Bijlage 1 bij brief 5 (van 5 revisieverzoeken)

 

 

 

De Liedboek-selectie van Leusden getoetst:

121 liederen uit het Liedboek voor de kerken

getoetst aan Gods Woord en de Belijdenis van de Kerk

 

 

Versie 2

 

 

 

 

door S. de Marie

 

 

 

 

 

Dit is een tweede versie (eerste versie 22 maart 2001)

Wijzigingen:      inleiding (textueel), lied 78,92,96,107,188,320,374,434,442,457

                        nabeschouwing

 

Ondergetekende houdt zich aanbevolen voor commentaar

Indien gewenst mag het stuk verder verspreid worden

 

S. de Marie

Irislaan 80

 

2651 PR Berkel en Rodenrijs

S.deMarie@hetnet.nl

 

 

 

Berkel en Rodenrijs,

1 februari 2002

 

1. Inleiding

 

De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) van Leusden 1999 heeft 121 liederen uit het Liedboek voor de kerken vrijgegeven voor gebruik in de eredienst. Van deze selectie zal op de volgende G.S. dienen te worden vastgesteld in hoeverre de liederen definitief als kerklied zullen worden ingevoerd. In de tussentijd ligt er voor de kerken de grote verantwoordelijkheid om deze liederen te toetsen. In de loop van de tijd zijn hiervoor verschillende criteria genoemd. O.a. criteria van de Synodes van Hattem 1972, Kampen 1975 zijn genoemd. Recent heeft de Synode van Leusden eigen criteria opgesteld. In dit geschrift zullen wij ons beperken tot de criteria die naar onze mening onopgeefbaar zijn.

 

1.1. Criterium van de schriftuurlijkheid

Naar ons oordeel blijft het belangrijkste criterium, de belangrijkste toetssteen daarbij uiteraard de Schrift en de Belijdenis van de Kerk. Wanneer een lied niet ondubbelzinnig naar Gods Woord is maar wanneer in het lied dwaalleer meekomt of erin verpakt zit, en deze dwaalleer wordt erin aangewezen, dan zegt Gods Woord zelf dat we zo’n lied niet mogen zingen (Rom.14:23, Titus 2:7,8). In de kerk zingen we voor Gods aangezicht. De woorden die we daarbij in onze mond nemen moeten de HERE aangenaam zijn (Fil. 4:8,9,18; Rom. 15:16-19, Hebr. 12:28). Ook in onze geestelijke liederen moeten het woorden zijn die passen bij de heiligheid van de HERE, dezelfde woorden waarmee we elkaar terecht kunnen wijzen en vermanen met de gezonde leer (Kol. 3: 16,17;1 Petr. 4:11)! Elk offer, ook het lofoffer in onze liederen dient toch gaaf en onbesproken te zijn (Fil. 2:12-18)! In feite is ook het lied als lofoffer de vrucht van onze lippen, die wij net zoals onze belijdenis vrij willen houden van onzuiverheid en bederf (Hebr. 13:15).

De Deputaten Kerkmuziek voeren in hun toelichting als geruststelling aan dat door een lied nooit dwaalleer de kerk is binnengekomen, maar dat dat een kwestie is van leer. Het zou van de context van de leer in de kerk waarin zo’n lied gezongen wordt, moeten afhangen of je het moet afkeuren. In ‘Tussen Leusden en Zuidhorn’ (p.32) stellen zij:

In dit verband gaan we tot slot kort in op de hier en daar verwoorde angst dat door middel van een lied de dwaalleer de kerk kan binnensluipen. Liederen kunnen inderdaad een dwaalleer verwoorden, daarover geen twijfel. Maar het is nooit het lied waardoor die dwaalleer de kerk binnenkomt, maar de leer. Anders gezegd: de context. Liederen zijn altijd een uiting ván, een uiting van tijd en plaats en opvatting. Liederen zijn graadmeters voor de tijdgeest, signalen uit de dogmatiek, seismografen van de spiritualiteit. De geschiedenis laat zien dat de hele dogmengeschiedenis uit liederen valt af te lezen. Maar liederen zijn altijd illustraties daarvan, ze hebben de ontwikkelingen in de dogmatiek nooit geďnitieerd. Als er in liederen sprake is van een dwaalleer, dan is dat omdat er in de context sprake is van een dwaalleer. In het verlengde daarvan: als er in de context, dus het gehele kerkelijke belijden, sprake is van dwaalleer dan wordt die ook in een lied ingelezen, dan wordt het lied van daaruit geďnterpreteerd. Is dat niet het geval, dan wordt een lied gelezen en gezongen vanuit de context.”

De consequentie van dit standpunt van de Deputaten is dus: een lied met Barthiaanse gedachten rond alverzoening (alle mensen worden zalig, de kerk wordt daarbij een voortrekkersrol toegedicht), dat door een dichter uit de Hervormde Kerk (waar deze leer heerst) ook met deze bedoeling zó gedicht is, kan in een omgeving met ‘gezonde’ leer, zoals in de Geref. kerken (vrijgemaakt), toch nog prima te gebruiken zijn. Want hier kan je volgens de Deputaten in zo’n lied de gezonde leer inlezen! Met dit zgn. inlezen kunnen we echter de norm van Gods Woord onwerkzaam maken. Het geheel krijgt dan ook een totaal subjectieve invulling: wat ik er niet inlees, kan een ander wel en andersom. Zo zijn we overgeleverd aan subjectivisme.

Dit geldt des te meer nu de Synode van Leusden de belijdenis van de kerk als toetssteen heeft losgelaten.

Wij houden staande dat dit onderschatten is van de invloed van satan die zich bij verzoekingen toch altijd van kleine tekst- of context-veranderingen en daardoor inhoudsveranderingen van Gods Woord gebruik gemaakt heeft (Gen 3:1, Matt. 4:1-11)! Het is opvallend dat er in onze kerken momenteel zo weinig weerstand is tegen de smet van het barthianisme in de liedboekliederen. In het rapport van de Deputaten lees je geen waarschuwing in die richting, wel een verdediging van de terminologie in de liedboekliederen die gebruikt wordt door dichters, die zich zelf onomwonden hebben uitgesproken over hun afwijkende ideeën. Wij moeten de kerkenraden voor wat betreft hun verantwoordelijkheid oproepen om, overeenkomstig het bevestigingsformulier, alles wat in strijd is met de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, te verwerpen.

Tegelijk moeten we bedenken dat we elkaar vanuit de Schrift zullen moeten vinden, zoals Rom. 15:4,5 ons voorhoudt:

“Al wat namelijk tevoren geschreven is werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg van de volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden. De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken”

 

1.2. Het criterium van tekstgetrouwheid

Wanneer een lied is gemaakt op grond van een bepaald schriftgedeelte, dan mag verlangd worden, dat de tekst van het lied ook tekstgetrouw is. Het gevaar is anders groot dat de dichter zijn eigen gedachten in Gods gezongen Woord gaat indragen of dat er die gedeelten uit weggelaten worden, die de dichter minder aanspreken. In feite komt dit laatste erop neer, dat tekort wordt gedaan aan het evangelie. Dit geldt met name voor de liedboekliederen op het punt van de toorn van God over de In feite komt dit laatste erop neer, dat tekort wordt gedaan aan het evangelie. goddelozen, het gericht en de tweede dood. Laten we wel bedenken dat voor dit geselecteerd omgaan met Gods woorden, de woorden uit Openb. 22:19 moeten worden overwogen: “en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”

 

1.3. Criterium van verrijking t.o.v. de Psalmen; Criterium van ondubbelzinnigheid en duidelijkheid

Direct daarbij aansluitend moeten we ons afvragen of de liederen een verrijking zijn voor de kerken ten opzichte van de berijmde psalmen en de gezangen uit het Geref. kerkboek. Met name moet deze vraag worden gesteld bij het vervlakkend spreken over het helse lijden van Christus, Christus’ kruisdood als verzoening door voldoening, de tweede dood en het gericht van de HERE. Dit geldt ook waar zaken aan de orde moeten komen als de geloofsgehoorzaamheid, de goede geloofsstrijd die gevoerd moet worden, en het leven naar de eis van het verbond.

Ten aanzien van ons geloofsleven moet geen mistige, mystieke taal gebruikt worden, die ons kennelijk in een zoete staat van verrukking zou moeten brengen. Ook t.a.v. de sacramenten mag aan de verbondtekens zelf geen mystieke kracht worden toegekend.

De vrijheden die een dichter zich mag veroorloven dienen naar onze mening worden begrensd door de Schrift zelf. Zelf verzonnen buitenschriftuurlijke beelden of verbanden, die ingedragen worden alsof ze het Woord van God zelf betreffen, dienen te worden afgewezen. Dit geldt ook voor het geven van namen aan God onze HERE, onze Here Christus of God, de Heilige Geest, die ons in Gods Woord zelf niet worden aangereikt: deze passen niet bij de heiligheid van Gods Naam.

 

In dit geschrift worden d.m.v. de toetsing 3 categorieën liederen onderscheiden

I           Liederen die op grond van de toetsing dienen te worden afgewezen vanwege onschriftuurlijkheid

            (p. 4-26)

II         Liederen die dubieuze elementen bevatten (p. 27-30)

III        Liederen waarin vooralsnog geen bezwaren m.b.t. schriftuurlijkheid zijn gevonden (p.30)

 

Tenslotte wordt in nabeschouwing een aantal patronen aangewezen, waarvan is gebleken dat ze door de hele selectie heen is aan te wijzen (p. 31).

 

Vanwege de beperkte ruimte moet worden volstaan met het kort bespreken van de bezwaren. De positieve kanten in de liederen worden hier niet belicht.


2.1  Liederen waarvan na toetsing is gebleken dat ze

a.    inhoudelijk onschriftuurlijke gedachten of uitdrukkingen verwoorden, en/of

b.   ongeoorloofde dichterlijke vrijheden bevatten of elementen die niet ondubbelzinnig aansluiten bij Schrift of Belijdenis, en/of

c.    leiden tot vervlakkend denken over een corresponderend Schriftgedeelte, Psalm of Gezang uit ons Geref. Kerkboek

 

Lied

1

'God heeft het eerste woord'

vs 1sluit aan bij Genesis 1:3 "En God zeide: Er zij licht, en er was licht. "

        "Hij heeft in den beginnen het licht doen overwinnen." Dit is niet geheel zoals de Schrift het ons leert.  4:6 God heeft het licht geschapen (Gen 1:2-4, 1 Kor.)  Als het licht zou moeten overwinnen zouden er machten of krachten in het licht aanwezig zijn die sterker zijn dan de duisternis. Bovendien zou er iets door strijd te overwinnen zijn: nl. de duisternis. Hierin volgt de dichter van dit lied de leer van Barth: in het begin van de schepping was er een negatieve macht zich uitend in de chaos en de duisternis. God zou door de schepping van het licht en de ordening van de schepping dit negatieve element moeten bestrijden (Zie voor uitgebreide bespreking en bestrijding van deze dwaalleer K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus, deel III, 1950:pp 317-320,362-384,). Gods woord beschrijft de duisternis in schepping niet als iets negatiefs, iets dat later door God tijdens de scheppingsdagen bestreden en overwonnen moest worden: immers alles wat God schiep was goed, daar hoort ook de duisternis bij; uit Gen. 1:2 is zelfs af te leiden dat de Geest in deze duisternis zweefde over de wateren. God handhaaft deze duisternis (Gen 1:4): hij scheidt licht van duisternis. Ds.  P. Storm heeft in Nader Bekeken Jg 6 van jan. 1999 (p.4) geschreven: "Wij zullen dus, wat deputaten betreft, over de schepping van het licht voortaan met een theologisch gerust hart kunnen zingen als over het overwinnen van het licht alsof Barth of Noordmans daar niets mee te maken hebben."

vs 4 "Zijn woord is van het zijnde oorsprong en doel en zin”  lijkt aan te sluiten bij Romeinen 11:36 "Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen..": hiermee wordt ons echter geleerd dat God (3 maal  Hem) en niet Zijn woord (woord met kleine letter = de zoon van God, Christus?) oorsprong en doel van ons bestaan is, en dat God Zelf daarvoor de eer moet ontvangen. De deputaten leggen in hun verklaring van vs 4 het verband met Joh.1:1-3. Ze verklaren: Dat Woord staat aan het begin en aan het einde. En alles wat er is  zal uiteindelijk beantwoorden aan het doel dat God in zijn Woord omschreven heeft” Lied 1 heeft echter niet dat in het woord het doel en de zin is, maar dat het woord zin en doel is.

        En door het zo te stellen galmt ook in dit vs na wat Karl Barth heeft gesteld als vervolg op vs 1: “God maakt echter de beide aspecten van de schepping, haar “jubel” en haar “jammer” tot zijn eigen zaak in de vernedering en de verhoging van Jezus Christus. Hij (Jezus Christus) is de zin en het doel van de schepping!” “Want de schepping is aangelegd op Jezus Christus, gelijk ze ook in Hem geschapen is” Hiermee wordt het werk van de middelaar Jezus Christus al ingebracht in het doel van de schepping, waarmee alles toch nog goed komt! Bij deze laatste passage verzuchte K. Schilder (Heidelbergsche Catechismus, deel III, 1950:p 375): “-als dat per slot čn per opening van rekening geen algemene verzoening is, wat is het dan wel?” Wij moeten dat hem helaas hier nazeggen. Verder zij nog verwezen naar 1 Kor 15:28 “Wanneer alles Hem (de Zoon) onderworpen is, zal ook de Zoon zelf aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen” en Rom. 11:33-36.

 

6

 

'Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezang' naar Exodus 15:1-18, het lied van Mozes aan de Schelfzee.

alg:        1. Door de Synode van Hattem (1972) afgewezen met als argumentatie: "Dit lied is alles behalve een berijming.(..) Tevens zijn er al veel psalmen waar dit in door klinkt dus dit is geen waardevolle aanvulling." Het lied van Mozes komt als thema nl. voor in veel psalmen (o.a.: Psalm 66, 68, 78, 106, 118, 136, e.a.). Aan berijming van dit gedeelte bestaat dus geen behoefte. Dit lied kan gemakkelijk leiden tot onderwaardering van de psalmen. Een lied moet een aanvulling zijn en geen psalmverdringer.

        2. Door de Gereformeerde Bond is o.a. dit lied getoetst en is geconcludeerd dat in dit lied zowel triomfalisme als universalisme de boventoon voeren. Door een regelmatig verspringen van voltooid tegenwoordige tijd naar tegenwoordige tijd en vice versa treed er verwarring op.  Bezingen wij Gods wonderdaden eens verricht?  Dan dient ook hierin de geschiedenis op een herkenbare manier te herleiden te zijn.  Maar daar waar de tegenwoordige tijd wordt gebruik zingen wij vanuit het zicht op de Schelfzee.  Maar wij mogen verder kijken, wij mogen leven na dood en graf, na hemelvaart en pinksteren.  Wij mogen uitzien naar de jongste dag en dat is een veel rijker perspectief dan dat wij, net als het toenmalige volk Israël, aan de Schelfzee blijven staan.

        3. Het refrein: ‘vliegende vaandels en blinkende zwaarden, de wagens en de paarden’ mist de feitelijke boodschap van de Schrift, die veel meer van de macht en majesteit van onze God getuigt: “Ík wil de Here zingen, want Hij is hoog verheven, het paarden en zijn ruiter stortte Hij in zee” (Ex 15:1)

vs 1 r.8 "en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee.  Exodus 15:7 "In uw grote majesteit vernietigdet Gij wie tegen U opstonden;..."  De straf is Gods gericht tegen het volk Egypte dat opstond tegen Hem, naar Hem niet wilde luisteren.  Dat zich dat uit door het vervolgen van het volk Israël is waar, maar niet de hoofdoorzaak van Gods straf.

