Kort overzicht van de bezwaren tegen liederen uit het Liedboek.

Versie 5 mei 2001

 

 

 

Lied 1: God heeft het eerste woord.

De Reformatie, jrg.73, pag.913 en 999

Nader Bekeken, jrg.6, pag.4

Lied tegen het licht, pag.48,101

 

Dit lied kent twee problemen: een schriftuurlijk probleem in het 1e vers en een ogenschijnlijk talig probleem in het 4e vers.

 

Eerst het 1e vers:

     God heeft het eerste woord Hij heeft in den beginne

     het licht doen overwinnen, Hij spreekt nog altijd voort.

In de beoordeling van dit vers ligt ook de kern van de meeste bezwaren tegen het Liedboek. Het gaat om de doorwerking van de leer van Karl Barth over de schepping.

Toen hoogst actueel en zwaar bestreden door de Gereformeerde dogmatici.  In deze tijd is de angelsaksische invloed sterker dan de duitstalige. We hopen dan ook dat de huidige generatie professoren en kerkleiders zich ook kritisch gaat verdiepen in de angelsaksische invloeden, zoals men dat toentertijd deed ten aanzien van de duitstalige invloeden.

De redenering van deputaten ten aanzien van o.a. het Barthianisme is: de conflicten met deze stromingen of kerken liggen al weer voor een groot deel achter ons.  Inmiddels zijn wij ook uitvoerig en met effect onderwezen met betrekking tot het verkeerde daarvan.[1] 

Tot zover de complete (!) weerlegging van het Barthianisme in dit rapport van deputaten...

 

Maar nu moet u opletten. Bij de presentatie van de 255 liedboekgezangen stelden deputaten: Wij stellen ons op het standpunt dat je de gezangen op zichzelf genomen moet bekijken. Als een tekst ook goed bijbels te duiden is, vinden we dat je er geen bezwaar tegen hoeft te maken om die te zingen.[2] 

Op deze manier zingen we over "het overwinnende licht" heen. En toch zijn er wél predikanten en kerkenraden die hier over vallen en zeggen: "in strijd met de Schrift"!

Oorzaak van de gemakkelijke acceptatie van het Barthianisme is de kennelijke onbekendheid met de leer van Karl Barth, misschien door het gebrek aan theologen in dit deputaatschap.  Dit theologengebrek is in elk geval in bezwaarschriften ook wel naar voren gebracht.  

 

Ten aanzien van die overwinning van het licht stellen deputaten: Deed God in het begin het licht 'overwinnen'? Ja. Toen God de aarde schiep, was deze 'woest en ledig, en de duisternis lag op de vloed'. God heeft uit de duisternis het licht tevoorschijn geroepen.[3]

Een 100% Barthiaans "ja" formuleren deputaten hier.

Het gaat hier vervolgens ook nog eens om een echte beginnersfout ten aanzien van de leer van Karl Barth. Barths Die Kirchliche Dogmatik, deel 3 (von der Schöpfung)[4]            is - voor zover toen al uitgegeven - volledig gefileerd door prof.dr. K.Schilder in de Heidelbergsche Catechismus, bij de behandeling van Zondag 9, v/a 26 HC[5].

Barth gaat er vanuit dat duisternis, aarde, woest en ledig een situatie was die God aantrof (NB: het gaat Barth om het verhaal, hij gelooft niet in de schepping als zodanig).  Als reactie daarop komt God met het licht. Barth ziet een antithese.  Maar dan was God niet vrij in Zijn scheppen, God schiep niet uit eigen vrije verkiezing, maar móest in dat geval reageren[6].  God overwon de duisternis met het licht.

Tussen Genesis 1:1 en Genesis 1:3 en wat daar verder volgt, ligt dan die afgrond, die duisternis, die chaos van Genesis 1:2; en het ordenen, dat ná het scheppen van Genesis 1:1 komt, dat ordenen is dan in zijn vrije armslag gehandicapt, gehinderd door de tussentredende chaos. (...) God kan niet óp tegen de schaduwzijde van zijn god-heid.  Maar de pausen vervloekten deze ketterij reeds ...[7] , aldus prof.dr. K.Schilder.

Anders gezegd volgens Barth: Het is de chaos van Genesis 1:2, die de Schepper verworpen heeft en waartegen Hij neen heeft gezegd, waaraan Hij voorbijgegaan is en die Hij achter Zich gelaten heeft.  Het is de werkelijkheid die Hij niet gewild en niet geschapen heeft en die toch in zekere zin de horizon van zijn schepping en schepsel is.[8]                    

God heeft dit duistere echter al overwonnen.  Doordat Jezus Christus overwinnaar is, heeft het afgedaan.[9]

Ds.P.Storm heeft daarbij geschreven: "Wij zullen dus, wat deputaten betreft, over de schepping van het licht voortaan met een theologisch gerust hart kunnen zingen als over het overwinnen van het licht alsof Barth of Noordmans daar niets mee te maken hebben."[10]

 

Jan Wit - een van de Landvolkdichters - speelde graag met woorden. Dat zie je terug in het 4e vers:

     God staat aan het begin en Hij komt aan het einde

     Zijn woord is van het zijnde oorsprong en doel en zin.

De mensen hebben geen flauw idee van wat ze hier zingen.  Het meest in de buurt komt Rom.11:36: Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.  Hiermee wordt ons echter geleerd dat God (3 maal  Hem) en niet Zijn woord (woord met kleine letter = de zoon van God, Christus?) oorsprong en doel van ons bestaan is, en dat God Zelf daarvoor de eer moet ontvangen. De deputaten leggen in hun verklaring van vs 4 het verband met Joh.1:1-3. Ze verklaren: Dat Woord staat aan het begin en aan het einde. En alles wat er is  zal uiteindelijk beantwoorden aan het doel dat God in zijn Woord omschreven heeft”

Lied 1 heeft echter niet dat in het woord het doel en de zin is, maar dat het woord zin en doel is.

Er is geen logica in terug te vinden.  Wie is hier "God" en de "komende Hij" en "Zijn woord" en "het zijnde"?

Kortom,  je zingt dichterlijke onzin.

Deze laatste zin is vooral geënt is op de uitspraken van Karl Barth, die stelde: God maakt echter de beide aspecten van de schepping, haar 'jubel' en haar 'jammer' tot zijn eigen zaak in de vernedering en verhoging van Jezus Christus.  Hij is de zin en het doel van de schepping! [11]         

Daarvan zeggen Van Genderen en Velema: In Genesis 1 zou tegelijk met het ja ook het neen van God te horen zijn?  Maar de Bijbel schrijft het bestaan van iets negatiefs, hoe het ook voorgesteld wordt - als de schaduwzijde van de schepping of als de bedreiging ervan - op geen enkele wijze aan God toe.[12]                     

De schepping als geheel (inclusief de duisternis) was goed; Genesis 1 is één harmonisch geheel.  Als God al wordt gedwongen te strijden in Genesis 1, dan wordt ook Genesis 3:15 ons afgenomen. Maar de bijbel roemt juist in dat vijandschap zetten als goddelijke daad de volkomen vrijheid  en het vrijmachtige welbehagen en de creatieve kracht, die roept wat niet is, alsof het is.  Terecht zegt B.Jacob, joods exegeet: Het is al een onmogelijke, lasterlijke en belachelijke gedachte dat de almachtige God, die door zijn Woord het al geschapen heeft, met een element te strijden zou gehad hebben.[13]

 

Hiermee wordt het werk van de middelaar Jezus Christus al ingebracht in het doel van de schepping, waarmee alles toch nog goed komt! Bij deze laatste passage verzuchte K. Schilder  “-als dat per slot èn per opening van rekening geen algemene verzoening is, wat is het dan wel?” [14]

Wij moeten dat hem helaas hier nazeggen. Verder zij nog verwezen naar 1 Kor 15:28 “Wanneer alles Hem (de Zoon) onderworpen is, zal ook de Zoon zelf aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen” en Rom. 11:33-36.

 

Maar mét de Gereformeerde theologen die Barth wél hebben bestudeerd en begrepen, zeggen we: het zingen van Lied 1 betekent dat je NEE zegt tegen de schepping zoals die beschreven staat in de Bijbel in Genesis 1 en JA zegt tegen de leer van Barth, die in de schepping een volstrekt verkeerd beeld geeft van de almacht van God en de heelheid en volledigheid van Zijn schepping.

Als dit kan, als je dit toelaat, dan ben je hopeloos vrijzinnig en los van Gods onfeilbare Woord!

 

 

 

Lied 6: Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.633, jrg.75, pag.884

Lied tegen het licht[15]

 

Het is een lied naar aanleiding van Exodus 15:1-18.

De Landvolkdichter zelf zegt dat hij vers 6-10 niet heeft berijmd, het klinkt volgens hem wel door in de rest.  Daarmee is overigens een belangrijk deel van het hart uit dit lied gehaald. Jan Wit stelt zelf dat Ex.15:1 en 2 in vers 1; Ex.15:3-5 in vers 2; Ex.15:11-13 in vers 4 en Ex.15:14-16 zeer vrij in vers 5 zijn opgenomen.[16]

Het 5e vers luidt:

     Ik zing voor de Heer. Hij is Koning voorgoed en dwars door de vloed geleidt Hij de zijnen.  Zijn goddelijk spoor gaat zelfs in de zee niet teloor: de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt, het water en bloed dat de zonden uitdelgt.  Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan, en zingende moeten het water in gaan met slaafse ellende en vorstlijke waarde de mensen der aarde.

 

Binnen de Geref.gezindte wordt het Liedboek niet gebruikt en zijn dus ook nauwelijks beoordelingen bekend, maar bij geval heeft de Gereformeerde Bond dit lied wel bekeken.[17]

Zij zagen een exegetische vertekening. In het slot van Lied 6 zagen ze triomfalisme en universalisme.  De commissie voelt (...) een verwantschap aan een optimistische mensbeschouwing, passend in een levensgevoel dat geruime tijd opgeld heeft gedaan. 

 

Een kerkenraad geeft als bezwaar tegen het 5e vers: Het wel wat erg exemplarisch toepassen van de historische exodus op onze levensweg: "Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan".  Bovendien: waar zit de Schriftuurlijke grond om van de Schelfzee dan symbool van de dood te maken en van de Jordaan symbool van het leven?  (...) Meer bezwaar is er tegen de laatste regels.  Verraadt zich hier niet heel duidelijk een lievelingsthema uit de jaren zestig/zeventig: de exodus als parabel voor de God die alle ellendige mensen bevrijdt?  Alle verdrukten en armen. En klinkt dan niet helemaal in dit gezang wat door: God als de God van het volk dat bestaat uit de slachtoffers in de wereld die bevrijd worden van de machtigen van de aarde?

 

Jan Wit zegt er zelf van:  De combinatie "slaafse ellende en vorstelijke waarde" slaat enerzijds op het feit dat zowel de zojuist bevrijde slaven als de koning van Egypte de zee in moesten gaan, anderzijds op wat Pascal noemt: "la grandeur et la misère de l'homme".[18]  Jan Wit acht het 5e vers in bepaalde gevallen tenslotte geschikt als dooplied.

 

Deputaten zien het allemaal weer anders (het lijkt wel een modern schilderij!): strofe 5 heeft een nieuwtestamentische invalshoek; in deze strofe wordt een verbinding met de doop gelegd - de doorgang door de Rode Zee is immers een beeld van Christus' dood en opstanding.  Zo sluit dit lied aan bij het doopsformulier.  Wij allemaal moeten door de doop gered worden.  Iedereen moet het water van de doop ingaan.  Dat moeten alle mensen op aarde doen, zowel mensen die in nood zitten, "in slaafse ellende", als mensen met veel macht, met "vorstelijke waarde".  Uit het slavenhuis, gered tot vrijheid als kinderen Gods en bewoners van het Koninkrijk.  En dan niet met haat of in dwang, maar zingend!  De Rode Zee wordt het beeld van het afscheid van de dood.  De Jordaan wordt straks symbool van het begin van het nieuwe leven.

 

Ziehier een hele reeks elkaar in ieder geval behoorlijk tegensprekende interpretaties van dit lied.  Een criterium van de GS Kampen 1975 is: de tekst moet duidelijk spreken!

 

Maar laten we er nog enkele beschouwingen aan wagen. 

Dit lied van Mozes kent een refrein.  In het Liedboek is dat de volgende:

     vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

     de wagens en paarden.

De Bijbel geeft ons echter het meer zeggende refrein:

     Ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven,

     het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee. (Ex.15:1)

En Mirjam zong hun ten antwoord:

     Zingt de HERE, want Hij is hoog verheven,

     het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee. (Ex.15:21)

Een gemiste kans dus van de Liedboekdichter.  Hij komt hierover in het eerste vers niet verder dan:

Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag; het komt aan de dag.

     Zijn hand is verheven, zijn hand die bevrijdt.

Ons inziens een forse vertekening.

 

Dit lied van Mozes was in Israëls dagen zeer populair. Door veel Psalm­dichters is er gebruik van gemaakt. Dr.W.H.Gispen[19] noemt o.a. Psalm 66, 68, 78, 106, 118, 136 enz.

Daarom heeft de GS Hattem 1972 bij het opstellen van toetsingscriteria (die door de GS Kampen 1975 zijn bevestigd en nu door de GS Leusden 1999 buiten werking zijn gesteld) besloten: Dat bij het beoordelen van in omloop zijnde berijmingen van Schriftgedeelten en andere teksten (...) de volgende regels in acht genomen dienen te worden: (...)

2. het lied moet een winst zijn boven de Psalmen en mag niet leiden tot onderwaardering van de Psalmen.[20] 

Dit criterium was noodzakelijk omdat eerder ten aanzien van het berijmen van Ex. 15:1-18  de GS Hattem 1972 van oordeel was:

dat de deputaten hun keuze van de te berijmen Schriftgedeelten terecht typeren als "in zekere zin willekeurig" en dat deze keuze dientengevolge soms aanvechtbaar is en geen navolging verdient, zoals bijv. ten aanzien van:

berijming van Ex.15:1-18 waarvan de inhoud reeds in zo sterke mate doorklinkt in de Psalmen (78,106,136) dat aan een berijming van dit gedeelte geen behoefte bestaat.[21]

En die berijming van deputaten[22] was ook nog een stuk vollediger en schriftuurlijker dan dit Lied 6 van Jan Wit!

Maar de synode wees de mogelijkheid van Psalmverdringers af.  Een gezangenbundel moet een aanvulling zijn, geen vervanger.

GS Leusden 1999 zegt dus wel het is de verantwoordelijkheid van voorgangers en kerken erop te letten dat de psalmen niet veronachtzaamd worden, maar geeft tegelijkertijd Liedboekgezangen vrij die daar terdege aan bijdragen! En in elk kerkgenootschap waar dit Liedboek is binnengekomen, worden de psalmen ook veronachtzaamd!

    

In het kader van deze beoordeling hebben we de Bevrijdingstheologie nog maar even gelaten voor wat die was. Daar komen we een volgende keer nader op terug. Maar vers 4 staat er stijf van:

     De volken der aarde gaan eindlijk verstaan wat Gij hebt gedaan.

     Hun leiders die bouwen op list en geweld verstommen en zwijgen ontsteld.

Zij zullen:

     vergaan door het diepe geheim van de macht,

     de vliegende vaandels en blinkende zwaarden, de wagens en paarden.

