Bijlage
1 bij brief 5 (van 5 revisieverzoeken)
De
Liedboek-selectie van Leusden getoetst:
121 liederen uit het Liedboek voor de kerken
getoetst aan Gods Woord en de Belijdenis van de Kerk
Versie 2
door S. de Marie

Dit is een tweede versie (eerste versie 22 maart 2001)
Wijzigingen: inleiding
(textueel), lied 78,92,96,107,188,320,374,434,442,457
nabeschouwing
Ondergetekende houdt zich aanbevolen voor commentaar
Indien gewenst mag het stuk verder verspreid worden
S. de Marie
Irislaan 80
2651 PR Berkel en Rodenrijs
Berkel
en Rodenrijs,
1
februari 2002
1. Inleiding
De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) van Leusden 1999 heeft 121 liederen uit het Liedboek voor de kerken vrijgegeven voor gebruik in de eredienst. Van deze selectie zal op de volgende G.S. dienen te worden vastgesteld in hoeverre de liederen definitief als kerklied zullen worden ingevoerd. In de tussentijd ligt er voor de kerken de grote verantwoordelijkheid om deze liederen te toetsen. In de loop van de tijd zijn hiervoor verschillende criteria genoemd. O.a. criteria van de Synodes van Hattem 1972, Kampen 1975 zijn genoemd. Recent heeft de Synode van Leusden eigen criteria opgesteld. In dit geschrift zullen wij ons beperken tot de criteria die naar onze mening onopgeefbaar zijn.
1.1. Criterium van de
schriftuurlijkheid
Naar
ons oordeel blijft het belangrijkste criterium, de belangrijkste toetssteen
daarbij uiteraard de Schrift en de Belijdenis van de Kerk. Wanneer een lied
niet ondubbelzinnig naar Gods Woord is maar wanneer in het lied dwaalleer
meekomt of erin verpakt zit, en deze dwaalleer wordt erin aangewezen, dan zegt
Gods Woord zelf dat we zo’n lied niet mogen zingen (Rom.14:23, Titus
2:7,8). In de kerk zingen we voor Gods aangezicht. De woorden die we daarbij in
onze mond nemen moeten de HERE aangenaam zijn (Fil. 4:8,9,18; Rom. 15:16-19,
Hebr. 12:28). Ook in onze geestelijke liederen moeten het woorden zijn die
passen bij de heiligheid van de HERE, dezelfde woorden waarmee we elkaar
terecht kunnen wijzen en vermanen met de gezonde leer (Kol. 3: 16,17;1 Petr.
4:11)! Elk offer, ook het lofoffer in onze liederen dient toch gaaf en
onbesproken te zijn (Fil. 2:12-18)! In feite is ook het lied als lofoffer de
vrucht van onze lippen, die wij net zoals onze belijdenis vrij willen houden
van onzuiverheid en bederf (Hebr. 13:15).
De
Deputaten Kerkmuziek voeren in hun toelichting als geruststelling aan dat door
een lied nooit dwaalleer de kerk is binnengekomen, maar dat dat een kwestie is
van leer. Het zou van de context van de leer in de kerk waarin zo’n lied
gezongen wordt, moeten afhangen of je het moet afkeuren. In ‘Tussen Leusden en
Zuidhorn’ (p.32) stellen zij:
“In dit verband gaan we tot
slot kort in op de hier en daar verwoorde angst dat door middel van een lied de
dwaalleer de kerk kan binnensluipen. Liederen kunnen inderdaad een dwaalleer
verwoorden, daarover geen twijfel. Maar het is nooit het lied waardoor die dwaalleer de kerk binnenkomt, maar de leer. Anders gezegd: de context.
Liederen zijn altijd een uiting ván, een uiting van tijd en plaats en
opvatting. Liederen zijn graadmeters voor de tijdgeest, signalen uit de
dogmatiek, seismografen van de spiritualiteit. De geschiedenis laat zien dat de
hele dogmengeschiedenis uit liederen valt af te lezen. Maar liederen zijn
altijd illustraties daarvan, ze hebben de ontwikkelingen in de dogmatiek nooit
geďnitieerd. Als er in liederen sprake is van een dwaalleer, dan is dat omdat
er in de context sprake is van een
dwaalleer. In het verlengde daarvan: als er in de context, dus het gehele
kerkelijke belijden, sprake is van dwaalleer dan wordt die ook in een lied
ingelezen, dan wordt het lied van daaruit geďnterpreteerd. Is dat niet het
geval, dan wordt een lied gelezen en gezongen vanuit de context.”
De consequentie van dit standpunt van de Deputaten is
dus: een lied met Barthiaanse gedachten rond alverzoening (alle mensen worden
zalig, de kerk wordt daarbij een voortrekkersrol toegedicht), dat door een
dichter uit de Hervormde Kerk (waar deze leer heerst) ook met deze bedoeling zó
gedicht is, kan in een omgeving met ‘gezonde’ leer, zoals in de Geref. kerken
(vrijgemaakt), toch nog prima te gebruiken zijn. Want hier kan je volgens de
Deputaten in zo’n lied de gezonde leer inlezen! Met dit zgn. inlezen kunnen we
echter de norm van Gods Woord onwerkzaam maken. Het geheel krijgt dan
ook een totaal subjectieve invulling: wat ik er niet inlees, kan een ander wel
en andersom. Zo zijn we overgeleverd aan subjectivisme.
Dit geldt des te meer nu de Synode van Leusden de
belijdenis van de kerk als toetssteen heeft losgelaten.
Wij houden staande dat dit onderschatten is van de
invloed van satan die zich bij verzoekingen toch altijd van kleine tekst- of
context-veranderingen en daardoor inhoudsveranderingen van Gods Woord gebruik
gemaakt heeft (Gen 3:1, Matt. 4:1-11)! Het is opvallend dat er in onze kerken
momenteel zo weinig weerstand is tegen de smet van het barthianisme in de
liedboekliederen. In het rapport van de Deputaten lees je geen waarschuwing in
die richting, wel een verdediging van de terminologie in de liedboekliederen
die gebruikt wordt door dichters, die zich zelf onomwonden hebben uitgesproken
over hun afwijkende ideeën. Wij moeten de kerkenraden voor wat betreft hun
verantwoordelijkheid oproepen om, overeenkomstig het bevestigingsformulier,
alles wat in strijd is met de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, te
verwerpen.
Tegelijk moeten we bedenken dat we elkaar vanuit de
Schrift zullen moeten vinden, zoals Rom. 15:4,5 ons voorhoudt:
“Al wat
namelijk tevoren geschreven is werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in
de weg van de volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden
vasthouden. De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van
hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus, opdat gij
eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt
verheerlijken”
1.2. Het criterium van tekstgetrouwheid
Wanneer een lied is gemaakt op grond van een bepaald
schriftgedeelte, dan mag verlangd worden, dat de tekst van het lied ook
tekstgetrouw is. Het gevaar is anders groot dat de dichter zijn eigen gedachten
in Gods gezongen Woord gaat indragen of dat er die gedeelten uit weggelaten
worden, die de dichter minder aanspreken. In feite komt dit laatste erop neer,
dat tekort wordt gedaan aan het evangelie. Dit geldt met name voor de
liedboekliederen op het punt van de toorn van God over de In feite komt dit
laatste erop neer, dat tekort wordt gedaan aan het evangelie. goddelozen, het
gericht en de tweede dood. Laten we wel bedenken dat voor dit geselecteerd
omgaan met Gods woorden, de woorden uit Openb. 22:19 moeten worden overwogen: “en indien iemand afneemt van de woorden van
het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens
en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”
1.3. Criterium van verrijking t.o.v. de Psalmen; Criterium van
ondubbelzinnigheid en duidelijkheid
Direct daarbij aansluitend moeten we ons afvragen of de
liederen een verrijking zijn voor de kerken ten opzichte van de berijmde
psalmen en de gezangen uit het Geref. kerkboek. Met name moet deze vraag worden
gesteld bij het vervlakkend spreken over het helse lijden van Christus,
Christus’ kruisdood als verzoening door voldoening, de tweede dood en het
gericht van de HERE. Dit geldt ook waar zaken aan de orde moeten komen als de
geloofsgehoorzaamheid, de goede geloofsstrijd die gevoerd moet worden, en het
leven naar de eis van het verbond.
Ten aanzien van ons geloofsleven moet geen mistige,
mystieke taal gebruikt worden, die ons kennelijk in een zoete staat van
verrukking zou moeten brengen. Ook t.a.v. de sacramenten mag aan de
verbondtekens zelf geen mystieke kracht worden toegekend.
De vrijheden die een dichter zich mag veroorloven dienen
naar onze mening worden begrensd door de Schrift zelf. Zelf verzonnen
buitenschriftuurlijke beelden of verbanden, die ingedragen worden alsof ze het
Woord van God zelf betreffen, dienen te worden afgewezen. Dit geldt ook voor
het geven van namen aan God onze HERE, onze Here Christus of God, de Heilige
Geest, die ons in Gods Woord zelf niet worden aangereikt: deze passen niet bij
de heiligheid van Gods Naam.
In dit geschrift worden d.m.v.
de toetsing 3 categorieën liederen onderscheiden
I Liederen
die op grond van de toetsing dienen te worden afgewezen vanwege
onschriftuurlijkheid
(p.
4-26)
II Liederen
die dubieuze elementen bevatten (p. 27-30)
III Liederen
waarin vooralsnog geen bezwaren m.b.t. schriftuurlijkheid zijn gevonden (p.30)
Tenslotte wordt in nabeschouwing een aantal patronen
aangewezen, waarvan is gebleken dat ze door de hele selectie heen is aan te
wijzen (p. 31).
Vanwege de beperkte ruimte moet worden volstaan met het
kort bespreken van de bezwaren. De positieve kanten in de liederen worden hier
niet belicht.
2.1 Liederen
waarvan na toetsing is gebleken dat ze
a. inhoudelijk
onschriftuurlijke gedachten of uitdrukkingen verwoorden, en/of
b. ongeoorloofde
dichterlijke vrijheden bevatten of elementen die niet ondubbelzinnig aansluiten
bij Schrift of Belijdenis, en/of
c. leiden
tot vervlakkend denken over een corresponderend Schriftgedeelte, Psalm of
Gezang uit ons Geref. Kerkboek
Lied
|
|||
|
1 |
'God heeft het
eerste woord'
vs 1sluit aan bij Genesis 1:3 "En God zeide: Er zij licht, en er was licht. " "Hij heeft in den beginnen het
licht doen overwinnen." Dit
is niet geheel zoals de Schrift het ons leert. 4:6 God heeft het licht geschapen (Gen 1:2-4, 1 Kor.) Als
het licht zou moeten overwinnen zouden er machten of krachten in het licht
aanwezig zijn die sterker zijn dan de duisternis. Bovendien zou er iets door
strijd te overwinnen zijn: nl. de duisternis. Hierin volgt de dichter van dit
lied de leer van Barth: in het begin van de schepping was er een negatieve
macht zich uitend in de chaos en de duisternis. God zou door de schepping van
het licht en de ordening van de schepping dit negatieve element moeten
bestrijden (Zie voor uitgebreide bespreking en bestrijding van deze dwaalleer
K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus, deel III, 1950:pp 317-320,362-384,).
Gods woord beschrijft de duisternis in schepping niet als iets negatiefs,
iets dat later door God tijdens de scheppingsdagen bestreden en overwonnen
moest worden: immers alles wat God schiep was goed, daar hoort ook de
duisternis bij; uit Gen. 1:2 is zelfs af te leiden dat de Geest in deze
duisternis zweefde over de wateren. God handhaaft deze duisternis (Gen 1:4):
hij scheidt licht van duisternis. Ds.
P. Storm heeft in Nader Bekeken Jg 6 van jan. 1999 (p.4) geschreven:
"Wij zullen dus, wat deputaten betreft, over de schepping van het licht voortaan met een theologisch gerust hart
kunnen zingen als over het overwinnen
van het licht alsof Barth of Noordmans daar niets mee te maken hebben." vs 4 "Zijn
woord is van het zijnde oorsprong en doel en zin” lijkt aan te sluiten bij Romeinen 11:36 "Want uit Hem en door Hem en tot Hem
zijn alle dingen..": hiermee wordt ons echter geleerd dat God (3
maal Hem) en niet Zijn woord (woord
met kleine letter = de zoon van God, Christus?) oorsprong en doel van ons
bestaan is, en dat God Zelf daarvoor de eer moet ontvangen. De deputaten
leggen in hun verklaring van vs 4 het verband met Joh.1:1-3. Ze verklaren: ”Dat
Woord staat aan het begin en aan het einde. En alles wat er is zal uiteindelijk beantwoorden aan het doel
dat God in zijn Woord omschreven heeft” Lied 1 heeft echter niet dat in het woord het doel en de zin
is, maar dat het woord zin en doel is. En door het zo te stellen galmt ook in dit vs na wat Karl Barth heeft gesteld als vervolg op vs 1: “God maakt echter de beide aspecten van de
schepping, haar “jubel” en haar “jammer” tot zijn eigen zaak in de
vernedering en de verhoging van Jezus Christus. Hij (Jezus Christus) is de
zin en het doel van de schepping!” “Want de schepping is aangelegd op Jezus
Christus, gelijk ze ook in Hem geschapen is” Hiermee wordt het werk van
de middelaar Jezus Christus al ingebracht in het doel van de schepping,
waarmee alles toch nog goed komt! Bij deze laatste passage verzuchte K.
Schilder (Heidelbergsche Catechismus, deel III, 1950:p 375): “-als dat per slot čn per opening van
rekening geen algemene verzoening is, wat is het dan wel?” Wij moeten dat
hem helaas hier nazeggen. Verder zij nog verwezen naar 1 Kor 15:28 “Wanneer alles Hem (de Zoon) onderworpen
is, zal ook de Zoon zelf aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen
heeft, opdat God zij alles in allen” en Rom. 11:33-36. |
||
|
6 |
'Ik zing voor de
Heer en ik prijs zijn gezang' naar Exodus
15:1-18, het lied van Mozes aan de Schelfzee.
alg: 1. Door de Synode van Hattem
(1972) afgewezen met als argumentatie: "Dit
lied is alles behalve een berijming.(..)
Tevens zijn er al veel psalmen waar dit in door klinkt dus dit is geen
waardevolle aanvulling." Het
lied van Mozes komt als thema nl. voor in veel psalmen (o.a.: Psalm 66, 68,
78, 106, 118, 136, e.a.). Aan berijming van dit gedeelte bestaat dus geen
behoefte. Dit lied kan gemakkelijk leiden tot onderwaardering van de psalmen.
Een lied moet een aanvulling zijn en geen psalmverdringer. 2.
Door de Gereformeerde Bond is o.a. dit lied getoetst en is geconcludeerd dat
in dit lied zowel triomfalisme als universalisme de boventoon voeren. Door
een regelmatig verspringen van voltooid tegenwoordige tijd naar tegenwoordige
tijd en vice versa treed er verwarring op.
Bezingen wij Gods wonderdaden eens verricht? Dan dient ook hierin de geschiedenis op een herkenbare manier
te herleiden te zijn. Maar daar waar
de tegenwoordige tijd wordt gebruik zingen wij vanuit het zicht op de Schelfzee. Maar wij mogen verder kijken, wij mogen
leven na dood en graf, na hemelvaart en pinksteren. Wij mogen uitzien naar de jongste dag en dat is een veel rijker
perspectief dan dat wij, net als het toenmalige volk Israël, aan de Schelfzee
blijven staan. 3. Het refrein: ‘vliegende vaandels en blinkende zwaarden, de wagens en de paarden’
mist de feitelijke boodschap van de Schrift, die veel meer van de macht en
majesteit van onze God getuigt: “Ík wil
de Here zingen, want Hij is hoog verheven, het paarden en zijn ruiter stortte
Hij in zee” (Ex 15:1) vs 1 r.8 "en wie ons vervolgden wierp
Hij in de zee. Exodus 15:7 "In uw grote majesteit vernietigdet
Gij wie tegen U opstonden;..." De straf is Gods gericht tegen het volk Egypte dat opstond tegen
Hem, naar Hem niet wilde luisteren.
Dat zich dat uit door het vervolgen van het volk Israël is waar, maar
niet de hoofdoorzaak van Gods straf. |
||
|
Lied vv |
vs 3 r.8: "Uw dreigende vinger
verwijst naar het niet". Kennelijk wordt hier verwezen naar de hel.