Lied

 
6

vv

vs 3 r.8: "Uw dreigende vinger verwijst naar het niet". Kennelijk wordt hier verwezen naar de hel. Maar de omschrijving is niet schriftuurlijk. De bijbelse omschrijvingen van de hel: duisternis, of de poel van zwavel en vuur, of de plaats waar de worm niet uitsterft gegeven iets anders weer dan “het niet”. Van “het niet” gaat niet het afgrijzen uit zoals dat ons gepredikt wordt b.v. in Jes. 66:24. Dit vervlakkend spreken over de hel doet tekort aan het evangelie waarin zowel de heilsbeloften als de verbondsdreiging onverkort een plaats hebben.

vs 4 r.1,2: "De volken der aarde gaan eindlijk verstaan wat Gij hebt gedaan "?  Hier worden kennelijk vereenzelvigd de volken rond Egypte en Kanaän die de HERE wilden belemmeren in de uittocht van Israël en ‘de volken der aarde in het algemeen’ die met de HERE geen rekening houden. De grote daden van de HERE werden bekend aan de volken rond de schelfzee (Ex. 15:14) maar wanneer vindt de erkenning van Gods daden bij ‘de volken’’  plaats anders dan bij het oordeel van de jongste dag? Hier klinkt de universalisme door.

        r.8 "vergaan door het diepe geheim van de macht".  Hierin wordt op een  mystieke wijze gesproken van Gods uitgestrekte hand, Zijn oordeel dat ertoe heeft geleid dat het leger van Egypte door het water werd verzwolgen.  Een taalgebruik dat niet in de Schrift is terug te vinden.  Het leger van Egypte is door Gods slaande hand geoordeeld, dat heeft niets met een ongedefinieerde macht van een diep geheim te maken.

vs 5 door de dichter zelf verzonnen: komt in dit schriftgedeelte niet voor.  

        r. 3,4: “gaat zelfs in de zee niet teloor” verdraagt zich niet met Psalm 77:20.

        r. 5,6: "de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt, het water en bloed dat de zonden uitdelgt." Het water, een verwijzing naar de doop.  Maar het volk kende alleen nog maar de besnijdenis.  Het bloed, een verwijzing naar het avondmaal.  Maar wat wist Mozes, en met hem het volk Israël daar vanaf toen zij aan de Schelfzee stonden?

        r.7: “van doodszee naar levensjordaan”  1 Kor 10,1 en 2: de Rode Zee is het beeld van de redding in Christus: het volk ging droogvoets verder, bevrijd van de vijand die omkwam. Waarom de Rode Zee hier ‘doodszee’ genoemd? ‘Levensjordaan’: waarom (door de deputaten) symbool van het leven genoemd als een soort tegenstelling m.b.t. de Rode Zee? Overigens wordt in liedboeklied 290 (vs6 r.3) juist gesproken van de Jordaan als ‘doodsrivier’!, over willekeur gesproken. Terwijl de Here juist de overeenkomst tussen beide wateren benadrukt dmv de 12 gedenkstenen die uit de Jordaan werden genomen: Jozua 4:21-24: “Wanneer uw kinderen later hun vaders vragen: Wat betekenen deze stenen? dan zult gij uw kinderen aldus inlichten: Op het droge is Israël hier door de Jordaan getrokken, omdat de Here, Uw God, de wateren van de Jordaan voor u heeft doen opdrogen, zoals de HERE uw God, gedaan heeft met de Schelfzee, die Hij voor ons heeft doen opdrogen, totdat wij erdoor getrokken waren, opdat alle volken der aarde zouden weten dat de hand des HEREN sterk is, en zij de HERE, uw God, al de dagen zouden vrezen.” Liever dus deze boodschap (zie ook Ps. 114:3,5) doorgeven dan dichterlijke verzinsels.

        r.10  "de mensen der aarde". niet nader gedefinieerd, kennelijk alle mensen, de gelovigen en de ongelovigen. Dit duidt op de leer van de algehele verzoening

 

9

 

“Mijn hart verheugt zich zeer”

alg:        Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van 1 Samuël 2:1-10 (de lofzang van Hanna). Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. De bevrijdingstheologie met sociale boodschap verdringt hier vaak de heilshistorische betekenis in de lofzang van Hanna.

vs 2 r.1-3Niemand ter wereld is van rang en stand gewis, want God alleen is heilig” alsof de zonde, het onheilige, in de rang of stand zit, terwijl de zonde voortkomt uit ons zondige hart. In Sam. 2:2 staat echter “Er is niemand heilig gelijk de HERE want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God.”  Dit spreekt ervan het vertrouwen alleen op de almachtige HERE te stellen, dit heeft niets met rang of stand te maken (zie bijv.  1 Sam.2:7,8)   Bij veel van de LB-dichters verschuift de tegenstelling tussen de gelovige en de goddeloze naar een tegenstelling tussen arm en rijk en tussen de machtige en de verdrukte in deze wereld.

        r. 4: “Maar wie zijn onmacht kent”: onmacht is nog geen zonde! De zonde komt niet in beeld. De rest van dit gezang bouwt voort op deze gedachte

vs 10 r.1-3 “Des Heren woord beslist der volken oude twist”: vlakke vertaling van 1 Sam.2:10 “Wie met de HERE twisten, worden gebroken, over hen dondert Hij in de hemel. De HERE richt de einden der aarde”

 

14

 

“De Heer is mijn Herder”

alg:        Is een berijming van Ps. 23 en voegt als zodanig niets toe aan de berijmde Psalm uit ons kerkboek. Het volgt de tekst van Ps. 23 niet volledig en laat de antithese uit deze Psalm (23:5) “Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen die mij benauwen” (vergelijk Jes. 65:11-15!) geheel buiten beeld.

        Dit lied met vlakkere tekst verdringt de schriftuurlijke psalmberijming die we al hebben.

Lied

 

15

 

“Loof nu, mijn ziel, de Here”

alg:        Is een berijming van Psalm 103 en als zodanig verdringt het de dichter bij de tekst berijmde, en schriftuurlijkere Psalm 103 uit ons kerkboek. Wij missen er met name Gods woorden in over zijn verbondskinderen. Lied 15 is geen toevoeging maar een verarming.

        Het argument dat het hier om een compactere versie zou gaan in vergelijking met ons kerkboekpsalm en daardoor waarde heeft klopt ook niet: een totaal van 48 verzen i.p.v. 54 verzen lijkt mij geen verschil.

vs 2 “Hij die voor u blijft zorgen” is in lied 15 de uitwerking van Psalm 103:11 “maar zo hoog de hemel is boven de aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen”

        Ons kerkboek heeft berijmd in Ps. 103:4: “Zo hoog en wijd de hemel staat gerezen – boven de aarde, is voor wie Hem vrezen – zijn liefde en zijn goedertierenheid”

vs 3 r.9-11“als blaren, wanneer de najaarswind door ‘s levensboom komt varen” is een eigen verzinsel afwijkend van de tekst: Psalm 103: 16 heeft: “wanneer de wind daarover (nl. over het gras / de bloem des velds) waait, is zij niet meer en haar plaats kent haar niet meer”

vs 4 r.2,3 “Zijn trouw komt hun te stade, die Hem getrouw zijn toegewijd”: Dit is alles wat er in Lied 15 staat als  uitwerking van Psalm 103:17-18: “Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen en zijn gerechtigheid over kindskinderen, over hen die zijn verbond onderhouden, en aan zijn bevelen denken om die te doen”

        In onze berijmde psalm (kerkboek) staat echter: “Maar ‘s HEREN gunst zal over wie Hem vrezen in eeuwigheid altoos dezelfde wezen, en zijn gerechtigheid de eeuwen door. Zijn heil omsluit de komende geslachten; zo volgen zij die zijn verbond betrachten, van zijn barmhartigheid het lichtend spoor” Conclusie: de rijkdom van Gods verbond met ons en onze kinderen is uit lied 15 weggedaan. Hiermee wordt aan Gods Woord tekort gedaan.

 

20

 

“Laat ons nu vrolijk zingen”

alg: Dit lied is gebaseerd op Psalm 146. Als zodanig voegt het niets toe aan onze berijmde psalm 146. Het opnemen van een dergelijk lied werkt verdringend t.o.v. onze psalmen. Dit geldt temeer daar de inhoud van lied 20 van dit niet volledig recht doet aan Gods Woord in deze psalm.

        Wij wijzen op de volgende elementen:

        1. Ps. 146:3: “vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.” Het unieke van de enige troost van Zijn eeuwige Woord wil de Here stellen tegenover de vergankelijke en troosteloze hulp die van stervelingen verwacht wordt. Daarom stelt de HERE deze vergankelijkheid van de mens in vs 3 met zoveel woorden aan de orde! (vergelijk de rijke troost zoals omschreven in Jes. 40:6,7; 1 Petr. 1:23,24). In lied 20 wordt dit alles geheel weggelaten!

        2. Ps. 146:4,5,10: Dat de hulpverschaffende God, de God van het verbond (van Jacob, van Sion), van Zijn kerk is, wil de HERE in deze psalm benadrukken ter bemoediging van zijn verbondskinderen. Hij werkt in de geslachten van Zijn kerk (146:10). Wij vinden in lied 20 hiervan alleen iets terug in vs 2 r.2, maar de lofzang van de kerk op haar eeuwige Koning ontbreekt (zie vs 7).

vs 4 r.7 De eeuwigheid van Gods trouw, komt wat vlak tot uiting (te allen tijde). De eeuwigheid van Gods koningschap (146:10) ontbreekt in het lied.

vs 7 dit vs valt buiten de context en bevat een vreemde omschrijving: “omdat Gij mijn leven duldt voor uw aangezicht”: dit zou alleen goed te duiden zijn wanneer gewezen werd op het verzoenend offer van Christus en Zijn pleiten voor ons. De jubel van de kerk voor Gods aangezicht ontbreekt hier (zie onder alg.)

 

21

 
“Alles wat adem heeft love de Here”

Alg:Evenals lied 20 is dit lied gebaseerd op Psalm 146. Als zodanig voegt het niets toe aan onze berijmde psalm 146. Het opnemen van een dergelijk lied werkt verdringend t.o.v. onze psalmen. Dit geldt temeer daar de inhoud van lied 21 van dit niet volledig recht doet aan Gods Woord in deze psalm.

vs 2 Hoewel in dit lied i.t.t. lied 20 aandacht voor vorsten die vergaan, blijft de diepe betekenis van Ps. 146:3 buiten beschouwing: “vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.” Opnieuw moge benadrukt zijn dat het unieke van Gods hulp door de Psalmdichter tegenover de vergankelijke en troosteloze hulp die van stervelingen wordt gesteld. Wat een troost! Ook in lied 21 ontbreekt dit.

vs 4 r.3 de enige God die zijn macht openbaarde", zijn er nog meer goden?

        r.4 " .... Hem is gehoorzaam wat Hij schiep"  Een verkeerde uitwerking van Psalm 146: 6 : “Die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is, trouwe houdt in eeuwigheid”

vs 6r. 4 “Hij buigt neer wie zich verheft” komt hier n.a.v. de tekst uit Psalm 146:9 "de weg der goddelozen maakt hij krom " De Schrift wil ons leren dat de goddelozen hun doel niet zullen bereiken. Lied 21 brengt dit niet goed over.

vs 7 Waar is hier de schriftuurlijke lof op de HERE gebleven als Koning van Zijn kerk en de God van het verbond die werkt in de geslachten? Psalm 146:10 "De HERE is Koning voor eeuwig.  Uw God, o Sion is van geslacht tot geslacht.  Halleluja ". De kerk van Christus mag zich déze lof niet laten onthouden.

Lied

 

23

 

 “Het zal zijn in het laatste der tijden”

alg:        Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Jes. 2:2-5. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. Het leert niet de ware vrede die het resultaat is van Gods rechtsonderwijs, verzuimt op te roepen tot de ware geloofsgehoorzaamheid (Jes. 2:3,4) Het is daarentegen doordrenkt van horizontalistisch pacifistisch en universalistisch denken. .

vs 1 r.5,6 “om de rechten des Heren te leren, zich tot God en elkaar te bekeren”  Hier verraadt zich duidelijk een horizontalistisch pacifistisch denken, dat niet de Schrift volgt. Want in Jes. 2:3 staat nl. het doel van de komst van de volken naar het huis van de God van Jacob: “Opdat Hij ons (dat zijn de ‘vele natiën’) lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem”

        Het Woord van de HERE brengt de volkeren in de crisis: voor of tegen Hem kiezen; het gaat om de grote antithese van vrouwenzaad en slangenzaad.(zie Hebr. 4:12,13 en 12:25-29). En daarom is het zich ‘tot elkaar bekeren’ uit dit lied hier volledig misplaatst: alsof het hier gaat om een strijd tussen volkeren, die moeten verbroederen. De keuze gaat echter vóór of tegen de HERE en dat gebeurt niet zonder de klem van het gericht: Jes. 2:4 “En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën” In tegenstelling tot wat dit lied ons wil leren, zegt Gods Woord niet dat komt tot een wereldvrede op déze aarde, maar dat God de vrede in de kerk wil door bekering. Met de komst van Christus zal dit uiteindelijk leiden tot het koninkrijk der hemelse vrede,  voorzegd in Jes. 65:17, 66:22 en Petr. 3:13: “wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont”. (zie ook H.J. Schilder: Het Schrift dat niet verslijt, Van den Berg, Kampen 1983, p. 150-154)

vs 2 r.4-6 “het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods. Tot bescherming van allen die leven staat de wet van Gods heil er geschreven” De bevrijding van de zonden door Christus is het echte heil voor de volkeren: zie Jes. 1:18-20, hierop volgt in  Jes. 2:3 dan de oproep tot echte geloofsgehoorzaamheid. In dit lied is dit alles echter verworden tot een “bevrijding en bescherming van allen”: dit is taal van de onschriftuurlijke bevrijdingstheologie en van universalisme (‘allen die leven’).

 

28

 

“Wij hebben een sterke stad”

alg: Het betreft hier nl. een zogenaamd bijbellied, een berijming van Jesaja 26:1-6. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat is bij dit lied niet het geval.

        1. Er staan een aantal toegevoegde elementen in :vs 1:dansende kinderen, musicerende mensen, vs 2: poortwachter.

        In het Compendium Liedboek (p.199) stelt de dichter zelf: “Want al vermeldt Jesaja met zoveel woorden geen ‘stad waar de kinderen dansen’, hij heeft die stellig wel vóór zich gezien, omgekeerd is de bitse ‘vernedering tot de grond toe’ van de arendsburchten der onderdrukkers in de strofische vorm (=lied, SdM)  niet terug te vinden. Daarvoor leek een beurtspraak gewenst tussen het optrekkende volk en een denkbeeldige deurwachter, en wat dat betreft is het lied dus breder dan de profetie”. Tot zover de dichter, die naast de toevoegingen ook een bewuste weglating voor wat betreft de ernst van de straf aangeeft.

2. Voorts staan er elementen in vs 3 en 4 die passen bij de bevrijdingstheologie:

vs 3 “maar mensen die steeds zijn geknecht die wandelen hier in het licht”  zie vs 4

vs 4 “Hij voert de verdrukten erheen”. Jes. 26 spreekt daarentegen over rechtvaardigen (vs 7) en goddelozen (vs 10), niet over verdrukkers en verdrukten.

 

30           

 

“Wie mat de waatren in zijn holle hand”

alg:        Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Jesaja 40:12-31. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. Steeds wordt door de dichter van dit lied in de tekst ingedragen dat God door het woord heeft geschapen (vs 1,5,6). Dit door de dichter aangegeven ‘Leitmotiv’ (Compendium Liedboek p. 37) staat nergens in dit Schriftgedeelte,  het is er niet uit af te leiden, het vervult in dit schriftgedeelte ook geen functie.

vs 1 r.8-10 het refrein slaat op Jes. 40:21, 28: “Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de HERE, Schepper van de einden der aarde.” In lied 30 wordt “het woord” uitgewisseld met God, de HERE Zelf. Dit is niet tekstgetrouw en niet schriftuurlijk

vs 6 r.8-10 ook hier wordt “het woord” gebruikt voor de HERE zelf.

Lied

 

34

 

“Om Sions wil zwijg ik niet stil”

alg:        Lied op Jesaja 62:1-10. Het is opvallend dat hier de verzen 11 en 12 van Jes. 62 ontbreken; deze verzen horen toch helemaal bij de voorgaande verzen :”Want de HERE doet het horen tot het einde der aarde: Zegt tot de dochter Sions: Zie uw heil komt; zie mijn loon is bij Hem en zijn  vergelding gaat voor Hem uit .En men zal hen noemen: Het heilige volk, De Verlosten des HEREN, en gij zult genoemd worden: Begeerde, Niet verlaten stad”

        Verwijst o.a. naar Openb. 22:12. Volgens dr. van der Kamp (“Openbaring, Profetie vanaf Padmos”, Kok 2000, p.489): “Als Christus komt heeft Hij de beloning bij zich. Deze aankondiging ligt in de lijn van de hele bijbel (Ps. 62:13, Jes. 40:10, Jer. 17:10, Matt. 6:27, Openb. 2:23;11:18). Het geven van vergelding sluit zowel beloning als bestraffing in. De dag van de afrekening nadert. Het recht krijgt zijn loop. Wat het oudtestamentisch getuigenis van God verwacht wordt hier van Christus gezegd.” Opvallend dat deze kant van Gods verbondsuitwerking (zie ook Jes. 66:5-24) volledig genegeerd wordt door kunstmatig af te breken bij vs 10.

vs 2 r.4 “die God u toe zal denken” Jes. 62:3 zegt dit veel sterker: “een koninklijke tulband in de hand van uw God. Daar

        zit geborgenheid in. Dat geldt ook voor de liefde die straalt uit 62:4 “Mijn Welgevallen”.

vs 3 r.1,3 “Zoals een maagd die wordt gevraagd (…) Zoals een bruid haar man verblijdt” In de bijbel staat het net andersom: Jes. 62:5 “Want zoals een jongeling (…) en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt” Dit vs legt het initiatief dus verkeerd: dit hoort bij de HERE te liggen: Hěj heeft welgevallen, Hěj zoekt zijn bruid op, en niet andersom.

vs 4 r.1,2 “Rondom de muur wordt ieder uur Gods wachtwoord doorgegeven” Een wachtwoord is alleen voor ingewijden en geeft toegang. De tekst van Jesaja geeft echter iets heel anders aan nl. dat de wachters op Jeruzalems muren zonder onderbreking zullen pleiten op Gods verbondsbeloften.

vs 4 r.3,4 “Zo is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven” Mistige taal die de kern niet raakt.

vs 6 r.5-7  “De volken zien uw heilig spoor, zij  volgen het en neigen voor de standaard van uw koning” Deze liedtekst volgt niet de bijbeltekst: het gaat om de terugkomst van Gods volk uit de verstrooiing naar Jeruzalem (Jes. 62:12). Zoals het hier in het LB vs staat doet het denken aan de alverzoening, zeker nu vs 11 ontbreekt.

 

39

 

“Vrees niet, gij land, verheug u en wees blijde”

alg:        Lied op Joël 2:21-24 en 28-32. In Joël 2: 32 is sprake van eeuwig leven als ontkoming van de eeuwige dood. Dit slot van het Schriftgedeelte ontbreekt! Hierdoor wordt tekort gedaan aan dit Woord van God.

vs 6 “Ja ook op wie de vrijheid niet genieten, op slaven zal de Heer zijn Geest uitgieten. Zij krijgen deel aan een vernieuwd bestaan in ;’s Heren naam”     De Schrifttekst heeft hier dienstknechten en dienstmaagden, wat meer hun geringe, nederige staat aangeeft. Het liedboek suggereert hier meer dat het gaat om verdrukking: wie de vrijheid niet genieten.

vs 9En allen die naar ‘s Heren wegen vragen, die van zijn grote naam het zegel dragen, vieren in ‘t nieuw Jeruzalem het feest van Woord en Geest”  Hier komt niet in beeld de verkiezing en verwerping van Joël 2:32: “En het zal geschieden dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkoming zullen zij behoren, die de HERE zal roepen”

 

42

 

“Verheug u, gij dochter van Sion”

alg:        Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Zacharia 9:9,10. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. Het verkondigt een vrederijk op deze aarde, is daarom in strijd met Gods Woord en doet tekort aan de eigenlijke betekenis van dit schriftgedeelte.

vs 1 r.8-10 “De aarde zal spoedig een bloeiende tuin zijn van vrede en recht” De Here tekent in het schriftgedeelte iets anders nl. zijn universele heerschappij over de Kerk. Hij is de koning van Sion. Deze Vredevorst heeft een koninkrijk dat niet van deze aarde is. Het zal dan ook niet geschieden door kracht of geweld maar door Zijn Geest! Dŕt moet de boodschap zijn en niet die van een paradijs op aarde.