 

Nog enkele regels commentaar:

strofe 1, regel 8 "en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee.  Exodus 15:7"In uw grote majesteit vernietigdet Gij wie tegen U opstonden;..."  De straf is Gods gericht tegen het volk Egypte dat opstond tegen Hem, naar Hem niet wilde luisteren.  Dat zich dat uit door het vervolgen van het volk Israël is waar, maar niet de hoofdoorzaak van Gods straf.

strofe 3, regel 8: "Uw dreigende vinger verwijst naar het niet". Kennelijk wordt hier verwezen naar de hel. Maar de omschrijving is niet schriftuurlijk. De bijbelse omschrijvingen van de hel: duisternis, of de poel van zwavel en vuur, of de plaats waar de worm niet uitsterft gegeven iets anders weer dan “het niet”. Van “het niet” gaat niet het afgrijzen uit zoals dat ons gepredikt wordt bv. in Jes. 66:24. Dit vervlakkend spreken over de hel doet tekort aan het evangelie waarin zowel de heilsbeloften als de verbondsdreiging onverkort een plaats hebben.

strofe 4, regel 1,2: "De volken der aarde gaan eindlijk verstaan wat Gij hebt gedaan "?  Hier worden kennelijk vereenzelvigd de volken rond Egypte en Kanaän die de HERE wilden belemmeren in de uittocht van Israël en ‘de volken der aarde in het algemeen’ die met de HERE geen rekening houden. De grote daden van de HERE werden bekend aan de volken rond de schelfzee (Ex. 15:14) maar wanneer vindt de erkenning van Gods daden bij ‘de volken’’  plaats anders dan bij het oordeel van de jongste dag? Hier klinkt de universalisme door.

strofe 4, regel 8 "vergaan door het diepe geheim van de macht".  Hierin wordt op een  mystieke wijze gesproken van Gods uitgestrekte hand, Zijn oordeel dat ertoe heeft geleid dat het leger van Egypte door het water werd verzwolgen.  Een taalgebruik dat niet in de Schrift is terug te vinden.  Het leger van Egypte is door Gods slaande hand geoordeeld, dat heeft niets met een ongedefinieerde macht van een diep geheim te maken.

strofe 5: door de dichter zelf verzonnen: komt in dit schriftgedeelte niet voor.  

strofe 5, regel 3,4: “gaat zelfs in de zee niet teloor” verdraagt zich niet met Psalm 77:20.

strofe 5, regel 5,6: "de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt, het water en bloed dat de zonden uitdelgt." Het water, een verwijzing naar de doop.  Maar het volk kende alleen nog maar de besnijdenis.  Het bloed, een verwijzing naar het avondmaal.  Maar wat wist Mozes, en met hem het volk Israël daar vanaf toen zij aan de Schelfzee stonden?

strofe 5, regel 7: “van doodszee naar levensjordaan”  1 Kor 10,1 en 2: de Rode Zee is het beeld van de redding in Christus: het volk ging droogvoets verder, bevrijd van de vijand die omkwam. Waarom de Rode Zee hier ‘doodszee’ genoemd? ‘Levensjordaan’: waarom (door de deputaten) symbool van het leven genoemd als een soort tegenstelling m.b.t. de Rode Zee? Overigens wordt in liedboeklied 290 (vs.6 r.3) juist gesproken van de Jordaan als ‘doodsrivier’!, over willekeur gesproken. Terwijl de Here juist de overeenkomst tussen beide wateren benadrukt dmv de 12 gedenkstenen die uit de Jordaan werden genomen: Jozua 4:21-24: “Wanneer uw kinderen later hun vaders vragen: Wat betekenen deze stenen? dan zult gij uw kinderen aldus inlichten: Op het droge is Israël hier door de Jordaan getrokken, omdat de Here, Uw God, de wateren van de Jordaan voor u heeft doen opdrogen, zoals de HERE uw God, gedaan heeft met de Schelfzee, die Hij voor ons heeft doen opdrogen, totdat wij erdoor getrokken waren, opdat alle volken der aarde zouden weten dat de hand des HEREN sterk is, en zij de HERE, uw God, al de dagen zouden vrezen.” Liever dus deze boodschap (zie ook Ps 114:3,5) doorgeven dan dichterlijke verzinsels.

strofe 5, regel 10  "de mensen der aarde". niet nader gedefinieerd, kennelijk alle mensen, de gelovigen en de ongelovigen. Dit duidt op de leer van de algehele verzoening

 

Op basis van de criteria Kampen-1975 is dit lied strijdig met de Schrift, want onvolledig en onjuist, onschriftuurlijke algemene verzoening, discutabele exegese, vele elkaar tegensprekende interpretaties, dus de tekst spreekt niet duidelijk; de GS Hattem 1972 vond dit ook een schoolvoorbeeld van een Psalmverdringer en derhalve geen waardevolle aanvulling op de Psalmen.

 

 

 

Lied 9: Mijn hart verheugt zich zeer.

De Reformatie, jrg. 73, pag.457

Lied tegen het licht, pag.92

 

De verantwoording van Deputaten kerkmuziek bij dit lied is inhoudelijk en tekstueel vrijwel gelijkluidend aan de tekst zoals die staat opgetekend in het Compendium[23]. Op het moment dat in het Compendium dichter Jan Wit zijn dichting van deze lofzang fundeert en beargumenteert vanuit de bevrijdingstheologie, stopt het citeren door Deputaten. Jan Wit stelt als dichtprincipe bij dit lied immers:  Wie dit lied oprecht zingt en erover mediteert kan onmogelijk in het meditatieve stadium blijven steken.  Zijn houding tegenover de groten dezer aarde zal onontkoombaar kritischer en relativistischer worden.  De Deputaten laten dit weg.

 

Het profetische spreken van Hanna gaat van het begin van haar lofzang, waar zij zingt over mijn hoorn is verhoogd in de HERE, aan het einde over in: Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde. Deze hoorn vinden we terug in de lofzang van Zacharias (Gez.8): in 't huis van David, zijn verkoren knecht, verrijst een hoorn van heil en recht, zoals het vroeger reeds was toegezegd. Deze verwijzing en manier van zeggen vinden we ook in Psalm 18, 75, 89, 92, 112, 132 (waaraan Zacharias > Lucas 1:69 zijn lofzang onder meer aan ontleent) en 148. De Deputaten voor de bundel "Enige Gezangen" voor de GS Hattem-1972 gaven deze link wel aan in hun Lofzang van Hanna in Gezang 26.[24]  Dit staat ook overigens dichter bij de Schrift, maar haalde het in Hattem niet. Deze profetische link wordt in Lied 9 geheel gemist.

 

Het sociale thema van de bevrijdingstheologie heeft op veel plaatsen in Lied 9 de werkelijke tekst verdrongen of verminkt.

Strofe 2: Niemand ter wereld is van rang en stand gewis, want God alleen is heilig. Maar wie zijn onmacht kent ene tot de Heer zich wendt, is in zijn hoede veilig.  

Maar er staat in 1Sam.2:2: Er is niemand heilig gelijk de HERE, want niemand is er buiten U en er is geen rots gelijk onze God.

Deputaten GS Hattem-1972 berijmden tenminste nog: Hoe hoog zijn macht ook reik' geen mens is God gelijk; de HEER alleen is heilig. Een enig God zijt Gij, er is geen Rots als Hij; Zijn volk is bij Hem veilig.

In 1Sam.2:8 staat: Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven. De tekstverklaarders in vroeger en later eeuwen zagen hier al snel de parallel met Jozef. In strofe 7 is hier echter van gemaakt: De Heer, zijn naam zij lof, werpt levenden in 't stof, doet doden weer herleven. De trotsen slaat Hij neer. Geringen wordt de eer van edelen gegeven.  Door deze dichting is elke samenhang verdwenen en alleen een bevrijdingstheologie zichtbaar geworden.

“Maar wie zijn onmacht kent” :onmacht is nog geen zonde! De zonde komt niet in beeld. De rest van dit gezang bouwt voort op deze gedachte

 

In 1Sam.2:9 staat: de goddelozen komen om in duisternis. Daarvoor in de plaats verdoezelt strofe 9 de harde werkelijkheid door: Maar wie het boze wil, zal in de nacht verdwijnen. In 1Sam.2:10 lezen we: Wie met de HERE twisten, worden gebroken, over hen dondert de hemel. De HERE richt de einden der aarde.  De brutale strijd van volken en hun machthebbers tegen de HEERE wordt door Jan Wit in de lijn van Karl Barth ontdaan van zijn verticale relatie en omgezet in een horizontale: Des Heren woord beslist der volken oude twist. De laatsten worden eersten.

 

Rond 1970 kwam de bevrijdingstheologie op.

Bevrijding functioneert op 3 niveau's:

1e. het verlangen van verdrukte volken, klassen en sociale lagen met conflicten op economisch, sociaal en politiek terrein;

2e. de mens neemt bewust het eigen lot in handen teneinde zelf de gewenste veranderingen te bewerkstelligen;

3e. de term "bevrijding" brengt de christen gemakkelijker bij de bijbel als bron van inspiratie, want Christus de Heiland is de grote Bevrijder.[25]

Bevrijdingstheologie en bevrijdingsbeweging gingen hand in hand: Weg met jullie zendelingen! Houdt jullie geld maar! Laat ons alleen: laat ons eindelijk onszelf zijn!  Het is afgelopen met de politieke bevoogding, nu moet het ook afgelopen zijn met de kerkelijke bevoogding.[26]

 

samenvatting Lied 9:

     strofe 2-7: Jan Wit trok het Loflied van Hanna los uit de Messiaanse en profetische context en heeft er bewust een lied volgens de bevrijdingstheologie van gemaakt. Hij legt daarvan in het Compendium duidelijke verantwoording van af en hoopt dat men door het zingen van dit lied ook zelf in de richting van de bevrijdingstheologie op­schuift.

     Strofe 10: De twist tussen God en mensen wordt onder invloed van Karl Barth omgezet in een twist tussen volken.

Op basis van de criteria Kampen-1975 is het strijdig met de Schrift, immers het Bijbelwoord wordt inhoudelijk zwaar verminkt weergegeven en ontdaan van zijn bedoelingen. Ten enen male ongeschikt voor een gereformeerde eredienst!

 

 

 

Lied14: De Heer is mijn Herder.

De Reformatie, jrg. 74, pag.654,666, jrg.75, pag.688

Reformanda, jrg.8, pag.550

 

Deputaten Kerkmuziek beargumenteren in hun keuze voor dit lied ook: Het lied kan goed naast de berijming van Psalm 23 gezongen worden. Het lied trekt als het ware Psalm 23 naar vandaag toe (..) Het gebruik van dit lied zal grotendeels gelijk zijn aan dat van Psalm 23.[27]  Dit zo stellend, kan het criterium van Kampen-1975 "een waardevolle aanvulling op de Psalmen, niet verdringend" inderdaad niet gehandhaafd blijven. Het is een bekende uitvoering en veelal vroeger op de lagere school aangeleerd.

Het is zaak om eerst de onberijmde Psalm 23 te lezen en dan de berijming zoals die voorkomt in ons Gereformeerd Kerkboek. Beiden komen behoorlijk overeen in toonzetting en zeggingskracht.  Houden we dan Lied 14 er naast, dan valt ons de zoetige (kindergeschikte?) vertaling op.  Het lied is vlakker en voegt niets toe aan de bestaande berijming van Psalm 23.  Vanaf Psalm 23:4 valt de berijming zelfs weg. Misschien wel geschikt voor huiselijk gebruik, maar daarvoor hebben we geen Liedboek nodig. Heel verwarrend, maar in de E&R-bundel is onder nr. 239 met deze wijs ook een De Heer is mijn Herder opgenomen als "kinderversje" en met slechts 2 coupletten. Voor het huiselijk gebruik moet u dus alsnog een keuze maken.[28] We zagen al dat we met Liedboek-parafrases van Psalmen het meerdere gaan vervangen door het mindere; de inspiratie door de Heilige Geest vervangen door menselijk geschrijf.  In Psalm 23:5 staat: Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen. De exegeses verwijzen hier naar Jes. 65:11-15. Hier is het gericht over de zondige mens die met de HERE geen rekening houdt. Hier predikt de Heilige Geest de antithese.  Kijken we nu naar lied 14, dan vinden wij daarvan ... niets.  Oordeel en gericht is iets voor de Bijbel, maar kom hiermee niet aan bij het Liedboek.

 

samenvatting lied 14:

De reden voor opname in de selectie is een nostalgische en niets meer. Daardoor is deze vlakke, zoete uitvoering een serieuze bedreiging voor de huidige berijming van Psalm 23. De zeggingskracht van de onberijmde Psalm 23 gaat vrijwel geheel verloren. Het is immers in moeilijke tijden ook een psalm die onberijmd wordt geciteerd om staande te blijven. In dat geval werkt het als een geloofsbelijdenis. Als een predikant of wie ook eerlijk moet kiezen tussen lied 14 of psalm 23, dan zal lied 14 altijd afvallen. 

Qua dichting ongeschikt voor gebruik in de eredienst, de Schrift wordt immers niet geheel gevolgd. Het is op basis van de criteria Kampen-1975 een echte psalmverdringer en als zodanig ook erkend door deputaten, dus af te wijzen.

 

 

 

Lied 15: Loof nu, mijn ziel, de Here.

De Reformatie, jrg.73, pag.309; jrg.74, pag.324,627; jrg.75, pag.705

Reformanda, jrg.8, pag.550

 

Deputaten Kerkmuziek beargumenteren onder andere: De tekstdichter was een van de eerste medestanders van Luther (...) Samenvatten betekent natuurlijk ook weglaten, maar de grote gedachte van de psalmtekst blijft beter bewaard als dit lied in zijn geheel gezongen wordt dan wanneer van de berijmde psalm een paar coupletten uit het totale verband worden gelicht.[29]  De dichter Johann Gramann werd onder invloed van Luther bekeerd en was vanaf 1525 predikant in Koningsbergen. Hij geldt als één der Lutherse reformatoren van Oost-Pruisen.  Het Compendium voegt toe: Psalm 103 in de "Nieuwe Berijming" en op de Geneefse melodie is stellig een van de meest geliefde liederen van de Nederlandse gemeente.  Maar met zijn negen strofen leent hij zich er niet goed voor om als geheel te worden gezongen.  Wie als ideaal heeft liederen zoveel mogelijk integraal te zingen - een heel goed ideaal lijkt mij - vindt in deze psalmbewerking van Gramann een goed alternatief.[30]

 

Zowel de vertaler/liedboekdichter Ad den Besten als Deputaten Kerkmuziek vinden dat deze vertaling goed in plaats van onze berijming gezongen kan worden.  Dit lijkt ons behoorlijk in strijd met de criteria van Kampen-1975 tegen de psalmverdringers.  Het is het één of het ander: óf we kiezen voor psalmverdringers, maar dan moet je in je synodebesluiten niet opnemen: Het is daarbij de verantwoordelijkheid van voorgangers en kerken erop te letten dat de psalmen niet veronachtzaamd worden,[31] óf we sluiten deze psalmherdichtingen van de selectie uit.  Maar bij Deputaten wordt nota bene openlijk geopperd de Liedboekvariant in lied 15 te gebruiken in plaats van onze psalmberijming van psalm 103. 

De volgende vraag is, of hier inderdaad een goede berijming is neergezet en of de grote gedachte van de psalmtekst beter bewaard blijft zoals deputaten Kerkmuziek suggereren. 

Strofe 1 bedoeld Psalm 103:1-5 te dichten, strofe 2 hoort bij vers 6-12, strofe 3 bij vers 13-16 en strofe 4 hoort bij vers 17-22.