Maar de omschrijving is niet schriftuurlijk. De bijbelse omschrijvingen van
de hel: duisternis, of de poel van zwavel en vuur, of de plaats waar de worm
niet uitsterft gegeven iets anders weer dan “het niet”. Van “het niet” gaat
niet het afgrijzen uit zoals dat ons gepredikt wordt b.v. in Jes. 66:24. Dit
vervlakkend spreken over de hel doet tekort aan het evangelie waarin zowel de
heilsbeloften als de verbondsdreiging onverkort een plaats hebben. vs 4 r.1,2: "De volken der aarde gaan eindlijk verstaan wat Gij hebt
gedaan "? Hier worden
kennelijk vereenzelvigd de volken rond Egypte en Kanaän die de HERE wilden
belemmeren in de uittocht van Israël en ‘de volken der aarde in het algemeen’
die met de HERE geen rekening houden. De grote daden van de HERE werden
bekend aan de volken rond de schelfzee (Ex. 15:14) maar wanneer vindt de
erkenning van Gods daden bij ‘de volken’’
plaats anders dan bij het oordeel van de jongste dag? Hier klinkt de
universalisme door. r.8 "vergaan door het diepe geheim van de macht". Hierin wordt op een mystieke wijze gesproken van Gods
uitgestrekte hand, Zijn oordeel dat ertoe heeft geleid dat het leger van
Egypte door het water werd verzwolgen.
Een taalgebruik dat niet in de Schrift is terug te vinden. Het leger van Egypte is door Gods slaande
hand geoordeeld, dat heeft niets met een ongedefinieerde macht van een diep
geheim te maken. vs 5 door de dichter zelf verzonnen: komt in dit
schriftgedeelte niet voor. r. 3,4: “gaat
zelfs in de zee niet teloor” verdraagt zich niet met Psalm 77:20. r. 5,6: "de
zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt, het water en bloed dat de zonden uitdelgt." Het
water, een verwijzing naar de doop.
Maar het volk kende alleen nog maar de besnijdenis. Het bloed, een verwijzing naar het
avondmaal. Maar wat wist Mozes, en
met hem het volk Israël daar vanaf toen zij aan de Schelfzee stonden? r.7: “van doodszee naar levensjordaan”
1 Kor 10,1 en 2: de Rode Zee is
het beeld van de redding in Christus: het volk ging droogvoets verder,
bevrijd van de vijand die omkwam. Waarom de Rode Zee hier ‘doodszee’ genoemd?
‘Levensjordaan’: waarom (door de deputaten) symbool van het leven genoemd als
een soort tegenstelling m.b.t. de Rode Zee? Overigens wordt in liedboeklied
290 (vs6 r.3) juist gesproken van de Jordaan als ‘doodsrivier’!, over
willekeur gesproken. Terwijl de Here juist de overeenkomst tussen beide
wateren benadrukt dmv de 12 gedenkstenen die uit de Jordaan werden genomen:
Jozua 4:21-24: “Wanneer uw kinderen
later hun vaders vragen: Wat betekenen deze stenen? dan zult gij uw kinderen
aldus inlichten: Op het droge is Israël hier door de Jordaan getrokken, omdat
de Here, Uw God, de wateren van de Jordaan voor u heeft doen opdrogen, zoals
de HERE uw God, gedaan heeft met de Schelfzee, die Hij voor ons heeft doen
opdrogen, totdat wij erdoor getrokken waren, opdat alle volken der aarde
zouden weten dat de hand des HEREN sterk is, en zij de HERE, uw God, al de
dagen zouden vrezen.” Liever dus deze boodschap (zie ook Ps. 114:3,5)
doorgeven dan dichterlijke verzinsels. r.10 "de mensen der aarde". niet nader gedefinieerd,
kennelijk alle mensen, de gelovigen en de ongelovigen. Dit duidt op de leer
van de algehele verzoening |
||
|
9 |
“Mijn hart verheugt zich zeer”
alg: Het
betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van 1 Samuël 2:1-10 (de
lofzang van Hanna). Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe
berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te
zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat
kan van dit lied niet gezegd worden. De bevrijdingstheologie met sociale
boodschap verdringt hier vaak de heilshistorische betekenis in de lofzang van
Hanna. vs 2 r.1-3“Niemand ter wereld is van rang en stand
gewis, want God alleen is heilig” alsof de zonde, het onheilige, in de
rang of stand zit, terwijl de zonde voortkomt uit ons zondige hart. In Sam.
2:2 staat echter “Er is niemand heilig
gelijk de HERE want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze
God.” Dit spreekt ervan het
vertrouwen alleen op de almachtige HERE te stellen, dit heeft niets met rang
of stand te maken (zie bijv. 1
Sam.2:7,8) Bij veel van de
LB-dichters verschuift de tegenstelling tussen de gelovige en de goddeloze
naar een tegenstelling tussen arm en rijk en tussen de machtige en de verdrukte
in deze wereld. r. 4: “Maar wie zijn onmacht kent”: onmacht is nog geen zonde! De zonde
komt niet in beeld. De rest van dit gezang bouwt voort op deze gedachte vs 10 r.1-3 “Des Heren woord beslist der volken oude
twist”: vlakke vertaling van 1 Sam.2:10 “Wie met de HERE twisten, worden gebroken, over hen dondert Hij in de
hemel. De HERE richt de einden der aarde” |
||
|
14 |
“De Heer is mijn Herder”
alg: Is
een berijming van Ps. 23 en voegt als zodanig niets toe aan de berijmde Psalm
uit ons kerkboek. Het volgt de tekst van Ps. 23 niet volledig en laat de
antithese uit deze Psalm (23:5) “Gij
richt voor mij een dis aan voor de ogen die mij benauwen” (vergelijk Jes.
65:11-15!) geheel buiten beeld. Dit
lied met vlakkere tekst verdringt de schriftuurlijke psalmberijming die we al
hebben. |
||
|
Lied 15 |
“Loof nu, mijn ziel, de Here”
alg: Is
een berijming van Psalm 103 en als zodanig verdringt het de dichter bij de
tekst berijmde, en schriftuurlijkere Psalm 103 uit ons kerkboek. Wij missen
er met name Gods woorden in over zijn verbondskinderen. Lied 15 is geen
toevoeging maar een verarming. Het
argument dat het hier om een compactere versie zou gaan in vergelijking met
ons kerkboekpsalm en daardoor waarde heeft klopt ook niet: een totaal van 48
verzen i.p.v. 54 verzen lijkt mij geen verschil. vs 2 “Hij die voor u blijft zorgen” is in
lied 15 de uitwerking van Psalm 103:11 “maar
zo hoog de hemel is boven de aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over
wie Hem vrezen” Ons
kerkboek heeft berijmd in Ps. 103:4: “Zo
hoog en wijd de hemel staat gerezen – boven de aarde, is voor wie Hem vrezen
– zijn liefde en zijn goedertierenheid” vs 3 r.9-11“als blaren, wanneer de
najaarswind door ‘s levensboom komt varen” is een eigen verzinsel afwijkend
van de tekst: Psalm 103: 16 heeft: “wanneer
de wind daarover (nl. over het gras / de bloem des velds) waait, is zij niet
meer en haar plaats kent haar niet meer” vs 4 r.2,3 “Zijn trouw komt hun te stade, die
Hem getrouw zijn toegewijd”: Dit is alles wat er in Lied 15 staat
als uitwerking van Psalm 103:17-18:
“Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie
Hem vrezen en zijn gerechtigheid over kindskinderen, over hen die zijn
verbond onderhouden, en aan zijn bevelen denken om die te doen” In onze berijmde psalm (kerkboek) staat echter: “Maar ‘s HEREN gunst zal over wie Hem vrezen in eeuwigheid altoos
dezelfde wezen, en zijn gerechtigheid de eeuwen door. Zijn heil omsluit de
komende geslachten; zo volgen zij die zijn verbond betrachten, van zijn
barmhartigheid het lichtend spoor” Conclusie: de rijkdom van Gods verbond
met ons en onze kinderen is uit lied 15 weggedaan. Hiermee wordt aan Gods
Woord tekort gedaan. |
||
|
20 |
“Laat ons nu vrolijk zingen”
alg: Dit lied is gebaseerd op Psalm 146. Als zodanig
voegt het niets toe aan onze berijmde psalm 146. Het opnemen van een
dergelijk lied werkt verdringend t.o.v. onze psalmen. Dit geldt temeer daar
de inhoud van lied 20 van dit niet volledig recht doet aan Gods Woord in deze
psalm. Wij
wijzen op de volgende elementen: 1.
Ps. 146:3: “vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, op een mensenkind,
bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde,
te dien dage vergaan zijn plannen.” Het unieke van de enige troost van Zijn
eeuwige Woord wil de Here stellen tegenover de vergankelijke en troosteloze
hulp die van stervelingen verwacht wordt. Daarom stelt de HERE deze
vergankelijkheid van de mens in vs 3 met zoveel woorden aan de orde!
(vergelijk de rijke troost zoals omschreven in Jes. 40:6,7; 1 Petr. 1:23,24).
In lied 20 wordt dit alles geheel weggelaten! 2.
Ps. 146:4,5,10: Dat de hulpverschaffende God, de God van het verbond (van
Jacob, van Sion), van Zijn kerk is, wil de HERE in deze psalm benadrukken ter
bemoediging van zijn verbondskinderen. Hij werkt in de geslachten van Zijn
kerk (146:10). Wij vinden in lied 20 hiervan alleen iets terug in vs 2 r.2,
maar de lofzang van de kerk op haar eeuwige Koning ontbreekt (zie vs 7). vs 4 r.7 De eeuwigheid van Gods trouw, komt wat vlak tot uiting (te allen tijde).
De eeuwigheid van Gods koningschap (146:10) ontbreekt in het lied. vs 7 dit vs
valt buiten de context en bevat een vreemde omschrijving: “omdat Gij mijn leven duldt voor uw aangezicht”: dit zou alleen
goed te duiden zijn wanneer gewezen werd op het verzoenend offer van Christus
en Zijn pleiten voor ons. De jubel van de kerk voor Gods aangezicht ontbreekt
hier (zie onder alg.) |
||
|
21 |
“Alles wat adem heeft love de Here”
Alg:Evenals lied 20 is dit lied gebaseerd op Psalm
146. Als zodanig voegt het niets toe aan onze berijmde psalm 146. Het opnemen
van een dergelijk lied werkt verdringend t.o.v. onze psalmen. Dit geldt
temeer daar de inhoud van lied 21 van dit niet volledig recht doet aan Gods
Woord in deze psalm. vs 2 Hoewel in dit lied i.t.t. lied 20 aandacht voor vorsten die vergaan,
blijft de diepe betekenis van Ps. 146:3 buiten beschouwing: “vertrouwt niet op edelen, op een
mensenkind, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan
keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.” Opnieuw
moge benadrukt zijn dat het unieke van Gods hulp door de Psalmdichter
tegenover de vergankelijke en troosteloze hulp die van stervelingen wordt
gesteld. Wat een troost! Ook in lied 21 ontbreekt dit. vs 4 r.3 “de enige God die zijn macht
openbaarde", zijn er nog meer goden? r.4
" .... Hem is gehoorzaam wat Hij
schiep" Een verkeerde
uitwerking van Psalm 146: 6 : “Die
hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is, trouwe houdt in
eeuwigheid” vs 6r.
4 “Hij buigt neer wie zich verheft” komt hier n.a.v. de tekst uit Psalm 146:9 "de weg der goddelozen maakt hij krom " De Schrift wil ons leren dat de goddelozen hun doel
niet zullen bereiken. Lied 21 brengt dit niet goed over. vs 7 Waar is
hier de schriftuurlijke lof op de HERE gebleven als Koning van Zijn kerk en
de God van het verbond die werkt in de geslachten? Psalm 146:10 "De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion is van geslacht tot
geslacht. Halleluja ". De
kerk van Christus mag zich déze lof niet laten onthouden. |
||
|
Lied 23 |
“Het
zal zijn in het laatste der tijden”
alg: Het
betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Jes. 2:2-5. Hiervan mag
verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144,
1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van
schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd
worden. Het leert niet de ware vrede die het resultaat is van Gods
rechtsonderwijs, verzuimt op te roepen tot de ware geloofsgehoorzaamheid
(Jes. 2:3,4) Het is daarentegen doordrenkt van horizontalistisch pacifistisch
en universalistisch denken. . vs 1
r.5,6 “om de rechten des Heren te leren, zich tot God
en elkaar te bekeren” Hier verraadt zich duidelijk een
horizontalistisch pacifistisch denken, dat niet de Schrift volgt. Want in
Jes. 2:3 staat nl. het doel van de komst van de volken naar het huis van de
God van Jacob: “Opdat Hij ons (dat zijn
de ‘vele natiën’) lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden
bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit
Jeruzalem” Het Woord van de HERE brengt de volkeren in de crisis: voor of tegen Hem
kiezen; het gaat om de grote antithese van vrouwenzaad en slangenzaad.(zie
Hebr. 4:12,13 en 12:25-29). En daarom is het zich ‘tot elkaar bekeren’ uit
dit lied hier volledig misplaatst: alsof het hier gaat om een strijd tussen
volkeren, die moeten verbroederen. De keuze gaat echter vóór of tegen de HERE
en dat gebeurt niet zonder de klem van het gericht: Jes. 2:4 “En Hij zal
richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën” In
tegenstelling tot wat dit lied ons wil leren, zegt Gods Woord niet dat komt
tot een wereldvrede op déze aarde, maar dat God de vrede in de kerk wil door
bekering. Met de komst van Christus zal dit uiteindelijk leiden tot het
koninkrijk der hemelse vrede,
voorzegd in Jes. 65:17, 66:22 en Petr. 3:13: “wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een
nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont”. (zie ook H.J. Schilder: Het
Schrift dat niet verslijt, Van den Berg, Kampen 1983, p. 150-154) vs 2
r.4-6 “het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods. Tot bescherming van
allen die leven staat de wet van Gods heil er geschreven” De bevrijding van de zonden door Christus is
het echte heil voor de volkeren: zie Jes. 1:18-20, hierop volgt in Jes. 2:3 dan de oproep tot echte
geloofsgehoorzaamheid. In dit lied is dit alles echter verworden tot een
“bevrijding en bescherming van allen”: dit is taal van de onschriftuurlijke
bevrijdingstheologie en van universalisme (‘allen die leven’). |
||
|
28 |
“Wij hebben een
sterke stad”
alg: Het betreft hier nl. een zogenaamd
bijbellied, een berijming van Jesaja 26:1-6. Hiervan mag verwacht worden dat
het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen
dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft
ook tekstgetrouw”). Dat is bij dit lied niet het geval. 1. Er staan een aantal toegevoegde
elementen in :vs 1:dansende kinderen, musicerende mensen, vs 2: poortwachter.
In het Compendium Liedboek
(p.199) stelt de dichter zelf: “Want al
vermeldt Jesaja met zoveel woorden geen ‘stad waar de kinderen dansen’, hij
heeft die stellig wel vóór zich gezien, omgekeerd is de bitse ‘vernedering
tot de grond toe’ van de arendsburchten der onderdrukkers in de strofische
vorm (=lied, SdM) niet terug te
vinden. Daarvoor leek een beurtspraak gewenst tussen het optrekkende volk en
een denkbeeldige deurwachter, en wat dat betreft is het lied dus breder dan
de profetie”. Tot zover de dichter, die naast de toevoegingen ook een
bewuste weglating voor wat betreft de ernst van de straf aangeeft. 2. Voorts staan
er elementen in vs 3 en 4 die passen bij de bevrijdingstheologie: vs 3 “maar
mensen die steeds zijn geknecht die wandelen hier in het licht” zie vs 4 vs 4 “Hij
voert de verdrukten erheen”. Jes. 26 spreekt daarentegen over rechtvaardigen (vs
7) en goddelozen (vs 10), niet over verdrukkers en verdrukten. |
||
|
30 |
“Wie mat de waatren in zijn holle hand”
alg: Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming
van Jesaja 40:12-31. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe
berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te
zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat
kan van dit lied niet gezegd worden. Steeds wordt door de dichter van dit
lied in de tekst ingedragen dat God door het woord heeft geschapen (vs
1,5,6). Dit door de dichter aangegeven ‘Leitmotiv’ (Compendium Liedboek p.