Lied

 

43

 

“Die dag zal komen, brandend als een oven”

alg:        Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Maleachi 4:1-3. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden.

vs 1,2 Volgens Maleachi 4:1 de dag die komt zal alle overmoedigen en allen die de goddeloosheid bedrijven als stoppels verbranden. De laatsten worden niet zo genoemd in dit lied, maar in verzwakte vorm: “die leefden zonder hoop en zonder liefde”, in deze omschrijving ontbreekt de antithese.

vs 3 r.3,4 “Hij breidt zijn vleugels uit en komt genezen al wie verkommerd zijn in ’s werelds loop” Hierin wordt de antithese tussen rechtvaardigen en goddelozen omgeruild voor solidariteit met verdrukten in ’s werelds loop (vergelijk Maleachi 3:18!).

vs 5 r.3 in dit vs wordt een “duisternis” geďntroduceerd die ontbreekt in de bijbeltekst

vs 6 r.2 Hierbij is de actie van “u, die mijn naam vreest” verdwenen. 

        r.3 zie vs 5,r.3: “Dit is de dag, waarvoor wij overnachten” hier wordt ook een nacht ingebouwd waarvan in de tekst niet wordt gesproken.

 

63

 

“De Heer verschijnt te middernacht”

alg:        Dit lied zegt gebaseerd te zijn op schriftgedeeltes die de gelijkenis van de 10 dwaze en wijze maagden beschrijven. Matt. 25: 1,2 vermelden: “De Here zegt  dat het Koninkrijk der hemelen vergeleken zal worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf waren dwaas en vijf waren wijs”

        In het lied is niets te bespeuren van de 5 dwaze maagden, en dus ook niet van de afloop die hun handelen had: (Matt. 25:12) “Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet”. Het is juist aan dit oordeel dat de Here Jezus voor ons de oproep en waarschuwing koppelt: “Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur” De grote klem die de Here Jezus zijn discipelen en ons wil voorhouden ontbreekt geheel in dit lied. Wat we overhouden is een vlak en eenzijdig lied dat bewust Christus’ woorden achterhoudt. Hier is de invloed van universalisme te bespeuren: alle mensen komen er, terwijl de Here ons een andere boodschap brengt in deze gelijkenis.

 

75

 

“U kennen, uit en tot U leven”

alg:        De benamingen van de Here Christus zijn hier (zie hieronder) niet juist, zo heeft Hij zich in Gods Woord niet laten aanspreken. Wij moeten met zijn naam heilig omgaan. Opvallend is verder dat in dit lied dat zich richt tot Christus Zijn zoenoffer niet ter sprake komt. Ook staat in dit lied nergens de echte aanspreektitel (het Lam Gods) waar de liederen in het boek Openbaring vol van staan. Bijv.  Openb. 5:13-14: ”En alle schepsel in de hemel en op de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: “Hem die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid”. Wij missen dit niet alleen in dit lied maar in zoveel liederen van de huidige selectie.

vs 1 “Verborgene”

vs 2 “o hemels brood”

vs 8 “o licht der wereld”

 

78

 

“Laat me in U blijven, groeien, bloeien”

alg:        Dit is een piëtistisch en mystiek getint lied dat zegt aan te sluiten bij Joh. 15:1-8. Het spreekt echter niet de schriftuurlijke taal van het verbond van Joh.15:1-8. Het kent niet de verkiezende en bewarende liefde van de Landsman, onze God en Vader, Die in deze tekst aan het woord is. Deze Landman snoeit  aan de ene kant de ranken die vrucht dragen, om ze tot grotere bloei te brengen, en die de Zijnen oproept om in Christus’ liefde te blijven, door gehoorzaam te zijn: “mijn woorden in u blijven (Joh. 15:7). Van dit snoeien (beproeven) lezen we maar heel weinig: vs 3 van ”bij kruis naar kracht en kracht naar kruis” gaat in dit lied weinig worsteling uit; ook lezen we niets concreets over geloofsgehoorzaamheid aan de woorden en geboden van de HERE!  Deze Landsman neemt in Zijn verbonds-verwerping ook ranken weg en laat deze in het vuur werpen waar ze worden verbrand (Joh. 15:2,6). Deze dreigende kant van het verbond dat God met ons sloot kent de dichter (=bewerker) niet: deze waarschuwende boodschap snijdt hij uit zijn lied; letterlijk want van het oorspronkelijke lied is juist het vers dat sloeg op Joh.15:6 geëlimineerd! Hierdoor houden we een lied over dat een goed gevoel bij de mens moet geven, die wel aangeeft dat hij het van de HERE moet hebben, maar de klemmende oproep van de Here tot zijn actieve geloofsgehoorzaam­heid niet in zijn mond wil nemen.

vs 1 r.1Laat me in U blijven, groeien, bloeien, o Heiland, die de wijnstok zijt! Uw kracht moet in mij overvloeien”.  De dichter spreekt de Here aan om hem te laten bloeien etc. Terwijl in Gods Woord nu juist geen lijdelijke maar een actieve gehoorzame geloofshouding gevraagd wordt onder belofte van zegen en onder dreiging van vloek. Dat is het woord in Joh. 15. In de Schrifttekst is de Here Jezus aan het woord: “Ik ben de ware wijnstok”, maar in dit lied staat de gelovige in het middelpunt: alles moet aan mij gebeuren.

 

Lied

 

78 vv

 

vs 2 r.5,6Uw Geest moet in mij uitgestort: de rank die U ontvalt verdort.”  Vrij dwingend gesteld. De rank ontvalt de HERE niet (lot), maar wordt actief door Hem weggenomen en verbrand (oordeel).

vs 3 r.2  ‘k blijf de Uw altijd, blijf Gij de mijn’!” De dichter draait de zaak om: vergelijk Joh. 15:3! De HERE kwam eerst met Zijn zoekende liefde en vraagt nu wederliefde en gehoorzaamheid!

vs 4 r.1Dan blijft mijn ziel voor U gewonnen.” Nergens ziet de dichter de klem van het heerlijke verbond dat in deze gelijkenis zo treffend door de Here Jezus aan Zijn kerk wordt voorgehouden.

 

87

 

“Wij willen God de ere geven”

alg: Dit is een zgn. bijbellied op Rom. 6:1-6. Een dergelijk lied behoort zich dicht bij de tekst van Gods Woord te houden en de boodschap zuiver door te geven. Dit is in dit lied niet het geval. Rom 6:1 (“Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme?”) is een vraagstelling die in doorlopend betoog de spits krijgt zoals verwoord in Rom 6:12-14. “Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam …” Deze boodschap is uit het LB lied gesneden! LB 87  brengt kunstmatig einde bij Rom 6:6.

vs 1 r.3-5 Nu juist de spits uit Gods Woord weg is gelaten is het geďsoleerd weergeven van “want wij zijn voor de zonde dood” een éénzijdige en daarom onjuiste inhoud gekregen waar geen plaats meer is voor de goed strijd van het geloof   

vs 2 r.2 “en door de doop Hem toegewijd” De doop is het teken en zegel van Gods verbond. Wij zijn niet door de doop Hem toegewijd (is dit niet Rooms?). God wijdt ons aan Zich, want we zijn door Christus’ bloed gekocht (H.C. zondag 1).

vs 3 r.1 “De mensheid der verloren tijden”: onduidelijk wie hier bedoeld zijn. Gaat het hier om de Joden of zijn wij daar ook bij inbegrepen?         

 

90

 

“Is God de Heer maar met mij”

alg: 1. Dit is een vlakke en selectieve (incomplete) vrije berijming op Rom.8:26-30. Zoals in veel LB-liederen wordt in dit lied de horizontale antithese verzwegen, hierin is de invloed van de algemene verzoeningsleer van K. Barth zichtbaar.

        2. In tegenstelling tot Rom. 8: wordt niet gesproken van de roeping, rechtvaardiging, verheerlijking en uitverkiezing van de uitverkorenen Gods.

        3. Het betreft geen tekstgetrouwe weergave: de kern van dit bijbelgedeelte komt onvoldoende tot zijn recht. Het unieke offer van Christus voor de Zijnen (Rom 8:32 “Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem niet alle dingen schenken?”) komt onvoldoende over (als enige vinden wij terug in vs 3 r.2 “in zijn bloed is voor wie op Hem bouwen Gods heil in overvloed”), dit in tegenstelling tot de oorspronkelijke versie uit het evangelische Kirchengesangbuch.

vs 7: De Schrift geeft m.b.t. het werk van de Geest met onze gebeden aan “dat Hij naar de wil van God voor heiligen pleit” (Rom 8:27). In het lied wordt in een soort mystieke dichtertaal, die vaag en onduidelijk is, het werk van de Heilige Geest voorzien van omschrijvingen als “is taal voor Hem en teken”

vs 8 r.1 “zoete dingen” is deze vage omschrijving bedoeld om weer te geven wat Rom 28:28 zo troostvol voorhoudt “Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben..” ??

        r.3 “zijn gunstelingen” Echter de prachtige gouden keten van het heil (Rom.28:29-30) die het begin van Gods vrijmachtige verkiezing tot en met het einde de verheerlijking aangeeft komt met dit ene woord niet voldoende in beeld. De eeuwige verkiezing (tevoren bestemd!) wordt weggelaten. 

Lied

 

91

 

“Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen”

alg:        Een bijbellied op Romeinen 14:7-10. Helaas blijkt dat deze verzen in het LB lied uit het verband zijn gelicht. Rom. 14:7 begint immers met "Want” . Dit slaat op vs 1-6, het gedeelte dat gaat over het aanvaarden van elkaar in broederliefde in geval van verschil in persoonlijke meningen (dus geen leergeschillen!), zeker als deze berusten op komaf (Jood of heiden). Rom. 14:11 staat ingeklemd tussen 8 en 10. Vs 10 zegt: Wij mogen onze broeders, die ook de HERE willen dienen, niet oordelen; De HERE oordeelt of onze dienst aan Hem waarachtig was als wij voor zijn rechterstoel komen. Dan volgt vs 11, waarin met aanhaling van Jes. 45:23, de HERE Zich bekend maakt als de enige en waarachtige verlosser voor zowel het nakroost van Israël als de einden der aarde. Het gaat in Rom 14:11 dus niet over een alverzoening, een universeel heil voor iedereen (alle knie). Het gaat hier om Gods verlossing die er is voor uitverkoren Jood čn uitverkoren heiden en die alleen in de weg van geloofsgehoorzaamheid (knielen!) aan de enige God en Verlosser. Daarom zal een ieder voor zich rekenschap moeten geven aan God.

vs 3 r.4,5 “Wij worden allen eens voorbij de dood gesteld voor Christus’ rechterstoel” Allen voorbij de dood? Dat weten wij nu nog niet. Welke dood wordt trouwens bedoeld?

        r.6 “En Hij stelt ons in ‘t oordeel van zijn heerschappij” Wat betekent ‘van zijn heerschappij’?

vs 4 r.2 “Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.” In de Schrift tekst heeft het de betekenis van een eed: “zo waar ik leef”(zie Jes. 45); deze lading wordt in LB tekst gemist

        r.3,4 “En alle knie op aarde buigt zich neer, en alle mond belijdt mij als de Heer.” Hier straalt het universalisme vanaf! (zie bij opmerkingen n.a.v. Rom 14:11 onder alg.)

 

92

 

“Al kon ik alle talen spreken”

alg:        Lied naar 1 Cor 13:1-7,13. Ons bezwaar richt zich tegen vers 6. Dit vers doet geen recht aan het verband met de rest van 1 Cor 13 en met het geheel van het boek (hfdst 12-14). Bovendien is het waar het hier gaat om Gods liefde! ongepast zich hier dichterlijke vrijheden te veroorloven zoals in vers 4 en 5.

vs 5 r.5-8 “Gij dekt de schulden toe. Gij zijt … gelovig alles dragend, het leven toegewijd .” 1 Cor.13:5,6 kent echter: “zij rekent het kwade niet toe, zij is niet blijde over ongerechtigheid”. De zonde, de ongerechtigheid wordt hier aangewezen: de liefde is er niet blij over. Opvallend genoeg missen we juist dit in het lied. Daarentegen wordt de liefde iets vaag toegeschreven, wat de dichter er maar even tussenin plaatst: het leven toegewijd Dit komen we in de Schrift niet tegen, en doet ons denken aan een verhorizontaliseren van Gods liefde als gave aan ons.

vs 6 r.1,2 “Geloof en hoop en liefde worden nooit van ons genomen”. Dit kan op 2 manieren worden verstaan: (1) alsof het ons eigen geloof, onze hoop en onze liefde is. Hiervan zullen we niet kunnen zeggen dat ze nooit van ons genomen worden. Of (2) een algemene slotsom; maar van het geloof kunnen we dan juist niet zeggen, dat het eeuwig blijvend is: eenmaal gaat het in aanschouwen over! (vergelijk vs 9,12; Rom 8:24, 2 Cor.5:7, Hebr. 11:1). Misschien kunnen we, vanuit het geheel van 1-13 vers 13 het beste zo verstaan (Zo: in de grondtekst staat nu): Van die dingen die wij nu (nog) mogen bezitten, nl. geloof, hoop en liefde, is de meeste de liefde, nl. Gods liefde die de grondslag is van Gods rijk; deze liefde vergaat nimmermeer (vs. 8)!

vs 6 r.3-8   “Gedrieën bouwen zij de orde die Gods zal doen komen (…) Dan vieren wij het bruiloftsfeest en mogen blijde zingen van drie verheven dingen” Hier wreekt zich dat de dichter zich niet heeft bekommerd om de bijbelverzen 13:8-10; uit deze verzen blijkt ook de verbinding van hfdst 13 met hfdst 12 en 14. Dit liedboekvers doet tekort aan het geheel van 13:1-13, waaruit blijkt dat na de jongste dag het onvolkomene vervangen zal worden door het volkomene, en dat de Liefde straks in eeuwigheid blijft. Maar nú mogen we wel ons verblijden in een vaste hoop en ons opbouwen in een allerheiligst geloof, zoals Judas 1:20 leert “Maar gij, geliefden, bewaart uzelf in de liefde Gods, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bidden in de Heilige Geest …”

        Geloof en hoop ze zijn ons hier en nu gegeven om straks de volmaakte Liefde te kunnen kennen. Verstaat de dichter wel wat het verschil vóór en na de jongste dag is, of verwacht hij Gods komende orde in vers 6 in déze wereld?

 

103

 

“De heiligen, ons voorgegaan”

alg: Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Hebr.11. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. Hebr. 11 geeft ons ten voorbeeld de vastheid van het geloof van de geloofsgetuigen in de komende Christus. Hebr. 11:39 geeft aan dat dit voor ons betekent: “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen”

        In plaats daarvan wil dit lied ons het veilig trekken van Abraham en anderen (zie het refrein: “Geprezen zij zijn naam! Hij deed hen veilig gaan! Komt, zingen wij tezaam met alle heiligen” en vs 3 r.5-8: “dat wij omgeven door de wolk de weg teneinde lopen, één met het heilig trekkend volk in liefde en in hope”) ten voorbeeld stellen. Dit is een ongeoorloofd exemplarisme die in de tekst wordt ingedragen.

vs 2 r.6 ‘en hebben niets geweten’ vergelijk echter met Hebr. 11:10: “want hij verwachtte de stad met fundamenten”, 11:13-16 “en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde… maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland”

Lied

 

106

 

“Het einde aller dingen is nabij”

alg:        Lied 106 is een zogenaamd bijbellied, een berijming op 1 Petr. 4:7-11. Helaas kunnen wij niet vaststellen dat het in alle onderdelen tekstgetrouw is. Ook bevat het lied onschriftuurlijke elementen

vs 1 “liefde dekt alle ongerechtigheden” In Petr. 4:8 staat echter “want de liefde bedekt tal van zonden” dus niet ŕlle zonden.

vs 2 ”maakt om u heen het heil des Heren waar”. Dit doet denken aan een kerk die het heil in deze wereld uitdeelt. Het is echter de Here zelf en niet wij, die het heil des Heren waarmaakt! Wij mogen  het heil in Christus verkondigen, maar kunnen het niet uitvoeren, dat doet Christus.

vs 3 r.1,4 “Als iemand spreekt, hij spreke vrank en vrij” dit staat er echt niet. Vs 11 van 1 Petr. 4 zegt iets heel anders: “Spreekt iemand laten het worden zijn als van God”  Het gaat in ons spreken niet om vrijmoedigheid maar om in geloofsgehoorzaamheid en in grote verantwoordelijkheid! Als iemand spreekt, dan zó dat hij de uitspraken van God verwoord (P.H.R. van Houwelingen: 1 Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, Kok, Kampen1991, p.158) Later in r.4 staat “Woord van zijn Woord” daarmee wordt iets teruggevonden van de tekst van vs.11, maar het staat er vaag en het blijft onduidelijk of het hier gaat om gevolg of inhoud van de verheerlijking van God. Terwijl het door God geleide spreken en dienen juist als middel tot Gods verheerlijking wordt beschreven in de Schrifttekst: …opdat in alles God verheerlijkt worde

        r.4 "Genade voor genade" dit klinkt te veel als een tegenprestatie of een soort ruil. Genadegaven gebruiken ten dienste van anderen is wel het gevolg van Gods genade (‘rentmeesterschap’), maar kunnen toch niet als een tegenprestatie, als ruil gelden. (1 Petr. 4: 10: “als rentmeesters over de velerlei genade Gods”)

 

107

 

“Wie zich hovaardig verheffen”

alg:        Dit lied dat mooie elementen bezingt uit 1 Petr. 5:5-11, laat ook een aantal belangrijke elementen uit de boodschap achterwege waardoor deze niet zuiver blijft. Het gaat in onze tekst om het leven in de kerk! De ambten worden aangewezen: leiden zonder te heersen; van de gemeenteleden wordt gevraagd: gehoorzaamheid en onderwerping; maar allen moeten –naar de wil van God (vs 2)- een nederige basishouding kennen. Het beslissende hierbij is dat zowel ambtsdragers als gemeenteleden tegenover de HERE nederig zijn.

vs 2 r.1-3 “Zo buigt u dan terneer en kust de hand van God die krachtig is en teder”  De boodschap dat wij ons onder de machtige hand van God moeten vernederen, wordt hiermee mistig en zwak uitgedrukt.

        r.4,5 “en klaagt Hem als uw nood, opdat Hij u verhoogt” Uit dit vers blijkt dat de dichter mistast in regel 1-3: Wie zichzelf vernedert voor de Here, die verhoogt Hij (Matt. 23:12). De dichter stelt dit verhogen nu in het verschiet bij wie zijn nood klaagt.

vs 3 r.6 “En draagt uw deel van ’t lijden”  De broederschap van de kerk van alle tijden, die in dezelfde geloofstrijd is gewikkeld, komt hier niet in beeld!

vs 4 r.1,2 “De God aller genade die u geroepen heeft              Wij missen nu wel de naam van onze Heiland die in 1 Petr.5:10 speciaal genoemd wordt: “die u in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid”. De verbondstaal van 1 Petr. 5 die tot de kerk gesproken wordt, wordt hierdoor tot een schrale boodschap. 