 

Wat mist is de historische setting: Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn daden.  Het Liedboek gaat wat losjes met onze zondeschuld om: Hij die voor u blijft zorgen, de zonde van u doet. Terwijl in vers 10-11 staat: Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden, maar zo hoog de hemel is boven de aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen.

 

Ook de tekst van vers 15-16: De sterveling - zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer en haar plaats kent haar niet meer, is niet in dezelfde context terug te vinden in het Liedboek: Hij immers kent ons broze bestaan, want stof zijn wij - een teer geluk, als rozen zo schoon, zo snel voorbij; als gras zijn wij, als blaren, - wanneer de najaarswind door 's levens boom komt varen, wie is er die ze vindt?  De tekst over "de najaarswind die door 's levens boom komt varen" is een te dichterlijke vrijheid.  Landvolkdichters eigen, is de verwijzing naar het verbond geschrapt, immers vers 17-18: Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen, en zijn gerechtigheid over kindskinderen, over hen die zijn verbond onderhouden en aan zijn bevelen denken om die te doen.

 

Wij constateren dat de Landvolkdichter Ad den Besten in dit Liedboekvers een mooie tekst heeft neergezet met als rode draad dat we een fijne Here hebben Die schuld vergeeft en redt van de dood.  Armen en verdrukten worden door Hem bevrijd; voor gebeukten en gebukten is er gerechtigheid. De Here kent ons en blijft voor ons zorgen.

Maar wat we missen is dat Hij tevoren aan Mozes zijn wegen bekend maakte en aan de kinderen Israëls zijn daden en dat zijn goedertierenheid zich uitstrekt over wie Hem vrezen. Zijn gerechtigheid is over hen die zijn verbond onderhouden en aan zijn bevelen denken om díe te doen. Looft de HERE, die zijn wil volbrengt.  In dit laatste geval - en dat is zeker de uitverkiezende rode draad van

eeuwigheid - spreken we de Schrift na; het Liedboek predikt de alverzoening.

 

samenvatting lied 15:

Dit lied wordt ons voorgedragen als vervanger van Psalm 103.  Dat lijkt ons in strijd met de criteria van Kampen-1975.  De grote gedachte van Psalm 103 is in dit Liedboeklied 15 zeker niet beter bewaard zoals deputaten suggereren. Het verbond en de verbondsbeloften en -eis zijn uit elkaar gehaald, waarbij de gehoorzaamheid aan Gods verbond is weggemoffeld en de alverzoening als rode draad uiteindelijk overblijft.

We kunnen niet anders dan concluderen dat dit lied in relatie met Psalm 103 onberijmd, eenzijdig onschriftuurlijk is.

 

 

 

Lied 20: Laat ons nu vrolijk zingen.

De Reformatie, jrg.74, pag.324,1013

Reformanda, jrg.8, pag.487,550

 

Deputaten Kerkmuziek stellen: Dit is niet zozeer een berijming van, als wel een meditatieve reactie op een psalmtekst. De bewerking (...) past in een periode, waarin meer ruimte werd gegeven aan een persoonlijk getint naspreken van de Schrift.  

In het Compendium verantwoordt Landvolkdichter Ad den Besten het ontstaan van dit lied: (...) gekoppeld met de yojeuzere melodie van (...) Ebeling (=de componist, red.) heeft ze de Evangelische Kerk in Duitsland kunnen veroveren.  Deze koppeling had o.a. tot gevolg, dat de 2e en 3e strofe van Gerhardt (=de dichter, red.) met hun manende en vermanende toon om zo te zeggen onder tafel raakten.  Men valle dus niet de schim van Gerhardt lastig met het verwijt, dat hij belangrijke elementen uit de psalmtekst zou hebben verwaarloosd!  Overigens is Gerhardt met deze tekst aanmerkelijk vrijer omgegaan dan ons, Nederlandse psalmberijmers, in dank zou zijn afgenomen, en dat weerspiegelt zich natuurlijk ook in mijn vertaling.[32]

De slag om de arm die deputaten gaven was dus niet zo maar.  Kop en staart van deze Psalm zijn verdwenen.

 

In deze dichting ontbreekt vers 1b-4: Ik zal de HERE loven, mijn leven lang, mijn God psalmzingen, zolang ik nog ben.  Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.

Inderdaad is dus de maning en vermaning verdwenen. 

Het unieke van de enige troost van Zijn eeuwige Woord wil de Here stellen tegenover de vergankelijke en troosteloze hulp die van stervelingen verwacht wordt. Daarom stelt de HERE deze vergankelijkheid van de mens in vs 3 met zoveel woorden aan de orde! (vergelijk de rijke troost zoals omschreven in Jes. 40:6,7; 1 Petr. 1:23,24). In lied 20 wordt dit alles geheel weggelaten!

Blijven we onze eigen Psalm 146 zingen, dan belijden we: Wil toch niet op mensen bouwen, hoe voornaam ook en geacht. Want beschaamd wordt uw vertrouwen, als u heil van hen verwacht. Als hun stervensuur zal slaan, zal hun plan met hen vergaan.

In de dichting ontbreekt in strofe 6 tevens vers 10 van Psalm 146:

De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht, Hallelujah.  In dit Liedboek missen we dus volledig ons 8e vers van Psalm 146: 't Is de HEER van alle heren, Sions Koning, groot in macht, die voor eeuwig zal regeren tot het laatste nageslacht, Sion, zing uw God ter eer, halleluja, loof de HEER!  Zo is in het Liedboek de geleerde les uit de geschiedenis (vers 2-4) en het toekomstperspectief (vers 10) verdwenen.  De slot-lofzang op het verbond blijft derhalve achterwege.  Maar daar blijft het niet bij.  Alsof degene die zingt helemaal niet tot het verbond behoort, komt aan het einde van dit Liedboek letterlijk "als een duveltje uit een doosje" een extra strofe 7 opduiken: Ik arme en geringe, hoe zou ik voor uw troon U lof en dank toezingen?  Gij zijt zo groot, zo schoon.  Maar omdat Gij mijn leven duldt voor uw aangezicht, mag ik, o Heer, U geven de weerglans van uw licht.  Ad den Besten stelt in het Compendium: De slotstrofe van het lied is m.i. de schoonste van alle. Ze betekende een uitdaging voor mij om hetzelfde niveau te bereiken.  We kunnen met elkaar constateren dat dit volkomen onschriftuurlijk is. Christus duldt ons niet, Hij ziet ons als zijn kinderen in liefde aan! Waar in de Bijbel staat dat wij de weerglans van Christus licht geven? Het staat ook haaks op wat Gerhardt oorspronkelijk dichtte: Jedoch weil ich gehöre gen Zion in sein Zelt, ists billig, dass ich mehre sein Lob vor aller Welt.[33]

De vertaling van Ad den Besten slaat dus nergens op.

 

Piëtisme

Begin 17e eeuw stak het piëtisme op.  Op zich is piëtisme niet verkeerd. Het steekt alle eeuwen de kop op als godsdienst verzakelijkt en veruiterlijkt.  Zodra bijvoorbeeld de kerk staatskerk werd en er daardoor niveauverlies optreedt, zien we een piëtistische reactie. Piëtisme kan snel leiden tot een doperse levenshouding. Zo gaan vergeestelijking en wereldmijding hand in hand.  Het is altijd een zoeken naar de juiste balans. De extremen staan veelal opgetekend in de geschiedenis, zowel naar de éne als naar de andere kant.

In de voor-reformatorische tijd zien we het piëtisme terug in de Moderne Devotie, in de na-reformatorische tijd vinden we het terug bij de Nadere Reformatie.  Direct aansluitend kreeg het piëtisme ook voet aan de grond in de Lutherse Kerk. Dit Luthers piëtisme is doorgaans feller reactionair, daardoor overgeestelijker en kritischer tegenover de kerk dan het Gereformeerd piëtisme. Bij dit piëtisme gaat het om een persoonlijke vroomheid, die door bekering heenging en in vruchten uitkomt, die dus diepte en gestalte heeft.[34]

Piëtisme ontstaat dus uit actie-reactie.  De Bijbel kent de tegenstelling tussen leer en leven niet, noch tussen belijden en beleven. Ds. F. van Deursen ziet een rechtstreekse link tussen de oude rooms-middeleeuwse piëtistische richting en die van de 17e eeuw.[35]  Alle door Van Deursen aangehaalde piëtistisch getinte Liedboekliederen hebben de uiteindelijke selectie van de 121 vrijgegeven Liedboekliederen niet gehaald.[36]

In dit Duits-Lutherse piëtisme zien we naast Spener ook H.A.Francke en Nikolaus Ludwig, Graf von Zinzendorf, de stichter van de Herrnhuter Brüdergemeinde. Deze laatste schreef ruim 2000 gezangen (bijvoorbeeld Lb. 442).  Het "ik" in deze piëtistische liederen is persoonblijk bedoeld en niet als dat van de gemeente, zoals in de psalmen zo vaak het geval is.  Plotselinge bekeringen hoorden er ook bij.  Gegrepen worden door God (Busskampf), wegbeschrijvingen, kenmerken van een bekeerd mens.  Hieruit volgde het methodisme, de opwekkingsbewegingen in Engeland en Amerika. Een gesprek met de Herrnhutter Spangenberg is kenmerkend voor de gedachtenwereld van de jonge theoloog John Wesley. Spangenberg vroeg hem: "Hebt u het getuigenis in u?  Getuigt de Geest van God met uw geest, dat u een kind van God bent?"  Wesley wist niet wat hij hierop antwoorden moest.  Daarop drong Spangenberg verder aan: "Kent u Jezus Christus?" Wesley antwoordde: "Ik weet, dat Hij de Zaligmaker der wereld is." Spangenberg: "Juist, maar weet u ook, dat Hij ú gered heeft?" Wesley: "Ik hoop, dat Hij gestorven is om mij te redden.  Zo was Wesley vóór zijn 'bekering'. Gedoopt, kind van christelijke ouders, opgevoed bij de Schrift, afgestudeerd theoloog en toch nog niet weten, of de Here Jezus ook voor hem gestorven was.  Hij hoopte het.[37]

Zonder voorbij te willen zien aan het zeer veel goede, dat door piëtisten en methodisten verricht is op maatschappelijk gebied, mogen we toch niet verhelen, dat hier sprake is van een eigenwillige godsdienst. (...) de gereformeerde piëtisten mogen Gods verbond nog enigszins gekend hebben, bij de Wesleys was het een onbekende zaak geworden.  Noch bij de middeleeuwse, noch bij de nareformatorische bevindelijken was Gods verbond echt de grond van hun vertrouwen. Hier was sprake van  tweeërlei weg. Volgens de Schrift is de weg: Gods verbond en belofte (inhoud: Christus' bloed en Geest), aan ons verzegeld door de sacramenten, niet veronachtzamen, maar vertrouwensvol aanvaarden.  Volgens de middeleeuwse en latere bevindelijken was de weg: ontsterving, zelfinkeer, zelfbeschouwing, in de "hel" komen, in een zalig moment evenals John Wesley het warme gevoel krijgen verlost te zijn.  Ziedaar het geboortemilieu van veel gezangen![38] 

En in die context maakte Wesley dan ook zo'n 6000 gezangen en in Amerika Sankey en Moody ruim 8000.  Gevoegd bij de 2000 van Von Zinzendorf kunnen we dus voorlopig in de evangelische opwekkingshoek nog wel een tijdje terecht.

 

Terug nu naar de bespreking van lied 20. De extra 7e strofe van Paul Gerhardt in een vertaling van Ad den Besten is een prima voorbeeld hoe piëtisme uit de hand kan lopen in liederen.  Het startmoment van deze 7e strofe ligt in de aanhef van strofe 5: Op duizenderlei wijze redt Hij ons van de dood.  Een heenwijzing naar de verschillende bekeringsmogelijkheden die binnen deze richting mogelijk zijn. Het zingen van deze en de 7e strofe is een duidelijke miskenning van Gods verbond.  En elke verbondsopmerking ín Psalm 146 is nadrukkelijk niet vertaald of weggelaten.

 

samenvatting Lied 20

In het gehele lied is de historische Verbondsgod zoals die in Psalm 146 tot ons komt, weggelaten.  Daarvoor in de plaats is een piëtistische houding voor ons neergezet waarbij we vanuit het niets vragen of God ons wil dulden (strofe 7).  Daarbij mogen we weten van duizenden verschillende bekeringsmogelijkheden om tot dat doel te komen (strofe 5). In tegenstelling tot wat Deputaten beweren is er helemaal geen sprake van een persoonlijk getint naspreken van de Schrift.  Het is wederom een lied dat model kan staan voor de verachting van het verbond, de gang van de Here in de geschiedenis.  Daardoor is dit gezang in ernstige mate in strijd met de Schrift en is beslist geen aanvulling op de Psalmen maar een verdringer; dit alles gelet op de criteria van Kampen-1975.

 

 

 

Lied 21: Alles wat adem heeft love de Here.

De Reformatie, jrg.74, pag.465

Reformanda, jrg.8, pag.486,550

Lied tegen het licht, pag.92

 

De laatste psalmverdringer in het Liedboek is Lied 21.  Dat wordt ook door Deputaten aanbevolen: Het lied kan gezongen worden op de momenten dat ook psalm 146 uit het Geneefse psalter voor de hand ligt. Deputaten lichten verder toe: Dit lied komt voort uit de kring rond Maarten Luther.  In die kring was het gebruikelijk de psalmberijming naar de nieuwe bedeling te trekken.  De tekst volgt weliswaar vrij nauwkeurig de onberijmde tekst, maar in strofe 3 vinden we een verwijzing naar Romeinen 8 en de doxologie aan het eind van strofe 7 is ook echt nieuwtestamentisch.[39]

In het Compendium vinden we nog de volgende toelichting: Herrnschmidt werd in 1715 hoogleraar in de theologie te Halle en tevens mededirecteur van de hallese inrichtingen.  In dit centrum van het Duitse piëtisme werkte toenmaal een hele reeks dichtende professoren, die met véle liedteksten hun bijdrage leverden ter verzadiging van de steeds groeiende honger naar steeds nieuwe liederen.  Herrnschmidt was van hen veruit de belangrijkste. (...) Ofschoon er in de Duitse Evangelische kerk de eeuwen door geen grote voorkeur voor het zin-gen van psalmen - immers oudtestamentische liederen - heeft bestaan, toch behoren er maar liefst 3 bewerkingen van Psalm 146 tot het in Duitsland graag bezongen repertoire.  Die van Herrnschmidt (Lied 21) wint het in populariteit nog van die van Paul Gerhardt (het hiervoor behandelde Lied 20) en Matthias Jorissen. Daarna volgt een gedeelte commentaar dat door Deputaten 1-op-1 is overgenomen, waarna het Compendium vervolgt: Welbeschouwd hebben we met een vrome stoplap te maken: de dichter had immers uitsluitend ter berijming van vs.5 een hele strofe ter beschikking, - en ik ken de problemen die dat schept! aldus Ad den Besten in zijn commentaar op deze vertaling van zijn hand.[40]

 

Net als bij de behandeling van Lied 20 gezegd: de vermaning is "vergeten": Vertrouw niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is. te vinden in Psalm 146:3 blijft onuitgesproken.

In strofe 5 en 6 worden de tekstdelen van Psalm 146: 7-9 dooreen gehaald. De Here wordt in deze psalm lof toegezongen vanwege zijn actieve hulp. Je kan van de Here op aan!  De Here verschaft verdrukten recht en geeft hongerigen brood. Het Liedboek vult aan: dorstige, zie de heilsrivier! Deze toevoeging is niet direct helder te verklaren noch terug te vinden in de psalm.