37) staat nergens in dit Schriftgedeelte,
het is er niet uit af te leiden, het vervult in dit schriftgedeelte
ook geen functie. vs 1 r.8-10 het refrein slaat op Jes. 40:21, 28: “Weet gij
het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de HERE, Schepper van
de einden der aarde.” In lied 30 wordt “het woord” uitgewisseld met God, de
HERE Zelf. Dit is niet tekstgetrouw en niet schriftuurlijk vs 6 r.8-10 ook hier wordt “het woord” gebruikt voor de
HERE zelf. |
||
|
Lied 34 |
“Om Sions wil zwijg ik niet stil”
alg: Lied op Jesaja 62:1-10. Het is opvallend dat hier de verzen 11 en 12 van
Jes. 62 ontbreken; deze verzen horen toch helemaal bij de voorgaande verzen :”Want de HERE doet het horen tot het
einde der aarde: Zegt tot de dochter Sions: Zie uw heil komt; zie mijn loon
is bij Hem en zijn vergelding gaat
voor Hem uit .En men zal hen noemen: Het heilige volk, De Verlosten des
HEREN, en gij zult genoemd worden: Begeerde, Niet verlaten stad” Verwijst
o.a. naar Openb. 22:12. Volgens dr. van der Kamp (“Openbaring, Profetie vanaf
Padmos”, Kok 2000, p.489): “Als
Christus komt heeft Hij de beloning bij zich. Deze aankondiging ligt in de
lijn van de hele bijbel (Ps. 62:13, Jes. 40:10, Jer. 17:10, Matt. 6:27,
Openb. 2:23;11:18). Het geven van vergelding sluit zowel beloning als
bestraffing in. De dag van de afrekening nadert. Het recht krijgt zijn loop.
Wat het oudtestamentisch getuigenis van God verwacht wordt hier van Christus
gezegd.” Opvallend dat deze kant van Gods verbondsuitwerking (zie ook
Jes. 66:5-24) volledig genegeerd wordt door kunstmatig af te breken bij vs
10. vs 2 r.4 “die God
u toe zal denken” Jes. 62:3 zegt dit veel sterker: “een koninklijke
tulband in de hand van uw God. Daar zit geborgenheid in. Dat geldt ook voor de liefde die straalt uit 62:4 “Mijn Welgevallen”. vs 3
r.1,3 “Zoals een maagd die wordt gevraagd (…) Zoals een bruid haar man
verblijdt” In de bijbel staat het net andersom: Jes. 62:5 “Want zoals een jongeling (…) en zoals de
bruidegom zich over de bruid verblijdt” Dit vs legt het initiatief dus
verkeerd: dit hoort bij de HERE te liggen: Hěj heeft welgevallen, Hěj zoekt
zijn bruid op, en niet andersom. vs 4
r.1,2 “Rondom de muur wordt ieder uur Gods wachtwoord doorgegeven” Een
wachtwoord is alleen voor ingewijden en geeft toegang. De tekst van Jesaja
geeft echter iets heel anders aan nl. dat de wachters op Jeruzalems muren
zonder onderbreking zullen pleiten op
Gods verbondsbeloften. vs 4
r.3,4 “Zo is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven” Mistige
taal die de kern niet raakt. vs 6
r.5-7 “De volken zien uw heilig spoor, zij volgen het en neigen voor de standaard van
uw koning” Deze liedtekst volgt
niet de bijbeltekst: het gaat om de terugkomst van Gods volk uit de
verstrooiing naar Jeruzalem (Jes. 62:12). Zoals het hier in het LB vs staat
doet het denken aan de alverzoening, zeker nu vs 11 ontbreekt. |
||
|
39 |
“Vrees niet, gij land,
verheug u en wees blijde”
alg: Lied op Joël 2:21-24 en 28-32. In Joël 2: 32 is sprake van eeuwig leven
als ontkoming van de eeuwige dood. Dit slot van het Schriftgedeelte
ontbreekt! Hierdoor wordt tekort gedaan aan dit Woord van God. vs 6 “Ja ook
op wie de vrijheid niet genieten, op slaven zal de Heer zijn Geest uitgieten.
Zij krijgen deel aan een vernieuwd bestaan in ;’s Heren naam” De Schrifttekst heeft hier dienstknechten en dienstmaagden, wat meer hun
geringe, nederige staat aangeeft. Het liedboek suggereert hier meer dat het
gaat om verdrukking: wie de vrijheid niet genieten. vs 9 “En allen
die naar ‘s Heren wegen vragen, die van zijn grote naam het zegel dragen,
vieren in ‘t nieuw Jeruzalem het feest van Woord en Geest” Hier komt niet in beeld de verkiezing
en verwerping van Joël 2:32: “En het
zal geschieden dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden,
want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn zoals de HERE gezegd
heeft; en tot de ontkoming zullen zij behoren, die de HERE zal roepen” |
||
|
42 |
“Verheug u, gij dochter
van Sion”
alg: Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Zacharia 9:9,10.
Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA
Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat
berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit
lied niet gezegd worden. Het verkondigt een vrederijk op deze aarde, is
daarom in strijd met Gods Woord en doet tekort aan de eigenlijke betekenis
van dit schriftgedeelte. vs 1
r.8-10 “De aarde zal spoedig een bloeiende tuin zijn van vrede en recht”
De Here tekent in het schriftgedeelte iets anders nl. zijn universele
heerschappij over de Kerk. Hij is de koning van Sion. Deze Vredevorst heeft
een koninkrijk dat niet van deze aarde is. Het zal dan ook niet geschieden
door kracht of geweld maar door Zijn Geest! Dŕt moet de boodschap zijn en
niet die van een paradijs op aarde. |
||
|
Lied 43 |
“Die dag zal komen,
brandend als een oven”
alg: Het
betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Maleachi 4:1-3. Hiervan
mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art
144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van
schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd
worden. vs 1,2 Volgens Maleachi 4:1 de dag die komt zal alle overmoedigen en allen die
de goddeloosheid bedrijven als stoppels verbranden. De laatsten worden niet
zo genoemd in dit lied, maar in verzwakte vorm: “die leefden zonder hoop en zonder liefde”, in deze omschrijving
ontbreekt de antithese. vs 3 r.3,4 “Hij breidt zijn vleugels uit en
komt genezen al wie verkommerd zijn in ’s werelds loop” Hierin wordt de antithese tussen rechtvaardigen
en goddelozen omgeruild voor solidariteit met verdrukten in ’s werelds loop
(vergelijk Maleachi 3:18!). vs 5 r.3 in dit vs wordt een “duisternis” geďntroduceerd die ontbreekt in de bijbeltekst vs 6 r.2 Hierbij is de actie van “u, die mijn naam vreest” verdwenen. r.3
zie vs 5,r.3: “Dit is de dag,
waarvoor wij overnachten” hier wordt ook een nacht ingebouwd waarvan in
de tekst niet wordt gesproken. |
||
|
63 |
“De Heer
verschijnt te middernacht”
alg: Dit
lied zegt gebaseerd te zijn op schriftgedeeltes die de gelijkenis van de 10
dwaze en wijze maagden beschrijven. Matt. 25: 1,2 vermelden: “De Here zegt dat het Koninkrijk der hemelen vergeleken zal worden met tien
maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf
waren dwaas en vijf waren wijs” In het lied is niets te bespeuren van de 5 dwaze maagden, en dus ook niet
van de afloop die hun handelen had: (Matt. 25:12) “Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet”. Het is juist aan dit oordeel
dat de Here Jezus voor ons de oproep en waarschuwing koppelt: “Waakt dan, want gij weet de dag noch het
uur” De grote klem die de Here Jezus zijn discipelen en ons wil
voorhouden ontbreekt geheel in dit lied. Wat we overhouden is een vlak en
eenzijdig lied dat bewust Christus’ woorden achterhoudt. Hier is de invloed
van universalisme te bespeuren: alle mensen komen er, terwijl de Here ons een
andere boodschap brengt in deze gelijkenis. |
||
|
75 |
“U kennen, uit en tot U leven”
alg: De
benamingen van de Here Christus zijn hier (zie hieronder) niet juist, zo
heeft Hij zich in Gods Woord niet laten aanspreken. Wij moeten met zijn naam
heilig omgaan. Opvallend is verder dat in dit lied dat zich richt tot
Christus Zijn zoenoffer niet ter sprake komt. Ook staat in dit lied nergens
de echte aanspreektitel (het Lam Gods) waar de liederen in het boek
Openbaring vol van staan. Bijv.
Openb. 5:13-14: ”En alle
schepsel in de hemel en op de aarde en op de zee en alles wat daarin is,
hoorde ik zeggen: “Hem die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en
de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid”. Wij
missen dit niet alleen in dit lied maar in zoveel liederen van de huidige
selectie. vs 1 “Verborgene” vs 2 “o
hemels brood” vs 8 “o licht
der wereld” |
||
|
78 |
“Laat me in U blijven, groeien, bloeien” alg: Dit is een piëtistisch en
mystiek getint lied dat zegt aan te sluiten bij Joh. 15:1-8. Het spreekt
echter niet de schriftuurlijke taal van het verbond van Joh.15:1-8. Het kent
niet de verkiezende en bewarende liefde van de Landsman, onze God en Vader,
Die in deze tekst aan het woord is. Deze Landman snoeit aan de ene kant de ranken die vrucht
dragen, om ze tot grotere bloei te brengen, en die de Zijnen oproept om in
Christus’ liefde te blijven, door gehoorzaam te zijn: “mijn woorden in u
blijven (Joh. 15:7). Van dit snoeien (beproeven) lezen we maar heel weinig:
vs 3 van ”bij kruis naar kracht en kracht naar kruis” gaat in dit lied weinig
worsteling uit; ook lezen we niets concreets over geloofsgehoorzaamheid aan
de woorden en geboden van de HERE!
Deze Landsman neemt in Zijn verbonds-verwerping ook ranken weg
en laat deze in het vuur werpen waar ze worden verbrand (Joh. 15:2,6). Deze
dreigende kant van het verbond dat God met ons sloot kent de dichter
(=bewerker) niet: deze waarschuwende boodschap snijdt hij uit zijn lied;
letterlijk want van het oorspronkelijke lied is juist het vers dat sloeg op
Joh.15:6 geëlimineerd! Hierdoor houden we een lied over dat een goed gevoel
bij de mens moet geven, die wel aangeeft dat hij het van de HERE moet hebben,
maar de klemmende oproep van de Here tot zijn actieve geloofsgehoorzaamheid
niet in zijn mond wil nemen. vs 1 r.1 “Laat me in U
blijven, groeien, bloeien, o Heiland, die de wijnstok zijt! Uw kracht moet in
mij overvloeien”. De dichter
spreekt de Here aan om hem te laten bloeien etc. Terwijl in Gods Woord nu
juist geen lijdelijke maar een actieve gehoorzame geloofshouding gevraagd
wordt onder belofte van zegen en onder dreiging van vloek. Dat is het woord
in Joh. 15. In de Schrifttekst is de Here Jezus aan het woord: “Ik ben de
ware wijnstok”, maar in dit lied staat de gelovige in het middelpunt: alles moet
aan mij gebeuren. |
||
|
Lied 78 vv |
vs 2 r.5,6 “Uw Geest moet in mij uitgestort: de rank die U
ontvalt verdort.” Vrij dwingend
gesteld. De rank ontvalt de HERE niet (lot), maar wordt actief door Hem
weggenomen en verbrand (oordeel). vs 3 r.2 “‘k blijf
de Uw altijd, blijf Gij de mijn’!” De dichter draait de zaak om:
vergelijk Joh. 15:3! De HERE kwam eerst met Zijn zoekende liefde en vraagt nu
wederliefde en gehoorzaamheid! vs 4 r.1 “Dan blijft mijn ziel voor U gewonnen.”
Nergens ziet de dichter de klem van het heerlijke verbond dat in deze
gelijkenis zo treffend door de Here Jezus aan Zijn kerk wordt voorgehouden. |
||
|
87 |
“Wij willen God de ere geven”
alg: Dit is een zgn. bijbellied op Rom. 6:1-6. Een
dergelijk lied behoort zich dicht bij de tekst van Gods Woord te houden en de
boodschap zuiver door te geven. Dit is in dit lied niet het geval. Rom 6:1 (“Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij
de zonde blijven, opdat de genade toeneme?”) is een vraagstelling die in
doorlopend betoog de spits krijgt zoals verwoord in Rom 6:12-14. “Laat dan de zonde niet langer als
koning heersen in uw sterfelijk lichaam …” Deze boodschap is uit het LB
lied gesneden! LB 87 brengt
kunstmatig einde bij Rom 6:6. vs 1
r.3-5 Nu juist de spits uit
Gods Woord weg is gelaten is het geďsoleerd weergeven van “want wij zijn voor de zonde dood” een
éénzijdige en daarom onjuiste inhoud gekregen waar geen plaats meer is voor
de goed strijd van het geloof vs 2 r.2 “en door de doop Hem toegewijd”
De doop is het teken en zegel van Gods verbond. Wij zijn niet door de doop
Hem toegewijd (is dit niet Rooms?). God wijdt ons aan Zich, want we zijn door
Christus’ bloed gekocht (H.C. zondag 1). vs 3
r.1 “De mensheid der verloren tijden”: onduidelijk wie hier bedoeld zijn. Gaat het hier om de Joden of zijn
wij daar ook bij inbegrepen? |
||
|
90 |
“Is
God de Heer maar met mij” alg: 1. Dit is een vlakke en selectieve (incomplete) vrije berijming op
Rom.8:26-30. Zoals in veel LB-liederen wordt in dit lied de horizontale
antithese verzwegen, hierin is de invloed van de algemene verzoeningsleer van
K. Barth zichtbaar. 2. In tegenstelling tot Rom. 8: wordt
niet gesproken van de roeping, rechtvaardiging, verheerlijking en uitverkiezing
van de uitverkorenen Gods. 3. Het betreft geen tekstgetrouwe
weergave: de kern van dit bijbelgedeelte komt onvoldoende tot zijn recht. Het
unieke offer van Christus voor de Zijnen (Rom 8:32 “Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons
allen overgegeven heeft, ons met Hem niet alle dingen schenken?”) komt
onvoldoende over (als enige vinden wij terug in vs 3 r.2 “in zijn bloed is voor wie op Hem bouwen Gods heil in overvloed”),
dit in tegenstelling tot de oorspronkelijke versie uit het evangelische
Kirchengesangbuch. vs 7: De Schrift geeft m.b.t. het werk van de Geest met onze gebeden aan “dat Hij naar de wil van God voor
heiligen pleit” (Rom 8:27). In het lied wordt in een soort mystieke
dichtertaal, die vaag en onduidelijk is, het werk van de Heilige Geest
voorzien van omschrijvingen als “is taal voor Hem en teken” vs 8 r.1 “zoete dingen” is deze vage
omschrijving bedoeld om weer te geven wat Rom 28:28 zo troostvol voorhoudt “Wij weten nu, dat God alle dingen doet
medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben..” ?? r.3
“zijn gunstelingen” Echter de
prachtige gouden keten van het heil (Rom.28:29-30) die het begin van Gods
vrijmachtige verkiezing tot en met het einde de verheerlijking aangeeft komt
met dit ene woord niet voldoende in beeld. De eeuwige verkiezing (tevoren
bestemd!) wordt weggelaten. |
||
|
Lied 91 |
“Niemand van ons
leeft voor zichzelf alleen”
alg: Een bijbellied op Romeinen 14:7-10. Helaas blijkt dat deze verzen in het
LB lied uit het verband zijn gelicht. Rom. 14:7 begint immers met "Want”
. Dit slaat op vs 1-6, het gedeelte dat gaat over het aanvaarden van elkaar
in broederliefde in geval van verschil in persoonlijke meningen (dus geen
leergeschillen!), zeker als deze berusten op komaf (Jood of heiden). Rom.