 

113

 

“Ik zag een troon”

alg: Lied 113 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 20:11-21:4. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden.Het lied ademt geheel die geest van het universalisme: het heil voor alle mensen. In Openb. 20:14,15 staat: ”En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs. En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs”. Deze tekst met het oordeel van de tweede dood, dat toch ook onmisbaar is voor het evangelie is ontbreekt geheel in lied 113. Laten we wel bedenken dat voor dit geselecteerd omgaan met Gods woorden, de woorden uit dit bijbelboek moeten worden overwogen: Openb. 22:19 “en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”

vs 1 Er wordt voorgesteld dat de troon (of Hij die daarop zit) zo ruimtevullend is dat er voor de hemel geen plaats meer is. Het licht van Degene die op de troon zit laat de aarde verdwijnen. Het is alsof wordt gesuggereerd dat Gods majesteit de schepping wegdrukt. Openb. 20:11 geeft echter een  beeldend visioen over de indrukwekkende verschijning van de Here, waarvoor niets en niemand staande blijft..

vs 2 r. 5,7 “het donker” en “de diepte” duiden hier op de eerste dood die haar doden prijsgeeft en niet op de tweede dood. Naar deze tweede dood ontbreekt elke verwijzing

vs 4 r.4 “opnieuw een wereld”: Volgens Gods Woord worden de hemel en de aarde nieuw=vernieuwd, maar niet geheel nieuw als bij een nieuw begin. Het prachtige vers van dit bijbelgedeelte ontbreekt: Openb. 21:3 “Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn …”

conclusie: Christus’ kerk spreke liever haar Koning na in Zijn openbaring dan dat ze dit lied meegaat zingen.

Lied

 

114

 
“Ik zag een nieuwe  hemel zich verheffen”

alg:        Lied 114 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 21:1-4. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden, het is een vrije omschrijving met oneerbiedige tekst.

vs 1 r.3 “om het geheim des levens te beseffen” wat betekent dit in relatie tot “een nieuwe aarde die ontstond”?

        r.7,8 “zoals het in Gods dromen als vanouds moet zijn geweest” God maakt geen dromen, hij maakt plannen. Het is niet eerbiedig om over God te zingen dat hij van het nieuwe Jeruzalem gedroomd heeft, als Hij dat Zelf niet heeft aangegeven in Zijn Woord.

 

115

 

“Die op de troon zat zeide”

alg:        Lied 115 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 21:5-8. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. De duidelijke bijbelse taal over de tweede dood is afgezwakt; de opsomming van zondaren verwordt tot mensen met aanzien, geld en macht. In het Compendium geeft Bernard aan waarom hij dit heeft gedaan, vers acht laat zich, zo zegt hij, moeilijk zingen, hij heeft het daarom slecht terloops ter sprake gebracht (zie Nader Bekeken maart 1999).

vs 1 r.5,6 “Al wat er moest vervallen, stierf in der getijdenkring” is dit een berijming van Openb. 21:4b“want de eerste dingen zijn voorbij gegaan”??

vs 3 r.3 “nu zal in ‘t niet verzinken”: dit is de afgezwakte berijming van  Openb. 21:8, die zegt: hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.     

        r.4: “aanzien en macht en geld”  , zo vertaalt de dichter op horizontalistische wijze de opsomming in Openb. 21:8: “de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars”.

vs 4 r.4 de poel van vuur en zwavel wordt hier afgezwakt tot de poel van de leugen.

 

119

 

“Richt op uw macht, o Here der heirscharen”

alg:        alverzoeningsleer met de zaligheid op deze aarde

vs 1 r.1 “Richt op uw macht, o Here der heirscharen”. God is almachtig, zijn macht hoeft toch niet worden (op-) gericht, in stelling gebracht? We kunnen wel bidden: Here toon uw macht.

        “opdat de nacht zal wijken uit het land” Gebeurt dit doordat het volk van God wordt bewaard (r.3)? De kerk is wel een licht op een kandelaar, een stad op een berg: daar moet men dan heen, want daar wordt het heil verkondigd! maar ‘het land’ wordt zelf niet vernieuwd. Duidt dit op een soort voortrekkers rol voor de kerk in de wereld, met alverzoening (zie ook vs 2)?

vs 2 r.3 “Dan zal het land de rijkste vruchten geven: de vijgeboom en wijnstok van de trouw” Daar bekruipt ons dezelfde gedachte: komt hier niet de gedachte van universalisme (het heil voor iedereen, en op déze aarde) naar boven? Want wat wordt bedoeld met ‘het land’. In het O.T. was dat duidelijk: Het land van de belofte; in de N.T. betekent dit toch de nieuwe hemel en de aarde?

vs 4 r.4 Wij zullen altoos van uw heil gewagen in brood en wijn, totdat Gij wederkomt” De dichter een R.-K. theoloog verwijst hier naar de Roomse Mis: heil in brood en wijn (wijst op transsubstantiatie) i.p.v. met of door  brood en wijn.

vs 5 r.2,3 “de volkeren (…) ze zullen allen voor uw aanschijn komen en zingen dat uw woorden niet vergaan” Voor een oordeel en gericht van onze almachtige God is in dit lied geen plaats.

Lied

 

122

 

“Kom tot ons de wereld wacht”

alg:        onschriftuurlijk magisch herbeleven

vs 1 Komt tot ons, de wereld wacht, Heiland, kom in onze nacht.”Roept Christus op mens te worden en zingt alsof wij aan de kribbe staan. Dat is echter voor ons niet het geval! Christus is opgevaren naar de hemel, en wij verwachten zijn terugkomst. Dŕt is onze advent. De theologie die hierachter zit pleit voor herbeleving van Gods heilsdaden. Dit is iets anders dan Gods grote daden die Hij in het verleden gedaan heeft gedenken. Van dit ‘actualiseren’ gaat een suggestief mystiek gevoel uit, alsof wij bezig zijn met “kindje-wiegen in Bethlehem”. Het is afkomstig van Rooms denken waarbij de verwevenheid van de gelovige met de heilsfeiten zelf al een instrument is om het heil door te geven (vergelijk Franciscus van Assisi die de merktekenen van Christus bij zichzelf ging opmerken). Maar het is God die ons door Zijn Woord het heil aanreikt. Tegen magisch denken, dat op zich ook erg oneerbiedig gericht is tegen Christus in de hemel, moeten wij blijven waken ook in onze liederen.

vs 2 Kind dat uit uw kamer klein (…) op de aarde wordt gesteld”: onverklaarbare tekst: Jezus komt een kamertje de aarde op.

vs 4Uw kribbe blinkt in de nacht met een ongekende pracht, Het geloof leeft in dat licht   waarvoor al het duister zwicht.” Onschriftuurlijke romantiek: de kribbe blonk niet, en deze blinkende kribbe geeft ons het geloof niet. Dit is magische taal, waarmee we onze Here Christus niet mogen toezingen.

 

126

 

“Verwacht de komst des Heren”

alg:        onschriftuurlijk herbeleven komst van Christus, alsof nú de Vorst op aarde komt

vs 1 r.7: “ons eigen leven vraagt toegang tot ons hart”? als “ons eigen leven” betekent: het eigenlijke leven in Christus, moet hierbij worden opgemerkt dat Christus eerst woning in ons hart maakt, waarna wij Hem aannemen als onze verlosser

 

127

 

“Gaat, stillen in den lande”

alg:        Dit lied zin­speelt duidelijk op de intocht van de Here Jezus in Jeru­zalem (Matt. 21, vs 1-11). Hier worden de gelovigen opgeroepen om in een soort herhaling van de heilsgeschiedenis Jezus (die wonderen doet, vs 1) die komt aangereden (vs 1,6) het Hosanna toe te roepen (vs 1,7). Het is niet verantwoord zo’n vermenging van beelden te zingen: magisch herbeleving van historische feiten vermengd met toekomst beelden.

 

135

 

“Hoor, de englen zingen de eer”

alg:        Herbeleving van historische feiten, “zingt met algemene stem voor het kind van Bethlehem” Wij als NT kerk willen echter zingen voor onze opgestane Heer in heerlijkheid, die tevens als het Lam dat geslacht is, voor Gods troon staat!

vs 3 r.2,4 “die op aarde vrede geeft” “taal en teken in de tijd” Deze uitdrukkingen passen in het denken van liedboekdichters: het bereiken van wereldvrede, waarbij Christus’ werk opgaat in het voorbeeld zijn van nederigheid en zelfopoffering. Het volbrengen van Gods wil in volmaakte  gehoorzaamheid en het brengen van Zijn kruisdood als verzoening voor onze zonden, komen in deze dwaalleer niet voor. Weliswaar is Christus in de Schrift een teken genoemd (Lucas 2:34) van Gods liefde. “Taal en teken” is echter een woordcombinatie van de Landvolkdichters zelf die een goddelijke dimensie aanduidt die in woord en gedicht naar boven komt (magisch element).

 

139

 

“Komt verwondert u hier, mensen”

alg:        bevat onwezenlijke verbinding van de gelov

 

ige nu met de baby-staat van onze Heiland destijds in Bethlehem. Deze mystieke en zoete taal komen wij in Gods Woord zo niet tegen en moeten wij als niet schriftuurlijk verwerpen.

vs 2 “hoe men Hem in doeken bindt (…) Ziet, hoe ligt Hij hier in lijden”. Het binden in doeken is  op zich geen teken van lijden, wel als uiting van het feit dat Christus in nederigheid ons vlees heeft aangenomen.

vs 3 “geef mij door uw kindsheid raad, sterk mij door uw tere handen, maak mij door uw kleinheid groot”  zie commentaar hierboven onder alg.

Lied

 

140

 

“Prijs de Heer die herders prijzen”

alg:        lied ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit, alsof wij bij de kribbe staan en hetzelfde moeten doen wat de herders (“Prijs de Heer, die herders prijzen”) of de 3 wijzen uit het oosten (“Geef de koning van uw leven wat de koningen Hem geven”) deden op dat moment. Dit is anders dan levendig verkondigen, maar is uit op een nieuwe beleving door ons zelf. Dit staat op gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die ook in het NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is voorgehouden. Bovendien is de inhoud schraal en is geen duidelijke verwijzing naar het doel van Christus’ komst naar de aarde: het volbrengen van de verzoening met God.

vs 2 “Geef de Koning van uw leven wat de koningen Hem geven, breng uw schatten de verheven in de stal geboren Heer” Deze mystieke herbeleving is niet overeenkomstig wat ons in Gods Woord wordt voorgehouden als inhoud van ons loflied met betrekking tot onze Heiland (vergelijk bijv.  de liederen uit het boek Openbaring), waarin Christus wel als het lam Gods maar nooit als baby wordt verheerlijkt.

 

147

 

“Looft God, gij christnen, maakt Hem groot”

alg:        lied ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit met mystieke en zoete taal (vs 2). Wat ontbreekt is het doel van Christus’ komst naar de aarde, nl. het volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld.

vs 2 r1,2 “Hij daalt uit ’s vaders schoot terneer op aard om kind te zijn”: Vaders schoot: uitdrukking die niet bijbels is, niet gepast om te gebruiken voor onze heilige God en Vader.

        r3-5 “een kindje arm en naakt en teer, al in een kribje klein, al in een kribje klein” :romantisch zoete taal

vs 5 “Hij wordt een knecht en ik een heer”: klopt niet zoals het hier staat, suggereert alsof wij ten opzichte van onze Heiland heer zijn. ”waar vindt men zoveel gulheid weer”: vlakke en banale omschrijving van de onbegrijpelijke liefde van het verzoenend lijden van onze Heiland

vs 6 “En nu ontsluit Hij weer de de poort van ’t schoone paradijs. De cherub staat er niet meer voor. God zij lof, eer en prijs” Verwijst naar het paradijs, maar dat komt niet weer terug. Het beeld van de verdwenen cherub is een verzonnen beeld en niet bijbels, ook niet waar het verwijst naar de toegang naar de eeuwige heerlijkheid.

 

148

 

“Wees wellekom, Immanuël”

alg:        Ook dit lied (zie commentaar op 140,147) ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit (“wees wellekom”) met mystieke en zoete taal (vs 2). Wat ontbreekt is het werkelijke lijden van Christus’ komst naar de aarde, nl. het aan het kruis volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld. Dit vlakke lied blijft met de verlossing steken in hooi en kribbe (vs 3). Dit staat op gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die ook in het NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is voorgehouden.

        In dit kader vinden wij de slotregel van de vers één (“welkom moet ons Jezus wezen”) niet gepast voor verloste kinderen die de grote daden hun Heiland gedenken: hoe zouden wij dit nů zo zingen (zie vs 1)

vs 1 “Wees wellekom, o Godes Zoon, die komt van Vaders troon, ons aller Heer en broeder! Welkom, welkom, die ons harten, onze smarten komt genezen, welkom moet ons Jezus heten”

        voor commentaar zie alg: onverantwoord herbeleven: heeft niets te maken met indringend levendig gedenken. Wij mogen in ons hart Christus woning laten maken, die als verlosser - overwinnaar en onze pleitbezorger aan Gods rechterhand zit.

vs 3 r.2-5 “En draagt der wereld zonden, om onzentwil in schamelheid, zeer arm in hooi en krib geleid, in doeken teer gewonden” Hier eindigt dit lied met het laatste refrein. Wij vinden dit een verminking van het evangelie. Het dragen van de zonden komt aan het kruis wanneer Christus de helse smarten moet lijden.

 

152

 

“Een kind geboren te Bethlehem”

alg:        Laag poëtisch niveau (is ook criterium voor onze gezangen), eerder goedkope rijmelarij.

        Wat ernstiger is dat ook hier ontbreekt de voortgang in de heilsgeschiedenis (zie commentaar 140,147148), en daarmee blijft de werkelijke inhoud van het verzoenend lijden als de reden van Christus’ komst naar de aarde geheel buiten beeld.

vs 6 “Hij maakt ons door zijn armoe rijk, zijn armoe rijk, en brengt ons in het hemelrijk. Halleluja, halleluja!” Christus maakt ons niet door zijn armoe rijk maar door zijn kostbaar bloed!

Lied

 

169

 

“Zingt nu de Heer stemt allen in”

alg:        Het lied staat vol met gedachten over licht en duisternis. Dit kan symbolisch heel schriftuurlijk zijn (zie bijv.  NGB art. 14). Wij moeten echter uit vs 1 en 2 afleiden dat dáár juist het geschapen licht bedoeld is: “Hij heeft het menselijk geslacht in ‘t licht geroepen en bedacht”.”Maar wij verkozen ‘t duister meer dan ‘t lucht door God geschapen”. Dan wordt het ineens moeilijker te begrijpen: “wij hebben dag en nacht verward” wordt er vervolgd. Er is dan een mix het licht van de eerste scheppingsdag en het licht dat verlossing betekent. Dit wijst op een dwaalleer van Barth: in het begin van de schepping was er een negatieve macht zich uitend in de chaos en de duisternis. God zou door de schepping van het licht en de ordening van de schepping dit negatieve element moeten bestrijden (Zie voor uitgebreide bespreking en bestrijding van deze dwaalleer K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus, deel III, 1950:pp 317-320,362-384). zie verder de bespreking bij lied 1.

vs 3 r.2  de eeuwige dood wordt hier afzwakkend als “het lege niets” omschreven (zie ook liedboeklied 115). Het is ook in dit lied opmerkelijk dat Christus neerdaling ter helle, om ons te verlossen, net als in zoveel andere liedboekliederen, buiten beeld blijft!

 

189

 

“Mijn verlosser hangt aan ’t kruis”

alg:        Herbeleving alsof ‘t nu speelt, mystieke vereenzelviging met de toenmalige situatie. Zo spreekt Gods Woord niet over het eenmalige offer van Christus

vs 4 r.2,3 “’k heb mij, Heer, voor dood en leven U gegeven”  Dit is niet schriftuurlijk: wěj geven ons niet. De Here riep ons in Zijn grondeloze ontferming. Wij zijn gekocht en betaald door het bloed van Christus.

 

201

 

“O dag van de verrijzenis”

alg:        Vage tekst over de betekenis van Pasen: Pasen en Jongste dag zijn niet helder door elkaar gebruikt. Vanwege vage elementen niet geschikt

vs 2 r.1 “O laat ons waarlijk zuiver zijn, dan wien wij hoe in ‘t licht” vreemde taal

        “Hoe Jezus zelve tot ons spreekt zeggende: wees gegroet” slaat dit op de jongste dag als de Here ons begroet met “Welkom gij gezegenden des Vaders” Matt. 25 : 34?

vs 3 r. 5-8 “De wereld die onzichtbaar is, de wereld die men ziet, begroeten de verrijzenis en zingen ‘t zegelied”  Slaat dit op het wederherstel van de zienlijke en onzienlijke dingen?? Dan gaat het initiatief toch niet van deze “werelden” uit. Of zijn het de in de Here ontslapenen tezamen met de levende gelovigen?? Dan is de omschrijving “wereld” vreemd. Onduidelijke en daarom ongeschikte tekst.