De Here maakt gevangenen los, blinden ziende: we zien beide uitdrukkingen terug resp. aan het einde van strofe 5 en strofe 6.  Dan vervolgt de psalm: De HERE richt de gebogenen op, de HERE heeft de rechtvaardigen lief.  Dit is een Landvolkdichter te moeilijk. Alleen rechtvaardigen liefhebben kan in hun ogen niet: het is dan ook niet vertaald. Geen uitverkiezing graag! Daarvoor in de plaats: Hij richt u op, als gij zijt neergebogen en Hij buigt neer wie zich verheft. 

Tezamen met het in strofe 2 (uit het niets) voortkomende: "Machtigen wanklen in hun waan" zijn het elementen van de bevrijdingstheologie, maar komen in de psalm zelf en in de bedoelingen van de context niet voor. 

Vreemdeling, wees en weduwe hadden in het oudtestamentisch Israël extra wettelijke bescherming.  Dat was wel nodig, want anders hadden ze het niet breed. De psalm zegt dan ook: de HERE behoedt de vreem­delingen, wees en weduwe houdt Hij staande.  Dit is door de Liedboekdichter uit elkaar gehaald en onterecht vermengd: Vreemdeling, die hier op aard moet gedogen, dat u de haat der mensen treft, Hij richt u op, als gij zijt neergebogen.  Bij het onrecht dat de gelovigen wordt aangedaan, zoals we dat lezen in vers 8 van deze psalm, zien we een liefhebbende God die deze gebogenen opricht: de HERE heeft de rechtvaardigen lief!

In het Liedboek wordt deze betekenis van vers 8 verwijderd en wordt de gebogene van vers 9b áchter vers 9a geplaatst: de vréemdeling wordt gehaat en díe wordt uit de gebogen houding opgericht.  Wederom krijgt vanuit de bevrijdingstheologie de uitbuiting het hoofdaccent.

In het Liedboek worden de algemene problemen van weduwe en wees ook verschraald: Zijt gij in rouw: God is uw licht.  Wederom geen juiste weergave van tekst en inhoud.  Daarna wendt de dichter zich af van de tekst in de bijbel. de rest komt hem niet zo goed uit.  Ongedicht laat hij de rest van vers 9: maar de weg der goddelozen maakt Hij krom. Of liever gezegd: de weg van de goddelozen leidt tot (het) niets.  Geen rechtvaardigheid, geen zaligheid.  En ook vers 10 wordt niet gedicht: De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!  Voor dit alles in de plaats komt dan - zoals dat heet - een doxologie, een lofverheffing, lofprijzing van Gods heerlijkheid. Wel mooi, maar we hadden liever dat de gehele psalm was gedicht en niet een selectie daarvan.

 

samenvatting Lied 21

Landvolkdichters kunnen niet omgaan met de Dordtse Leerregels.  Binnen een opkomend oecumenisme is dat ook de eerste geloofsbelijdenis die op de helling gaat. Het is voor hen een onverteerbare zaak dat "de Here uit het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt.  Hij doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof.  En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben en eeuwig zal blijven." Zo belijden wij dat in Zondag 21, onder de vraag: Wat gelooft u van de heilige, algemene christelijke kerk?.  Als je vanuit deze belijdenis terug kijkt op Lied 21, ja terugkijkt op alle besproken liederen.  Dan zie je het grote verschil tussen het levend lidmaat zijn in een nog immer wervende kerk van Christus en het slappe "Iedereen wordt wel zalig" van de oecumenische kerken. Daar is alle werfkracht weg, de spanning eraf. Iedereen wordt zalig, waarom zou ik me druk maken om de reddende boodschap uit te dragen? Waarom zou ik zelf nog naar de kerk gaan?

Het stelselmatig verwijderen van alle verwijzingen naar Gods verbond met ons door alle eeuwen heen is dodelijk voor ons geloof. Na het wegvallen van de Dordtse Leerregels, zullen ook de andere belijdenisgeschriften wegvallen in het bodemloze niets van de oecumene.

Met de criteria van Kampen-1975 in de hand kunnen we dan ook niet anders concluderen dan dat hier sprake is van een Psalmverdringer en beslist geen waardevolle aanvulling; en dat de dichting qua inhoud ­strijdig is met de Schrift omdat kernzaken bewust en met opzet zijn weggelaten.

 

 

                       

Lied 23: Het zal zijn in het laatste der tijden.

Geen besprekingen in bladen bekend.

 

Dit lied is door Jan Wit gedicht “naar Jesaja 2:2-5".  Deputaten Kerkmuziek geven als commentaar: “Jan Wit gaf het oorspronkelijke lied de titel ‘De tempelberg’ mee, waarmee hij de centrale notie van het lied aangaf: de gang naar de berg van het huis des HEREN, waar God zijn Naam heeft laten wonen bij de mensen. En zoals de Israëlieten optrokken naar de Sion, zo zullen eens de volken toestromen om te wandelen in het Licht des HEREN, te delen in de omgang van God met zijn kinderen.”[41] 

Deze tekst en betekenis zult u tevergeefs zoeken in de drie strofes van dit Lied 23. Ook heeft Jan Wit dit nooit bedoeld noch gezegd. Wat heeft hij wél gezegd: Het gaat om de verhoging en de verheerlijking van de témpelberg in “het laatste der dagen”, d.w.z. aan het eind van de geschiedenis.  Ook deze stralende profetie van gerechtigheid en vrede zullen wij niet op eerlijke wijze in de mond kunnen nemen wanneer wij niet bezield zijn door een vruchtbaar verlangen naar nieuwe verhoudingen tussen de mensen en de volken en wanneer wij niet bereid zijn aan de realisering daarvan mee te werken.[42]  Jan Wit dicht hier met de toen heersende pacifistische en universalistische gedachten. De Sovjet Unie deelde deze mening van harte en liet de tekst inmetselen bij het gebouw van de Verenigde Naties in New York.

 

Deputaten Kerkmuziek stellen in hetzelfde gedeelte: Van een antithese tussen wie zich wel door God zal laten gezeggen en wie niet, is in dit schriftgedeelte geen sprake. Daarvan is wel sprake in de Schrift, maar inderdaad níet in het lied. Er staat immers in Jes.2:4 En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Daarvan maakt Jan Wit: ... niets. 

 

Wat is het doel van dat opgaan van de volken? Volgens de Bijbel, Jesaja 2:3: Opdat HIJ ons lere aangaande ZIJN wegen en opdat wij ZIJN paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem.  

Wat dicht Jan Wit? Om de rechten des Heren te leren en zich tot God en ELKAAR te bekeren. Als Jeruzalems tinnen gaan blinken en beschamen der bergen en heuvelen trots, zal van Sion uit blijde weerklinken het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods.   De Here richt tussen de volken.  Deze volken zullen elkaar dus níet bekeren (in het gebouw van de Verenigde Naties). Er zal geen algemene vrede op deze aarde komen. Er zal een gericht komen. Geheel in dezelfde betekenis zoals we deze tekst letterlijk ook terugvinden in Micha 4:1-5. Het komen van de volken in Jesaja 2 is het gevolg van de oproep in Jesaja 1:10: Hoort het woord des HEREN, bestuurders van Sodom, neigt uw oor tot de onderwijzing van onze God, volk van Gomorra. En het vervolg van die profetie in Jes.1:18: Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de HERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten; maar als gij weigert en weerspannig zijt, zult gij door het zwaard worden verteerd, want de mond des HEREN heeft het gesproken.  

 

Het Woord van de HERE brengt de volkeren in de crisis: voor of tegen Hem kiezen; het gaat om de grote antithese van vrouwenzaad en slangenzaad.(zie Hebr. 4:12,13 en 12:25-29). En daarom is het zich ‘tot elkaar bekeren’ uit dit lied hier volledig misplaatst: alsof het hier gaat om een strijd tussen volkeren, die moeten verbroederen. De keuze gaat echter vóór of tegen de HERE en dat gebeurt niet zonder de klem van het gericht: Jes. 2:4 “En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën” In tegenstelling tot wat dit lied ons wil leren, zegt Gods Woord niet dat komt tot een wereldvrede op déze aarde, maar dat God de vrede in de kerk wil door bekering. Met de komst van Christus zal dit uiteindelijk leiden tot het koninkrijk der hemelse vrede,  voorzegd in Jes. 65:17, 66:22 en Petr. 3:13: “wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont”.[43]

 

Samenvatting lied 23:

We staan hier middenin het pacifistische denken waarvoor deze verzen van Jesaja keer op keer worden misbruikt. Het voert ons af van de hier door God verwoorde antithese en doodt de oproep tot bekering en het gehoorzaam luisteren naar Zijn onderricht.

In dit lied is dit alles echter verworden tot een “bevrijding en bescherming van allen”: dit is taal van de onschriftuurlijke bevrijdingstheologie en van universalisme (‘allen die leven’).

De tekst is volkomen in strijd met de Schrift.

 

 

 

Lied 26: Daar is uit ‘s werelds duistre wolken.

De Reformatie, jrg.74, pag.634 en 667

 

Deputaten Kerkmuziek stellen: Het oorspronkelijke lied had 8 strofen. In de Hervormde bundel van 1938 stonden er nog 7, nu zijn er 4 overgebleven. Het slot van strofe 4 is t.o.v. de versie 1938 - en die tekst kennen velen - nogal veranderd. (...) [44] De taal is ouderwets, maar niet onzingbaar.[45]

 

Voor de Gereformeerden behoorde dit lied tot de niet-liturgische liedcultuur. Het werd wel in huiselijke kring gezongen, maar niet in de kerk. Toen de Deputaten ad hoc (o.a. voor de bundel “Enige gezangen”) hun rapport uitbrachten voor de GS Utrecht 1923, had men daarin dan ook niet de populaire berijming van Nic.Beets opgenomen, maar had men (in plaats van de berijming van Beets) Jes.9:5 zélf opnieuw berijmd. Zoals bekend haalde die bundel berijmingen het niet. 

 

Ook Deputaten voor de bundel “Enige Gezangen” t.b.v. de GS Hattem 1972 namen een drietal strofes over uit de Ned.Herv.Bundel, daaruit gezang 10:1,5 en 7 als het nieuwe Gezang 1 in hun proefbundel.  Het gaat hier om de verzen 1,3 en 4 van Liedboeklied 26.

Het verschil is, dat in strofe 1 de zin en gij, mijn ziele, bidt het aan! door Deputaten werd vervangen door: gij, volk des HEREN, bid het aan! en van de laatste strofe de zin met recht en met gericht zal sterken door Deputaten is vervangen door: met Zijn gerechtigheid zal sterken. Omdat gerechtigheid (in de tekst) zuiverder is dan het woord gericht (Liedboek).

 

Bezien we het Liedboeklied in relatie met de criteria van Hattem/Kampen 1975, dan weten we: de gezangen dienen Schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw,(...) de zinnen moeten zo geformuleerd zijn dat ze gezongen en als zang gehoord duidelijk spreken, waarbij met name gewaakt moet worden tegen redenerende c.q. dogmatiserende regelconstructies, waarin het eigen karakter van de Bijbeltekst niet behouden blijft.

Met deze normering in de hand oordeelde de GS Hattem 1972 aldus over dit lied (de verwijzingen vertalen we naar het thans voorliggende Liedboeklied 26):

Als lied “naar Jesaja 9" resp. “berijming” mislukt (op verschillende punten niet naar Jesaja 9), poging tot restauratie van en selectie uit Beets’ lied doet niet alleen de Schrift zelf, maar ook diens dichterlijke vertolking onrecht; romantiserend (strofe 1, regel 5 t/m 8; strofe 4 regel 1), dogmatiserend (strofe 1, regel 4, strofe 3, regel 2), archaïstisch taalgebruik (strofe 3, regel 6 t/m 8, strofe 4, regel 2 t/m 4). Over strofe 2 kon de GS Hattem geen oordeel vormen omdat dit niet de synode was aangeboden. De GS Hattem vindt tenslotte met deze beoordeling als voorbeeld: waaruit blijkt dat geen pogingen moeten worden ondernomen in te grijpen op gangbare liederen om deze geschikt te maken voor zang in de liturgie, waarbij nog de vraag zich voordoet of dergelijke Schrift­gedeelten zich wel voor dit doel lenen.[46]

 

Strofe 1 laat zien dat Jesaja 9 eerder als kapstok is gebruikt, dan dat er een wezenlijke band is.  De tekst luidt immers: Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht. In de Liedboektekst staat echter: Daar is uit ‘s werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan. Komt tot zijn schijn­sel alle volken en gij, mijn ziele, bid het aan!  Zo is van elke strofe aantoonbaar te zien dat het eerder een bredere interpretatie van de geschiedenis is naar aanleiding van Jesaja 9 dan een echte weergave in welke zin dan ook. Terecht door GS Hattem 1972 een onzorgvuldige berijming genoemd.

 

Samenvatting lied 26

Het mist de tekstgetrouwheid en het staat daardoor te ver van Jesaja 9 af, niet in de laatste plaats door jarenlang snoei- en entwerk, om nog als bijbellied te worden gekenmerkt. Het is een lied dat buiten de kerkdiensten misschien nog wel gezongen kan worden, maar geen toegevoegde waarde heeft voor de kerkelijke liturgie.

 

 

 

Lied 28: Wij hebben een sterke stad.

De Reformatie, jrg.73, pag.983

 

Een lied naar Jesaja 26:1-6. Deputaten Kerkmuziek stellen: Aan de herkenbaar berijmde tekst worden bijbelse elementen als dansende kinderen en musicerende mensen toegevoegd, die we kennen uit bijv. Psalm 87 en Matth.11:17.[47]

De dichter Barnard geeft zelf zijn beperkingen aan in dit lied: Want al vermeldt Jesaja met zoveel woorden geen “stad waar de kinderen dansen”, hij heeft die stellig wel vóór zich gezien, omgekeerd is de bitse “vernedering tot de grond toe” van de arendsburchten der onderdrukkers in de strofische vorm niet terug te vinden. Daarvóór leek een beurtspraak gewenst tussen het optrekkende volk en een denkbeeldige poortwachter, en wat dat betreft is het lied dus breder dan de profetie.[48]

Het is echter ronduit jammer dat de Here wordt uitgestuft. Nergens lezen we meer: HIJ stelt heil tot muren en voorwal (Jes.26:1b) of Standvastige zin bewaart GIJ in volkomen vrede (Jes.26:3a). Daarvoor in de plaats staat wat WIJ doen: dansen, muziek maken.

Helaas komt in strofe 3 en 4 ook de bevrijdingstheologie in beeld: maar mensen die steeds zijn geknecht, die wandelen hier in het licht (strofe 3) en: Hij voert de verdrukten erheen (strofe 4). Bij Jesaja gaat het over Moab, de goddelozen, Gods tegenstanders tegenover: hen die de Here verwachten. Jes. 26 spreekt daarentegen over rechtvaardigen (vs 7) en goddelozen (vs 10), niet over verdrukkers en verdrukten.

 

Samenvatting lied 28:

De eerste twee strofen zouden - vanwege/ondanks het onjuiste Schriftgebruik - bruikbaar kunnen zijn als liederen voor huiselijk gebruik, maar niet voor de kerkdiensten. De laatste twee strofen zijn zonder meer af te keuren.

