven voor gebruik in de eredienst, en geen energie
te verspillen aan verder onderzoek in deze richting.
Met broedergroet,
J.P.C. Vreugdenhil H.
Vreugdenhil-Busstra
[1] Ter illustratie: H. Berkhof, Geschiedenis der kerk, ziet al in de 2e
eeuw hiërarchie, moralisme, sacramentsrealisme en mirakelgeloof ontstaan (6e
druk, p.28)
[2] Indien de synode dit wenst, kunnen we
dit mondeling of schriftelijk onderbouwen met diverse citaten uit de vierde en
vijfde eeuw, van diverse schrijvers (ook geciteerd via hervormde of anglicaanse
schrijvers)
[3] In deze contekst is de term Avondmaal
misplaatst
[4] Deze introïtus werd in Berkel nog
gepresenteerd door deputaten, maar nu niet meer voorgesteld
[5] Niet alleen Kampen 1975, en Berkel 1996.
Het meest expliciet was Heemse 1984/1985, Acta
dl II, art 188, p. 51, waar de term antwoordlied
werd gehandhaafd tegenover deputaten die dit zonder motivatie wilden wijzigen.