 

203

 

“Die in de dood gebonden lag”

alg:Vlakke en onschriftuurlijke tekst over de betekenis van het lijden van Christus. Satan is uit beeld gehouden!

vs 2 r.1,5-7 “Geen die de dood bedwingen kon, geen enkel mens op aarde (…) zo kreeg hij ons in zijn macht en heeft ons in zijn rijk gebracht en hield ons daar gevangen” de dood heeft hier ten onrechte de plaats ingenomen van satan!!  “Halleluja” is hier als refrein misplaatst.

vs 3 r.1,3 “Toen heeft Gods Zoon ons hulp verschaft (…) en wees zonde en verzoeking af”: vlakke weergave van het verzoenend lijden van onze Heiland

        r.6  “heeft de dood ontnomen al zijn rechtsmacht en geweld (…) hij moest de sleutels van de hel in Christus’ handen laten”  Hier moest staan satan of zondemacht i.p.v. dood.

vs 4 r.5-7”Hij die onze bondgenoot geworden is, heeft in zijn dood de dood voor ons verslagen” bondgenoot moet verlosser zijn, dood moet zijn satan

 

221

 

“Wees gegroet gij eerstling der dagen”

alg:        onschriftuurlijke gedachte over de kruisdood van Christus

vs 2 r.5,6 “leer ons duizendwerven, in uw kruisdood meegekruisigd sterven” verdraagt zich niet met Gal. 2:20, 5:24: Christus offer is uniek en eenmalig. De dagelijkse afsterving van de oude mens (H.C. zondag 33) is iets anders dan dat wij daarin opnieuw met Christus meegekruisigd zouden worden.         

vs 3 r.6,7 “als we onsterflijk uit de dood verrezen, knielen voor uw dankaltaar” wat is knielen voor uw dankaltaar in dit verband, lijkt ons geen schriftuurlijke gedachte.

Lied

 

225

 

“Zingt voor de Heer een nieuw gezang”

alg:        Christus komt niet duidelijk in beeld. Mistige omschrijving van wedergeboorte. Is niet ondubbelzinnig schriftuurlijk en geeft de kerk geen heldere belijdenis in de mond. Christus’ werk niet bij name genoemd.

vs 3 “Een lied van uw verwondering, dat nňg uw naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is, uit water en uit duisternis” dit vers is onduidelijk, kennelijk is “uw naam” niet de in vs 1 aangesproken Heer, maar het volk Israël c.q. de NT kerk. Maar dan blijft geboren ‘uit water en uit duisternis’ op zijn minst zeer onduidelijk. Is dit het beeld van de Rode Zee, die de doop heeft aangeduid? Maar als dit zo is, waar is dan het werk van onze Here Christus gebleven in dit lied??

vs 5 “Wij zullen naar zijn land geleid doorleven tot in eeuwigheid” ademt teveel geest van alverzoening

 

234

 

“Al heeft Hij ons verlaten”

alg:        mist het werk van de Heilige Geest, terwijl daardoor juist Christus bij ons is gebleven. Het is alsof het tussen hemelvaart en pinksteren is blijven steken.  De vrucht van de hemelvaart komt onvoldoende tot uitdrukking.

vs 1 r.5als zonlicht om de bloemen' is enigszins vreemd.

 

240

 

“Kom, Heilige Geest, Here God”

alg:           Door de dep. van de synode Kampen 1975 (acta blz. 360) werd de bede “Kom Schepper God, o heilige Geest” (in lederen 237-240) onschriftuurlijk genoemd. Er wordt gevraagd om de neerdaling van de Heili­ge Geest. Dit is echter al 2000 jaar geleden gebeurd. Als de kerk nu het Pinksterfeest viert dan hoeft de Heilige Geest niet op­nieuw te worden uitgestort. Dit lied is een weer­gave hoe men in de moderne theologie de heilsfeiten beleeft.

vs 1 r.3,4 “tot al wat wij zijn, geest, ziel en bloed, ontvlamt en staat voor u in gloed” dichterlijke vrijheid die door onduidelijkheid niet bijdraagt aan schriftuurlijk verstaan van het werk van de Heilige Geest.           

vs 2 r.1 “Gij heilige zon, hemels schat” lijkt ons onschriftuurlijke benaming van God de Heilige Geest

vs 3 r.1 “Gij heilige gloed, zoete troost” eveneens onbijbelse benaming.

 

241

 

“Nu bidden wij de Heilige Geest”

alg:        Vrij vlakke tekst. Benamingen van de Heilige Geest die Hij ons in Zijn eigen Woord ons niet leert. Gezien de heiligheid van Zijn  Naam moeten we zorgvuldig zijn in ons spreken.

vs 2 r.2 “kostbaar licht” als benaming van de Heilige Geest, niet schriftuurlijk.

vs 3 r.3 “heilge liefde” eveneens niet schriftuurlijk.

vs 4 r.3,4 “dat wij niet versagen ten laatste dage als de vijand ons zelf komt aanklagen” Dit is een onschriftuurlijke zin. Openb. 12:10 leert ons dat de satan ons niet meer kan aanklagen, omdat Christus hem heeft overwonnen.

 

252

 

“Wat zijn de goede vruchten”

alg:        vreemde poëzie, die geen recht doet aan schriftuurlijke gegevens (boom des levens). Door de boom des levens te halen naar ‘dit aardse dal’ (vs 4 r.6) is ook hier weer de sterke suggestie van een paradijs op déze aarde.

vs 1 r.1,2 “goede vruchten, die groeien aan de Geest” ? moet ‘aan’ niet ‘door’ zijn?

vs 2 r.1,2 “geloof om veel te geven honderd-in” Wat zingen we hiermee?

vs 4 “Maar wie zich door de hemel laat helpen uit de droom, die vindt de boom des levens, de messiaanse boom en als hij zich laat enten hier in dit aardse dal dan rijpt hij in de lente tot hij vrucht-dragen zal”. M.i. ongeoorloofde poëzie. ‘laat helpen uit de droom’: vlakke niet gepaste taal voor geloofsperspectief. Voorts: de boom des levens wordt hier op deze gebroken aarde ten tonele gevoerd. De Schrift kent deze boom een plaats in het paradijs, waartoe de toegang na de zondeval werd afgesloten. Pas op de nieuwe hemel en aarde wordt weer gesproken van de boom des levens (Openb. 2:7;22:2,14). Zie ook onder alg.

 

253           

 

“O zalig licht, Drievuldigheid

geen schriftuurlijk aanspreken van onze God drieënig

vs 1 r.1 “o zalig licht, Drievuldigheid” oneerbiedige aanroeping van de drieënige God als ‘licht’;in laats van Drievuldigheid: Drieënig­heid, is echter ook geen aanspreek titel voor onze God!. 

        r.3 'de grote zon verzinkt in nacht' is onduidelijk en ongeoorloofde betiteling van onze almachtige God in de hemel

        r.4 onduidelijk is wat/wie met het licht bedoeld wordt. Als daarmee de 'Drievuldig­heid' bedoeld wordt, doet de oproep om in ons hart de wacht te houden vreemd aan.

vs 2 loven en smeken merkwaardig aan respectievelijk dageraad en avond gekoppeld. Of speelt hier toch de gedachte dat het waarneembare licht van God komt, maar de duisternis van een boze macht (zie bespreking lied 1)?

Lied

 

264

 

“Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd”

alg:        In dit lied wordt Jeruzalem verheerlijkt, zonder dat de Koning van Jeruzalem, onze Here Christus ook maar één keer genoemd wordt. Een ronduit onschriftuurlijk lied

vs 4 “Gij zijt mijn doel, verheven houden stad, hoe klopt mijn hart in mij; van ’t aardse los, van vreugde  hier verzaad, stijg ik u naderbij, weg boven aard’ en sterren. Reikt englen, mij de hand! Ik zie u reeds van verre, mijn hoge vaderland” Eén en al mystiek, waarbij de ziel en het hogere verenigd zullen worden.

 

271           

 

“Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig”

alg:        dit onpersoonlijke lied blijft (bijna) steken in een algemene woorden over “ijdelheid der ijdelheden”; de enige uitkomst uit ‘de ijdelheid’ wordt geboden in het allerlaatste vers: “wie God vreest, zal eeuwig leven.” Dit is te mager om de bemoediging van het evangelie goed te laten doorklinken. Het lied mist de roep tot de Here, de verwachting op Zijn uitkomst en het beroep op Zijn belofte en trouw, zoals die bijv.  in de rijke psalmen 77,88, en 102 doorklinken. Ook valt de noodzakelijke lofprijzing op Gods uitkomst weg in dit lied. Daarom is de inhoud van dit lied schraal.

 

281

 

“Jezus zal heersen waar de zon”

alg:        In dit lied lijken drie episoden in de heilshistorie door elkaar gebruikt: de tijd vóór Christus’ koningschap (dus voor hemelvaart), de laatste bedeling met Christus’ koningschap (de tijd waarin wij leven) en de eeuwige volmaakte heerlijkheid, wanneer Christus het koningschap heeft overgedragen aan zijn vader (na de jongste dag). Een duidelijk schriftuurlijk heilshistorisch perspectief naar de toekomst wordt daarom in dit lied gemist. Het wijst meer op een paradijs op déze aarde.

vs 1 “Jezus zal heersen” Dit is in de toekomende tijd gesteld, maar lijkt gezien vs 4 te slaan op de tijd na de geboorte van Christus (“stem met het lied der englen in)? Dus dit zingen we vóór zijn geboorte?

vs 3 r.1“Zijn rijk is volle zaligheid”  Zijn rijk: volgens vs 1 slaat is dit rijk op deze aarde. Maar hier kent Christus’ rijk nog geen volle zaligheid! Die komt wanneer Christus alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben bij de bruiloft des Lams (1 Cor. 15:24, Openb. 22:3) Onze tijd is echter het begin van deze heerlijkheid voor wie kinderen van Christus zijn.   

        r.2-4 “wie was gevangen wordt bevrijd, wie moe was komt tot rust voorgoed, wie arm was leeft in overvloed”  De inhoud van de zaligheid blijft in dit lied aardsgebonden: het is bestemd voor gevangenen, vermoeiden, armen. De schriftuurlijke diepgang van zondag 48 ( m.b.t. de bede “uw koninkrijk kome”) wordt ten enenmale gemist.

 

284

 

“O lieve Heer geef vrede”

alg:        Dit lied ademt de sfeer van paradijs op deze aarde en horizontalistische vrede

vs 3 “Laat niet de goddelozen op aarde koningen zijn! (…) Dat zal een land van vrede van melk en honing zijn!”

        De ware vrede met God door de verzoening van onze zonden door het offer van Christus blijft buiten beeld

 

285

 

“Geef vrede, Heer, geef vrede”

alg:        Dit lied ademt de sfeer van universalisme, horizontalisme, en pacifisme.

vs 1 r.4,5 ”de sterkste wint het pleit. Het onrecht heerst op aarde , de leugen triomfeert”de antithese tussen vrouwenzaad (kerk) en slangenzaad (wereld) ontbreekt maar: wel wordt tegenstelling aangewezen tussen verdrukten, verachten enerzijds en machtigen, hooghartigen anderzijds

vs 2 r.3,4 “er wordt zo veel geleden, de mensen zijn zo bang” “o Jezus Christus, luister en laat ons niet alleen!”  hiervoor geldt hetzelfde als hierboven opgemerkt: de bijbelse antithese ontbreekt; er wordt niet opgeroepen tot een bekering van onze zonde tot Christus, maar solidariteit met de verdrukten wordt gevraagd

vs 3 r.1,2 “Geef vrede, Heer, geef vrede, Gij die de vrede zijt” in dit lied geen plaats voor een bevrijding door Christus’ lijden van zonde en dood, maar via Christus is er bevrijding van moeite en onrecht mogelijk

vs 3 r.4 “gestreden onze strijd” vs 4 r.4 “Heer (…),deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart” geen plaatsvervangend lijden door verzoening (van de straf)maar het werk van Christus gaat op in het volbrengen van gehoorzaamheid (strijd) door Christus

vs 3 r.5,6 “opdat wij zouden leven bevrijd van angst en pijn”: het koninkrijk Gods is niet de verloste kerk van Christus, met de bruiloft van het lam in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde als perspectief, maar: een vrede op déze aarde

vs 3 r.7,8 “opdat wij (…) de mensen blijdschap geven en vredestichters zijn”: het heil is niet voorbehouden aan de duurgekochte kerk van Christus, maar de vrede geldt voor alle mensen; de kerk is hierbij een middel, gaat de wereld voor in het heil, de vrede

vs 3,4 in het centrum van de toekomstverwachting staat niet Christus, maar: begrippen als liefde, vrede en licht beheersen het toekomstbeeld

Lied

 

287

 

“Waartoe geploegd, als ’t zaad”

alg:        Bij de klacht over de ijdelheid van onze werken missen wij de beloftevolle oproep dat onze hoop op de HERE gericht mag zijn. Dan zullen wij in de weg van geloofsgehoorzaamheid onze HERE mogen dienen: “te allen tijde overvloedig in het werk des HEREN” (1 Kor. 15:58)

vs 3 “Verkeer de vloek in zegen, opdat wij als weleer bewonen zonder pijn een aarde, waar wij weer gelukkig kunnen zijn” Hier krijgt de onschriftuurlijke verwachting van een vrederijk op déze aarde weer de boventoon.

 

288

 

“Eens komt de grote zomer”

alg:        In dit toekomstbeeld aangaande de jongste dag (vs 2, r.6) is geen plaats voor Gods oordeel.

vs 1 r.3,4 “God zal op aarde komen met groene eeuwigheid (…) De hemel en de aarde wordt stralende en puur,” Dit is niet hetzelfde als een nieuwe hemel en een nieuwe aarde? Waar is het oordeelsgericht bij Christus / Gods komst op aarde gebleven?

vs1  r.7,8 God zal zich openbaren in heel zijn kreatuur”. Waar staat in dit lied dat de hemel en de aarde brandende zullen vergaan?

vs 4 r.1,8 “Ook ons zal God verlossen (…) van ‘t lijden aan de tijd” . Wat is ‘t lijden aan de tijd voor Gods kinderen??

 

290

 

“There is a land of pure delight

alg:        Dit lied gaat over het beloofde land. Voor ons zou dit de nieuwe hemel en de nieuwe aarde moeten betekenen. In dit lied worden Kanaän en de Nieuwe hemel en aarde door elkaar gebruikt. Tegelijk worden verleden en toekomst in de tegenwoordige tijd gesteld: “Er is” (vs 1. r.1), “Daar is” (vs 2, r.1), “Men ziet” (vs 3,r.1). Deze en andere  ongeoorloofde dichterlijke vrijheden in vers 4-6, doen tekort aan een schriftuurlijke visie over onze weg naar de eeuwige heerlijkheid.

vs 4 “Maar ach de stervelingen staan hier huiverend terzij, en durven niet op weg te gaan, het duister niet voorbij”.

        Onbegrijpelijke taal zonder schriftuurlijke basis: zijn ‘de stervelingen’ (alle mensen) bang om naar de hemel te gaan?

vs 5 “Hing niet het wolkendek zo zwart van twijfel om ons heen, wij zouden ‘t land zien van ons hart dat ‘s hemels licht bescheen”. Opnieuw vreemde dichterlijke taal, die geen schriftuurlijke grond kent.

vs 6 r.1 “God, laat ons staan als Mozes hier”  De betekenis ontgaat ons, en is niet te herleiden tot gegevens uit Gods Woord

        r.3 “en geen Jordaan, geen doodsrivier”  in LB lied 6 (vs 5, r.7) heet de Jordaan nog levensjordaan! Dit zijn dus wel erg willekeurige benamingen voor deze rivier.

 

294

 

“Thy kingdom come, O God”

alg:        wazig lied over het ‘beloofde land van God’ Het lied is een mix van O.T.verlangen naar het land Kanaän (vs 2,3) 

        en het N.T. verlangen naar … een paradijs op aarde (vs. 4, r.4 ‘in deze wereldtijd’)

vs 2 r.3 “waar liefd’ en lofgezang verdrijven leed en dood” Dit is een niet schriftuurlijke dichterlijke vrijheid: Onze lofzangen verdrijven de dood niet, op geen enkele manier. Christus verdrijft tenslotte de dood als laatste vijand en dŕn komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ( 1Kor. 15:26; Openb. 21:4)

vs 8 “O Ster van Gods Verbond” niet schriftuurlijke aanspreektitel van Christus.

 

300

 

“Eens, als de bazuinen klinken”

alg:        Zoals zoveel LB liederen over de jongste dag ontbreekt het eeuwig oordeel geheel.

vs 3 “Roept de doden tot getuigen dat Gij van oudsher regeert, roep hen die men dwong tot zwijgen, die de wereld heeft geweerd. Richt omhoog wat wist te buigen, kroon wat aanzien heeft ontbeerd” Het past ons niet om God als rechter te zeggen wat Hij moet doen. r.6 ‘kroon wat aanzien heeft ontbeerd’ : Dit wijst teveel op een horizontalistische leer van de bevrijdingstheologie. De Here zal kronen op grond van geloof uit genade.

vs 4 r.5,6 “Heer, laat ons dan niet ontbreken, want de traagheid grijpt ons aan” Wij missen de bede aan God om met Zijn Geest zó in ons te werken, dat wij werkelijk Gods geboden bewaren en volharden in het geloof

vs 5 “Mensen komt uw lot te boven, wacht na dit een ander uur, gij moet op het wonder hopen, dat gij oplaait als een vuur” Niet schriftuurlijke, wazige taal over Gods voorzienigheid en de werking van de Heilige Geest.