 

 

Intermezzo: taal-theologie van de Landvolkdichters

Deputaten Kerkmuziek gaan voorbij aan de taaltheologie van de Landvolkdichters. Gods Woord en de woorden van de dichters vallen ultiem samen.[49] Liedboeklied 84 laat dat zien: Maak onze eigen woorden tot de eigen taal van God![50]

Heeroma zegt:[51] Het heeft God beliefd menselijke taal te worden en dat maakt onze religie tot een taalreligie, ons geloof tot een taalgeloof, ons bestaan tot een taalbestaan. Heeroma onderscheidt 3 vormen van taal, die hij laat corresponderen met de drie Personen in de Drieëenheid: God de Spreker, de Logos en het Pneuma. Er worden wel bijbelse woorden en dogmatische begrippen gebruikt, maar ze worden aangewend voor een algemeen-menselijke religiositeit. Het gevolg is ingrijpend: God, in al zijn majesteit als Schepper, in zijn rechtvaardigheid en liefde, is vervangen door een mythische voorstelling van menselijke taal. Als Persoon bestaat Hij hoogstens in de verbeelding. De bijbel bevat woorden die mensen ooit over God gedacht en gesproken hebben. (...) De consequenties van deze theologie voor je geloof zijn vérstrekkend: de bijbel is niet meer het Woord van de levende God, ze is niet meer dan een mythologisch verhaal óver God; Gods koninkrijk wordt vervuld in menselijke rechtvaardigheid op aarde.[52]

 

 

 

Lied 30: Wie mat de waatren in zijn holle hand.

De Reformatie, jrg.73, pag.999, jrg.74, pag.634 en 991

 

Een lied naar Jesaja 40:12-31. 

Deputaten Kerkmuziek ontkennen de taaltheologie, door enerzijds dit niet als een issue te behandelen in hun verantwoording, terwijl een veelvoud aan liederen hiermee ‘besmet’ is en anderzijds -zonder te overtuigen, temeer omdat de Landvolkdichters dat nadrukkelijk anders zien in hun werk - in allerlei bijbelse uitdrukkingen te zoeken naar vervangende verklaringen.[53]

Jan Wit zegt: Men moet om van zulk een uitgangspunt tot een zingbaar lied te komen wel naar een kernwoord zoeken dat het geheel als Leitmotiv tot een poëtische eenheid kan maken. Ik heb dit Leitmotiv gemeend te vinden in de verzen 21 en 28 en inhoudelijk in het feit dat, hoewel de pericoop allerlei zeer zichtbare beelden oproept en de hoorder en/of lezer wordt uitgenodigd de sterrenhemel te beschouwen en daar zelf zijn conclusies uit te trekken, de profeet toch als theologische stellingname zich terugtrekt op datgene wat van oudsher is overgeleverd, in zekere zin een prelude op Paulus’ woorden: het geloof is uit het gehoor.[54]

Lied 30 stelt wel dezelfde vragen als Jesaja 40, maar geeft steeds een ander antwoord. In strofe 1: Weet gij het niet? - Het wóórd. Strofe 3: Hebt gij het niet gehoord? Gij kent Hem door zijn woord, Hij woont hier in zijn naam. Strofe 6: Hebt gij het niet gehoord? Weet gij het niet? Het woord zal altijd met u gaan. Strofe 7: Het woord geeft moeden nieuwe kracht. Het echte antwoord is weggestuft in strofe 6, maar in plaats van: “het woord” horen we te verstaan: God, de HERE, Schepper van de einden der aarde (Jes.40:28).

Vanuit de taaltheologie krijgt ‘het woord’ een zelfstandige betekenis.  De Here God komt niet meer zelfstandig naar boven. “Gij kent Hem door zijn woord” (daar komt Hij niet meer uit). “Hij woont hier in zijn naam”.

Jesaja 41:4: Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen; Ik de HERE, die de eerste ben, en bij de laatste ben Ik dezelfde. Jes.42:5. Ik ben de HERE, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen andere geven noch mijn lof aan de gesneden beelden (Jes.42:8). Jes.43:1; Jes.43:9-15. Vanaf Jesaja 40 is het doordrenkt met activiteit van de Here God. Maar door Jan Wit weggewerkt in de taaltheologie tot woorden...

 

Samenvatting lied 30:

Het is een mooi gedeelte van Jesaja, maar door de taaltheologische verwerking een superdwaling geworden waarbij de levende God is verdwenen en vervangen door een woord-herdichter.

Door deze dwaling is het lied volkomen onschriftuurlijk.

Een verdere inhoudelijke toets is daarom achterwege gelaten.

 

 

 

Lied 34: Om Sions wil zwijg ik niet stil.

De Reformatie, jrg.75, pag.745

 

Het gaat hier om een dichting naar Jesaja 62:1-10.

Deputaten laten ons de ogen uitwrijven.  Enerzijds zéggen ze dat de wachters nimmer zwijgen en Hém geen rust laten, men rept ook van het profetische toekomstperspectief en geven dan de gedichte tekst door uit strofe 4: Rondom de muur wordt ieder uur Gods wachtwoord doorgegeven. (...) Gun u geen rust bij dag en nacht totdat door Gods gezag en macht Jeruzalem mag leven.  Dan vervolgen deputaten: Het parool is: we mogen Hem aan zijn gegeven woord herinneren en bidden zonder ophouden om zijn toekomst. Het is een eschatologisch lied dat inhoudelijk dicht bij het uitgangspunt is gebleven.[55] 

De combinatie die hier gemaakt wordt is voor ons echter onbegrijpelijk.

Om te beginnen staat op de plek van (...) in hun citaat het volgende onbegrijpelijke: Zo is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven.  Jan Wit poogt bewust een sfeer te creëren waarbij er gewoon wachters op een normale muur rondom Jeruzalem staan die elk uur aan elkaar (bij de aflossing) Gods wachtwoord doorgeven. Niet meer en niet minder. Er is absoluut geen sprake van “bidden zonder ophouden”.

Laten we Jan Wit zelf eens aan het woord: In mijn bundel Ministeriale heb ik dit lied genoemd “het wachtwoord”. Dat slaat natuurlijk op het begin van strofe 4, zie Jes.62:6.  Het gehele lied gaat echter over het tot ere komen van het na de ballingschap herbouwde Jeruzalem, maar dan in eschatologisch perspectief. En dan zijn, zie het slot van het lied en van de pericoop, de volken opgenomen in het heil van de stad Gods.  Dit Jeruzalemlied bezingt dus niet alleen het eerherstel en het heil van Sion, maar het behelst ook een eschatologisch heenreiken naar de verzoening tussen Israël en de volken. Als de christelijke gemeente dit lied zingt, moet zij dus niet al te snel met het volk van Sion identificeren en zeker niet menen dat wat Jeruzalem onder de oude bedeling was, de christelijke kerk door de nieuwe bedeling geworden is.  Integendeel, wanneer wij dit lied zingen doen wij dat uit solidariteit met Israël en met een vurig verlangen naar de uiteindelijke verzoening.[56]

En daarom vertikte Jan Wit het ook in zijn dichting om Jes.62:11 op te nemen in de berijming, waar staat: Zegt tot de dochter Sions: zie uw heil komt, zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit. deze tekst vinden we ook terug in het bekende Jesaja 40 (Troost, troost mijn volk ...), waar we lezen in vers 10: Zie, de Here HERE zal komen met kracht en zijn arm zal heerschappij oefenen: zie zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit.  Deze profetie kennen we uit de intocht van Jeruzalem, Matth.21, waar we in vers 4vv lezen: Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u. En uit Openbaringen 22:12, waar staat: Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden naar dat zijn werk is.[57]

 

NEE, zegt Jan Wit, dat laat ik jullie niet zingen. Zingen jullie maar: De volken zien uw heilig spoor, zij volgen het en neigen voor de standaard van uw koning (strofe 6).

De volken moeten solidair met Israël zijn. Punt.

De wachters geven een wachtwoord door. Punt.

Maar dat laatste is toch geen niet aflatend bidden tot God?

Arme kerk, die deze anti-christelijke dwaling zingt.

 

Nog enkele opmerkingen tot slot:

strofe 2 regel 4 “die God u toe zal denken” Jes. 62:3 zegt dit veel sterker: “een koninklijke tulband in de hand van uw God. Daar zit geborgenheid in. Dat geldt ook voor de liefde die straalt uit 62:4 “Mijn Welgevallen”.

strofe 3 regel 1,3 “Zoals een maagd die wordt gevraagd (…) Zoals een bruid haar man verblijdt” In de bijbel staat het net andersom: Jes. 62:5 “Want zoals een jongeling (…) en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt” Dit vs legt het intiatief dus verkeerd: dit hoort bij de HERE te liggen: Hìj heeft welgevallen, Hìj zoekt zijn bruid op, en niet andersom.

strofe 4 regel 1,2 “Rondom de muur wordt ieder uur Gods wachtwoord doorgegeven” Een wachtwoord is alleen voor ingewijden en geeft toegang. De tekst van Jesaja geeft echter iets heel anders aan nl. dat de wachters op Jeruzalems muren zonder onderbreking zullen pleiten op Gods verbondsbeloften.

strofe 4 regel 3,4 “Zo is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven” Mistige taal die de kern niet raakt.

strofe 6 regel 5-7  “De volken zien uw heilig spoor, zij  volgen het en neigen voor de standaard van uw koning” Deze liedtekst volgt niet de bijbeltekst: het gaat om de terugkomst van Gods volk uit de verstrooiing naar Jeruzalem (Jes. 62:12). Zoals het hier in het LB vs staat doet het denken aan de alverzoening, zeker nu vs 11 ontbreekt.

 

Samenvatting lied 34:

Jan Wit ontkent de profetie en weigert de verbanden te zien die in de Bijbel zijn gemaakt en te vinden. Daarom wil hij ook niet dat wij er van zingen en verhorizontaliseert hij dit Schriftwoord tot de platte praktijk van alle dag met één vergezicht: dat “de volken” solidariteit met Israël tonen.

Onschriftuurlijk, ontdaan van alle profetie en daardoor anti-christelijk.

 

 

 

Lied 39: Vrees niet, gij land, verheugt u en wees blijde.

De Reformatie, jrg.75, pag.758

 

Het gaat hier om een dichting naar Joël 2:21-24 en 28-32.

Deputaten citeren - in tegenstelling tot het hieraan voorafgaande lied 34 - nu breed voor hun argumentatie Jan Wit uit het Compendium. Natuurlijk ligt hier de verbinding met Hand.2:17vv.

Jan Wit beoogde echter meer dan door de deputaten wordt geciteerd. Daarom dichtte hij ook vs.21-24 van Joël 2.  Zijn Pinksterlied moet een lied van de hoop zijn; hoop die de gehele schepping omvat, planten en dieren komen ter sprake; hoop ook die de gehele maatschappij omvat.[58]

De combinatie van de vs.21-24 met 28-32 is dan ook niet Gereformeerd te duiden. Maar alleen als we “de hemel hier op aarde denken te kunnen krijgen”.  Hier dus de zwaarden tot ploegscharen omsmeden.

Het niet gedichte deel: vs.25-27 en ook het voorafgaande deel: vs.18-20 geven de tijd goed weer. Het is de zegen en vloek van Lev.26 en Deut.28. De profetie zegt in Joël 2:27: Dan zult gij weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat ik, de HERE uw God ben, en niemand anders; mijn volk zal nimmermeer te schande worden. Dáárna zal het geschieden ....

En dat is een andere uitgangspositie, zowel in Joëls dagen als in Hand.2 bij het Pinksterfeest. Er is sprake van gericht zegt ook Jan Wit. Daar laat hij het bij en dicht vervolgens: En allen die naar ‘s Heren wegen vragen, die van zijn grote naam het zegel dragen, vieren in ‘t nieuw Jeruzalem het feest van Woord en Geest (strofe 9).

De werkelijkheid is veel beklemmender.

Het gaat niet om een maatschappij-hervorming, zoals Jan Wit die ons schetsen wil. Het gaat om de laatste oordeelsdag. En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept (dat is wat anders dan naar ‘s Heren wegen vragen) behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roepen.  Dat is dan ook de scheiding brengende inhoud van de prediking op het Pinksterfeest, zoals we in Hand.2:39 lezen: Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God ertoe roepen zal.

Strofe 6: “Ja ook op wie de vrijheid niet genieten, op slaven zal de Heer zijn Geest uitgieten. Zij krijgen deel aan een vernieuwd bestaan in ;’s Heren naam”  De Schrifttekst heeft hier dienstknechten en dienstmaagden, wat meer hun geringe, nederige staat aangeeft. Het liedboek suggereert hier meer dat het gaat om verdrukking: wie de vrijheid niet genieten.

 

 

Samenvatting lied 39:

Jan Wit kiest het verkeerde focus-punt. De belijdenis omtrent de uitverkiezing (o.a. art.16 NGB) wordt door hem terzijde gesteld: we kunnen zelf wel naar de weg vragen. Het aanroepen van God (Joh.4:23), door hen die Zijn Naam belijden (Jes.12:4) raakt daardoor op de achtergrond.

Als we strofe 1-3 eraf konden halen en strofe 9 konden herdichten, dan zou het alleszins de moeite waard zijn geweest. Jammer.

 

 

 

Lied 42: Verheug u, gij dochter van Sion.

De Reformatie, jrg.75, pag.931

 

Het gaat hier om een dichting naar Zach.9:9-10

De deputaten verwijzen kort naar Matth.21:5 en Joh.12:15, de intocht van de Here Jezus in Jeruzalem.[59] Opnieuw sluit men in de argumentatie nauw aan bij het Compendium.[60]

 

Vanuit het moderne theologische denken in de Ned.Hervormde Kerk kijkt men vooral naar een herstel op deze aarde. Daarom staat aan het einde van strofe 1 ook: de aarde zal spoedig een bloeiende tuin zijn van vrede en recht, de Heer heeft het heden gezegd. En in strofe 3 staat: zijn daden, zij zullen de aarde vervullen, voor jood en voor heiden door dood en door lijden draagt Hij met zich mede de blijdschap de vrede, Hij rijdt op een ezel, Hij lijdt als een knecht, zo brengt Hij het leven terecht. Wat moeten we verstaan onder “zo brengt Hij het leven terecht”? Waar terecht? 

We worden hier in dezelfde positie als die mensen met de palmtakken gebracht en kiezen het verkeerde antwoord. We lezen in Joh.12:30 de woorden van de Here tot de mensen rondom Hem: Niet om Mij is die stem er geweest, maar om u. Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken. En dit zeide Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou. De schare dan antwoordde Hem (want zij zongen kennelijk de belijdenis vanuit Lied 42 in de toenmalige synagogen): Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus tot in eeuwigheid (op aarde) blijft; hoe kunt Gij dan zeggen, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?

Snapt u de dwaling? De schare en de Liedboekdichter wijzen naar een aardse oplossing, Christus wijst naar de hemel. De Here tekent in het schriftgedeelte iets anders nl. zijn universele heerschappij over de Kerk. Hij is de koning van Sion. Deze Vredevorst heeft een koninkrijk dat niet van deze aarde is. Het zal dan ook niet geschieden door kracht of geweld maar door Zijn Geest! Dàt moet de boodschap zijn en niet die van een paradijs op aarde.

 

Samenvatting Lied 42

Onhelder geschetst toekomstbeeld, de verkeerde keuze gemaakt. Het verkondigt een vrederijk op deze aarde, is daarom in strijd met Gods Woord en doet tekort aan de eigenlijke betekenis van dit schriftgedeelte. Geen verrijking van een gereformeerde gezangenbundel.

 

 

 

Lied 43: Die dag zal komen, brandend als een oven.

De Reformatie, jrg.75, pag.773

 

Het gaat hier om een dichting naar Maleachi 4:1-3.