14:11 staat ingeklemd tussen 8 en 10. Vs 10 zegt: Wij mogen onze broeders,
die ook de HERE willen dienen, niet oordelen; De HERE oordeelt of onze dienst
aan Hem waarachtig was als wij voor zijn rechterstoel komen. Dan volgt vs 11,
waarin met aanhaling van Jes. 45:23, de HERE Zich bekend maakt als de enige
en waarachtige verlosser voor zowel het nakroost van Israël als de einden der
aarde. Het gaat in Rom 14:11 dus niet over een alverzoening, een universeel
heil voor iedereen (alle knie). Het gaat hier om Gods verlossing die er is
voor uitverkoren Jood čn uitverkoren heiden en die alleen in de weg van
geloofsgehoorzaamheid (knielen!) aan de enige God en Verlosser. Daarom zal
een ieder voor zich rekenschap moeten geven aan God. vs 3
r.4,5 “Wij worden allen eens voorbij de dood gesteld
voor Christus’ rechterstoel”
Allen voorbij de dood? Dat weten wij nu nog niet. Welke dood wordt trouwens
bedoeld? r.6 “En Hij stelt ons in ‘t oordeel
van zijn heerschappij” Wat
betekent ‘van zijn heerschappij’? vs 4
r.2 “Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.” In de Schrift tekst heeft het de betekenis van
een eed: “zo waar ik leef”(zie Jes. 45); deze lading wordt in LB tekst gemist r.3,4 “En alle knie op aarde buigt zich
neer, en alle mond belijdt mij als de Heer.” Hier straalt het universalisme vanaf! (zie bij
opmerkingen n.a.v. Rom 14:11 onder alg.) |
||
|
92 |
“Al kon ik alle
talen spreken” alg: Lied naar
1 Cor 13:1-7,13. Ons bezwaar richt zich tegen vers 6. Dit vers doet geen
recht aan het verband met de rest van 1 Cor 13 en met het geheel van het boek
(hfdst 12-14). Bovendien is het waar het hier gaat om Gods liefde! ongepast
zich hier dichterlijke vrijheden te veroorloven zoals in vers 4 en 5. vs 5 r.5-8 “Gij dekt de schulden toe. Gij zijt … gelovig alles dragend, het
leven toegewijd .” 1 Cor.13:5,6 kent echter: “zij rekent het kwade niet
toe, zij is niet blijde over ongerechtigheid”. De zonde, de ongerechtigheid
wordt hier aangewezen: de liefde is er niet blij over. Opvallend genoeg
missen we juist dit in het lied. Daarentegen wordt de liefde iets vaag
toegeschreven, wat de dichter er maar even tussenin plaatst: het leven
toegewijd Dit komen we in de Schrift niet tegen, en doet ons denken aan
een verhorizontaliseren van Gods liefde als gave aan ons. vs 6 r.1,2 “Geloof en hoop en liefde worden nooit van ons genomen”. Dit kan op 2 manieren worden verstaan: (1) alsof het ons eigen
geloof, onze hoop en onze liefde is. Hiervan zullen we niet kunnen zeggen dat
ze nooit van ons genomen worden. Of (2) een algemene slotsom; maar van het
geloof kunnen we dan juist niet zeggen, dat het eeuwig blijvend is: eenmaal
gaat het in aanschouwen over! (vergelijk vs 9,12; Rom 8:24, 2 Cor.5:7, Hebr.
11:1). Misschien kunnen we, vanuit het geheel van 1-13 vers 13 het beste zo
verstaan (Zo: in de grondtekst staat nu): Van die dingen die wij nu (nog)
mogen bezitten, nl. geloof, hoop en liefde, is de meeste de liefde, nl. Gods
liefde die de grondslag is van Gods rijk; deze liefde vergaat nimmermeer (vs.
8)! vs 6 r.3-8 “Gedrieën bouwen zij de orde die Gods zal doen komen (…)
Dan vieren wij het bruiloftsfeest en mogen blijde zingen van drie verheven
dingen” Hier wreekt zich dat de dichter zich niet heeft bekommerd om de
bijbelverzen 13:8-10; uit deze verzen blijkt ook de verbinding van hfdst 13
met hfdst 12 en 14. Dit liedboekvers doet tekort aan het geheel van 13:1-13,
waaruit blijkt dat na de jongste dag het onvolkomene vervangen zal
worden door het volkomene, en dat de Liefde straks in eeuwigheid blijft. Maar
nú mogen we wel ons verblijden in een vaste hoop en ons opbouwen in een
allerheiligst geloof, zoals Judas 1:20 leert “Maar gij, geliefden, bewaart
uzelf in de liefde Gods, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof
en door te bidden in de Heilige Geest …” Geloof en hoop ze zijn ons
hier en nu gegeven om straks de volmaakte Liefde te kunnen kennen. Verstaat
de dichter wel wat het verschil vóór en na de jongste dag is, of verwacht hij
Gods komende orde in vers 6 in déze wereld? |
||
|
103 |
“De heiligen, ons
voorgegaan”
alg: Het betreft een zogenaamd bijbellied, een
berijming van Hebr.11. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe
berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te
zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat
kan van dit lied niet gezegd worden. Hebr. 11 geeft ons ten voorbeeld de
vastheid van het geloof van de geloofsgetuigen in de komende Christus. Hebr.
11:39 geeft aan dat dit voor ons betekent: “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen
gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons
voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen” In
plaats daarvan wil dit lied ons het veilig trekken van Abraham en anderen
(zie het refrein: “Geprezen zij zijn
naam! Hij deed hen veilig gaan! Komt, zingen wij tezaam met alle heiligen”
en vs 3 r.5-8: “dat wij omgeven door de
wolk de weg teneinde lopen, één met het heilig trekkend volk in liefde en in
hope”) ten voorbeeld stellen. Dit is een ongeoorloofd exemplarisme die in
de tekst wordt ingedragen. vs 2 r.6 ‘en hebben niets geweten’
vergelijk echter met Hebr. 11:10: “want
hij verwachtte de stad met fundamenten”, 11:13-16 “en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op
aarde… maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland”
|
||
|
Lied 106 |
“Het einde
aller dingen is nabij” alg: Lied 106 is een zogenaamd bijbellied, een berijming
op 1 Petr. 4:7-11. Helaas kunnen wij niet vaststellen dat het in alle
onderdelen tekstgetrouw is. Ook bevat het lied onschriftuurlijke elementen vs 1 “liefde dekt alle ongerechtigheden” In Petr. 4:8 staat echter “want de liefde bedekt tal van zonden” dus niet ŕlle zonden. vs 2 ”maakt om u heen het heil des Heren
waar”. Dit doet denken aan een kerk
die het heil in deze wereld uitdeelt. Het is echter de Here zelf en niet wij,
die het heil des Heren waarmaakt! Wij mogen
het heil in Christus verkondigen, maar kunnen het niet uitvoeren, dat
doet Christus. vs 3 r.1,4 “Als iemand spreekt, hij spreke vrank en
vrij” dit staat er echt niet. Vs 11 van 1 Petr. 4 zegt iets heel anders: “Spreekt iemand laten het worden zijn als
van God” Het gaat in ons spreken
niet om vrijmoedigheid maar om in geloofsgehoorzaamheid en in grote
verantwoordelijkheid! Als iemand spreekt, dan zó dat hij de uitspraken van
God verwoord (P.H.R. van Houwelingen: 1 Petrus, Rondzendbrief uit Babylon,
Kok, Kampen1991, p.158) Later in r.4 staat “Woord van zijn Woord” daarmee wordt iets teruggevonden van de
tekst van vs.11, maar het staat er vaag en het blijft onduidelijk of het hier
gaat om gevolg of inhoud van de verheerlijking van God. Terwijl het door God
geleide spreken en dienen juist als middel tot Gods verheerlijking wordt
beschreven in de Schrifttekst: …opdat in alles God verheerlijkt worde r.4 "Genade voor genade" dit klinkt te veel als een
tegenprestatie of een soort ruil. Genadegaven gebruiken ten dienste van
anderen is wel het gevolg van Gods genade (‘rentmeesterschap’), maar kunnen
toch niet als een tegenprestatie, als ruil gelden. (1 Petr. 4: 10: “als rentmeesters over de velerlei genade
Gods”) |
||
|
107 |
“Wie zich
hovaardig verheffen” alg: Dit lied dat mooie
elementen bezingt uit 1 Petr. 5:5-11, laat ook een aantal belangrijke
elementen uit de boodschap achterwege waardoor deze niet zuiver blijft. Het
gaat in onze tekst om het leven in de kerk! De ambten worden aangewezen:
leiden zonder te heersen; van de gemeenteleden wordt gevraagd: gehoorzaamheid
en onderwerping; maar allen moeten –naar de wil van God (vs 2)- een nederige
basishouding kennen. Het beslissende hierbij is dat zowel ambtsdragers als
gemeenteleden tegenover de HERE nederig zijn. vs 2 r.1-3 “Zo buigt
u dan terneer en kust de hand van God die krachtig is en teder” De boodschap dat wij ons onder
de machtige hand van God moeten vernederen, wordt hiermee mistig en zwak
uitgedrukt. r.4,5 “en klaagt Hem als uw nood, opdat Hij u verhoogt” Uit dit vers blijkt dat de dichter mistast in regel 1-3: Wie zichzelf
vernedert voor de Here, die verhoogt Hij (Matt. 23:12). De dichter stelt dit
verhogen nu in het verschiet bij wie zijn nood klaagt. vs 3 r.6 “En draagt
uw deel van ’t lijden” De broederschap van de kerk van alle tijden, die in dezelfde
geloofstrijd is gewikkeld, komt hier niet in beeld! vs 4 r.1,2 “De God
aller genade die u geroepen heeft ” Wij missen nu wel de naam van onze Heiland die in 1 Petr.5:10 speciaal
genoemd wordt: “die u in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige
heerlijkheid”. De verbondstaal van 1 Petr. 5 die tot de kerk gesproken wordt,
wordt hierdoor tot een schrale boodschap.
|
||
|
113 |
“Ik zag een troon”
alg: Lied 113 is een zogenaamd bijbellied, een
berijming van Openbaring 20:11-21:4. Hiervan mag verwacht worden dat het een
tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen
schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook
tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden.Het lied ademt geheel
die geest van het universalisme: het heil voor alle mensen. In Openb.
20:14,15 staat: ”En de dood en het
dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de
poel des vuurs. En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in
het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs”. Deze tekst
met het oordeel van de tweede dood, dat toch ook onmisbaar is voor het evangelie
is ontbreekt geheel in lied 113. Laten we wel bedenken dat voor dit
geselecteerd omgaan met Gods woorden, de woorden uit dit bijbelboek moeten
worden overwogen: Openb. 22:19 “en
indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal
zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke
in dit boek beschreven zijn.” vs 1 Er wordt
voorgesteld dat de troon (of Hij die daarop zit) zo ruimtevullend is dat er
voor de hemel geen plaats meer is. Het licht van Degene die op de troon zit
laat de aarde verdwijnen. Het is alsof wordt gesuggereerd dat Gods majesteit
de schepping wegdrukt. Openb. 20:11 geeft echter een beeldend visioen over de indrukwekkende
verschijning van de Here, waarvoor niets en niemand staande blijft.. vs 2 r. 5,7 “het donker” en “de diepte” duiden hier op de eerste
dood die haar doden prijsgeeft en niet op de tweede dood. Naar deze tweede
dood ontbreekt elke verwijzing vs 4
r.4 “opnieuw een wereld”: Volgens Gods Woord worden de hemel en de
aarde nieuw=vernieuwd, maar niet geheel nieuw als bij een nieuw begin. Het
prachtige vers van dit bijbelgedeelte ontbreekt: Openb. 21:3 “Zie, de tent van God is bij de mensen en
Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen
zijn …” conclusie:
Christus’ kerk spreke liever
haar Koning na in Zijn openbaring dan dat ze dit lied meegaat zingen. |
||
|
Lied 114 |
“Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen”
alg: Lied
114 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 21:1-4. Hiervan
mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art
144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van
schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd
worden, het is een vrije omschrijving met oneerbiedige tekst. vs 1 r.3 “om het geheim des levens te beseffen”
wat betekent dit in relatie tot “een
nieuwe aarde die ontstond”? r.7,8 “zoals
het in Gods dromen als vanouds moet zijn geweest” God maakt geen dromen, hij maakt plannen. Het
is niet eerbiedig om over God te zingen dat hij van het nieuwe Jeruzalem
gedroomd heeft, als Hij dat Zelf niet heeft aangegeven in Zijn Woord. |
||
|
115 |
“Die op de troon zat zeide”
alg: Lied 115 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van
Openbaring 21:5-8. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe
berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te
zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat
kan van dit lied niet gezegd worden. De duidelijke bijbelse taal over de
tweede dood is afgezwakt; de opsomming van zondaren verwordt tot mensen met
aanzien, geld en macht. In het Compendium geeft Bernard aan waarom hij dit
heeft gedaan, vers acht laat zich, zo zegt hij, moeilijk zingen, hij heeft
het daarom slecht terloops ter sprake gebracht (zie Nader Bekeken maart
1999). vs 1 r.5,6 “Al wat
er moest vervallen, stierf in der getijdenkring” is dit een berijming van
Openb. 21:4b“want de eerste dingen zijn voorbij gegaan”?? vs 3 r.3 “nu zal
in ‘t niet verzinken”: dit is
de afgezwakte berijming van Openb.
21:8, die zegt: hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is
de tweede dood. r.4: “aanzien en macht en geld”
, zo vertaalt de dichter op horizontalistische wijze de opsomming in
Openb. 21:8: “de lafhartigen, de
ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars,
de afgodendienaars en alle leugenaars”. vs 4 r.4 de poel van vuur en zwavel wordt hier afgezwakt
tot de poel van de leugen. |
||
|
119 |
“Richt op uw
macht, o Here der heirscharen”
alg: alverzoeningsleer
met de zaligheid op deze aarde vs 1 r.1 “Richt
op uw macht, o Here der heirscharen”. God is almachtig, zijn macht hoeft
toch niet worden (op-) gericht, in stelling gebracht? We kunnen wel bidden:
Here toon uw macht. “opdat de nacht zal wijken uit het land”
Gebeurt dit doordat het volk van God wordt bewaard (r.3)? De kerk is wel een
licht op een kandelaar, een stad op een berg: daar moet men dan heen, want
daar wordt het heil verkondigd! maar ‘het land’ wordt zelf niet vernieuwd.
Duidt dit op een soort voortrekkers rol voor de kerk in de wereld, met
alverzoening (zie ook vs 2)? vs 2 r.3 “Dan zal het land de rijkste
vruchten geven: de vijgeboom en wijnstok van de trouw” Daar bekruipt ons dezelfde
gedachte: komt hier niet de gedachte van universalisme (het heil voor
iedereen, en op déze aarde) naar boven? Want wat wordt bedoeld met ‘het
land’. In het O.T. was dat duidelijk: Het land van de belofte; in de N.T.
betekent dit toch de nieuwe hemel en de aarde? vs 4 r.4 “Wij zullen altoos van uw heil
gewagen in brood en wijn, totdat Gij wederkomt” De dichter een R.-K.
theoloog verwijst hier naar de Roomse Mis: heil in brood en wijn (wijst op
transsubstantiatie) i.p.v. met of door
brood en wijn. vs 5
r.2,3 “de volkeren (…) ze zullen allen voor uw
aanschijn komen en zingen dat uw woorden niet vergaan” Voor een oordeel en gericht van onze almachtige
God is in dit lied geen plaats. |
||
|
Lied 122 |
“Kom tot ons de wereld wacht”
alg: onschriftuurlijk magisch herbeleven vs 1 “Komt
tot ons, de wereld wacht, Heiland, kom in onze nacht.”Roept Christus op
mens te worden en zingt alsof wij aan de kribbe staan. Dat is echter voor ons
niet het geval! Christus is opgevaren naar de hemel, en wij verwachten zijn
terugkomst. Dŕt is onze advent. De theologie die hierachter zit pleit voor herbeleving van Gods heilsdaden. Dit
is iets anders dan Gods grote daden die Hij in het verleden gedaan heeft
gedenken. Van dit ‘actualiseren’ gaat een suggestief mystiek gevoel uit,
alsof wij bezig zijn met “kindje-wiegen in Bethlehem”. Het is afkomstig van
Rooms denken waarbij de verwevenheid van de gelovige met de heilsfeiten zelf
al een instrument is om het heil door te geven (vergelijk Franciscus van
Assisi die de merktekenen van Christus bij zichzelf ging opmerken). Maar het
is God die ons door Zijn Woord het heil aanreikt. Tegen magisch denken, dat
op zich ook erg oneerbiedig gericht is tegen Christus in de hemel, moeten wij
blijven waken ook in onze liederen. vs 2 “Kind dat uit uw kamer klein (…) op de
aarde wordt gesteld”: onverklaarbare tekst: Jezus komt een kamertje de
aarde op. vs 4 “Uw
kribbe blinkt in de nacht met een ongekende pracht, Het geloof leeft in dat
licht waarvoor al het duister
zwicht.” Onschriftuurlijke romantiek: de kribbe blonk niet, en deze
blinkende kribbe geeft ons het geloof niet. Dit is magische taal, waarmee we
onze Here Christus niet mogen toezingen. |
||
|
126 |
“Verwacht de komst
des Heren”
alg: onschriftuurlijk
herbeleven komst van Christus, alsof nú de Vorst op aarde komt vs 1 r.7: “ons eigen leven vraagt toegang tot ons hart”? als “ons eigen
leven” betekent: het eigenlijke leven in Christus, moet hierbij worden
opgemerkt dat Christus eerst woning in ons hart maakt, waarna wij Hem
aannemen als onze verlosser |
||
|
127 |
“Gaat, stillen in den lande”
alg: Dit
lied zinspeelt duidelijk op de intocht
van de Here Jezus in Jeruzalem (Matt. 21, vs 1-11). Hier worden de gelovigen
opgeroepen om in een soort herhaling van de heilsgeschiedenis Jezus (die
wonderen doet, vs 1) die komt aangereden (vs 1,6) het Hosanna toe te roepen
(vs 1,7). Het is niet verantwoord zo’n vermenging van beelden te zingen:
magisch herbeleving van historische feiten vermengd met toekomst beelden. |
||
|
135 |
“Hoor, de englen zingen de eer” alg: Herbeleving
van historische feiten, “zingt met
algemene stem voor het kind van Bethlehem” Wij als NT kerk willen echter
zingen voor onze opgestane Heer in heerlijkheid, die tevens als het Lam dat
geslacht is, voor Gods troon staat! vs 3 r.2,4 “die op aarde vrede geeft” “taal
en teken in de tijd” Deze uitdrukkingen passen in het denken van
liedboekdichters: het bereiken van wereldvrede, waarbij Christus’ werk opgaat
in het voorbeeld zijn van nederigheid en zelfopoffering. Het volbrengen van
Gods wil in volmaakte gehoorzaamheid
en het brengen van Zijn kruisdood als verzoening voor onze zonden, komen in
deze dwaalleer niet voor. Weliswaar is Christus in de Schrift een teken
genoemd (Lucas 2:34) van Gods liefde. “Taal
en teken” is echter een woordcombinatie van de Landvolkdichters zelf die
een goddelijke dimensie aanduidt die in woord en gedicht naar boven komt
(magisch element). |
||
|
139 |
“Komt verwondert u
hier, mensen”
alg: bevat
onwezenlijke verbinding van de gelov ige nu met de baby-staat van onze Heiland
destijds in Bethlehem. Deze mystieke en zoete taal komen wij in Gods Woord zo
niet tegen en moeten wij als niet schriftuurlijk verwerpen. vs 2 “hoe men Hem in doeken bindt (…) Ziet, hoe
ligt Hij hier in lijden”. Het binden in doeken is op zich geen teken van lijden, wel als
uiting van het feit dat Christus in nederigheid ons vlees heeft aangenomen. vs 3 “geef mij door uw kindsheid raad, sterk
mij door uw tere handen, maak mij door uw kleinheid groot” zie commentaar hierboven onder alg. |
||
|
Lied 140 |
“Prijs de Heer die
herders prijzen”
alg: lied
ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit, alsof wij bij de kribbe staan en
hetzelfde moeten doen wat de herders (“Prijs
de Heer, die herders prijzen”) of de 3 wijzen uit het oosten (“Geef de koning van uw leven wat de
koningen Hem geven”) deden op dat moment. Dit is anders dan levendig
verkondigen, maar is uit op een nieuwe beleving door ons zelf. Dit staat op
gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die ook in het
NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is voorgehouden.