Lied

 

319

 

“Looft God, die zegent al wat leeft”

vs 1 r.1 “Looft God, die zegent al wat leeft” zegent God iedereen?, hiermee lijkt ook dit lied het stempel van universalisme (alverzoening) te krijgen zie ook vs 3, r.3

vs 2 r.3 “Hij is de hartslag van ons werk”  de bede dat Christus in het hart van de gelovige woning maakt (Ef. 3:17 geeft ons (of de dichter) niet het recht om hem (zondermeer) de hartslag van ons werk te noemen!

vs 3 r.2God, “een toren in de tijd” : kwalificatie van God die wij in de Schrift niet tegen komen

        r.3 dat het ten hemel toe moet gaan”: vlakke aanduiding van Gods plan

vs 4 r.1 “Looft God, want Hij spreekt onze taal”  onduidelijk wat wordt bedoeld: wij moeten Zijn taal spreken, de taal van het verbond; Hij kent onze taal.

        r.4 “In woord en doop en avondmaal houdt Hij bij ons zijn hof” mystieke taal over de bediening der verzoening in prediking en sacramenten

 

320

 

“Zingt een nieuw lied voor God de Here”

alg:        De beelden van huis, heiligdom,en bouwstenen zijn op zich symbolisch te duiden. Maar de dichter wil het allemaal te mooi maken met zijn eigen gedachtengoed.

vs 3 r.2 Dat Hij met ons samen wil wonen, geeft ons de moed voor dit gebouw.” De betekenis van moed voor dit gebouw blijft onduidelijk.

vs 4 r.3,4 “De Vader zelf wil tot ons spreken en elk verstaat wat het beduidt” Was dat maar waar. Binnen de kerk zijn er ook die oren hebben, maar niet horen. Verbondskinderen van wie de Schrift zegt  in  Hebr. 4:2,3: “maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden”. Petrus schrijft over de brieven van Paulus “Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften” (2 Petr. 3:16). Dit lied ademt daarentegen een remonstrantse geest.

vs 4 r.5-7Wees ons nabij en maak ons vrij in dit uw heiligdom” Waarvan en waartoe moeten we worden vrijgemaakt en hoe? Christus wil ons door Zijn offer vrijgemaken van onze zondenschuld, tot een levend dankoffer. De zonden evenals het verzoenend werk van Christus, blijven echter in dit lied buiten beschouwing. We krijgen het vage “maak ons vrij” daarvoor in de plaats. En daaraan toegevoegd het mystieke “in dit uw heiligdom”! Christus’ bevrijding wordt nu opgesloten in een heiligdom (refereert aan O.T. situatie). Doordat niet genoemd is waarvan we vrijgemaakt moeten worden, brengt de dichter ons met deze mooiklinkende toevoeging in een situatie van een soort invuloefening: wat je erin wil lezen, dat lees je erin.

 

335

 

 

“Heer van uw kerk”

Alg:Het kenmerkende van de doop is dat een kind het teken čn zegel van het verbond krijgt. God laat zijn eigendomsrecht zien op Zijn verbondskinderen en zegt daar 'Jij bent van mij'. In lied 335 lijkt de kern van de doopsbediening echter neer te komen op 'zegen' en 'het wijden' aan de Here. Ook staat de mens centraal en is er invloed van Barthiaans denken.

vs 1 r.3 Het is waar dat de Heiland heeft gezegd "laat de kinderen tot Mij komen" Maar de verbinding (in vs 2, 1) met de doop is onjuist. Want in het aangehaalde schriftgedeelte betreft het kinderen die reeds het teken van het verbond (toen nog besnijdenis) hadden ontvangen. De tekst die ook aangehaald wordt in ons doopformulier geeft aan dat verbondskinderen ook helemaal tot het verbond behoren. Toch hoort de gang naar het doopvont primair worden gezien als  gehoorzamen aan het bevel van God aan Abraham werd gegeven tot de besnijdenis (Gen. 17: 10-13), deze tekst staat daarom voorop in ons doopformulier

vs 2 r.1: “Hier zijn wij dan”: zijn dit de ouders? 

        r.3: “het moet u dankend worden weergegeven” Dit gold voor de eerstgeboren jongens in het O.T.: deze moesten aan de Here moesten worden weergegeven. Met Christus is dit vervuld: als “de” Eerstgeborene van de Kerk gaf Hij zijn leven als straf voor de zonde; het symbolisch teruggeven van ons leven kennen wij niet in de christelijke doop. Wij zijn Gods eigendom (r.2) en dat bezegelt God in de doop.

vs 3 r.1,3 “Reeds staat Gij klaar (…) uw liefde vindt ons langs verborgen wegen” Wazige omschrijving van Gods liefde voor ons in het grote offer van Zijn Zoon.

vs 4 r.1: “Geef ons uw naam”. Onze kinderen komen te staan op de naam van God: horen Hem toe. Het dopen in de naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest (zoals uitgewerkt in ons doopsformulier) betekent dat God Zijn naam verbindt aan het kind, dat zijn eigen naam juist behoudt: De Here roept hem/haar bij zijn/haar naam.

        r.3,4 Het voortgaande werk van de Heilige Geest: afwassing van de zonden en dagelijkse vernieuwing van ons leven, wordt hier en in de rest van het lied onvoldoende belicht.

 

 

 

Lied

 

335

vv

 

vs 5 r.1Het water wacht” :sterke nadruk op teken;magische taal ook in vs 6,r.1:”Uw teken spreekt” 

        r.2 "t kind ontvangt uw zegen ". Noch hier noch elders in dit lied komt tot uitdrukking dat Gods verbond twee delen heeft; een belofte en een eis. Deze 2 delen worden in het doopsformulier heel duidelijk genoemd (Kerkboek blz. 513). Maar met de verbondseis wordt in lied 335 niets gedaan.

        r.4 “en niemand rukt het uit uw macht” Dit is een link naar Johannes 10:28 gemaakt. Maar daarbij gaat men er aan voorbij dat in deze tekst gesproken wordt van de schapen die de stem van de herder horen en Hem volgen (Joh 10:27): het zijn dus de gelovigen die metterdaad gehoorzaam zijn. Dit kan van pasgeborenen nog niet gezegd worden. Het slotgebed in het doopsformulier laat daarom om de gave van geloofsgehoorzaamheid bidden, om te vervolgen: “Dŕn zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en ware God, eeuwig loven en prijzen.Amen.”

vs 6 r.1 “Uw teken spreekt” zie vs 5:1. De Heilige Doop is als sacrament niet alleen teken maar óók zegel, zoals wij dat in V&A 66 van de H.C. belijden.  Aan de ouders wordt voorgehouden dat God de Heilige Doop heeft ingesteld om ons en ons zaad Zijn verbond te verzegelen.  Dat alleen teken' genoemd wordt in dit lied wijst op Barthiaanse invloed: we kunnen slechts 'tekenen' van Gods Rijk oprichten. (zie ook hieronder)

        r.3,4 "het is gedoopt, begraven en herrezen in Vader, Zoon en Heilige Geest": komt overeen met de opvatting van Barth dat de prediking is de afkondiging van de verkiezing. In Christus zou God de verwerping van de mens op zich nemen; in Christus' verwerping is de mens dan verkoren.  De prediking is nu bekendmaking van dat feit.  Deze afwijkende leer klinkt door in deze regels. Terwijl toch het gebed vóór de doop vraagt (doopsformulier) "laat het kind door de doop in Christus' dood begraven worden en ook met Hem opstaan in een nieuw leven ". Dat gebeurt niet op het moment van de doop maar dat zal in het leven láter moeten gebeuren door gelovige aanneming van de belofte die de Here in de Heilige Doop betekend en verzegeld heeft. Het in 'Christus' geheiligd' zal altijd moeten worden gevolgd door het 'door de Geest geheiligd'. Prof.dr.K. Schilder heeft hierop gewezen in zijn afwijzing van de synodale doopsleer in zijn boek 'Looze Kalk', gericht tegen de opvattingen van dr. J. Ridderbos.  Zo wijst hij er in dit verband ook op dat de eerste zin van het dankgebed ná de Heilige Doop belofte-inhoud is.

vs 7 r.4:“ver­vult zijn wegen naar zijn raad” Dit kan nooit een statement, een gegeven zijn, maar dient een verbondseis te zijn vanuit Gods beloften!

vs 8 r.2"En laat de mond der kinderen die we U wijden " Is dat wat ons naar de doopvont drijft het wijden van de kinderen aan de Here (vergelijk vs 2 r.3)?  Heeft Gňd hen niet aan Zich gewijd? Een verwijzing naar Exodus 13:12 zoals de deputaten doen lijkt niet terecht: daar gold het de eerstgeborenen, in feite is dit specifieke wijden vervuld in de Here Christus. Voortaan mogen wij de Here allen dienen als een levend dankoffer. Ons doopsformulier leert wijding niet als een specifieke handeling bij de doop.

        r.3 ”eens zelf onwaakt, met ons uw naam belijden” Dit is het enige aanknopingspunt voor de verbondseis in dit lied.

vs 9 Er wordt er een verband gelegd tussen "er is gedoopt" (r.1) - dat is dus op dat moment gebeurd - met "de ganse kerk in één geloof".  Maar dat geloof is er bij het pas gedoopte kind nog niet.  Dat moet nog kómen.  Ze zijn wel als 'leden der gemeente' gedoopt, maar ze moeten nog levende leden wórden. Ook in dit vers bespeuren wij Barthiaanse invloed (zie vs 6)

Conclusie:Het is een gevaar wanneer men onschriftuurlijk gedachtegoed gaat 'inzingen'.  Dan kan het inzinken in het hart, met alle nare gevolgen van dien.  Dit lied dient derhalve als onschriftuurlijk te worden afgewezen.

 

 

 

336

 

“Zie hier de kindren tot U komen”

vs 1 r.1 “Zie hier de kindren tot U komen” kennelijk bedoeld voor het dopen van meerdere kinderen,

        r.4 “wij leggen ze in uw armen neer”: dit stelt de mens centraal: de ouders gaan iets doen wat bij de doop niet van toepassing is: de kinderen worden al gedragen door Gods vaderliefde, ze ontvangen nu het teken en zegel van het verbond.

vs 3 r.3 “Ze zijn van U;draag Gij hun namen in uw handpalmen gegraveerd”evenals vs 1,r.4: God draagt de namen van zijn uitverkoren kinderen al in zijn handpalmen; hierom vragen is niet gepast.

vs 5 r.1,2 “ze ontvingen toch het heilig teken van wat Gij in ’t verborgen doet” . Deze vage omschrijving van de betekenis van de doop komt in de plaats van een schriftuurlijke weergave waar de doop het teken čn zegel van is!! Nu blijft het volkomen vaag. Laten we de omschrijving in ons doopsformulier hier eens naast leggen. Het machtige werk van Christus die ons redt van zonde en dood en dat ten grondslag ligt aan de doop, blijft onderbelicht. Dit is armoede, die de dichter ook nog eens heilig wil noemen: dit krijgt dan weer iets magisch!

vs 6 En als de loopbaan is gelopen het doel bereikt met laatste kracht, dan gaat de hemel voor hen open” De verbondseis (zie weer het doopsformulier!) wordt niet genoemd. Volgens lied 336 zal de mens, die de doop ontving, zijn doel bereiken en in de hemel komen. Dit automatisme is niet bijbels (zie de gebeden in het doopsformulier zoals in kerkboek p.516: “Geef dat het gehoorzaam onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus zal leven en krachtig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk zal strijden en overwinnen. Dan zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en ware God, eeuwig loven en prijzen. Amen”)

Lied

 

350

 

“God, die leven hebt gegeven”

alg:        Dit lied gaat over rijk en arm; het mist het bijbelse perspectief van bijv.   Matt. 25:31-46.

vs 1 r.4,5 “Alle vrucht der velden meten we U vergelden”: onschriftuurlijke uitdrukking vergelden: geven uit dankbaarheid is iets anders dan terugbetalen van Gods genade.

vs 3 “Maar wij rijken (…)” Eénzijdige betrokkenheid van groep binnen de gemeente

 

356

 

“O leid mijn blindheid bij de hand”

alg:        lied over het avondmaal met onschriftuurlijk mystiek karakter en rooms/lutherse boodschap, mist volledig de schriftuurlijke gedachtenis aan het zoenoffer van Christus.

vs 1 r.5, 6 “o liefde groot” geen bijbelse benaming van Christus ”gij geeft aan mij (…) Uzelf in dit gebroken brood”  HC zondag 29 leert tegen Roomse en Lutherse dwaling in: V&A 78: “…Zo wordt ook dit brood bij het avondmaal niet veranderd in het eigen lichaam van Christus” , “Maar vooral wil Hij ons door deze zichtbare tekenen en panden ervan verzekeren: ten eerste dat wij door de werking van de Heilige Geest even werkelijk deel krijgen aan zijn echte lichaam en bloed, als wij deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen” V&A 80: “Maar de mis leert (…) ten tweede dat Christus lichamelijk in de gedaante van brood en wijn aanwezig is en daarom ook in die gedaante aangebeden moet worden” Gods Woord leert dat het avondmaalsbrood Christus is (geestelijk verstaan), die Zich aan ons heeft gegeven en aan wie wij deel krijgen; echter Christus geeft zich niet in brood: dit is transsubstantiatie (Rooms) waarbij Christus in brood veranderd wordt of consubstantiatie (Luthers) waarbij Christus in het brood aanwezig is.

vs 2 r.1-3 “Wij die hier zitten bij elkaar in één aanbidding, licht en stil, maak ons uw zoetheid openbaar”: mystieke bezigheid van de mens die vragen om het openbaar worden van zoetheid (wat betekent dit toch: magische gebeurtenis?)

vs 3 r.1 “Verzadigd met één brood zijn wij”  Hier komt het teken in plaats van Christus’ gekruisigd lichaam

        r.5,6 “O liefde die ontbloeit uit pijn wij zijn van U in brood en wijn” vaag en onduidelijk

 

358

 

“Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet”

alg:        mystieke betekenis van het sacrament

vs 2 r.3,4opdat ik u ontmoet in het teken”: Rooms/Luthers: zie bespreking lied 356 en 360.

vs 4 r.1,4 “voed mij en drenk mij met uw wijn” Christus voedt en verkwikt ons met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed en niet met brood en wijn!, deze zijn de tekenen en zegelen daarvan(HC zondag 28)

vs 6 r.2 “Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst” sluit aan op vs 4 r.4! Het werk van Christus’ plaatsvervangend lijden, wordt verdrongen door het teken

        r.3  “Uw kracht, uw leven daalde in mij neer” mystieke betekenis van het sacrament         

 

360

 

“Heer wij komen vol verlangen”

alg:        In dit avondmaalslied komt het eigenlijke verzoeningswerk van Christus maar in één regel aan de orde: vs. 1 r.6”: “die uw bloed voor ons woudt geven“  Voor het overige ligt de nadruk sterk op het sacrament, de mens en zijn geloofsdaden

vs 1 r.7,8 “Laat ons dan in brood en wijn met U zelf gespijzigd zijn” De wijze waarop onze ziel gespijzigd wordt met het lichaam en bloed van Christus is echter niet met de mond maar geestelijk door het geloof (NGB art. 35) Het formulier in ons kerkboek zegt (p. 527): Laten wij vast geloven dat wij door de werking van de Heilige Geest even zeker met zijn lichaam en bloed aan onze zielen gevoed en verkwikt worden als wij het heilige brood en de heilige drank tot zijn gedachtenis ontvangen” Zoals het in dit lied staat dringt de Rooms/Lutherse leer van de substantiatie zich op. 

vs 3 r.7,8 “en U volgen onder ‘t kruis op de smalle weg naar huis” Zoals het hier staat lijkt het dat wij Christus moeten volgen onder het kruis, nl. Christus’ kruis. Dit is echter onschriftuurlijk, de lijdensweg die Christus ging was uniek. Matt. 16:24 zegt wel “neme zijn  kruis op en volge Mij”, dat wil zeggen ieder moet zichzelf verloochenen en zonodig zijn eigen leven willen verliezen om Christus’ wil. Zoals het hier staat is het op zijn minst erg verwarrend.

Lied

 

380

 

“New every morning is the love”

alg:        vlak lied met mistige inhoud, waarin ons burgerschap van het Koninkrijk der hemelen (zie vs 4,5,7) niet de juiste schriftuurlijke belichting krijgt. Met name valt ook hier op, dat Christus en Zijn werk ontbreekt.

vs 1 “de dag breekt aan, die u Gods liefde doet verstaan als nieuw, nu gij door slaap en kracht weer ‘t leven vindt, verstand en kracht” De tekst mist de schriftuurlijke zeggingskracht van bijv.  Gez. 38 van ons Geref. kerkboek

vs 3 “Al wat geliefd is en vertrouwd, het wordt voor wie Gods licht aanschouwt met glans en heerlijkheid verguld, want het bestaat in Gods geduld” Horen we hierin een soort algemene genade? Dit vers legt ons in de mond dat de zaken die wíj mooi vinden en die God toelaat (in lankmoedigheid?), glans en heerlijkheid krijgen: waar hebben we het over?

vs 4 “Het schijnsel van de hemel gaat over de dag van vroeg tot laat”. Vage tekst, slaat dit op Gods onderhouding van de schepping? Maar hoe sluit dit aan op de 2 voorafgaande regels: “Wie van zich af ziet naar God toe, loopt in het lichten wordt niet moe”?    

vs 5 “Houdt dan de hemel in het oog”, “Op aarde ziet gij een bovenaardse glans” Poëtisch mooie taal, maar er zit niet veel schriftuurlijke diepgang in. Liever hadden we de taal gezien van Hebr. 12:2 “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leidsman en de voleinder des geloofs”; of die van Phil. 3:20: “Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen”.De inhoud van het evangelie in die genoemde schriftgedeelten geeft bemoediging en roept op tot volharding. Dat wordt gemist in dit ‘lievige’ lied.

vs 7 “Maak in uw liefd’ ons Heer, bereid voor licht en vreed’ in eeuwigheid”. Opnieuw wazige taal, waar het juiste zicht op het Koninkrijk der hemelen ontbreekt. Is hier toch ook niet een zucht naar een vrederijk op déze aarde.

 

382

 

“God die het al geschapen heeft”

alg:        Een vaag lied met mystiek karakter

vs 5 opdat wanneer het daglicht is omsluierd door de duisternis, ‘t geloof niet in het duister zwicht maar door zijn glans de nacht verlicht” Hier staat de nachtelijke duisternis wel al te simpel voor het kwaad

vs 6 r.1,2 “Geef dat geen slaap de geest omhult, dat enkel slape vrees en schuld”  vaag en mystiek

vs 7 r.1,2 “Los van het kwade groeie nu diep in ons hart de droom van U”. vaag en mystiek

 

387

 

“O Heer mijn God, ook deze nacht”

alg:        In dit lied wordt de nacht vereenzelvigd met het terrein van de boze geesten (vs 5,6). De inhoud is vrij vlak.

        Vergeleken met bijv.  Gezang 39 van het Geref. kerkboek betekent dit lied een verarming.

vs 5 “Wanneer mij slapeloosheid kwelt, geef dat uw Geest mij vergezelt, laat mij niet raken in de macht der boze geesten van de nacht”  Dit doet nogal bijgelovig aan alsof de geschapen nacht bij uitstek het terrein van de boze geesten is. En alsof we daarvoor de Heilige Geest te hulp moeten roepen. Dit komt ook terug in het volgende vers:

vs 6 “Verjaag de wolven van uw schaap, want ik ben weerloos als ik slaap” Opnieuw wordt hier een magische betekenis aan de nachtelijke slaap gegeven, als een tijd vol gevaren.  De schrift kent zulk spreken niet. De verwijzing naar Matt. 10, 16 (schapen onder wolven) mist hier de diepe betekenis van dit Schriftwoord: Jezus zendt zijn apostelen uit waardoor ze als schapen onder wolven komen te  verkeren: ze moeten enerzijds bedachtzaam zijn, anderzijds op Christus blijven steunen en niet wankelen (zie dr. J. van Bruggen: Matteüs, het evangelie voor Israël, Kok Kampen, 1990).