De dichter van dit lied, Barnard zegt daarvan: Schriftgezang. Het woord Schriftgezang duidt er op, dat de bijbeltekst nauwkeurig wordt gevolgd.[61]

Deze dag wordt door Barnard in strofe 1 gezien als: een bosbrand, die niet meer te stuiten is, een vuurgloed aangestoken uit den hoge verteert de wortels van de duisternis.  Maleachi begint dan met het oordeel: Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt zal hén in brand steken - zegt de Here der heerscharen - welke hun wortel noch tak zal overlaten.  Het hier gestelde “met wortel en tak uitroeien” is toch wel wat anders dan de bosbrand van Barnard. Het gaat niet om “de duisternis” die wordt verteerd, nee, de Here heeft het over persónen. Barnard heeft het niet over de “overmoedigen en allen die goddeloosheid bedríjven”. Hij zwakt dat in strofe 2 ernstig af: voor allen die hun harten hoog verhieven (akkoord) als sterren aan de hemel van de tijd, die leefden zonder hoop en zonder liefde, is dit het einde, want hun rijk is uit. Hier wordt het wel heel dichterlijk weggespoeld! In deze omschrijving ontbreekt de antithese.

Dan komt Maleachi met de reddende hand: Maar voor u, die Mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen.

Dan zien we Barnard weer in volle glorie aan het werk als hij dat in strofe 3 weergeeft als: Maar allen die de naam des Heren vrezen gaat dan de zon der wereld stralend op. Hij breidt zijn vleugels uit en komt genezen al wie verkommerd zijn in ‘s werelds loop.  Is het zo dat deze laatste categorie mensen bedoeld wordt met degene die de naam des Heren vrezen?  Zien we hier nog een goede relatie met Maleachi 3? Hierin wordt de antithese tussen rechtvaardigen en goddelozen omgeruild voor solidariteit met verdrukten in ’s werelds loop (vergelijk Maleachi 3:18!).  In het 3e vers van Maleachi 4 lezen we: Gij zult de goddelozen vertreden, want tot stof zullen zij zijn onder uw voetzolen op de dag die Ik bereiden zal, zegt de HERE der heerscharen. Maar is dat voldoende verwoord als we in strofe 6 lezen: allen die de gerechtigheid verachtten worden als as, vertreden door de voet?  Dat het gaat om méér dan horizontaal (sociaal?) onrecht is uit het Liedboeklied niet op te maken.

Waarom koos Barnard ervoor dit stuk van Maleachi te dichten? Hij zocht een lied bij Mattheus 24 (rede over de laatste dingen) te dichten.[62]  Maar als we geen rekening zouden houden met zíjn keuze voor een Liedboekdichting voor het kerkelijk jaar, zouden we dan niet ook Maleachi 4:5 en 6 hebben berijmd? Want daar lezen we in dezelfde pericoop, en dan dicht je werkelijk het einde van het Oude Testament: Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt (hebben we het niet over dezelfde grote en geduchte dag?) Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban. Een werkelijk Gereformeerde dichting van Maleachi 4 had zich niet beperkt tot vers 1-3, maar had dóórgedicht tot en met vers 6.

Tenslotte:

strofe 5 regel 3 hier wordt een “duisternis” geïntroduceerd die ontbreekt in de bijbeltekst

strofe 6 regel 2 Hierbij is de actie van “u, die mijn naam vreest” verdwenen. 

strofe 6 regel 3 zie strofe 5 regel 3: “Dit is de dag, waarvoor wij overnachten” hier wordt ook een nacht ingebouwd waarvan in de tekst niet wordt gesproken.

 

Samenvatting lied 43.

Barnard veroorloofde zich veel dichterlijke vrijheden. Er zitten teveel bevrijdingstheologische denkbeelden in met sociale ongerechtigheid op de achtergrond. De weglatingen zijn typisch Landvolkdichter-vrijheden.

Als Schriftberijming behoorlijk beneden de maat.

 

 

Einde Oudtestamentische Schriftberijmingen.

Deputaten voor de bundel “Enige Gezangen” die aan de GS Kampen 1975 rapporteerden hebben eveneens studie gemaakt van het Liedboek zoals dat voor ons ligt. Zij concludeerden mét ons: Deputaten kwamen echter in geen enkel geval tot een aanbeveling van een dergelijk (nl. berijmde Schriftgedeelten) lied.[63] Helaas moeten we het met hen eens zijn voorzover het de oudtestamentische Schriftberijmingen betreft.

 

 

 

Lied 63: De Heer verschijnt te middernacht

De Reformatie, jrg.74, pag.307

 

Blijkens het opschrift gaat het hier om een lied bij Matth.25:1-13 en Lucas 12:35-40.  Noch deputaten noch het Compendium rept verder overigens over Lucas 12, welke tekst bij de verdere beoordeling dan ook buiten beschouwing wordt gelaten.

Toen de Doopsgezind Broederschap besloot mee te doen met het Liedboek-project, was o.a. Lied 63 hun bijdrage. De doopsgezinde predikant Ds.M.C.Postema vertaalde als lid van de liederenbundel-commissie der Doopsgezinde Broederschap Rube’s Der Herr bricht ein zu Mitternacht en ook een eigen dooplied als Gezang 343 in het Liedboek opgenomen[64] (niet in onze selectie). De doopsgezinden leggen de nadruk op de lokale doperse gemeente. Een kerkelijke organisatie zoals wij die kennen hebben ze niet. Hun “koepel” heet dan ook Algemene Doopsgezinde Sociëteit. Er is ook een zekere afkeer van het woord ‘kerk’.  In ‘kerk’ vreest men de organisatie en een met gezag opgelegde geloofsovertuiging, dogma of geloofsformulering als de belijdenis.[65]  Het is ook dankzij hen, dat het Liedboek niet Kerkelijk liedboek is gaan heten.[66]

Onze deputaten geven geen eigen toelichting, maar ontlenen zoals gebruikelijk hun argumentatie en toelichting aan het Compendium. Het origineel kent 10 strofen, zoals dat was opgenomen in het Gesangbuch (…) Evangelischen Mennonietengemeinden. In het Gesangbuch der evangelisch-reformierten Kirchen der deutschen Schweiz (Lied 156) staan zelfs 11 strofen genoteerd.

Als we de oorspronkelijke tekst bezien, dan begrijpen we ook waarom Lucas 12:35-40 wel in de aanhef staat opgenomen, maar waarom we er zo weinig van terug vinden in het Lied.  In het Compendium wordt het niet vertalen en dus weglaten van strofes verantwoord als De overige, bespiegelend van toon en wat minder rechtstreeks met het bijbels thema verband houdend, waren wel wat veel van het goede.[67] Ten onrechte, want men was dichter bij de strekking van het Bijbelwoord gebleven als men de noties had opgenomen zoals in strofe 3:

Wie liegt die Welt so blind und tot!

Sie schläft in Sicherheit

Und meint, des groszen Tages Not

Sei noch so fern und weit.

En strofe 7 en 8:

Sei immer wach, mein Herz und Sinn

Und schlummre ja nicht mehr!

Blick täglich auf sein Kommen hin

Als ob es heute wär.

Der Tag der Rache nahet sich

Der Herr kommt zum Gericht.

Du, meine Seele, schicke dich,

Steh und verzage nicht.

De waarschuwing van Lucas 12 en Matth.24 en 25 mist, door dit weg te laten, nu ten ene male.

 

Dit lied zegt gebaseerd te zijn op schriftgedeeltes die de gelijkenis van de 10 dwaze en wijze maagden beschrijven. Matth.25:1 en 2 stellen: Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs.  Daarvan is echter niets meer terug te vinden en dus ook niet van de afloop die het  handelen van de 5 dwaze maagden had in Matth. 25:12.

 

Kern van deze tekst (Matth.25:1-13 maar ook Matth.24:43-51) en van Lucas 12 is: waken, waakzaamheid. We weten noch dag noch uur.  In Lied 63 is het echter allemaal anders: De Heer verschijnt te middernacht (strofe 1 en 5) ! We weten het tijdstip precies! We moeten dus gewoon wachten in plaats van verwachten.  In Matth.24 is de rede over de laatste dingen opgenomen. Echt vreselijke dingen staan er te gebeuren. Maar niet in de strofes 1 en 5 (beide strofen zijn tekstueel vrijwel gelijk). Die strofes stellen: Nu is nog alles stil.

Kortom geheel in (weder)doperse stijl: we kennen het tijdstip, er is nog niets aan de hand, heb nog even geduld. 

Het woord DAN van Matth.25:1 maakt een rechtstreekse koppeling met Matth.24 zichtbaar.  En we lezen in Matth.24:45: Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer óver zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven? En dan zien we zo’n slaaf, die denkt: ach het zal nog wel even duren. Prof.Van Bruggen overweegt: Maar dan komt de heer thuis en straft dit misbruik van een tijd die voor verwachting, gereed-zijn en zorg voor anderen was bestemd. De hardvochtige wordt nu hardvochtig gedood (in tweeën gespleten) en hij krijgt een plaats bij de huichelaars, bij de toneelspelers. In hoofdstuk 24 richt Jezus zich tot de gelovige leiders, op wie Hij zijn vergadering nu zal bouwen.  Zij zullen echter onder hetzelfde oordeel vallen als de wetgeleerden en de Farizeeën, wanneer zij in die dagen voor zijn heerlijke verschijning heerszuchtig en geldzuchtig worden in plaats van betrouwbaar en zorgzaam voor anderen. Dit leidt tot geween over eigen lot en (onbekeerd) knarsen van de tanden uit woede tegen God.[68]

In het voorbeeld van de 10 maagden waarschuwt de Here ons tevoren dat dag en tijdstip onbekend zijn, maar dat het wel eens laat kan worden. Iedereen kan zich daarop voorbereiden door het nemen van maatregelen voor de langere termijn. 5 doen dat, 5 niet. Maar het eindoordeel is hard. Normaal gesproken zouden de later gekomen 5 dwaze meisjes, die dan inmiddels wel voldoende lampolie bij zich hebben, met oosterse gastvrijheid worden binnengehaald. De Here brengt een schok teweeg: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet! De kern is: waakt dan, want gij weet de dag noch het uur!

In dat licht bezien is strofe 4 dan ook volledig misplaatst waar staat: zijn onze lampen wel gereed en branden ze wel goed, zodat, als Christus binnentreedt, Hij waardig wordt begroet? De kern in dit lied ligt bij een noodzakelijke waardige begroeting van Christus. Maar daar gaat het allerminst over in deze gelijkenis.

 

Samenvatting lied 63:

Een zeer eigenmachtige uitleg, waardoor de boodschap van de bijbeltekst in de mist verdwijnt. Wat resteert is een onschriftuurlijke fluttekst, het papier en de inkt niet waard.

 

 

 

Lied 75: U kennen, uit en tot U leven

De Reformatie, jrg.75, pag.718

 

Dit lied behandeld een aantal Ik-ben teksten uit het bijbelboek Johannes. Boven het lied staan weliswaar verwijzingen alsof het lied dichtingen bevat van hele pericopen, maar daar is niets van waar. Het lied is opgedeeld in 5 stukken. Elk stuk kent een “aanbidding”: aanvang-strofen 1,4,7,10 en 13, welke strofen allemaal hetzelfde zijn. Elk stuk kent een “belijdenis”: slotstrofen 3,6,9,12 en 15.

Daartussen staan de Ik-ben gedichten, respectievelijk strofe 2 – Joh.6:35; strofe 5 – Joh.4:14 + Joh.7:38; strofe 8 – Joh.8:12; strofe 11 – Joh.15:1 en strofe 14 – Joh.10:11.

De Bijbelteksten gaan steeds uit van “Ik ben” terwijl in Lied 75 deze strofen steeds beginnen met “Gij zijt”.  Een prachtig stuk dichtwerk van Ad den Besten.

Deputaten volstaan met een in eigen woorden zeggen[69] van wat het Compendium schrijft.[70]

 

Bezien we de “aanbidding”-strofen wat nader, dan valt de aanspraak van de Here Jezus op. De dichter noemt Hem “Verborgene”.  Nu kent het Nederlands taalgebied wel 197 verschillende namen en titels van onze Here Jezus Christus, maar Verborgene zit daar niet bij.  We kennen echter een theologie, waarin God als Verborgene prominent op de voorgrond staat: Barth. Het grondmotief van Barths theologie is juist de verborgenheid van God. Maar uitgaande van de vrijheid en de souvereiniteit Gods, van Zijn vrijheid om Zich te openbaren zooals Hij wil, zullen we toch, gezien Barths kritiek op alle gegeven en directe openbaring, deze lijn moeten doortrekken en bij Barth iets zien van de huiveringwekkende diepten van den verborgen God.  Het is ten diepste de betrouwbaarheid Gods, die in Barths theologie in het geding is, het áánkunnen op Zijn Woord. Gods openbaring wordt van haar zin beroofd, als tegenover al het “gegevene” verwezen wordt naar de ‘diepere” “werkelijkheid” van de verborgen God; aldus prof.dr.G.C.Berkouwer in zijn studie Karl Barth.[71] Dit als antwoord op Barths: Wij weten niet, wat wij zeggen, als wij God Vader en Zoon noemen. Wij kunnen dit immers slechts zo zeggen, dat het in onze monden en in onze begrippen onwaarheid is. Voor ons is de waarheid, die wij uitspreken, terwijl wij God Vader en Zoon noemen, verborgen en ondoorgrondelijk.[72]  Barth noemt God de Vader en de Zoon niet Verborgene, maar zegt wel dat het een verborgen God is. God is onaanschouwelijk volgens Barth. Een verborgen God. Daarvan zegt dr.C.Smits: Want de mens die meent te bidden tot Jezus Christus en die bidt tot een “onaanschouwelijk midden” tot het “dialectische woord” bij uitnemendheid, die mens bidt niet werkelijk, maar hij bedrijft een vervloekte afgoderij. En de mens, die Christus belijdt als het “onschouwelijk midden”, die belijdt Hem niet, maar die loochent Hem; die mens “zal niet kunnen zalig zijn”.[73]

U zult begrijpen dat we daarom wat moeite hebben de strofen 1,4,7,10 en 13 meebiddend te zingen.

De aanspraak O Christus, der wereld zin! kunnen we ook niet echt vertalen in begrijpbare tekst.

 

In de belijdenis-strofen belijden we: Gij tot in alle eeuwigheid de weg, de waarheid en het leven.  In Johannes 14:6 lezen we: Ik ben de weg en de waarheid en het leven.  Dat is niet tot in alle eeuwigheid – zie hiervoor bij de 10 maagden met de olielampjes. Het is iets van déze bedeling. Er moet nú gekozen gaan worden.

 

Strofe 2. De Here wordt aangesproken met o hemels brood. Weliswaar zegt de Here: Ik ben het brood des levens (Joh.6:35), maar deze aanspraak is toch wel wat vrijpostig. In v/a 117 HC leren we op de vraag Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt? het volgende antwoord te geven: Ten eerste dat wij alleen de enig ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden (…) Ten derde dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft. We hebben als Gereformeerden juist geleerd terughoudend te zijn met het bidden tot Jezus alleen.

De dichting zou moeten gaan over Joh.6:35 en 36. Het beste is dat u deze tekst eens leest en dan strofe 2. Al snel zult u begrijpen dat de boodschap van de Schrift niet is overgenomen.  We zouden ook nooit op het idee komen om Jezus te beschouwen als de spijze van de eeuwigheid. Joh.6:55 zegt: Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Joh.6:54: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongste dage. Dat is echter iets heel anders dan wat in strofe 2 staat.