Bovendien is de inhoud schraal en is geen duidelijke verwijzing naar het doel
van Christus’ komst naar de aarde: het volbrengen van de verzoening met God. vs 2 “Geef de Koning van uw leven wat
de koningen Hem geven, breng uw schatten de verheven in de stal geboren Heer” Deze mystieke herbeleving is niet overeenkomstig
wat ons in Gods Woord wordt voorgehouden als inhoud van ons loflied met
betrekking tot onze Heiland (vergelijk bijv.
de liederen uit het boek Openbaring), waarin Christus wel als het lam
Gods maar nooit als baby wordt verheerlijkt. |
||
|
147 |
“Looft God, gij
christnen, maakt Hem groot”
alg: lied
ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit met mystieke en zoete taal (vs 2).
Wat ontbreekt is het doel van Christus’ komst naar de aarde, nl. het
volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld. vs 2 r1,2 “Hij daalt uit ’s vaders schoot
terneer op aard om kind te zijn”: Vaders schoot: uitdrukking die niet bijbels is, niet gepast om te
gebruiken voor onze heilige God en Vader. r3-5 “een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein, al in een kribje klein” :romantisch zoete taal vs 5 “Hij wordt een knecht en ik een heer”:
klopt niet zoals het hier staat, suggereert alsof wij ten opzichte van onze
Heiland heer zijn. ”waar vindt men
zoveel gulheid weer”: vlakke en banale omschrijving van de
onbegrijpelijke liefde van het verzoenend lijden van onze Heiland vs 6 “En nu ontsluit Hij weer de de poort van
’t schoone paradijs. De cherub staat er niet meer voor. God zij lof, eer en
prijs” Verwijst naar het paradijs, maar dat komt niet weer terug. Het
beeld van de verdwenen cherub is een verzonnen beeld en niet bijbels, ook
niet waar het verwijst naar de toegang naar de eeuwige heerlijkheid. |
||
|
148 |
“Wees wellekom,
Immanuël”
alg: Ook
dit lied (zie commentaar op 140,147) ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit
(“wees wellekom”) met mystieke en zoete taal (vs 2). Wat ontbreekt is het
werkelijke lijden van Christus’ komst naar de aarde, nl. het aan het kruis
volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld.
Dit vlakke lied blijft met de verlossing steken in hooi en kribbe (vs 3). Dit
staat op gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die
ook in het NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is
voorgehouden. In
dit kader vinden wij de slotregel van de vers één (“welkom moet ons Jezus
wezen”) niet gepast voor verloste kinderen die de grote daden hun Heiland
gedenken: hoe zouden wij dit nů zo zingen (zie vs 1) vs 1 “Wees wellekom, o Godes Zoon, die komt van
Vaders troon, ons aller Heer en broeder! Welkom, welkom, die ons harten, onze
smarten komt genezen, welkom moet ons Jezus heten” voor commentaar zie alg: onverantwoord herbeleven: heeft niets te maken
met indringend levendig gedenken. Wij mogen in ons hart Christus woning laten
maken, die als verlosser - overwinnaar en onze pleitbezorger aan Gods
rechterhand zit. vs 3 r.2-5 “En draagt der wereld zonden, om
onzentwil in schamelheid, zeer arm in hooi en krib geleid, in doeken teer
gewonden” Hier eindigt dit lied met het laatste refrein. Wij vinden dit
een verminking van het evangelie. Het dragen van de zonden komt aan het kruis
wanneer Christus de helse smarten moet lijden. |
||
|
152 |
“Een kind geboren te Bethlehem” alg: Laag
poëtisch niveau (is ook criterium voor onze gezangen), eerder goedkope
rijmelarij. Wat
ernstiger is dat ook hier ontbreekt de voortgang in de heilsgeschiedenis (zie
commentaar 140,147148), en daarmee blijft de werkelijke inhoud van het
verzoenend lijden als de reden van Christus’ komst naar de aarde geheel
buiten beeld. vs 6 “Hij maakt ons door zijn armoe rijk, zijn
armoe rijk, en brengt ons in het hemelrijk. Halleluja, halleluja!”
Christus maakt ons niet door zijn armoe rijk maar door zijn kostbaar bloed! |
||
|
Lied 169 |
“Zingt nu de Heer
stemt allen in”
alg: Het
lied staat vol met gedachten over licht en duisternis. Dit kan symbolisch
heel schriftuurlijk zijn (zie bijv.
NGB art. 14). Wij moeten echter uit vs 1 en 2 afleiden dat dáár juist
het geschapen licht bedoeld is: “Hij
heeft het menselijk geslacht in ‘t licht geroepen en bedacht”.”Maar wij verkozen ‘t duister meer dan ‘t
lucht door God geschapen”. Dan wordt het ineens moeilijker te begrijpen: “wij hebben dag en nacht verward”
wordt er vervolgd. Er is dan een mix het licht van de eerste scheppingsdag en
het licht dat verlossing betekent. Dit wijst op een dwaalleer van Barth: in
het begin van de schepping was er een negatieve macht zich uitend in de chaos
en de duisternis. God zou door de schepping van het licht en de ordening van
de schepping dit negatieve element moeten bestrijden (Zie voor uitgebreide
bespreking en bestrijding van deze dwaalleer K. Schilder, Heidelbergsche
Catechismus, deel III, 1950:pp 317-320,362-384). zie verder de bespreking bij
lied 1. vs 3 r.2 de eeuwige dood wordt hier
afzwakkend als “het lege niets”
omschreven (zie ook liedboeklied 115). Het is ook in dit lied opmerkelijk dat
Christus neerdaling ter helle, om ons te verlossen, net als in zoveel andere
liedboekliederen, buiten beeld blijft! |
||
|
189 |
“Mijn verlosser
hangt aan ’t kruis”
alg: Herbeleving alsof ‘t nu speelt, mystieke vereenzelviging met de
toenmalige situatie. Zo spreekt Gods Woord niet over het eenmalige offer van
Christus vs 4 r.2,3 “’k heb mij, Heer, voor dood en
leven U gegeven” Dit is niet schriftuurlijk: wěj geven ons
niet. De Here riep ons in Zijn grondeloze ontferming. Wij zijn gekocht en
betaald door het bloed van Christus. |
||
|
201 |
“O dag van de
verrijzenis”
alg: Vage tekst over de betekenis van Pasen: Pasen en Jongste
dag zijn niet helder door elkaar gebruikt. Vanwege vage elementen niet
geschikt vs 2 r.1 “O laat
ons waarlijk zuiver zijn, dan wien wij hoe in ‘t licht” vreemde taal “Hoe Jezus zelve tot ons spreekt zeggende:
wees gegroet” slaat dit op de jongste dag als de Here ons begroet met “Welkom gij gezegenden des Vaders”
Matt. 25 : 34? vs 3 r. 5-8 “De
wereld die onzichtbaar is, de wereld die men ziet, begroeten de verrijzenis
en zingen ‘t zegelied” Slaat dit
op het wederherstel van de zienlijke en onzienlijke dingen?? Dan gaat het
initiatief toch niet van deze “werelden” uit. Of zijn het de in de Here
ontslapenen tezamen met de levende gelovigen?? Dan is de omschrijving
“wereld” vreemd. Onduidelijke en daarom ongeschikte tekst. |
||
|
203 |
“Die in de dood
gebonden lag”
alg:Vlakke en onschriftuurlijke tekst over de
betekenis van het lijden van Christus. Satan is uit beeld gehouden! vs 2 r.1,5-7 “Geen die de dood bedwingen kon,
geen enkel mens op aarde (…) zo kreeg hij ons in zijn macht en heeft ons in
zijn rijk gebracht en hield ons daar gevangen” de dood heeft hier ten
onrechte de plaats ingenomen van satan!! “Halleluja” is hier als refrein
misplaatst. vs 3 r.1,3 “Toen heeft Gods Zoon ons hulp
verschaft (…) en wees zonde en verzoeking af”: vlakke weergave van het verzoenend lijden van
onze Heiland r.6
“heeft de dood ontnomen al zijn
rechtsmacht en geweld (…) hij moest de sleutels van de hel in Christus’
handen laten” Hier moest staan
satan of zondemacht i.p.v. dood. vs 4 r.5-7”Hij
die onze bondgenoot geworden is, heeft in zijn dood de dood voor ons
verslagen” bondgenoot moet
verlosser zijn, dood moet zijn satan |
||
|
221 |
“Wees gegroet gij eerstling der dagen” alg: onschriftuurlijke
gedachte over de kruisdood van Christus vs 2
r.5,6 “leer ons duizendwerven, in uw kruisdood meegekruisigd sterven”
verdraagt zich niet met Gal. 2:20, 5:24: Christus offer is uniek en eenmalig.
De dagelijkse afsterving van de oude mens (H.C. zondag 33) is iets anders dan
dat wij daarin opnieuw met Christus meegekruisigd zouden worden. vs 3 r.6,7 “als we onsterflijk uit de dood
verrezen, knielen voor uw dankaltaar” wat is knielen voor uw dankaltaar
in dit verband, lijkt ons geen schriftuurlijke gedachte. |
||
|
Lied 225 |
“Zingt voor de
Heer een nieuw gezang”
alg: Christus komt niet duidelijk in beeld.
Mistige omschrijving van wedergeboorte. Is niet ondubbelzinnig schriftuurlijk
en geeft de kerk geen heldere belijdenis in de mond. Christus’ werk niet bij
name genoemd. vs
3 “Een lied van uw verwondering, dat nňg uw
naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is, uit water en uit
duisternis” dit vers is onduidelijk, kennelijk is “uw naam” niet de in vs
1 aangesproken Heer, maar het volk Israël c.q. de NT kerk. Maar dan blijft
geboren ‘uit water en uit duisternis’ op zijn minst zeer onduidelijk. Is dit
het beeld van de Rode Zee, die de doop heeft aangeduid? Maar als dit zo is,
waar is dan het werk van onze Here Christus gebleven in dit lied?? vs
5 “Wij zullen naar zijn land geleid doorleven tot in
eeuwigheid” ademt
teveel geest van alverzoening |
||
|
234 |
“Al heeft Hij ons verlaten” alg: mist het werk van de Heilige Geest,
terwijl daardoor juist Christus bij ons is gebleven. Het is alsof het tussen
hemelvaart en pinksteren is blijven steken.
De vrucht van de hemelvaart komt onvoldoende tot uitdrukking. vs 1 r.5 ‘als
zonlicht om de bloemen' is enigszins vreemd. |
||
|
240 |
“Kom, Heilige Geest, Here God” alg: Door
de dep. van de synode Kampen 1975 (acta blz. 360) werd de bede “Kom Schepper
God, o heilige Geest” (in lederen 237-240) onschriftuurlijk genoemd. Er wordt
gevraagd om de neerdaling van de Heilige Geest. Dit is echter al 2000 jaar
geleden gebeurd. Als de kerk nu het Pinksterfeest viert dan hoeft de Heilige
Geest niet opnieuw te worden uitgestort. Dit lied is een weergave hoe men
in de moderne theologie de heilsfeiten beleeft. vs 1
r.3,4 “tot al wat wij zijn, geest, ziel en bloed, ontvlamt en staat voor u
in gloed” dichterlijke vrijheid die door onduidelijkheid niet bijdraagt
aan schriftuurlijk verstaan van het werk van de Heilige Geest. vs 2 r.1 “Gij
heilige zon, hemels schat” lijkt ons onschriftuurlijke benaming van God
de Heilige Geest vs 3 r.1 “Gij heilige gloed, zoete troost” eveneens onbijbelse benaming. |
||
|
241 |
“Nu bidden wij de
Heilige Geest”
alg: Vrij
vlakke tekst. Benamingen van de Heilige Geest die Hij ons in Zijn eigen Woord
ons niet leert. Gezien de heiligheid van Zijn Naam moeten we zorgvuldig zijn in ons spreken. vs 2 r.2 “kostbaar licht” als benaming van de Heilige Geest, niet
schriftuurlijk. vs 3
r.3 “heilge liefde” eveneens niet
schriftuurlijk. vs 4
r.3,4 “dat wij niet versagen ten laatste dage als de vijand ons zelf komt
aanklagen” Dit is een onschriftuurlijke zin. Openb. 12:10 leert ons dat
de satan ons niet meer kan aanklagen, omdat Christus hem heeft overwonnen. |
||
|
252 |
“Wat zijn de goede vruchten” alg: vreemde poëzie, die geen recht doet aan schriftuurlijke gegevens (boom
des levens). Door de boom des levens te halen naar ‘dit aardse dal’ (vs 4
r.6) is ook hier weer de sterke suggestie van een paradijs op déze aarde. vs 1
r.1,2 “goede vruchten, die groeien aan de Geest” ? moet ‘aan’ niet
‘door’ zijn? vs 2
r.1,2 “geloof om veel te geven honderd-in” Wat zingen we hiermee? vs 4 “Maar wie zich door de hemel laat
helpen uit de droom, die vindt de boom des levens, de messiaanse boom en als
hij zich laat enten hier in dit aardse dal dan rijpt hij in de lente tot hij
vrucht-dragen zal”. M.i.
ongeoorloofde poëzie. ‘laat helpen uit de droom’: vlakke niet gepaste taal
voor geloofsperspectief. Voorts: de boom des levens wordt hier op deze
gebroken aarde ten tonele gevoerd. De Schrift kent deze boom een plaats in
het paradijs, waartoe de toegang na de zondeval werd afgesloten. Pas op de
nieuwe hemel en aarde wordt weer gesproken van de boom des levens (Openb.
2:7;22:2,14). Zie ook onder alg. |
||
|
253 |
“O zalig licht, Drievuldigheid geen schriftuurlijk aanspreken van onze God drieënig vs 1 r.1 “o zalig licht, Drievuldigheid” oneerbiedige
aanroeping van de drieënige God als ‘licht’;in laats van Drievuldigheid:
Drieënigheid, is echter ook geen aanspreek titel voor onze God!. r.3
'de grote zon verzinkt in nacht' is onduidelijk en ongeoorloofde betiteling
van onze almachtige God in de hemel r.4
onduidelijk is wat/wie met het licht bedoeld wordt. Als daarmee de
'Drievuldigheid' bedoeld wordt, doet de oproep om in ons hart de wacht te
houden vreemd aan. vs 2 loven en smeken merkwaardig aan respectievelijk dageraad en avond
gekoppeld. Of speelt hier toch de gedachte dat het waarneembare licht van God
komt, maar de duisternis van een boze macht (zie bespreking lied 1)? |
||
|
Lied 264 |
“Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd” alg: In dit lied wordt Jeruzalem verheerlijkt, zonder dat de Koning van
Jeruzalem, onze Here Christus ook maar één keer genoemd wordt. Een ronduit
onschriftuurlijk lied vs 4 “Gij
zijt mijn doel, verheven houden stad, hoe klopt mijn hart in mij; van ’t
aardse los, van vreugde hier verzaad,
stijg ik u naderbij, weg boven aard’ en sterren. Reikt englen, mij de hand!