 

393

 

“De dag, door uwe gunst ontvangen”

vs 4 r.3,4Tot al Uw schepselen zich buigen / voor uw liefde en majesteit”: vertolkt de algemene verzoening

 

397

 

“O God, die droeg ons voorgeslacht”

alg: Selectief gebruik van Ps. 90: 1,2,4,12,17 (onberijmd). Het middengedeelte, dat de kern van de psalm vormt, ontbreekt echter. De oorzaak van de korte levensduur en alle tegenspoed, n.l. de toorn van God over “onze ongerechtigheden” wordt niet genoemd! Groot verlies t.o.v. onze eigen berijmde Psalm 90

vs 6 geen roep om ontferming van Ps. 90:13.

 

402

 

“Verheugt u, christenen, tesaam”

vs 5 r.1,2 “Hij sprak tot zijn geliefde Zoon: ‘Ik kan ’t niet langer lijden”: onschriftuurlijke taal over Gods wonderlijke liefde, bovendien verzonnen gesprekken tussen God de Vader en God de Zoon

        r.5 “sta voor hem in als bondgenoot”: Christus is onze borg, onze verlosser en Heiland, niet onze bondgenoot

vs 6 r.6,7 “om satans eigenwaan te slaan, hem in de val te lokken” onschriftuurlijke weergave van het plaatsvervangend lijden zoals in de Schrift beschreven.

Lied

 

408

 

“Nu laat ons God de Here”

vs 5 r.1 “Wij bidden U, Algoede”  “Algoede” net zo onschriftuurlijke benaming voor onze Here God als “Opperwezen” etc. die wij uit de psalmberijming van 1773 hebben afgekeurd

vs 6 “Bewaar ons in uw waarheid / geef ons op aarde vrijheid / met alle mensen samen / uw rijk, Heer, te beamen” Dit is puur Barthiaans universalisme. De Schrift leert ons echter dat het heil er niet is voor alle mensen. In dit lied wordt verkiezing en verwerping genegeerd en daardoor Gods Woord tekort gedaan. de oorspronkelijke tekst van dit lied (EKG 227) is ongeveer direct vertaald: “Houdt ons bij de waarheid / geef ons de eeuwige vrijheid / om uw Naam te loven / door Jezus Christus. Amen” Het moge duidelijk zijn dat in het liedboek lied de alverzoening is ingebouwd waar deze oorspronkelijk niet stond!

 

434

 

Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere”

alg:        Mooie tekst als lofzang voorzover het de eerste 4 verzen betreft. Wel missen we in deze verzen elke verwijzing naar onze Here Christus, met name in vers 3, waarin de aanneming van ons tot kind Gods aan de orde komt. Opvallend dat in vers 5 dan plotseling wel over christenen wordt gesproken! In dit vers komt echter een verkeerde Israel-visie en een verkeerde leer van Christus’ kerk om de hoek kijken. De Schrift leert ons anders: Abrahams kinderen zijn nu de ware gelovigen, de ware christelijke kerk. En buiten de kerk heeft geen andere groep het recht zich geestelijke kinderen van Abraham te noemen; er zijn wel vleselijke kinderen van Abraham, maar die verwerpen de Christus.

vs 3 r.3,4 “Hij heeft u lief, die tot zijn kind u verhief”  Wat een misser om hier onze Here Jezus Christus, in wie wij tot kinderen Gods zijn aangenomen, niet te noemen! (Joh. 1:12)

vs 5 r.2 “christenen looft Hem met Abrahams kinderen samen”. Zie opm. onder alg. In het deputatenrapport dat gediend heeft op de synode van Kampen (1975), is op basis van het bovengenoemde dit lied als onschriftuurlijk afgewezen. In de Acta van toen staat als conclusie: “Het veelszins instructieve artikel dat J. Wit schreef in “Kerk en Theologie” (24e jrg. no. 2, april 1973, pag. 149 e.v.) (…) versterkte tegelijk hun bezwaar tegen deze principieel onaanvaardbare regel in het nieuwe lied”. De deputaten kerkzang schrijven in hun rapport “Tussen Leusden en Zuidhorn”: “Bij couplet 5 moeten wij denken aan de Israëlieten uit het Oude Testament, en niet aan Joden die geen christen zijn geworden (vgl. Ps. 87; Ef. 2:11 v.; Hebr. 11; Gez. 30:2, regel 2, Gereformeerd Kerkboek).” Deze opvatting staat tegenover de verwijzing van de deputaten van de Synode van Kampen naar het geschrevene van de dichter zelf. Het sluit ook niet aan bij het geheel van de tekst van dit lied: er staat geen enkele hint in naar de O.T. tijd. Daarbij komt vooral ook: Christus’ naam en Zijn werk ontbreken totaal in dit lied. Dit getuigt van een misverstaan en miskennen van de verbondsgeschiedenis en Christus’ werk hierin. De Sschriftverwijzingen van de deputaten Kerkmuziek van Leusden wijzen overigens wel op de onhoudbaarheid van deze dwaalleer.

vs 5 r.5 “Alles wat adem heeft zegt: Amen”. Gezien bovenstaande opmerkingen moeten we hier denken aan Barthiaanse alverzoening en universalisme.  Let wel: er staat niet als aansporing of verwijzing naar de wederkomst: “alles wat adem heeft zegge”, maar  zegt.  Amen zeggen is een belijdenis voor God. Wat is de belijdende kerk juist klein in de wereld, nu zovelen God vaarwel zeggen.

 

435

 

“O verbreker aller banden”

vs 1 r.3,4 “bij wie schade zelf en schande hemel wordt en heerlijkheid”Deze tekst is onduidelijk en wijst mogelijk op Christus. Op deze manier wordt over Zijn zoenoffer wel erg vaag gesproken.

        r.5 “tuchtig dan Adams trotse zonen in hun eigenzinnigheid”, tot Ge uw aangezicht zult tonen en hen uit de kerker leidt”  Vergelijk Rom. 5:12-14. Deze oproepende bede van de dichter aan God is niet goed te begrijpen: vragen wij aan God om mensen te straffen totdat Hij hen genade wil schenken?

vs 4 r. 3,4 “Geef in ons bestaan een teken, dat deze zege zeker is” Wij hebben geen ander teken nodig en te vragen dat Christus’ zege zeker is dan Gods Woord en de sacramenten.

 

442

 

“Jezus, ga ons voor”

alg:        Een piëtistisch getint lied, waarin de Here Jezus ons voorgaat op onze levensweg en wij volgen. Er wordt enerzijds gesproken van zijn leiding, sterken, kracht geven, troosten en “richten”, en anderzijds van ons bang zijn, kruis dragen, angst, smart en lijden. Beeldende maar vage taal waarin, evenals in vele andere liedboekliederen, geen plaats is voor geloofsgehoorzaamheid aan Christus’ Woord. Zijn Woord en Geest blijven buiten beeld. Dit is niet de taal van Matt. 28:19: “... en leert hen onderhouden, al wat ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.” (zie ook opm. bij vs. 2).

vs 1 r.3,4 “en U  volgend op uw schreden, gaan wij moedig met u mede”… zie opmerkingen bij r.5,6

vs 2 r.5,6 “Waar Gij voor ons tradt, is het rechte pad”  deze regels geven de sfeer van het lied goed weer; behalve Matt 28:19 ontbreekt ook de boodschap van Matt. 28:18 “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde”. We zien in het lied een Jezus, die op de aarde onze weg voorbereidt, die ons door “de moeiten” zal leiden. Maar waar blijft zijn koningschap? En waaruit blijkt ons koninklijk strijden? De antithese tussen het Koninkrijk der Hemelen en het rijk van satan ontbreekt! Het blijft steken in ons vage “lijden”.

Lied

 

444

 

“Grote God, wij loven U”

alg:        Gaat uit van een onwerkelijke situatie dat heel de wereld God looft

vs 1 r.3 “Heel de wereld buigt voor U …” Dit is onjuist

vs 2 r.1,2 “Alles wat U prijzen kan” zie hierboven

        “Ongeziene”: onschriftuurlijke naam voor God

 

456

 

“Zegen ons, Algoede”

vs 1 r.1 “Zegen ons Algoede” Er moet bezwaar gemaakt worden tegen de benaming “Algoede”voor onze goedertieren God, die Zich nergens in Zijn Woord goed voor ŕllen laat noemen. Hij wreekt óók wie zijn verbond schendt. Laten we toch zorgvuldig zijn bij de namen van onze God.

vs 3 Andere gezangen en psalmen bieden dichterlijk en inhoudelijk meer.

 

457

 

“Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig”

alg  Verkeerde betiteling van God (vs 1: Drievuldig i.p.v. Drie-enig); grootste bezwaar echter in vs.3

vs 3 r.1,2 Heilig, heilig, heilig! Gij gehuld in duister, geen oog op aarde ziet U zoals Gij zijt. Ondanks de verklaring in de tweede regel, dicht dit lied God iets ongerijmds toe: een eigenschap of toestand die lijnrecht staat tegenover die welke God aan ons kenbaar maakt! 2 Cor. 6:14: “Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis” en 1 Joh. 1:5: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” spreken de taal van God, die wij na moeten spreken. Bovendien mogen we God kennen, door Christus die het ware Licht is. Deze Christus toont Zijn kerk in de Openbaring van Johannes, wat er nu werkelijk gebeurt en wat er gaat gebeuren in de hemel en op de aarde. Dat wat Johannes ziet (Christus: en zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in haar kracht, de kerk: een vrouw met de zon bekleed) geeft hij door aan de Kerk (Zie ook 1 Joh. 1:1-7!).  Deze kerk zal daarom niet in één en hetzelfde lied wel zingen van een glazen zee (vs 2), die ze waarneemt naar deze Openbaring, en tegelijk Zijn God aanspreken als “Gij gehuld in duister”. Deze dichterstaal is geen bijbeltaal en daarom geen kerktaal.

 

459

 

“Door de nacht van strijd en zorgen”

alg:        Vreemd mystiek lied dat gaat over pelgrims die door de nacht trekken naar de morgen waar God ons zal ontvangen.

vs 2, 3 “Door de nacht leidt ons ten leven licht dat weerlicht overal, dat ons blinkend zal omgeven als ons God ontvangen zal. In ons hart is dit de luister, dit de liefde die ons leidt op de kruistocht door het duister naar de lichte eeuwigheid.”  Dit lied is niet doordrenkt met de Schrift. In de zweverige tekst komt Christus niet in beeld

vs 3 r.1 “Als ons God ontvangen zal” vs 5 r.4 “naar de kust waar God ons wacht” Beide verzen geven een beeld van God die wacht tot de pelgrimsstoet arriveert. Dat wachten van de Here verdraagt zich niet met de schriftuurlijke oproep: De Geest zegt met de bruid: “Kom Heer, wěj zien verlangend naar uw verschijning uit” (Gezang 13, Geref. kerkboek vs 6 naar Openb. 22). Niet God wacht op ons maar wij wachten (actief!) op God! Wat is bedoeld met ‘de kust’  in r.4? 

 

473

 

“Neem mijn leven, laat het, Heer”

alg:        Mist een duidelijke verwijzing naar Christus als onze Middelaar door wie we door God aangenomen worden.

vs 6 r.1,2 “Neem mijn zonden en mijn schuld in ’t beleid van uw geduld” Dit is een onschriftuurlijke toevoeging van de bewerker van dit oorspronkelijke gedicht. Hier blijft de toorn van God over de zonde en het zoenoffer van Christus buiten beeld. In plaats daarvan verschijnt Gods geduld met ons!

vs 9 r1,2 “Neem en zegen alle vreugd, al ’t geluk dat mij verheugt”: Wat wordt bedoeld met alle vreugd ? Vrij oppervlakkig gesteld alsof ons aardse geluk altijd goed zou zijn.

        r 3,4 “Maak dat ik mij nimmer schaam mens te wezen in uw naam” Wat moeten we hierbij denken? We zouden eerder zeggen: Maak dat ik mij voor Uw naam niet schaam, of Maak dat U zich nimmer schaamt voor ons.

Lied

 

477

 

“Geest van hierboven”

vs 1 r.4 De Geest van God wordt hier genoemd “Hemelse Vrede”Een benaming die wij in de Schrift niet tegenkomen. Ef. 2:14 zegt van Christus dat Hij onze vrede is (niet heet).

        r.6 “Aan een wereld die U verwacht” Zo’n wereld kennen wij niet; wel de wereld van Joh. 1:9,10 “en de wereld, heeft Hem niet gekend” doelend op Christus. In  de wereld zijn wel degenen die “Hem hebben aangenomen”, Joh. 1:12 “de kinderen Gods”. En als Hand 2:27 zegt over de Geest: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees” dan wordt daar niet mee bedoeld iedereen, maar allerlei vlees, nl. ook de dienstmaagden, dienstknechten, de ‘leken’. 

        r.7-10 “Wij mogen zingen van grote dingen, als wij ontvangen al ons verlangen”: Zoals het hier staat is het niet juist. Want gelukkig mogen we en moeten we zelfs al van Gods grote daden zingen vóórdat wij geheel ons verlangen in vervulling zien gaan.

vs 2 r.3 “Liefde die ons heeft liefgehad” God is liefde maar heet geen liefde.

        r.9 “Gij zult op aarde de macht aanvaarden en onze koning zijn, Halleluja” Nee, Christus heeft nu de macht op aarde en is reeds onze koning. Christus zal straks zijn koningschap overdragen aan de Vader (1 Kor. 15:28).

 

481

 

“O grote God die liefde zijt”

vs 1 r. 8 “uw waarheid openbaren”: Openbaren betekend onthullen het verborgene zichtbaar maken, dit is een Goddelijke activiteit. (Rom. 16:25, Ef. 1:17, Luk. 2:32); wij kunnen wat Hij geopenbaard heeft verkondigen. Wij mogen niet onszelf toedichten wat de onze God toekomt.

vs 2 r.1-4 “maak ons volbrengers van dat woord, Ľ dan gaat wie aarzelt met ons voort, wie afdwaalt met ons mede.”. Het is niet vanzelfsprekend dat wie aarzelt met ons voort gaat, Gods woord kan ook ongeloof, tegenstand en haat als reactie hebben: wie het Woord hoort wordt rein door Christus of wordt nog vuiler. De Here heeft ons niet beloofd dat iedereen die het Woord hoort ook zich bekeerd.

vs 3 r.3 hier wordt een tegenstelling gemaakt tussen liefde en strijd, terwijl God ook strijd van ons vraagt (Fil. 1: 30, Col. 1: 29, 1 Tim. 1: 19, 6: 12). Strijdt tegen zonde, de duivel en ons eigen vlees.

        r.6 wij kunnen niet Gods verbond herstellen, Christus is het die het verbond herstelt!

vs 4 r.4-8 :parallel tussen Christus liefde voor ons (“in zijn stervensnood”) en onze liefde (“het wordt overal volbracht, waar liefde wordt gegeven”) Hiermee wordt de uniciteit van het lijden en sterven van Christus ontkend.

        In het oude lied werd het plaatsvervangende lijden van Christus wel genoemd, in het nieuwe lied is dit (doelbewust!) weggelaten.

 

 


2.2. Liederen waarvan na toetsing is gebleken dat ze teveel dubieuze elementen bevatten, zodat deze ook niet ongewijzigd dienst kunnen doen als kerklied:

 

Lied

 
 

 


26

 

“Daar is uit ’s wereld duistre wolken”

alg:        Hoewel het hier een bekend en geliefd lied betreft moeten wij toch bezwaar maken tegen de inhoud. Het betreft hier nl. een zogenaamd bijbellied, een berijming van Jesaja 9. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat is bij dit lied niet het geval, met name wat betreft vers 1. In feite is het een vrije parafrase dan een zorgvuldige berijming (oordeel Generale Synode Hattem 1972)

vs 1 “Daar is uit ’s werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan, komt tot zijn schijnsel alle volken” Dit klinkt mooi, maar de boodschap van Jes. 9 betreft echt het volk Israël (Jes. 9:1,2). Dit schriftwoord is in vervulling gegaan tijdens de omwandeling van de Here Jezus Matt. 4:15,16; Lucas 1:79.

 

96

 

“Wordt krachtig in de Heer”

alg:        Lied naar Ef. 6:10-18. Ondanks de mooie tekst in een aantal verzen is bij vers 6 een vraagteken te plaatsen

vs 6 r.1,2 “Uw voeten onvermoeid voor vrede in de weer, die moeten zijn geschoeid met ijver voor de Heer” Dit is dan de berijming van Ef. 6:15: “De voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes” Deze tekst leert ons: klaar te staan, met geschoeide voeten, om pal te staan voor het evangelie van Christus, die door de verzoening met het bloed van het kruis verzoening brengt (2:17). Dit evangelie geeft ook onderlinge vrede (4:3), maar gaat daarin niet op. ”onvermoeid met vrede in de weer”  geeft dit evangelie onvoldoende en te horizontalistisch weer.

 

124

 

“Nu daagt het in het oosten”

alg:        Vage tekst: “Nu daagt het in het oosten” We zingen over ‘nu’, over ‘dagen’, en over ‘in het oosten’: Kunnen wij dit lied wel zingen als NT kerk??. Dit lied verplaatst ons weer in wat mistige en mystieke taal naar de tijd vóór de komst van Christus.

 

125

 

“O, kom, O kom, Immanuël”

alg:        vage namen van Christus

vs 1 r.1O kom, o kom, Immanuël”: wat roepen we hier om de eerste komst van Christus, of om de wederkomst van Christus. Of roepen we om iets anders? Wanneer de eerste komst geldt dan zij verwezen naar de bezwaren van herbeleven genoemd bij lied 122

vs 2 r.1 “O kom, Gij wortel Isaď”  Wie is wortel Isaď: Isaď zelf of zijn voorvader = wortel van  Isaď (…)?

        r.3O Herder, sla de boze leeuw” de boze leeuw is onduidelijke niet in de Schrift voorkomende omschrijving voor de satan. De leeuw van Juda = de Here. De slang / de wolf staat voor de satan. Wel gaat de duivel rond als een briesende leeuw

vs 3 r.1O kom, o kom, Gij Orient”, Orient = oosten. Uit het oosten komt de zon, het licht. Onduidelijke aanduiding.

vs 5 r.1.2 O kom, die onze Heerser zijt, in wolk en vuur en majesteit”: zijn dit O.T. beelden voor Jahweh?