In strofe 5 lezen we: de bronnen van de eeuwigheid zijn ons ter lafenis gegeven, zijn doorgebroken in de tijd. We kunnen dit maar nergens vinden in de Bijbel, zeker niet in Joh.4

In strofe 8 lezen we dat Jezus is: een zon die nog haar stralen spreidt, wanneer het nacht wordt in ons leven, wanneer het nacht wordt in de tijd. Deze uitspraak staat haaks op de boodschap van Joh.8:12. Het wordt juist geen nacht meer in ons leven. Er staat immers: wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.  Jezus is ook geen “zon die nog haar stralen spreidt”. Hij is hoogstens Zon der gerechtigheid (Mal.4:2).

In strofe 11 lezen we: doorstroom ons met uw hartebloed. Dat willen we in dit door Deputaten als Avondmaalslied aanbevolen Lied echter niet meezingen. Dat zou teveel de Lutherse avondmaalsleer in zich hebben. De Here zegt juist in Joh.15:3: Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. En vers 7: Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.  Dat lijkt ons een Schriftuurlijker benadering.

In strofe 14 komt het accent te liggen op de schapen en hun lot. De tekst legt echter het accent op de herder. De relatie met Joh.10:1-18 is echter volkomen zoek. Ben je dief of herder? Ga je door de deur (= Christus) binnen? Ben je herder of huurling? De kern van de zaak wordt gemist.

In de Reformatietijd zong men uit Ps.34 en 138 of de Lofzang van Simeon.[74]

 

Samenvatting Lied 75:

De aanspraak van onze Here Jezus Christus is danig uit de hand gelopen (links en rechts Barthiaans). Ook het misvormen van de gebruikte schriftgedeelten uit Johannes is niet goed te praten. Als je de opgegeven teksten leest, zou je toch heel andere liederen mogen verwachten. Kortom: absoluut niet Schriftgetrouw.

 

 

 

Prediking en gemeentezang

We hebben inmiddels wel een beeld gevormd van de gezangen die beoordeeld zijn en nog zullen komen. Slechts een gering aantal zal uiteindelijk de toets der kritiek kunnen doorstaan.  Het ligt niet altijd aan de oorspronkelijke bedoelingen en dichtregels van de dichter.  De Liedboekbewerkers hebben er het hunne in bewerkt en – vooral – weggelaten.  In een aantal voorafgaande liederen hebben we dat al geconstateerd; in de komende Liedboekbesprekingen zal het niet anders zijn.

Het zal weinigen ontgaan zijn dat de Hervormde en Synodale kerken hun best doen om zich te laten kennen als valse kerken waar de valse prediking, het weigeren de tucht te oefenen en de manier waarop zij de sacramenten (niet of onjuist) bedienen[75] schering en inslag zijn.

In de meeste gezinnen staan de kerkgeschiedenisboeken van Ds.C.G.Bos wel op de plank. Daarin lezen we o.a. van de Ned.Herv.Kerk: Te wijzen is op het geschrift Klare Wijn, dat wel als een pendant van de roomse Nieuwe Katechismus kan worden beschouwd. De hervormde synode heeft dit geschrift in 1967 aangeboden als “rekenschap over geschiedenis, geheim en gezag van de Bijbel”. Daaruit blijkt wel hoezeer een Barthiaans-modernistische Schriftbeschouwing de toon is gaan aangeven. Van werkelijk gezag van de Bijbel, van de Bijbel als enige en vaste regel voor geloof en leven blijft niets over. De Bijbel wordt aangediend als een Joods getuigenis aangaande de ontmoeting tussen God en de mens. Genesis 1 wordt genoemd een lied van een belijdende Jood, die de bevrijding uit de ban van de natuurkrachten door de levende God bezingt. Wij zullen ons het denken en de denkwijze van de Joodse getuigen die in de Bijbel spreken, eerst moeten eigen maken om de Bijbel te kunnen verstaan. Iets heet dan ook niet waar, omdat het in de Bijbel staat, maar de Bijbel is slechts waar, inzover hetgeen in de bijbel tot ons komt, ons overtuigt.[76]  Ten aanzien van de synodalen lezen we in hetzelfde boek: Vooral na 1960 is de modernistische invloed sterk geworden. Toen begon prof.dr.J.L.Koole reeds over Genesis 1-11 te schrijven als “visionaire oergeschiedenis’ naar de Openbaring aan Johannes als visionaire eindgeschiedenis.[77] Moeten we nog vertellen over Kuitert, Wiersinga, Wessels, Den Heyer en al die andere valse profeten en leraars?  Het is zonneklaar dat de prediking in die kerken NIETS meer te maken heeft met het evangelie dat week aan week in onze kerken nog te beluisteren valt.

Net zoals in onze kerken de prediking van het Woord beantwoord wordt met lofzang, gebeurt dat in de Hervormde en Synodale kerken ook.  Is ónze lofzang doordrengt met de Schrift, lofzang waarin het Verbond, belofte én eis, zegen én vloek volledig tot zijn recht komen; zo is de belijdenis-zang van de valse kerk doordrenkt met de leugens en halve waarheden van de valse prediking en geloof.  Zou na een valse prediking er plotseling als antwoord daarop Schriftuurlijk gezongen worden? Natuurlijk niet! 

Je kunt er dan ook van op aan – en de toetsingen tot dusver hebben dat ook bewezen – dat 80% van de Liedboekgezangen in meer of mindere mate in strijd zijn met Schrift en belijdenis. 

En waren er al uit de historie der kerk liederen die wél de volle breedte van Gods Woord bezongen, dan werd in de tijd voorafgaande aan het Liedboek, maar zéker ín het Liedboek deze “schat der eeuwen” verbouwd tot de belijdenis van de valse kerk. U heeft dat in de voorafgaande toetsingen kunnen bemerken en u zult dat in de komende toetsingen ook weer ervaren.

Tot op heden zijn de meeste getoetste gezangen ontmaskert als strijdig met Schrift en belijdenis. Het is een illusie te denken, dat de rest wel mee zal vallen. Als vuistregel kunt u dus aannemen dat 80% van de Liedboekgezangen, die u elke week zingt, in strijd zijn met Gods Woord en de belijdenis.

Broeders en zusters die weigeren uit deze selectie te zingen valt dus niets te verwijten. Het is dan ook bemoedigend om te vernemen dat meer en meer kerkenraden en predikanten de bereidheid hebben de toetsingsresultaten pósitief kritisch te benaderen. Zouden deputaten én synode wellicht misgetast kunnen hebben?

 

 

 

Lied 78: Laat me in U blijven, groeien, bloeien

De Reformatie, jrg.74, pag.667

 

Een lied van J.J.L. ten Kate, zeker met betrekking tot de wijs zeer bekend onder ons. Oorpsronkelijk bestaande uit 7 verzen, al snel bekort tot 6 en gesnoeid tot 4 strofen voor in dit Liedboek.

In het Compendium staat: Kenmerkend voor dit gebedslied is allereerst de persoonlijke toon. Het gaat om mijn verbondenheid met de Heer. Dan ook om de nadruk die valt op de (aan de natuur georiënteerde) geestelijke groei en wasdom.[78]

Deputaten refereren hier niet aan, maar stellen: In feite is dit een belijdend lied, waarmee de gemeente de woorden van Johannes 15:1-8 instemmend beantwoord en voor haar rekening neemt. Het is heel persoonlijk van toon. (…) Ook dit lied is goed te gebruiken bij de avondmaalsviering en verder bij een preek over Johannes 15.[79]

 

We gaan hier de discussie met de deputaten aan. Ons inziens is hier juist NIET sprake van een belijdend lied, waarmee de gemeente de woorden van Johannes 15:1-8 instemmend beantwoord en voor haar rekening neemt.  In deze Liedboekuitvoering is van de bijbeltekst vrijwel niets terug te vinden. Het valt meteen op dat Joh.15:1-2 niet in het lied terug te vinden zijn en daarmee komt het lied los te staan van de Vader als landman.  De nadruk valt op het natuurlijke proces: uw kracht moet in mij overvloeien (…) doorstroom, beziel en zegen mij, opdat ik waarlijk vruchtbaar zij! (strofe 1).

Strofe 2: Uw Geest moet in mij uitgestort: Christus spreekt niet direct over het werk van de Heilige Geest, terwijl dat in dit Liedboeklied wel gebeurt.

Joh.15:3 zegt: Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijf in Mij, gelijk Ik in u. In het Liedboeklied wordt dat omgedraaid: ‘k blijf de Uw’ altijd, blijf Gij de mijn’! (strofe 3). De Here heeft zijn belof­ten gegeven. De vraag is niet aan de orde of Hij óns wel blijft vasthouden, maar of wij in Hém blijven. Onze aandacht, ons leven moet op Hem gericht zijn, dan komt het met dat vrucht­dra­gen wel goed.

Joh.15:7 zegt: Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden: Niet terug te vinden.  Daardoor maakt de dichter Christus los van Zijn woord (vgl. Joh.14:15-31).

Joh.15:8: Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn: staat nergens en het sluit nauw aan bij het ook weggelaten vs.2 (de Vader is de landman (vs.1); Hij snoeit).

Bezien we strofe 3, dan kunnen we niet anders stellen, dan dat de Liedboekdichter hier behoorlijk aanmatigend dicht: IK wil van U niet scheiden, IK blijf de uwe altijd. BLIJF de mijne, Uw liefde MOET, uw leven MOET, uw licht MOET; en als dat allemaal is gedaan DAN blijft mijn ziel voor U gewonnen: het staat nérgens in Joh.15.

 

We merkten het al op: van de 7 strofen zijn er maar 4 overgebleven binnen de belijdenis van de valse kerk. Alle dreiging is weggesaneerd.  We diepten één van die weggesneden strofen op:

Daarom herhaal het duizendwerven

Herhaal het Heer van uur tot uur:

“Die zich aan Mij niet houdt, zal sterven

de dode ranken zijn voor ’t vuur”.

Geef dat ik gauwer m’ aan u bind,

Hoe zwakker ik mij zelven vind. [80]

Kijk, dán zou er wel een raakvlak zijn met Joh.15.  Maar de valse kerk weigert dat te belijden. En in dat voetspoor gaan wij als Gereformeerden ook belijden?

 

Lied 78 eindigt met onzin: Wat in de windslen sliep, ontbot en komt in ’t licht en rijpt voor God (strofe 4).

 

Samenvatting Lied 78:

Joh.15 wordt tot op het bot aangetast in deze “belijdenis” van de valse kerk onder de valse prediking. Geen spoor van Schrift en belijdenis in terug te vinden.

 

 

 

Lied 87: Wij willen God de ere geven

De Reformatie, jrg.?, pag.?

 

Deputaten stellen dat in Rom.6 via retorische middelen (vragen, categorisch antwoord) het belang van de genade van God aangetoond wordt.[81] Vervolgens geven ze aan dat dit ook in Lied 87 wordt verwoord.  Dat nu wordt door niemand anders verder zo gezien.

De dichter Jan Wit stelt wel, dat het hier een dichting is van Rom.6:1-6, maar geeft zelf al als toelichting, dat de vraag uit Rom.6:1 niet is meegedicht. In strofe 1 wordt geopend met Rom.6:2, in strofe 2 en 3 is Rom.6:3 aan de orde en in strofe 4 en 5 is Rom.6:4-6 aan de beurt, maar in een andere volgorde: sterven en opstaan met Christus, de kruisiging van de oude mens en het aan het licht komen van de nieuwe. Jan Wit en de deputaten zijn het er beiden over eens dat dit een dooplied is (dept: strofe 2) en goed bruikbaar in de paastijd (dept: paaslied).

Deputaten memoreren nog de melodie van Psalm 5 is door de tekstdichter welbewust om zijn kwaliteit gekozen.  Jan Wit nuanceert: werd door mij geschreven op de prachtige melodie van Psalm 5 die, althans in de meeste kerken, in het vergeetboek dreigde te raken.[82] Als u even Psalm 5 voor u neemt, kunt u al snel begrip hebben voor het feit dat die psalm (en dús de melodie) niet in de kerken van het Liedboek werd en wordt gezongen…

Dit lied 87 draagt de alverzoening in ruime mate uit, zo zullen we zien, maar was in ieder geval de mening van de Chr.Geref. gezangencommissie.[83]

 

Rom.6:1 stelt de vraag: Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Nee, zegt vs.2, wij, in Christus gedoopten, zijn in Zijn dood gedoopt (vs.3), mét Hem begraven door de doop in de dood, gelijk Christus uit de doden opgewekt, ook wij in de nieuwheid des levens (vs.4). Zo in de dood, zo ook in de opstanding (vs.5). Onze oude mens is medegekruisigd, waardoor we niet langer slaven van de zonde zijn (vs.6), want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde (vs.7). Zo we met Christus gestorven zijn, we geloven dat we ook mét Hem leven (vs.8), de dood voert geen heerschappij meer (vs.9). Eens en voor altijd gestorven leeft Hij nu voor God (vs.10). Zo ook wij: dood voor de zonde, levend voor God in Christus (vs.11). Laat de zonde dan niet langer meer heersen (vs.12), niet ten diensten van de zonde, maar stel u ten diensten van God als mensen die dood zijn geweest, maar thans léven (vs.13), Immers, (antwoord op vraag) de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.(vs.14).

Jan Wit stelt: Dit schriftgezang benadert weer een berijming van de betrokken pericoop.

 

Wat is de boodschap van Rom.6? Mogen we bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Nee! Laat de zonde niet langer heersen, maar stel u ten dienste van God (uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God), als mensen die dood geweest zijn en thans leven! De zonde zal over u geen heerschappij meer voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade!

Niet in de zonde blijven liggen, maar actief strijden voor God! Niet denken: hoe meer zonde, hoe meer genade.  Komen we wat tegen van die boodschap in Lied 87? Volstrekt niet! (vs.2).

 

De constatering in strofe 1: Want wij zijn voor de zonde dood en wat God zelf heeft afgeschreven, zal niet herleven heeft pas inhoud in het licht van Rom.6:11-14. Dood voor de zonde, levend voor God, en: Laat dán de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar … Het vereist van ons een actieve daad, actief handelen, gehoorzaamheid.

 

Strofe 2: we zijn niet door de doop Hem toegewijd, zoals deze strofe – als dooplied – ons wil doen geloven, dat is Rooms. HC v/a 72: Alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigen ons van alle zonden. HC v/a 1: Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald.

Strofe 3: De mensheid der verloren tijden deed Christus sterven aan zijn kruis. Deputaten denken dat we dit als toelichting moeten weten: Ik heb immers voor u, omdat u anders de eeuwige dood had moeten sterven, mijn lichaam aan het kruis in de dood gegeven. Zo citeren ze uit het avondmaalsformulier een goede toelichting.  Deze toelichting is klare taal en algemeen bekend. Maar met strofe 3 heeft het niet zo veel te maken.  Hoe zit het met het onderwerp? Deed de mensheid nou Christus sterven aan het kruis? Is de mensheid der verloren tijden dan het oude Joodse volk? Of deed Christus “de mensheid der verloren tijden” sterven aan zijn kruis? Is deze mensheid dan soms “de oude mens”?  In het laatste geval, het meest aannemelijke, dan is zijn bevrijden, een synoniem voor nieuwe mensen.  DE mensHEID geeft echter weer veel stof tot alverzoening-gedachten.

Strofe 4: Al onze boosheid en ellende ging met de Heer ter rust in ’t graf. Wij zijn ontslagen van de straf.  Je mag deze boodschap echter niet los zien van vs.11 en volgende.  Het geïsoleerd neerzetten van deze tekst maakt zorgeloze en goddeloze mensen (HC v/a 64).