Ik zie u reeds van verre, mijn hoge vaderland” Eén en al mystiek, waarbij de ziel en het hogere
verenigd zullen worden. |
||
|
271 |
“Ach hoe vluchtig,
ach hoe nietig”
alg: dit onpersoonlijke lied blijft (bijna) steken in een algemene woorden
over “ijdelheid der ijdelheden”; de enige uitkomst uit ‘de ijdelheid’ wordt
geboden in het allerlaatste vers: “wie
God vreest, zal eeuwig leven.” Dit is te mager om de bemoediging van het
evangelie goed te laten doorklinken. Het lied mist de roep tot de Here, de
verwachting op Zijn uitkomst en het beroep op Zijn belofte en trouw, zoals
die bijv. in de rijke psalmen 77,88,
en 102 doorklinken. Ook valt de noodzakelijke lofprijzing op Gods uitkomst
weg in dit lied. Daarom is de inhoud van dit lied schraal. |
||
|
281 |
“Jezus zal heersen
waar de zon”
alg: In dit lied lijken drie episoden in de heilshistorie door elkaar
gebruikt: de tijd vóór Christus’ koningschap (dus voor hemelvaart), de
laatste bedeling met Christus’ koningschap (de tijd waarin wij leven) en de
eeuwige volmaakte heerlijkheid, wanneer Christus het koningschap heeft
overgedragen aan zijn vader (na de jongste dag). Een duidelijk schriftuurlijk
heilshistorisch perspectief naar de toekomst wordt daarom in dit lied gemist.
Het wijst meer op een paradijs op déze aarde. vs 1 “Jezus zal heersen” Dit is in de toekomende tijd gesteld, maar lijkt
gezien vs 4 te slaan op de tijd na de geboorte van Christus (“stem met het
lied der englen in)? Dus dit zingen we vóór zijn geboorte? vs 3 r.1“Zijn rijk is volle zaligheid” Zijn
rijk: volgens vs 1 slaat is dit rijk op deze aarde. Maar hier kent Christus’
rijk nog geen volle zaligheid! Die komt wanneer Christus alle heerschappij,
alle macht en kracht onttroond zal hebben bij de bruiloft des Lams (1 Cor.
15:24, Openb. 22:3) Onze tijd is echter het begin van deze heerlijkheid voor
wie kinderen van Christus zijn. r.2-4
“wie was gevangen wordt bevrijd, wie moe was komt tot rust voorgoed, wie
arm was leeft in overvloed” De inhoud van de zaligheid blijft in dit lied
aardsgebonden: het is bestemd voor gevangenen, vermoeiden, armen. De
schriftuurlijke diepgang van zondag 48 ( m.b.t. de bede “uw koninkrijk kome”)
wordt ten enenmale gemist. |
||
|
284 |
“O lieve Heer geef
vrede”
alg: Dit lied ademt de sfeer van paradijs op deze aarde en horizontalistische
vrede vs 3 “Laat
niet de goddelozen op aarde koningen zijn! (…) Dat zal een land van vrede van
melk en honing zijn!” De ware vrede met God door de verzoening van onze zonden door het offer
van Christus blijft buiten beeld |
||
|
285 |
“Geef vrede, Heer, geef vrede” alg: Dit
lied ademt de sfeer van universalisme, horizontalisme, en pacifisme. vs 1 r.4,5 ”de
sterkste wint het pleit. Het onrecht heerst op aarde , de leugen triomfeert”de antithese tussen vrouwenzaad (kerk) en
slangenzaad (wereld) ontbreekt maar:
wel wordt tegenstelling aangewezen tussen verdrukten, verachten enerzijds en
machtigen, hooghartigen anderzijds vs 2 r.3,4 “er wordt
zo veel geleden, de mensen zijn zo bang” “o Jezus Christus, luister en laat
ons niet alleen!” hiervoor geldt
hetzelfde als hierboven opgemerkt: de bijbelse antithese ontbreekt; er wordt
niet opgeroepen tot een bekering van onze zonde tot Christus, maar
solidariteit met de verdrukten wordt gevraagd vs 3 r.1,2 “Geef vrede, Heer, geef vrede, Gij
die de vrede zijt” in dit lied
geen plaats voor een bevrijding door Christus’ lijden van zonde en dood, maar via Christus is er bevrijding van
moeite en onrecht mogelijk vs 3 r.4 “gestreden onze strijd” vs 4
r.4 “Heer (…),deel ons uw liefde mede,
die onze boosheid tart” geen plaatsvervangend lijden door verzoening (van
de straf)maar het werk van Christus
gaat op in het volbrengen van gehoorzaamheid (strijd) door Christus vs 3 r.5,6 “opdat
wij zouden leven bevrijd van angst en pijn”: het koninkrijk Gods is niet
de verloste kerk van Christus, met de bruiloft van het lam in de nieuwe hemel
en de nieuwe aarde als perspectief, maar:
een vrede op déze aarde vs 3 r.7,8 “opdat
wij (…) de mensen blijdschap geven en vredestichters zijn”: het heil is
niet voorbehouden aan de duurgekochte kerk van Christus, maar de vrede geldt voor alle mensen; de kerk is hierbij een middel,
gaat de wereld voor in het heil, de vrede vs 3,4 in het centrum van de toekomstverwachting staat niet Christus, maar: begrippen als liefde, vrede en
licht beheersen het toekomstbeeld |
||
|
Lied 287 |
“Waartoe geploegd,
als ’t zaad”
alg: Bij de klacht over de ijdelheid van onze werken missen wij de
beloftevolle oproep dat onze hoop op de HERE gericht mag zijn. Dan zullen wij
in de weg van geloofsgehoorzaamheid onze HERE mogen dienen: “te allen tijde
overvloedig in het werk des HEREN” (1 Kor. 15:58) vs 3 “Verkeer de vloek in zegen, opdat wij als weleer bewonen zonder pijn een
aarde, waar wij weer gelukkig kunnen zijn” Hier krijgt de onschriftuurlijke verwachting van een vrederijk op déze
aarde weer de boventoon. |
||
|
288 |
“Eens komt de grote zomer” alg: In dit toekomstbeeld aangaande de jongste dag (vs 2, r.6) is geen plaats
voor Gods oordeel. vs 1 r.3,4 “God zal op aarde komen met groene eeuwigheid (…) De hemel en de aarde
wordt stralende en puur,” Dit
is niet hetzelfde als een nieuwe hemel en een nieuwe aarde? Waar is het
oordeelsgericht bij Christus / Gods komst op aarde gebleven? vs1 r.7,8 “God zal
zich openbaren in heel zijn kreatuur”. Waar staat in dit lied dat de hemel en de aarde brandende zullen
vergaan? vs 4 r.1,8 “Ook ons zal God verlossen (…) van
‘t lijden aan de tijd” . Wat is
‘t lijden aan de tijd voor Gods kinderen?? |
||
|
290 |
“There is a land of pure delight” alg: Dit lied gaat over het beloofde
land. Voor ons zou dit de nieuwe hemel en de nieuwe aarde moeten betekenen.
In dit lied worden Kanaän en de Nieuwe hemel en aarde door elkaar gebruikt.
Tegelijk worden verleden en toekomst in de tegenwoordige tijd gesteld: “Er
is” (vs 1. r.1), “Daar is” (vs 2, r.1), “Men ziet” (vs 3,r.1). Deze en
andere ongeoorloofde dichterlijke
vrijheden in vers 4-6, doen tekort aan een schriftuurlijke visie over onze
weg naar de eeuwige heerlijkheid. vs 4 “Maar ach de stervelingen staan hier
huiverend terzij, en durven niet op weg te gaan, het duister niet voorbij”. Onbegrijpelijke taal zonder
schriftuurlijke basis: zijn ‘de stervelingen’ (alle mensen) bang om naar de
hemel te gaan? vs 5 “Hing
niet het wolkendek zo zwart van twijfel om ons heen, wij zouden ‘t land zien
van ons hart dat ‘s hemels licht bescheen”. Opnieuw vreemde dichterlijke
taal, die geen schriftuurlijke grond kent. vs 6 r.1 “God, laat ons
staan als Mozes hier” De
betekenis ontgaat ons, en is niet te herleiden tot gegevens uit Gods Woord r.3 “en geen Jordaan, geen
doodsrivier” in LB lied 6 (vs 5, r.7) heet de Jordaan
nog levensjordaan! Dit zijn dus wel erg willekeurige benamingen voor deze
rivier. |
||
|
294 |
“Thy kingdom come, O God” alg: wazig lied over het ‘beloofde land van God’ Het lied is een mix van
O.T.verlangen naar het land Kanaän (vs 2,3)
en het N.T. verlangen naar … een paradijs op aarde (vs. 4, r.4 ‘in deze
wereldtijd’) vs 2
r.3 “waar liefd’ en lofgezang verdrijven leed en dood” Dit is een
niet schriftuurlijke dichterlijke vrijheid: Onze lofzangen verdrijven de dood
niet, op geen enkele manier. Christus verdrijft tenslotte de dood als laatste
vijand en dŕn komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ( 1Kor. 15:26; Openb.
21:4) vs 8 “O Ster van Gods Verbond” niet schriftuurlijke aanspreektitel van
Christus. |
||
|
300 |
“Eens, als de bazuinen klinken” alg: Zoals zoveel LB liederen over de jongste dag ontbreekt het eeuwig oordeel
geheel. vs 3 “Roept de doden tot getuigen dat Gij van
oudsher regeert, roep hen die men dwong tot zwijgen, die de wereld heeft
geweerd. Richt omhoog wat wist te buigen, kroon wat aanzien heeft ontbeerd”
Het past ons niet om God als rechter te zeggen wat Hij moet doen. r.6 ‘kroon
wat aanzien heeft ontbeerd’ : Dit wijst teveel op een horizontalistische leer
van de bevrijdingstheologie. De Here zal kronen op grond van geloof uit
genade. vs 4
r.5,6 “Heer, laat ons dan niet ontbreken, want de traagheid
grijpt ons aan” Wij missen de
bede aan God om met Zijn Geest zó in ons te werken, dat wij werkelijk Gods
geboden bewaren en volharden in het geloof vs 5 “Mensen komt uw lot te boven, wacht na dit
een ander uur, gij moet op het wonder hopen, dat gij oplaait als een vuur”
Niet schriftuurlijke, wazige taal over Gods voorzienigheid en de werking van
de Heilige Geest. |
||
|
Lied 319 |
“Looft God, die
zegent al wat leeft”
vs 1
r.1 “Looft God, die zegent al wat leeft” zegent God iedereen?,
hiermee lijkt ook dit lied het stempel van universalisme (alverzoening) te
krijgen zie ook vs 3, r.3 vs 2
r.3 “Hij is de hartslag van ons werk” de bede dat Christus in het hart van de gelovige woning maakt
(Ef. 3:17 geeft ons (of de dichter) niet het recht om hem (zondermeer) de
hartslag van ons werk te noemen! vs 3 r.2God,
“een toren in de tijd” :
kwalificatie van God die wij in de Schrift niet tegen komen r.3
“dat het ten hemel toe moet gaan”:
vlakke aanduiding van Gods plan vs 4 r.1 “Looft God, want Hij spreekt onze
taal” onduidelijk wat wordt bedoeld: wij moeten Zijn taal spreken, de
taal van het verbond; Hij kent onze taal. r.4 “In woord en doop en avondmaal houdt Hij bij ons zijn hof”
mystieke taal over de bediening der verzoening in prediking en sacramenten |
||
|
320 |
“Zingt een nieuw
lied voor God de Here” alg: De beelden
van huis, heiligdom,en bouwstenen zijn op zich symbolisch te duiden. Maar de
dichter wil het allemaal te mooi maken met zijn eigen gedachtengoed. vs 3 r.2 “Dat Hij met ons samen wil wonen, geeft ons de moed voor dit gebouw.” De betekenis van moed voor dit gebouw blijft onduidelijk. vs 4 r.3,4 “De Vader
zelf wil tot ons spreken en elk verstaat wat het beduidt” Was dat maar waar. Binnen de kerk zijn er ook die oren hebben, maar
niet horen. Verbondskinderen van wie de Schrift zegt in
Hebr. 4:2,3: “maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat
het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden”. Petrus schrijft over
de brieven van Paulus “Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige
en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens
de overige schriften” (2 Petr. 3:16). Dit lied ademt daarentegen een
remonstrantse geest. vs 4 r.5-7 “Wees ons nabij en maak ons vrij in dit uw heiligdom” Waarvan
en waartoe moeten we worden vrijgemaakt en hoe? Christus wil ons door Zijn
offer vrijgemaken van onze zondenschuld, tot een levend dankoffer. De zonden
evenals het verzoenend werk van Christus, blijven echter in dit lied buiten
beschouwing. We krijgen het vage “maak ons vrij” daarvoor in de plaats. En
daaraan toegevoegd het mystieke “in dit uw heiligdom”! Christus’ bevrijding
wordt nu opgesloten in een heiligdom (refereert aan O.T. situatie). Doordat
niet genoemd is waarvan we vrijgemaakt moeten worden, brengt de dichter ons
met deze mooiklinkende toevoeging in een situatie van een soort
invuloefening: wat je erin wil lezen, dat lees je erin. |
||
|
335 |
“Heer van uw
kerk”
Alg:Het kenmerkende van de doop is dat een kind het
teken čn zegel van het verbond krijgt. God laat zijn eigendomsrecht zien op
Zijn verbondskinderen en zegt daar 'Jij bent van mij'. In lied 335 lijkt de
kern van de doopsbediening echter neer te komen op 'zegen' en 'het wijden'
aan de Here. Ook staat de mens centraal en is er invloed van Barthiaans denken. vs 1 r.3 Het is waar dat de Heiland heeft gezegd "laat de kinderen tot Mij komen" Maar de verbinding (in
vs 2, 1) met de doop is onjuist. Want in het aangehaalde schriftgedeelte
betreft het kinderen die reeds het teken van het verbond (toen nog besnijdenis)
hadden ontvangen. De tekst die ook aangehaald wordt in ons doopformulier
geeft aan dat verbondskinderen ook helemaal tot het verbond behoren. Toch
hoort de gang naar het doopvont primair worden gezien als gehoorzamen aan het bevel van God aan
Abraham werd gegeven tot de besnijdenis (Gen. 17: 10-13), deze tekst staat
daarom voorop in ons doopformulier vs 2
r.1: “Hier zijn wij dan”: zijn dit de ouders? r.3: “het moet u dankend worden weergegeven” Dit gold voor de
eerstgeboren jongens in het O.T.: deze moesten aan de Here moesten worden
weergegeven. Met Christus is dit vervuld: als “de” Eerstgeborene van de Kerk
gaf Hij zijn leven als straf voor de zonde; het symbolisch teruggeven van ons
leven kennen wij niet in de christelijke doop. Wij zijn Gods eigendom (r.2)
en dat bezegelt God in de doop. vs 3 r.1,3
“Reeds staat Gij klaar (…) uw liefde
vindt ons langs verborgen wegen” Wazige omschrijving van Gods liefde voor
ons in het grote offer van Zijn Zoon. vs 4
r.1: “Geef ons uw naam”. Onze kinderen komen te staan op de naam van
God: horen Hem toe. Het dopen in de naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest
(zoals uitgewerkt in ons doopsformulier) betekent dat God Zijn naam verbindt
aan het kind, dat zijn eigen naam juist behoudt: De Here roept hem/haar bij zijn/haar
naam. r.3,4 Het voortgaande werk van de
Heilige Geest: afwassing van de zonden en dagelijkse vernieuwing van ons
leven, wordt hier en in de rest van het lied onvoldoende belicht. |
||
|
Lied 335 vv |
vs 5
r.1 “Het water wacht” :sterke nadruk op teken;magische taal ook in vs
6,r.1:”Uw teken spreekt” r.2 "t kind ontvangt uw zegen ". Noch hier noch elders in
dit lied komt tot uitdrukking dat Gods verbond twee delen heeft; een belofte
en een eis. Deze 2 delen worden in het doopsformulier heel duidelijk genoemd
(Kerkboek blz. 513). Maar met de verbondseis wordt in lied 335 niets gedaan. r.4 “en niemand rukt het uit uw macht”
Dit is een link naar Johannes 10:28 gemaakt. Maar daarbij gaat men er aan
voorbij dat in deze tekst gesproken
wordt van de schapen die de stem van de herder horen en Hem volgen (Joh 10:27): het zijn dus de
gelovigen die metterdaad gehoorzaam zijn. Dit kan van pasgeborenen nog niet
gezegd worden. Het slotgebed in het doopsformulier laat daarom om de gave van
geloofsgehoorzaamheid bidden, om te vervolgen: “Dŕn zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de
enige en ware God, eeuwig loven en prijzen.Amen.” vs 6 r.1 “Uw teken spreekt” zie vs 5:1.