 

175

 

“O wij arme zondaars”

vs 1 r.1 “bedelaars onrein” betekenis van ‘bedelaars’ onduidelijk: waar wordt om gebedeld?, wellicht is ‘zondaars onrein’ beter.

vs 3 r.1 “Hoe zal ‘t God de Here ooit worden geloond” Dit is niet schriftuurlijk: wij kunnen God niet terugbetalen met goede werken. God maakt wel aanspraak op onze dankbaarheid en lofoffers. (H.C. zondag 24)

Lied

 

188

 

“O Lam van God, onschuldig”

alg:        Dit lied brengt niet duidelijk de overwinning op de satan in beeld, in plaats daarvan wordt alleen de dood als vijand genoemd  (vs 1 r.6:“nu is de dood verslagen”). Het Lam van God wordt in dit lied ons vooral ten voorbeeld gesteld vanwege zijn “geduld” (vs 1 r.3, vs 2 r.3). Dat ons kruisdragen vooral geloofsgehoorzaamheid en veel strijd tegen de zonde en de duivel betekent vertelt het lied niet.

vs 1 r.7 Erbarm U onzer, o Jezus” We begrijpen deze uitroep niet, waar het gepast zou zijn juist onze vreugderoep te laten horen over de verlossing door Christus. Of is onze schuld niet begrepen in “de schuld” van vers 5 (wat erg onpersoonlijk klinkt voor een lied dat wij in onze mond nemen; in dit vers klinkt wel: erbarm u onzer).

vs 2 r.3,4 “Geduldig ons kruis u na te dragen” Ons kruis Christus nadragen is onduidelijk: wordt hiermee bedoeld dat wij aan het werk van Christus nog iets nadragen? In ieder geval sluit deze omschrijving niet aan  bij wat Gods Woord zegt over ons kruisdragen in  Matt. 10:38, 16:24, Marc. 8:34, Lucas 9:23, Luc. 14:27 “Indien iemand niet haat zijn (…) ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn”  De taal van de zelfverloochening wordt gemist en omgeruild voor iets wat we Christus nadragen.

        r.6“en help ons overwinnen” De strijd zelf komt niet in beeld.

 

208

 

“De Heer is waarlijk opgestaan”

alg:  Dit is geen kerklied maar een soort ‘musical’ met verschillende partijen die een aantal getuigen vertolken, de verhalen van het gebeurde op de paasmorgen.

vs 16 “Heb dank, o engel, voor uw woord (…) wij haasten ons, dat elk het hoort” Dit stemt niet overeen met de Schrift De vrouwen gaven zeker niet gedwee gehoor aan de instructie van de engelen. Integendeel! Marcus 16:8 zegt: “En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd”  Pas later vertelden zij aan de elven en de anderen (Lucas 24 : 9).

 

215

 

 

 

“Christus, onze Heer, verrees”

alg: Door versimpeling mist dit lied de diepgang van de paasliederen die wij in ons Geref. kerkboek bezitten. Het is daarom een verarming.

vs 1 r.3 ”Heilge dag na angst en vrees” De dag vóór de opstanding is meer een dag van verdriet voor de discipelen geweest dan van angst en vrees

        r.7 “bracht ons in Gods vrijheid thuis”  Omschrijving die door versimpeling onvoldoende  “het koninkrijk van God”  in beeld brengt, vergelijk bijv.  Joh.14:2: ”In het huis mijns Vaders zijn vele woningen”

vs 3 r.5-8 “Nu is Hij der heemlen Heer, halleluja, Englen juublen Hem ter eer, halleluja” Christus die “alle macht in hemel en op aarde” kreeg, krijgt in dit lied niet de juiste lof toegezongen. Christus is wel koning van een koninkrijk der hemelen, maar dat betekent dat Hij daar nu zijn zetel heeft. Hij is daarvanuit Koning van hemel en aarde. Door alleen op het juichen van de engelen te wijzen wordt tekort gedaan aan zijn glorie: de lof van mensen die de engelenzang versterken.

 

270

 

“Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan”

vs 1 r.1-4 “Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan en ik de donkre straten der ondoordringbare nacht moet gaan – ach, wil mij niet verlaten” Deze tekst doet niet geheel recht aan het beeld dat de dood voor de gelovigen een doorgang is naar het eeuwige leven.

vs 3 r.5 “Want wat Gij leeft, dat leef ik nu en sterf ik straks, dan sterf ik U: uw leven is mijn leven”  Onschriftuurlijke gedachte dat ňnze dood, die nog moet komen, gelijk is aan het sterven van Christus. In het sterven van Christus zijn wij weliswaar met onze zonden gestorven, maar dat is iets anders, dan dat in ňnze dood Christus’ sterven is begrepen.

 

293

 

“Wat de toekomst brengen moge”

alg:        zeer geliefd gezang met prachtige tekstregels, helaas zijn er een aantal storende elementen:

vs 1 r.5 “Leer mij volgen zonder vragen”

vs 2 r.6 “Zie ik vraag u niet: waarom?” Is het de wil van de HERE dat wij Hem geen vragen mogen stellen? Wij mogen geen ongelovige vragen hebben. Maar zeker wel vragen zoals de dichters van de Psalmen die hadden en ons op de lippen leggen zoals bijv.  in Ps. 10:1,13; 22:2; 43:2; 74:1; 77:8; 88:15; 89:47 en andere)

vs 4 r.3,4 “Loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land”  ‘gesloten ogen’ kan alleen betekenen dat wij geen zorgen moeten maken voor de toekomst (r.1). Maar tijdens het lopen moeten we onze ogen wel degelijk open houden (vergelijk vs 3 r.3).

Lied

 

301

 

“Wij moeten Gode zingen”

alg:        Vrij vlak lied dat niet diep doordringt tot de rijkdom van Gods genade, waarvoor wij Hem mogen toezingen

vs 3 “Al is de hemel boven voor mensen doof en stom nog moeten wij U loven met stem en fluit en trom”: voor mensen is er geen geluid van boven te horen, maar de kerk maakt wel geluid naar boven. Gezien vers 5 komt de kerk hier naar voren in een soort voortrekkersrol

vs 4 “Zijn Woord zal ons genezen, zoals het was voor deze in Galilea”  Christus wordt de kerk voorgehouden als een redder die genezingswonderen doet en worden de zaken omgedraaid: de genezingen in Galilea (Matt. 15:29-39) wezen juist heen naar het definitieve heil dat Christus door  lijden en opstanding voor Zijn kerk zou verwerven.

vs 5 “Wij moeten Gode zingen Halleluja (…) De Heer van alle dingen die leeft in gloria, met alle stervelingen, niets komt zijn eer te na, wij moeten Gode zingen  halleluja” Dit slotvers tendeert weer naar een soort alverzoening/universalisme (‘met alle stervelingen’)

 

316

 

Blijf bij ons, Jezus, onze Heer”

alg:        Christus blijft bij ons door Zijn Woord en Geest. In dit lied lezen we wel vaak over Zijn Woord, maar niet over Zijn Geest!

 

327

 

“Herr Jesu Christ, dich zu uns wend”

alg:        De inhoud van dit lied is niet erg concreet. Gezang 6 en 25 uit ons Geref. kerkboek hebben veel meer diepgang en zeggingskracht voor de kerk vandaag.

vs 1 “Gij dageraad”: deze benaming voor God is niet schriftuurlijk

 

341

 

“Gij hebt uw woord gegeven”

alg:        Dit lied geeft aan dat ons geloof niet uit eigen kracht is ontstaan. 

vs 1 r.5-8 “Uw woord is daad, o Vader, werd brood in de woestijn, werd mens en is mij nader dan wie mijn naasten zijn”  Twijfelachtige dichterlijke vrijheid om zo een aantal geloofswaarheden met betrekking tot Gods Woord aan elkaar te koppelen. In één zin wordt even het wonder van de vleeswording van God betrokken in onze relatie met onze naasten.

 

368

 

“Als God ons huis zijn gunst onthoudt”

alg:        Dit lied bevat veel woordspelingen, maar mist een duidelijke schriftuurlijke boodschap

vs 2 “Ga niet voorbij aan ons domein laat het uw huis, uw tempel zijn, waarvan Gij ‘t grondplan hebt bepaald, opdat Uw Geest, Heer, daarin daalt”  Deze poëtische taal, wijst niet op Christus op wie elk bouwwerk betrokken moet zijn zoals staat in Ef 2: 21,22: In Hem (Christus) was elk bouwwerk, goed ineensluitend op tot een tempel, heilig in de Here in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.       

vs 3 “En reinig met uw vuur het vuur van onze haard”: deze passage komt wat banaal over.

        “uw gloed, bij mensen ingekeerd, die onze brandstof niet verteert” wazige taal

 

374

 

De zon gaat op in gouden schijn”

alg:        weinig zeggend, vaag morgengebed. geen aanwinst, maar armoede vergeleken met Gezang 38 uit het kerkboek

 

429

 

 

“Wie maar de goede God laat zorgen”

alg:        Een lied waarin het leven in het verbond een vrij passieve aangelegenheid is verworden. Hierin geen krachtig oproep tot de schriftuurlijke worsteling om het geloof te behouden.

vs 1 r.1 “Wie maar de goede God laat zorgen en op Hem hoopt in ‘t bangst gevaar” Moet dit ‘laten zorgen’ passief worden opgevat? Alsof er voor ons in geloofsgehoorzaamheid geen goede strijd is te strijden! De hoop op God moet heel ons leven stempelen, niet alleen in ‘t bangst gevaar

        r.3  is bij Hem veilig en geborgen” Er wordt niet aangegeven wčlk gevaar dreigt en waartegen veiligheid nodig is.

        r. 5 wie op de hoge God vertrouwt” Waarvoor we Gods vertrouwen nodig hebben, namelijk om te volharden in het geloof blijft buiten beeld. Het gaat blijkbaar allereerst om 

vs 2 r.2 en zwijg de Heer ootmoedig stil” Komt zeer passief over omdat het de diepgang mist van Psalm 62: “Waarlijk mijn ziel keer zich stil tot God, van Hem is mijn heil (…) Hoelang zult gij op een man aanstormen?”

vs 3 r.1 “Treed vrolijk voort op ’s Heren wegen, neem zijn gebod getrouw in acht” Vrolijk na ootmoedig uit vs 2 is hier oppervlakkig en mist de diepte van Fil. 4:4,5 “Verblijd u (…) Weest in geen ding bezorg,  maar laten uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend gemaakt worden bij God”

        r. 3,4  “’t Wordt eindelijk  alles u ten zegen, wanneer gij daarop biddend wacht” Vage bewoordingen die niet duidelijk maken dat het moet gaan om het gelovig gebed,  dat opkomt voor het recht van God.

Lied

 

448

 

 

“Soms groet een licht van vreugde”

alg:           vrij vage inhoud op vers 3 uitgezonderd

vs 1 r.7 “donkere regen” de regen is juist een teken van Gods goedheid

vs 2 r.1,2 “Goddank wij overdenken ‘t geheim van onze Heer” geheim blijft onduidelijk en mysterieus

vs 4 r.3,4 “al ligt het veld te klagen onder een lege lucht” vreemde poëzie

        r.7,8 “daar ik op Hem mag hopen ben ik alleen maar blij”  De troost en het geluk van H.C. Zondag 1 klinken heel wat krach­tiger

 

460

 

“Loof de Koning, heel mijn wezen”

alg: Christus’ verzoenend lijden krijgt ook in dit lied geen plaats. ‘geduld’, ‘genezen’, ‘vergeven’, ‘liefde’, ‘licht’, het zijn alle goede en mooie begrippen, maar de inhoud van ons loflied als kerk van Jezus Christus, wordt hier niet betrokken op het verlost zijn van de eeuwige toorn van God (zie bijv.  onze gezangen 28 en 30).

 

479

 

“Aan U behoort, o Heer der heren”

alg:        Dit lied wil meer doen dan alleen Gods grootheid in de schepping prijzen. Het prijzen van God door ons te verwonderen over de schoonheid van Zijn schepping heeft een belangrijke functie in ons loflied (zoals in vele Psalmen, o.a. Ps. 19,104) en volgens art.2 van NGB wordt daarbij een ieder opgeroepen om Hem te dienen. Dit lied wil echter meer doen met de natuurgegevens (vs 3 r.5,6  ’t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis”). Ze brengt verbanden aan tussen het geschapene (Boek van de natuur) enerzijds en heilshistorische en geloofsgegevens (Boek van Gods Woord) anderzijds. De dichter wil in deze verbanden tekens zien, die wij als gelovigen toch vooral moeten opmerken (vs 4 r.3,4 “met open ogen, open oren om al uw tekens te verstaan”). In het Compendium van het Liedboek geeft de dichter Jan Wit zelf aan welke verbanden hij in dit lied heeft willen leggen. (zie bespreking van de afzonderlijke verzen) Conclusie: hier wordt aan natuur en poëzie (die deze tekens aanwijst) een extra geestelijke waarde (zie vs 4 r.5,6: “Dan is het aardse leven goed omdat de hemel mij begroet”) toegekend die niet met de Schrift te verdedigen is. De associaties blijven ook nog een vaag en raken niet aan de Schriftuurlijke betekenis. Het geheel doet aan als een spel met zogenaamde verbanden.

vs 2 r.1,2 “Gij roept het jonge leven wakker, een tuin bloeit rond het open graf” Deze tuin verwijst naar volgens de dichter naar de hof  van Jozef van Arimathea en tegelijk óók naar onze parkachtige kerkhoven. Natuur en Heilshistorie worden hier dus willekeurig aan elkaar gekoppeld.

vs 2 r.3-6 “Er ruisen halmen op de akker waar zich het zaad verloren gaf. En vele korrels vormen saam een kostbaar brood in uwe naam” Het  graan wordt  geassocieerd met  Jezus' woorden over het tarwegraan dat in de aarde valt en sterft om veel vrucht voort te brengen (Joh. 12:24). De slotregels  sluiten in bepaald opzicht aan bij 1 Cor. 10:17, al heeft de dichter  daarbij ook gedacht aan het gewone brood op onze tafel thuis. Dus: een mengeling van gedachten die volgens de vrije regels van de poëzie tot één beeld zouden mogen samenvloeien? Bovendien waar blijft hierbij dan de echte zin van de gelijkenis van de ontkiemende graankorrel zoals die in Joh 12:25 wordt vermeld “Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwige leven.” Déze schriftuurlijke betekenis van de gelijkenis wordt in dit lied niet vermeld. Hetzelfde geldt voor de schriftuurlijke betekenis van het graan en het ene brood (de eenheid van Christus kerk komt er niet aan te pas). Daarom wordt dit alles tot een gespeel met associaties

vs 3 “‘t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis” zie opmerkingen onder alg.

vs 4 zie opmerkingen onder alg.

 

 

 

2.3 Liederen waartegen (vooralsnog) geen inhoudelijke bezwaren bestaan:

 

Hier wordt niet aangegeven of zij een verrijking vormen ten opzichte van de Psalmen of de gezangen uit het kerkboek:

 

95, 110, 207, 213, 228, 262, 267, 296, 299, 316, 328, 367, 392, 396, 403, 409, 423, 432, 470.


3. Nabeschouwing:

 

De bovenstaande toetsing heeft geleid tot herkenning van een aantal patronen die in meerdere liedboek-liederen terugkomen, en waartegen wij bezwaar maken op grond van Gods Woord en de Belijdenis van de Kerk:

 

1.     De leer van de alverzoening (alle mensen worden zalig; er is dan geen plaats meer voor Gods verkiezing en verwerping) werd ontdekt in de volgende liederen:

1,6,23,34,63,90,91,106,119,225,301,319,393,408,434

 

2.     De gedachten aan een vrederijk/paradijs dat op déze aarde wordt verwacht (i.p.v. na de jongste dag met Gods gericht, op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde) werd teruggevonden in de tekst van de volgende liederen:

23,42,281,284,285,287,294,380,444                                   

 

3.     De idee van een bevrijdingstheologie (solidariteit met verdrukten i.p.v. de antithese tussen vrouwenzaad/kerk en slangenzaad/wereld) werd aangetroffen in:

9,23,28,39,43,300     

 

4.     Het weglaten/verdoezelen/afzwakken van

-        het offer van Christus als verzoening door voldoening in:

75,147,148,152,203,221,225,402,435,460,473,481            

-        zonde, verbondsontrouw, antithese en goddelozen, werd teruggevonden in:

6,9,14,34,43,90,113,115                                                                  

-        het oordeel als tweede dood, poel des vuurs in:

6,34,39,62,78,113,115,169,288,300

-        verkiezing, verbond, leven uit de beloften in:

15,20,21,90,107,271,287,320,325,336,434

-        de goede strijd van het geloof in:

78,87,188,300,335,336,429,442                   

 

5.     Dichterlijke vrijheden, die wij niet geoorloofd achten:

-    mystieke taal of vreemde poëzie die niet aansluit bij Schriftuurlijke gegevens in:              

      6,106,114,119,122,135,189,201,221,234,252,253,368,387,442,448,473                     

      -    eigen beelden of verbanden van de dichter, die niet zijn terug te voeren op de Schrift, in:

1,6,30,34,43,92,103,114,126,147,148,169,264,290,320,382,457,459,479                               

-    benamingen voor God, die ons niet in Zijn Woord worden aangereikt, in:

75,125,240,241,253,294,319,408,444,456,457,477

 

6.     Magisch denken zonder Schriftuurlijke basis:

-    magische elementen die in sacramenten worden aangewezen komen voor in:                                             87,119,335,356,358,360       

-        magisch herbeleven van heilsfeiten uit het verleden in:

6,122,124,126,127,135,139,140,147,189,240

 

7.     Weglaten van passages uit Schriftgedeelten bij de berijming ervan, waardoor tekort gedaan wordt aan de boodschap van Gods Woord werd opgemerkt in:

20,21,34,39,63,78,87,92,107,113,397