De Heilige Doop is als sacrament niet alleen teken maar óók zegel, zoals wij
dat in V&A 66 van de H.C. belijden.
Aan de ouders wordt voorgehouden dat God de Heilige Doop heeft
ingesteld om ons en ons zaad Zijn verbond te verzegelen. Dat alleen teken' genoemd wordt in dit lied wijst op Barthiaanse invloed: we
kunnen slechts 'tekenen' van Gods Rijk oprichten. (zie ook hieronder) r.3,4 "het
is gedoopt, begraven en herrezen in Vader, Zoon en Heilige Geest": komt overeen met de opvatting van
Barth dat de prediking is de afkondiging van de verkiezing. In Christus zou
God de verwerping van de mens op zich nemen; in Christus' verwerping is de
mens dan verkoren. De prediking is nu
bekendmaking van dat feit. Deze
afwijkende leer klinkt door in deze regels. Terwijl toch het gebed vóór de
doop vraagt (doopsformulier) "laat
het kind door de doop in Christus'
dood begraven worden en ook met Hem opstaan in een nieuw leven ".
Dat gebeurt niet op het moment van de doop maar dat zal in het leven láter
moeten gebeuren door gelovige aanneming van de belofte die de Here in de
Heilige Doop betekend en verzegeld heeft. Het in 'Christus' geheiligd' zal
altijd moeten worden gevolgd door het 'door de Geest geheiligd'. Prof.dr.K.
Schilder heeft hierop gewezen in zijn afwijzing van de synodale doopsleer in
zijn boek 'Looze Kalk', gericht tegen de opvattingen van dr. J.
Ridderbos. Zo wijst hij er in dit
verband ook op dat de eerste zin van het dankgebed ná de Heilige Doop
belofte-inhoud is. vs 7 r.4:“vervult zijn wegen naar zijn
raad” Dit kan nooit een
statement, een gegeven zijn, maar dient een verbondseis te zijn vanuit Gods
beloften! vs 8 r.2"En laat de mond der kinderen
die we U wijden " Is dat
wat ons naar de doopvont drijft het wijden van de kinderen aan de Here
(vergelijk vs 2 r.3)? Heeft Gňd hen
niet aan Zich gewijd? Een verwijzing naar Exodus 13:12 zoals de deputaten
doen lijkt niet terecht: daar gold het de eerstgeborenen, in feite is dit
specifieke wijden vervuld in de Here Christus. Voortaan mogen wij de Here
allen dienen als een levend dankoffer. Ons doopsformulier leert wijding niet
als een specifieke handeling bij de doop. r.3 ”eens zelf onwaakt, met ons uw
naam belijden” Dit is het enige
aanknopingspunt voor de verbondseis in dit lied. vs 9 Er wordt
er een verband gelegd tussen "er
is gedoopt" (r.1) - dat is dus op dat moment gebeurd - met "de ganse kerk in één geloof". Maar
dat geloof is er bij het pas gedoopte kind nog niet. Dat moet nog kómen. Ze zijn wel als 'leden der gemeente'
gedoopt, maar ze moeten nog levende leden wórden. Ook in dit vers bespeuren
wij Barthiaanse invloed (zie vs 6) Conclusie:Het is een gevaar wanneer men onschriftuurlijk
gedachtegoed gaat 'inzingen'. Dan kan
het inzinken in het hart, met alle nare gevolgen van dien. Dit lied dient derhalve als onschriftuurlijk
te worden afgewezen. |
||
|
|
|||
|
336 |
“Zie hier de
kindren tot U komen”
vs 1
r.1 “Zie hier de kindren tot U komen” kennelijk bedoeld voor het
dopen van meerdere kinderen, r.4 “wij leggen ze in uw armen neer”: dit stelt de mens centraal: de
ouders gaan iets doen wat bij de doop niet van toepassing is: de kinderen worden
al gedragen door Gods vaderliefde, ze ontvangen nu het teken en zegel van het
verbond. vs 3
r.3 “Ze zijn van U;draag Gij hun namen in uw handpalmen gegraveerd”evenals vs 1,r.4: God draagt de namen van zijn
uitverkoren kinderen al in zijn handpalmen; hierom vragen is niet gepast. vs 5
r.1,2 “ze ontvingen toch het heilig teken van wat Gij in ’t verborgen doet”
. Deze vage omschrijving van de betekenis van de doop komt in de plaats van
een schriftuurlijke weergave waar de doop het teken čn zegel van is!! Nu
blijft het volkomen vaag. Laten we de omschrijving in ons doopsformulier hier
eens naast leggen. Het machtige werk van Christus die ons redt van zonde en
dood en dat ten grondslag ligt aan de doop, blijft onderbelicht. Dit is
armoede, die de dichter ook nog eens heilig wil noemen: dit krijgt dan weer
iets magisch! vs 6 “En als de loopbaan is gelopen het doel
bereikt met laatste kracht, dan gaat de hemel voor hen open” De
verbondseis (zie weer het doopsformulier!) wordt niet genoemd. Volgens lied
336 zal de mens, die de doop ontving, zijn doel bereiken en in de hemel
komen. Dit automatisme is niet bijbels (zie de gebeden in het doopsformulier
zoals in kerkboek p.516: “Geef dat het
gehoorzaam onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus zal
leven en krachtig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk zal strijden en
overwinnen. Dan zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de
enige en ware God, eeuwig loven en prijzen. Amen”) |
||
|
Lied 350 |
“God, die leven
hebt gegeven”
alg: Dit
lied gaat over rijk en arm; het mist het bijbelse perspectief van bijv. Matt. 25:31-46. vs 1 r.4,5 “Alle vrucht der velden meten we U
vergelden”: onschriftuurlijke uitdrukking vergelden: geven uit
dankbaarheid is iets anders dan terugbetalen van Gods genade. vs 3 “Maar wij rijken (…)” Eénzijdige
betrokkenheid van groep binnen de gemeente |
||
|
356 |
“O leid mijn
blindheid bij de hand”
alg: lied over het avondmaal met onschriftuurlijk mystiek karakter en
rooms/lutherse boodschap, mist volledig de schriftuurlijke gedachtenis aan
het zoenoffer van Christus. vs 1
r.5, 6 “o liefde groot” geen bijbelse benaming van Christus ”gij geeft aan mij (…) Uzelf in dit
gebroken brood” HC zondag 29
leert tegen Roomse en Lutherse dwaling in: V&A 78: “…Zo wordt ook dit brood bij het avondmaal niet veranderd in het eigen
lichaam van Christus” , “Maar vooral wil Hij ons door deze zichtbare tekenen
en panden ervan verzekeren: ten eerste dat wij door de werking van de Heilige
Geest even werkelijk deel krijgen aan zijn echte lichaam en bloed, als wij
deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen”
V&A 80: “Maar de mis leert (…) ten
tweede dat Christus lichamelijk in de gedaante van brood en wijn aanwezig is
en daarom ook in die gedaante aangebeden moet worden” Gods Woord leert
dat het avondmaalsbrood Christus is (geestelijk verstaan), die Zich aan ons
heeft gegeven en aan wie wij deel krijgen; echter Christus geeft zich niet in
brood: dit is transsubstantiatie (Rooms) waarbij Christus in brood veranderd
wordt of consubstantiatie (Luthers) waarbij Christus in het brood aanwezig
is. vs 2
r.1-3 “Wij die hier zitten bij elkaar in één aanbidding, licht en stil,
maak ons uw zoetheid openbaar”: mystieke bezigheid van de mens die vragen
om het openbaar worden van zoetheid (wat betekent dit toch: magische
gebeurtenis?) vs 3
r.1 “Verzadigd met één brood zijn wij” Hier komt het teken in plaats van Christus’ gekruisigd lichaam r.5,6 “O liefde die ontbloeit uit
pijn wij zijn van U in brood en wijn” vaag en onduidelijk |
||
|
358 |
“Genadig Heer, die
al mijn zwakheid weet”
alg: mystieke
betekenis van het sacrament vs 2
r.3,4 “opdat ik u ontmoet in het teken”: Rooms/Luthers: zie bespreking
lied 356 en 360. vs 4
r.1,4 “voed mij en drenk mij met uw wijn” Christus voedt en verkwikt
ons met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed en niet met brood en wijn!,
deze zijn de tekenen en zegelen daarvan(HC zondag 28) vs 6
r.2 “Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst” sluit aan op vs 4
r.4! Het werk van Christus’ plaatsvervangend lijden, wordt verdrongen door
het teken r.3
“Uw kracht, uw leven daalde in
mij neer” mystieke betekenis van het sacrament |
||
|
360 |
“Heer wij komen vol verlangen” alg: In dit avondmaalslied komt het eigenlijke verzoeningswerk van Christus
maar in één regel aan de orde: vs. 1 r.6”: “die uw bloed voor ons woudt
geven“ Voor het overige ligt de
nadruk sterk op het sacrament, de mens en zijn geloofsdaden vs 1
r.7,8 “Laat ons dan in brood en
wijn met U zelf gespijzigd zijn” De wijze waarop onze ziel gespijzigd wordt
met het lichaam en bloed van Christus is echter niet met de mond maar
geestelijk door het geloof (NGB art. 35) Het formulier in ons kerkboek zegt
(p. 527): Laten wij vast geloven dat wij door de werking van de Heilige Geest
even zeker met zijn lichaam en bloed aan onze zielen gevoed en verkwikt
worden als wij het heilige brood en de heilige drank tot zijn gedachtenis
ontvangen” Zoals het in dit lied staat dringt de Rooms/Lutherse leer van de
substantiatie zich op. vs 3
r.7,8 “en U volgen onder ‘t kruis op de smalle weg
naar huis” Zoals het hier staat
lijkt het dat wij Christus moeten volgen onder het kruis, nl. Christus’
kruis. Dit is echter onschriftuurlijk, de lijdensweg die Christus ging was
uniek. Matt. 16:24 zegt wel “neme
zijn kruis op en volge Mij”, dat
wil zeggen ieder moet zichzelf verloochenen en zonodig zijn eigen leven
willen verliezen om Christus’ wil. Zoals het hier staat is het op zijn minst
erg verwarrend. |
||
|
Lied 380 |
“New every morning is the love” alg: vlak
lied met mistige inhoud, waarin ons burgerschap van het Koninkrijk der
hemelen (zie vs 4,5,7) niet de juiste schriftuurlijke belichting krijgt. Met
name valt ook hier op, dat Christus en Zijn werk ontbreekt. vs 1 “de dag
breekt aan, die u Gods liefde doet verstaan als nieuw, nu gij door slaap en
kracht weer ‘t leven vindt, verstand en kracht” De tekst mist de schriftuurlijke zeggingskracht
van bijv. Gez. 38 van ons Geref.
kerkboek vs 3 “Al wat
geliefd is en vertrouwd, het wordt voor wie Gods licht aanschouwt met glans
en heerlijkheid verguld, want het bestaat in Gods geduld” Horen we hierin
een soort algemene genade? Dit vers legt ons in de mond dat de zaken die wíj
mooi vinden en die God toelaat (in lankmoedigheid?), glans en heerlijkheid
krijgen: waar hebben we het over? vs 4 “Het schijnsel van de hemel gaat over de
dag van vroeg tot laat”. Vage tekst, slaat dit op Gods onderhouding van
de schepping? Maar hoe sluit dit aan op de 2 voorafgaande regels: “Wie van
zich af ziet naar God toe, loopt in het lichten wordt niet moe”? vs 5 “Houdt dan de hemel in het oog”, “Op aarde
ziet gij een bovenaardse glans” Poëtisch mooie taal, maar er zit niet veel schriftuurlijke diepgang in.
Liever hadden we de taal gezien van Hebr. 12:2 “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leidsman en de
voleinder des geloofs”; of die van Phil. 3:20: “Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen”.De inhoud van het
evangelie in die genoemde schriftgedeelten geeft bemoediging en roept op tot
volharding. Dat wordt gemist in dit ‘lievige’ lied. vs 7 “Maak in uw liefd’ ons Heer,
bereid voor licht en vreed’ in eeuwigheid”. Opnieuw wazige taal, waar het juiste zicht op het Koninkrijk der hemelen
ontbreekt. Is hier toch ook niet een zucht naar een vrederijk op déze aarde. |
||
|
382 |
“God die het al
geschapen heeft”
alg: Een
vaag lied met mystiek karakter vs 5 “opdat wanneer het daglicht is
omsluierd door de duisternis, ‘t geloof niet in het duister zwicht maar door
zijn glans de nacht verlicht” Hier staat de nachtelijke duisternis wel al
te simpel voor het kwaad vs 6 r.1,2
“Geef dat geen slaap de geest omhult,
dat enkel slape vrees en schuld”
vaag en mystiek vs 7 r.1,2 “Los van het kwade groeie nu diep in ons
hart de droom van U”. vaag en mystiek |
||
|
387 |
“O Heer mijn God, ook deze nacht” alg: In dit lied wordt de nacht vereenzelvigd met het terrein van de boze
geesten (vs 5,6). De inhoud is vrij vlak. Vergeleken met bijv. Gezang 39
van het Geref. kerkboek betekent dit lied een verarming. vs 5 “Wanneer mij slapeloosheid kwelt,
geef dat uw Geest mij vergezelt, laat mij niet raken in de macht der boze
geesten van de nacht” Dit doet nogal bijgelovig aan alsof de geschapen
nacht bij uitstek het terrein van de boze geesten is. En alsof we daarvoor de
Heilige Geest te hulp moeten roepen. Dit komt ook terug in het volgende vers: vs 6 “Verjaag
de wolven van uw schaap, want ik ben weerloos als ik slaap” Opnieuw wordt hier een magische betekenis aan
de nachtelijke slaap gegeven, als een tijd vol gevaren. De schrift kent zulk spreken niet. De verwijzing naar Matt. 10, 16 (schapen onder
wolven) mist hier de diepe betekenis van dit Schriftwoord: Jezus zendt zijn
apostelen uit waardoor ze als schapen onder wolven komen te verkeren: ze moeten enerzijds bedachtzaam
zijn, anderzijds op Christus blijven steunen en niet wankelen (zie dr. J. van
Bruggen: Matteüs, het evangelie voor Israël, Kok Kampen, 1990). |
||
|
393 |
“De dag, door uwe gunst ontvangen” vs 4
r.3,4 “Tot al Uw schepselen zich buigen / voor uw liefde en majesteit”:
vertolkt de algemene verzoening |
||
|
397 |
“O God, die
droeg ons voorgeslacht” alg:
Selectief gebruik van Ps. 90: 1,2,4,12,17 (onberijmd). Het middengedeelte,
dat de kern van de psalm vormt, ontbreekt echter. De oorzaak van de korte
levensduur en alle tegenspoed, n.l. de toorn van God over “onze
ongerechtigheden” wordt niet genoemd! Groot verlies t.o.v. onze eigen
berijmde Psalm 90 vs 6 geen roep om ontferming van Ps. 90:13. |
||
|
402 |
“Verheugt u, christenen, tesaam” vs 5 r.1,2 “Hij sprak tot zijn geliefde Zoon:
‘Ik kan ’t niet langer lijden”: onschriftuurlijke taal over Gods wonderlijke
liefde, bovendien verzonnen gesprekken tussen God de Vader en God de Zoon r.5 “sta voor hem in als bondgenoot”: Christus is onze borg, onze
verlosser en Heiland, niet onze bondgenoot vs 6 r.6,7 “om satans eigenwaan te slaan, hem
in de val te lokken” onschriftuurlijke weergave van het plaatsvervangend
lijden zoals in de Schrift beschreven. |
||
|
Lied 408 |
“Nu laat ons God
de Here”
vs 5
r.1 “Wij bidden U, Algoede” “Algoede” net zo onschriftuurlijke benaming voor onze Here God
als “Opperwezen” etc. die wij uit de psalmberijming van 1773 hebben afgekeurd vs 6 “Bewaar
ons in uw waarheid / geef ons op aarde vrijheid / met alle mensen samen / uw
rijk, Heer, te beamen” Dit is puur Barthiaans universalisme. De Schrift
leert ons echter dat het heil er niet is voor alle mensen. In dit lied wordt
verkiezing en verwerping genegeerd en daardoor Gods Woord tekort gedaan. de
oorspronkelijke tekst van dit lied (EKG 227) is ongeveer direct vertaald: “Houdt ons bij de waarheid / geef ons de
eeuwige vrijheid / om uw Naam te loven / door Jezus Christus. Amen” Het
moge duidelijk zijn dat in het liedboek lied de alverzoening is ingebouwd
waar deze oorspronkelijk niet stond! |
||
|
434 |
“Lof zij de Heer, de almachtige Koning
der ere” alg: Mooie tekst als lofzang voorzover het de
eerste 4 verzen betreft. Wel missen we in deze verzen elke verwijzing naar
onze Here Christus, met name in vers 3, waarin de aanneming van ons tot kind
Gods aan de orde komt. Opvallend dat in vers 5 dan plotseling wel over
christenen wordt gesproken! In dit vers komt echter een verkeerde
Israel-visie en een verkeerde leer van Christus’ kerk om de hoek kijken. De
Schrift leert ons anders: Abrahams kinderen zijn nu de ware gelovigen, de
ware christelijke kerk. En buiten de kerk heeft geen andere groep het recht zich
geestelijke kinderen van Abraham te noemen; er zijn wel vleselijke
kinderen van Abraham, maar die verwerpen de Christus. vs 3 r.3,4 “Hij heeft u lief, die tot zijn
kind u verhief” Wat een misser om hier onze Here Jezus
Christus, in wie wij tot kinderen Gods zijn aangenomen, niet te noemen! (Joh.
1:12) vs 5 r.2 “christenen looft Hem met Abrahams kinderen samen”. Zie
opm. onder alg. In het deputatenrapport dat gediend heeft op de synode van
Kampen (1975), is op basis van het bovengenoemde dit lied als onschriftuurlijk
afgewezen. In de Acta van toen staat als conclusie: “Het veelszins
instructieve artikel dat J. Wit schreef in “Kerk en Theologie” (24e
jrg. no. 2, april 1973, pag. 149 e.v.) (…) versterkte tegelijk hun bezwaar
tegen deze principieel onaanvaardbare regel in het nieuwe lied”. De deputaten
kerkzang schrijven in hun rapport “Tussen Leusden en Zuidhorn”: “Bij couplet 5 moeten wij denken aan de
Israëlieten uit het Oude Testament, en niet aan Joden die geen
christen zijn geworden (vgl. Ps. 87; Ef. 2:11 v.; Hebr. 11; Gez. 30:2, regel
2, Gereformeerd Kerkboek).” Deze opvatting
staat tegenover de verwijzing van de deputaten van de Synode van Kampen naar
het geschrevene van de dichter zelf. Het sluit ook niet aan bij het geheel
van de tekst van dit lied: er staat geen enkele hint in naar de O.T. tijd.
Daarbij komt vooral ook: Christus’ naam en Zijn werk ontbreken totaal in dit
lied. Dit getuigt van een misverstaan en miskennen van de
verbondsgeschiedenis en Christus’ werk hierin. De Sschriftverwijzingen van de
deputaten Kerkmuziek van Leusden wijzen overigens wel op de onhoudbaarheid
van deze dwaalleer. vs 5 r.5 “Alles wat adem heeft
zegt: Amen”. Gezien bovenstaande opmerkingen moeten we hier denken aan
Barthiaanse alverzoening en universalisme.
Let wel: er staat niet als aansporing of verwijzing naar de
wederkomst: “alles wat adem heeft zegge”, maar zegt. Amen zeggen is een belijdenis voor God. Wat is de belijdende
kerk juist klein in de wereld, nu zovelen God vaarwel zeggen. |
||
|
435 |
“O verbreker
aller banden” vs 1 r.3,4 “bij wie schade
zelf en schande hemel wordt en heerlijkheid”Deze tekst is onduidelijk en
wijst mogelijk op Christus. Op deze manier wordt over Zijn zoenoffer wel erg
vaag gesproken. r.5
“tuchtig dan Adams trotse zonen in
hun eigenzinnigheid”, tot Ge uw aangezicht zult tonen en hen uit de kerker
leidt” Vergelijk Rom. 5:12-14.
Deze oproepende bede van de dichter aan God is niet goed te begrijpen: vragen
wij aan God om mensen te straffen totdat Hij hen genade wil schenken? vs 4 r. 3,4 “Geef in ons
bestaan een teken, dat deze zege zeker is” Wij hebben geen ander teken
nodig en te vragen dat Christus’ zege zeker is dan Gods Woord en de
sacramenten. |
||
|
442 |
“Jezus,
ga ons voor” alg: Een
piëtistisch getint lied, waarin de Here Jezus ons voorgaat op onze levensweg
en wij volgen. Er wordt enerzijds gesproken van zijn leiding, sterken, kracht
geven, troosten en “richten”, en anderzijds van ons bang zijn, kruis dragen,
angst, smart en lijden. Beeldende maar vage taal waarin, evenals in vele
andere liedboekliederen, geen plaats is voor geloofsgehoorzaamheid aan
Christus’ Woord. Zijn Woord en Geest blijven buiten beeld. Dit is niet de
taal van Matt. 28:19: “... en leert hen onderhouden, al wat ik u bevolen
heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.”
(zie ook opm. bij vs. 2). vs 1 r.3,4 “en U volgend op uw schreden, gaan wij moedig
met u mede”… zie opmerkingen bij r.5,6 vs 2 r.5,6 “Waar Gij
voor ons tradt, is het rechte pad” deze regels geven de sfeer van het lied goed weer; behalve Matt
28:19 ontbreekt ook de boodschap van Matt. 28:18 “Mij is gegeven alle macht
in de hemel en op de aarde”. We zien in het lied een Jezus, die op de aarde
onze weg voorbereidt, die ons door “de moeiten” zal leiden. Maar waar blijft
zijn koningschap? En waaruit blijkt ons koninklijk strijden? De antithese
tussen het Koninkrijk der Hemelen en het rijk van satan ontbreekt! Het blijft
steken in ons vage “lijden”. |
||
|
Lied 444 |
“Grote God, wij
loven U” alg: Gaat uit van een onwerkelijke
situatie dat heel de wereld God looft vs 1 r.3 “Heel de wereld
buigt voor U …” Dit is onjuist vs 2 r.1,2 “Alles wat U
prijzen kan” zie hierboven “Ongeziene”: onschriftuurlijke
naam voor God |
||
|
456 |
“Zegen ons,
Algoede” vs 1 r.1 “Zegen ons Algoede” Er moet bezwaar gemaakt worden
tegen de benaming “Algoede”voor
onze goedertieren God, die Zich nergens in Zijn Woord goed voor ŕllen laat
noemen. Hij wreekt óók wie zijn verbond schendt. Laten we toch zorgvuldig
zijn bij de namen van onze God. vs 3 Andere gezangen
en psalmen bieden dichterlijk en inhoudelijk meer. |
||
|
457 |
“Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig”
alg Verkeerde betiteling van God (vs 1: Drievuldig i.p.v. Drie-enig); grootste bezwaar echter in vs.3 vs 3 r.1,2 Heilig, heilig, heilig! Gij gehuld in duister, geen oog op aarde
ziet U zoals Gij zijt. Ondanks de verklaring in
de tweede regel, dicht dit lied God iets ongerijmds toe: een eigenschap of
toestand die lijnrecht staat tegenover die welke God aan ons kenbaar maakt! 2
Cor. 6:14: “Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis” en 1 Joh.
1:5: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” spreken de
taal van God, die wij na moeten spreken. Bovendien mogen we God kennen, door
Christus die het ware Licht is. Deze Christus toont Zijn kerk in de Openbaring
van Johannes, wat er nu werkelijk gebeurt en wat er gaat gebeuren in de hemel
en op de aarde. Dat wat Johannes ziet (Christus: en zijn aanzien was
gelijk de zon schijnt in haar kracht, de kerk: een vrouw met de zon bekleed)
geeft hij door aan de Kerk (Zie ook 1 Joh. 1:1-7!). Deze kerk zal daarom niet in één en hetzelfde lied wel zingen
van een glazen zee (vs 2), die ze waarneemt naar deze Openbaring, en tegelijk
Zijn God aanspreken als “Gij gehuld in duister”. Deze dichterstaal is geen
bijbeltaal en daarom geen kerktaal. |
||
|
459 |
“Door de nacht van strijd en zorgen” alg: Vreemd mystiek lied dat gaat over pelgrims die door de nacht trekken naar
de morgen waar God ons zal ontvangen. vs 2,
3 “Door de nacht leidt ons ten leven licht dat weerlicht overal, dat ons
blinkend zal omgeven als ons God ontvangen zal. In ons hart is dit de
luister, dit de liefde die ons leidt op de kruistocht door het duister naar
de lichte eeuwigheid.” Dit lied is niet doordrenkt met de Schrift. In
de zweverige tekst komt Christus niet in beeld vs 3 r.1 “Als ons God ontvangen zal” vs 5 r.4 “naar de kust waar God ons wacht” Beide verzen geven een beeld
van God die wacht tot de pelgrimsstoet arriveert. Dat wachten van de Here
verdraagt zich niet met de schriftuurlijke oproep: De Geest zegt met de
bruid: “Kom Heer, wěj zien verlangend
naar uw verschijning uit” (Gezang 13, Geref. kerkboek vs 6 naar Openb.
22). Niet God wacht op ons maar wij wachten (actief!) op God! Wat is bedoeld
met ‘de kust’ in r.4? |
||
|
473 |
“Neem mijn leven,
laat het, Heer” alg: Mist een duidelijke verwijzing
naar Christus als onze Middelaar door wie we door God aangenomen worden. vs 6 r.1,2 “Neem mijn zonden
en mijn schuld in ’t beleid van uw geduld” Dit is een onschriftuurlijke toevoeging van de
bewerker van dit oorspronkelijke gedicht. Hier blijft de toorn van God over
de zonde en het zoenoffer van Christus buiten beeld. In plaats daarvan
verschijnt Gods geduld met ons! vs 9 r1,2 “Neem en zegen alle vreugd, al ’t geluk
dat mij verheugt”: Wat wordt bedoeld met alle vreugd ? Vrij oppervlakkig
gesteld alsof ons aardse geluk altijd goed zou zijn. r 3,4 “Maak dat ik mij nimmer schaam mens te wezen in uw naam” Wat
moeten we hierbij denken? We zouden eerder zeggen: Maak dat ik mij voor Uw
naam niet schaam, of Maak dat U zich nimmer schaamt voor ons. |
||
|
Lied 477 |
“Geest van
hierboven” vs 1 r.4 De Geest van God wordt hier genoemd “Hemelse Vrede”Een benaming die wij in
de Schrift niet tegenkomen. Ef. 2:14 zegt van Christus dat Hij onze
vrede is (niet heet). r.6
“Aan een wereld die U verwacht” Zo’n wereld kennen wij niet; wel de wereld van Joh. 1:9,10 “en de
wereld, heeft Hem niet gekend” doelend op Christus. In de wereld zijn wel degenen die “Hem hebben
aangenomen”, Joh. 1:12 “de kinderen Gods”. En als Hand 2:27 zegt over de Geest:
“En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van
mijn Geest op alle vlees” dan wordt daar niet mee bedoeld iedereen, maar
allerlei vlees, nl. ook de dienstmaagden, dienstknechten, de ‘leken’. r.7-10
“Wij mogen zingen van grote dingen, als wij ontvangen al ons verlangen”: Zoals het hier staat is het niet juist. Want
gelukkig mogen we en moeten we zelfs al van Gods grote daden zingen vóórdat
wij geheel ons verlangen in vervulling zien gaan. vs 2 r.3
“Liefde die ons heeft liefgehad” God is liefde maar heet geen liefde. r.9 “Gij zult op aarde de macht aanvaarden en onze koning zijn, Halleluja” Nee, Christus heeft nu de
macht op aarde en is reeds onze koning. Christus zal straks zijn koningschap
overdragen aan de Vader (1 Kor. 15:28). |
||
|
481 |
“O grote God die
liefde zijt” vs 1 r. 8 “uw waarheid openbaren”: Openbaren betekend onthullen het
verborgene zichtbaar maken, dit is een Goddelijke activiteit. (Rom. 16:25,
Ef. 1:17, Luk. 2:32); wij kunnen wat Hij geopenbaard heeft verkondigen. Wij
mogen niet onszelf toedichten wat de onze God toekomt. vs 2 r.1-4 “maak ons
volbrengers van dat woord, Ľ dan
gaat wie aarzelt met ons voort, wie afdwaalt met ons mede.”. Het is niet vanzelfsprekend dat wie aarzelt met
ons voort gaat, Gods woord kan ook ongeloof, tegenstand en haat als reactie
hebben: wie het Woord hoort wordt rein door Christus of wordt nog vuiler. De
Here heeft ons niet beloofd dat iedereen die het Woord hoort ook zich
bekeerd. vs 3 r.3 hier wordt een tegenstelling gemaakt tussen liefde
en strijd, terwijl God ook strijd van ons vraagt (Fil. 1: 30, Col. 1: 29, 1
Tim. 1: 19, 6: 12). Strijdt tegen zonde, de duivel en ons eigen vlees. r.6
wij kunnen niet Gods verbond herstellen, Christus is het die het verbond
herstelt! vs 4 r.4-8 :parallel tussen Christus liefde voor ons (“in
zijn stervensnood”) en onze liefde (“het wordt overal volbracht, waar liefde
wordt gegeven”) Hiermee wordt de uniciteit van het lijden en sterven van
Christus ontkend. In het oude lied werd het
plaatsvervangende lijden van Christus wel genoemd, in het nieuwe lied is dit
(doelbewust!) weggelaten. |
||
2.2. Liederen waarvan na toetsing is gebleken dat ze teveel dubieuze elementen bevatten, zodat deze ook niet ongewijzigd dienst kunnen doen als kerklied:
Lied
2.3 Liederen waartegen (vooralsnog) geen inhoudelijke bezwaren
bestaan:
Hier wordt niet aangegeven of zij een verrijking vormen ten opzichte van
de Psalmen of de gezangen uit het kerkboek:
95, 110, 207, 213,
228, 262, 267, 296, 299, 316, 328, 367, 392, 396, 403, 409, 423, 432, 470.
3. Nabeschouwing:
De bovenstaande toetsing heeft geleid tot herkenning van een aantal patronen die in meerdere liedboek-liederen terugkomen, en waartegen wij bezwaar maken op grond van Gods Woord en de Belijdenis van de Kerk:
1. De leer van de alverzoening (alle mensen worden zalig; er is dan geen plaats meer voor Gods verkiezing en verwerping) werd ontdekt in de volgende liederen:
1,6,23,34,63,90,91,106,119,225,301,319,393,408,434
2. De gedachten aan een vrederijk/paradijs dat op déze aarde wordt verwacht (i.p.v. na de jongste dag met Gods gericht, op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde) werd teruggevonden in de tekst van de volgende liederen:
23,42,281,284,285,287,294,380,444
3. De idee van een bevrijdingstheologie (solidariteit met verdrukten i.p.v. de antithese tussen vrouwenzaad/kerk en slangenzaad/wereld) werd aangetroffen in:
9,23,28,39,43,300
4. Het weglaten/verdoezelen/afzwakken van
- het offer van Christus als verzoening door voldoening in:
75,147,148,152,203,221,225,402,435,460,473,481
- zonde, verbondsontrouw, antithese en goddelozen, werd teruggevonden in:
6,9,14,34,43,90,113,115
- het oordeel als tweede dood, poel des vuurs in:
6,34,39,62,78,113,115,169,288,300
- verkiezing, verbond, leven uit de beloften in:
15,20,21,90,107,271,287,320,325,336,434
- de goede strijd van het geloof in:
78,87,188,300,335,336,429,442
5. Dichterlijke vrijheden, die wij niet geoorloofd achten:
- mystieke taal of vreemde poëzie die niet aansluit bij Schriftuurlijke gegevens in:
6,106,114,119,122,135,189,201,221,234,252,253,368,387,442,448,473
- eigen beelden of verbanden van de dichter, die niet zijn terug te voeren op de Schrift, in:
1,6,30,34,43,92,103,114,126,147,148,169,264,290,320,382,457,459,479
- benamingen voor God, die ons niet in Zijn Woord worden aangereikt, in:
75,125,240,241,253,294,319,408,444,456,457,477
6. Magisch denken zonder Schriftuurlijke basis:
- magische elementen die in sacramenten worden aangewezen komen voor in: 87,119,335,356,358,360
- magisch herbeleven van heilsfeiten uit het verleden in:
6,122,124,126,127,135,139,140,147,189,240
7. Weglaten van passages uit Schriftgedeelten bij de berijming ervan, waardoor tekort gedaan wordt aan de boodschap van Gods Woord werd opgemerkt in:
20,21,34,39,63,78,87,92,107,113,397