Strofe 5: zo zijn ook wij aan ’t licht gebracht om nieuw te leven, zonder vrezen, nu en na dezen. Rom.6:4 geeft echter: zo ook wij in nieuwheid des levens ZOUDEN wandelen. Ook hier moet je het “zouden” zien in relatie met wat volgt vanaf vers 12.

 

Samenvatting Lied 87:

Rom.6 stelt een concrete vraag (vs.1-2), waarop een concreet antwoord volgt (vs.11-14). Dichter Jan Wit vist er echter enkele verzen uit waarin staat dat Christus voor de zonde heeft betaald en dat WE daar dus niets meer van te vrezen hebben. Dat kan in deze context zeker geen dooplied zijn en ontneemt ook het Paasevangelie een deel van zijn kracht. Het geheel ademt de alverzoening. Deputaten zijn er niet in geslaagd de boodschap alsnog aannemelijk te maken. Het weghouden van de centrale boodschap uit Rom.6 in dit lied, maakt dat het lied als onschriftuurlijk moet worden gekarakteriseerd.

 

Let op!  Vanaf dit punt vinden nog aanpassingen plaats

 
 

 

 

 

 

 

 


Lied 90: Is God de Heer maar voor mij

De Reformatie, jrg.75, pag.1311

 

alg: 1. Dit is een vlakke en selectieve (incomplete) vrije berijming op Rom.8:26-30. Zoals in veel LB-liederen wordt in dit lied de horizontale antithese verzwegen, hierin is de invloed van de algemene verzoeningsleer van K. Barth zichtbaar.

            2. In tegenstelling tot Rom. 8: wordt niet gesproken van de roeping, rechtvaardiging, verheerlijking en uitverkiezing van de uitverkorenen Gods.

            3. Het betreft geen tekstgetrouwe weergave: de kern van dit bijbelgedeelte komt onvoldoende tot zijn recht. Het unieke offer van Christus voor de Zijnen (Rom 8:32 “Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem niet alle dingen schenken?”) komt onvoldoende over (als enige vinden wij terug in vs 3 r.2 “in zijn bloed is voor wie op Hem bouwen Gods heil in overvloed”), dit in tegenstelling tot de oorsponkelijke versie uit het evangelische Kirchengezangbuch.

vs 7: De Schrift geeft m.b.t. het werk van de Geest met onze gebeden aan “dat Hij naar de wil van God voor heiligen pleit” (Rom 8:27). In het lied wordt in een soort mystieke dichtertaal, die vaag en onduidelijk is, het werk van de Heilige Geest voorzien van omschrijvingen als “is taal voor Hem en teken”

vs 8 r.1 “zoete dingen” is deze vage omschrijving bedoeld om weer te geven wat Rom 28:28 zo troostvol voorhoudt “Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben..” ??

            r.3 “zijn gunstelingen” Echter de prachtige gouden keten van het heil (Rom.28:29-30) die het begin van Gods vrijmachtige verkiezing tot en met het einde de verheerlijking aangeeft komt met dit ene woord niet voldoende in beeld. De eeuwige verkiezing (tevoren bestemd!) wordt weggelaten.

 

Vs.1 God is mijn bondgenoot, vs.2: mijn Vader is mijn vriend, dat Hij geen kwaad kan willen, vs.4: Had Hij niet … bij mij in willen keren, vs.5: Hij die bluste ’t vuur dat een mens verteert, Hij schonk mij heldenmoed, vs.6 Hij richt mijn wens en wil en wat er ook mag komen, Hij spreekt en maakt mij stil >> de mens centraal  Aan Rom.8:26 wordt zo’n vreemde uitleg gegeven dat we Gods Wooprd ernstig geweld aandoen als we dit willen zingen. Lees NGB art.3,5 en 7 vanwege dergelijke misvormingen.

 

 

Lied 91: Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen

De Reformatie, jrg.

 

alg:      Een bijbellied op Romeinen 14:7-10. Helaas blijkt dat deze verzen in het LB lied uit het verband zijn gelicht. Rom. 14:7 begint immers met "Want” . Dit slaat op vs 1-6, het gedeelte dat gaat over het aanvaarden van elkaar in broederliefde in geval van verschil in persoonlijke meningen (dus geen leergeschillen!), zeker als deze berusten op komaf (Jood of heiden). Rom. 14:11 staat ingeklemd tussen 8 en 10. Vs 10 zegt: Wij mogen onze broeders, die ook de HERE willen dienen, niet oordelen; De HERE oordeelt of onze dienst aan Hem waarachtig was als wij voor zijn rechterstoel komen. Dan volgt vs 11, waarin met aanhaling van Jes. 45:23, de HERE Zich bekend maakt als de enige en waarachtige verlosser voor zowel het nakroost van Israel als de einden der aarde. Het gaat in Rom 14:11 dus niet over een alverzoening, een universeel heil voor iedereen (alle knie). Het gaat hier om Gods verlossing die er is voor uitverkoren Jood èn uitverkoren heiden en die alleen in de weg van geloofsgehoorzaamheid (knielen!) aan de enige God en Verlosser. Daarom zal een ieder voor zich rekenschap moeten geven aan God.

vs 3 r.4,5 “Wij worden allen eens voorbij de dood gesteld voor Christus’ rechterstoel” Allen voorbij de dood? Dat weten wij nu nog niet. Welke dood wordt trouwens bedoeld?

      r.6 “En Hij stelt ons in ‘t oordeel van zijn heerschappij” Wat betekent ‘van zijn heerschappij’?

vs 4 r.2 “Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.” In de Schrift tekst heeft het de betekenis van een eed: “zo waar ik leef”(zie Jes. 45); deze lading wordt in LB tekst gemist

     r.3,4 “En alle knie op aarde buigt zich neer, en alle mond belijdt mij als de Heer.” Hier straalt het universalisme vanaf! (zie bij opmerkingen n.a.v. Rom 14:11 onder alg.)

 

 

 

Lied 92: Al kon ik alle talen spreken

De Reformatie, jrg.76, pag.321

 

In een goed kerklied roep je de Here aan, spreek je soms elkaar aan (om elkaar op God en zijn werk te wijzen), maar niet allerlei deugden - zelfs niet de liefde. Zelfs díe kan afgod zijn.

Aan het eind zingen we van de bruiloft, maar de bruidegom blijft buiten beeld.

 

 

 

Lied 95: Nu bidden wij met ootmoed en ontzag

De Reformatie, jrg.73, pag.956

De Reformatie, jrg.74, pag.635

 

Een bijbellied van de hand van Jan Wit.

"...bij Paulus gaat het om een gebed voor de gemeente (...) In het lied gaat het om een gebed van de gemeente en dus om een 'wij'-lied."

 

Tekst via ik (vs14) via U (vs.17) naar wij (vs20)

 

"Uiteraard zal men dit lied heel geschikt kunnen zingen in de tijd rond Pinksteren. Immers, het is een bede om de eenheid door de Heilige Geest. Maar juist omdat het zo sterk om deze eenheid gaat past het in elke dienst waar de kerk als oecumene ter sprake komt en zou het ook ge­schikt zijn voor een protes­tantse viering van de Allerheiligendag" (JW in Comp).

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str.1: "wiens naam... aanzijn gaf": dat is wat anders dan dat wij naar Hem genoemd zijn (uit Hem... zijn alle dingen). Het herinnert me aan Lied 30, aan het onduidelijke "Hij woont hier in zijn naam". Hijzelf gaf ons het aanzijn!

Ik mis "door het geloof" uit vs 17.

"Zijn liefde is... de oorsprong van ons hart"...?

- vgl. Lied 426 str. 1:

"Is de hart­slag van het leven

niet de liefde van de Heer?";

zie 3.1.8.

Str. 2: de fraaie beeldspraak van het uit­zicht in 't morgen­licht op hoge tinnen maakt het 'vatten' nogal afstandelijk; Paulus bedoelt meer dan kennis-nemen.

Alweer: "in Gods verheven naam". Wat moet ik ermee?

str. 3: "en meer is dan ons diepste denken peilt" - een stop­lap, die afstandelijkheid suggereert.

b. boodschap van het lied:

Als in Efeziërs 3. Maar ik ben wantrouwig ge­worden tegenover het gebruik van de 'naam': wat wil JW daarmee?

c. beoordeling:

Het lied is heel knap, in zekere zin door­zichtiger dan de onberijmde tekst. Toch heeft strofe 3 niet de climax die Ef. 3 kenmerkt. Misschien in de hand gewerkt door het stereotiepe "nu gelijk tevoren en tot in eeuwigheid"?

Om de onduidelijkheden en de afstande­lijkheid aarzel ik zeer een positieve beoor­deling te geven. Uit het commentaar van JW (zie voetnoot) komt ook wel uit dat het 'samen met alle heili­gen' niet duidelijk genormeerd is: alles wat Christen heet moet hierbij betrokken worden: er is geen dwaal­leer, er zijn alleen maar onnoemelijk veel facet­ten aan het heil, waarvan de één dit, de ander dat ziet.

d. verrijking?

Ef. 3 : 14-21 is een pericoop die (hoewel zeer geladen) te compact is om te berij­men; het is meer een gedeelte om te lezen en te overdenken dan te zingen.

 

 

 

Lied 96:

De Reformatie, jrg.75, pag.27

 

 

 

Lied 103: De heiligen, ons voorgegaan

De Reformatie, jrg.74, pag.46

 

alg: Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Hebr.11. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. Hebr. 11 geeft ons ten voorbeeld de vastheid van het geloof van de geloofsgetuigen in de komende Christus. Hebr. 11:39 geeft aan dat dit voor ons betekent: “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen”

In plaats daarvan wil dit lied ons het veilig trekken van Abraham en anderen (zie het refrein: “Geprezen zij zijn naam! Hij deed hen veilig gaan! Komt, zingen wij tezaam met alle heiligen” en vs 3 r.5-8: “dat wij omgeven door de wolk de weg teneinde lopen, één met het heilig trekkend volk in liefde en in hope”) ten voorbeeld stellen. Dit is een ongeoorloofd exemplarisme die in de tekst wordt ingedragen.

vs 2        r.6 ‘en hebben niets geweten’ vergelijk echter met Hebr 11:10: “want hij verwachtte de stad met fundamenten”, 11:13-16 “en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde… maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland”

 

a.      Dit lied houdt ons de heiligen voor als voorbeelden (in deze theologie wordt zelfs Christus alleen gezien als onovertroffen voorbeeld). Het verhaal van Abraham is geen voorbeeld of een mythe waar we iets uit kunnen leren, maar het geeft getuigenis van zijn geloof; wat dàt vermag!

b.      We zijn niet één met alle heiligen in liefde en in hoop, maar in geloof. Dit verschil in refrein tussen hebreen 11 en lied 103 is tekenend.

c.      De belangrijke verzen 39 en 40 worden niet berijmd.

d.      Vers 1 van hoofdstuk 12 wordt wel berijmd maar vers 2 (het zicht op Christus) niet!!!!

e.      Dit lied is niet tekst- en schriftgetrouw (Acta Hattem, art 144)

f.       Het tekstgedeelte is naar zij aard, plaats en functie niet geschikt om te zingen in de liturgie (Acta Hattem art 171).Het lied gaat los van zijn context een eigen leven leiden.

 

Lied 103 maakt van Hebreen 11 een oppervlakkige, exemplarische-moralistische toepassing en verzwijgt de beloofde Christus. Over Hém gaat het en dat verzwijgt dit lied!

 

Lied 103, "De heiligen, ons voorgegaan", komt wel voor in de selectie (nr. 16). Het deed ons denken aan lied 3. Muus Jacobse (dich­terspseu­doniem van K. Heeroma) heeft in drie strofen de essen­tie van Hebreeën 11 willen vatten. Al die geloofsgetui­gen hadden gemeen dat zij "geloof­den dat Gods hand / die hen tot daar geleid had / in 't beter, hemels vader­land / een stad voor hen bereid had"; "Zij trokken uit als Abraham, / door God de Heer geroe­pen / zonder te weten waar hij kwam, / om 't land van God te zoe­ken."

Deze simplificatie - niet állen trokken immers uit hun land weg - is niet toevallig! We herinneren ons nog goed dat dit in de jaren zestig een geliefd beeld was in de 'kerken van het Lied­boek': zoals Abraham uit zijn land vertrok naar een onbekend land, "en zijn kompas was een enkel woord", zo gaat ieder die ge­looft, die Gods woorden hoort en volgt, een reis in het onge­wisse beginnen. Ter vergelijking dit lied van Jan Wit, dat in die jaren heel populair was:

Door de wereld gaat een woord,

en het drijft de mensen voort.

Breek uw tent op, ga op reis

naar het land dat ik u wijs.

(Men bleek dat in te ­vullen als een breken met je bepaaldheid door natuur, afkomst, cultuur met z'n burgerlijke zekerhe­den, het 'avontuur met God' aangaan, een pelgrims­tocht naar het wenkend perspectief van een volmaak­te aarde. Dat komt ook uit in de volgende verzen. En onderweg zong je jezelf moed in met het refrein:)

Here God, wij zijn ver­vreem­den

door te luistren naar uw stem.

Breng ons saam met uw ontheem­den

naar het nieuw Jeruza­lem."

Dát vind je in zowel lied 3 als lied 103 terug.[84]

 

Lied 103 is geschreven n.a.v. Hebreeën 11, maar licht er vnl. de verzen 8-10 en 13-16 uit, én 39 (40 weer niet). Het gaat over de hoofdstuk­grens heen; 12 : 1 vinden we terug in strofe 3: "zij spreken en getuigen nog / om ons geloof te sterken,/ dat wij omgeven door de wolk / de weg ten einde lopen,/ één met het heilig trekkend volk / in liefde en in hope."

Wat missen we hier het vervolg: "Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs," enz.! Wil je een nieuwtestamentisch lied zingen, en kies je dan Hebreeën 11/12, dan ligt het immers voor de hand déze verzen te berijmen: dáár ging het de schrijver om. Het lied dat er nu ligt, is zo armzalig. Op z'n best oudtesta­mentisch. Waar komt in dit lied uit dat "God iets beters met ons voorhad" (11 : 40)?

Kortom: wij vinden dat het de context geen recht doet, omdat het het perspectief naar Chris­tus toe mist.

Interessant is wat Heeroma zelf in 't Compen­dium schrijft. Toen de bundel in eerste aanleg voltooid was, merkte iemand ("Jan Wit?") op dat er nog een lied op de 'heiligen' ontbrak. Vandaar dit lied.

De derde strofe is omgewerkt met assis­tentie van Jan Wit en daarbij is de 'wolk van getuigen' uit Hebraeën 12 : 1 erin gekomen. De leidende gedachte van het lied is echter stel­lig de verbonden­heid van de gemeente die wij zijn met 'de heiligen, ons voorge­gaan'. Dat zit ook in het refrein, als bij alle refreinlie­deren het eerst geschre­ven en dus het dichter­lijk uitgangspunt (...) Wij zingen in de kerk sámen met allen die ons zijn voorgegaan, wij zingen, in hun spoor mee­trekkend, hun achterna naar ''t beter, hemels vader­land'; Gezang 103 is, evenals Gezang 11, een reislied, een treklied.

 

 

 

Lied 106: Het einde aller dingen is nabij

De Reformatie, jrg.74, pag.373

Reformanda jrg.11, pag. 139

 

alg:      Lied 106 is een zogenaamd bijbellied, een berijming op 1 Petr. 4:7-11. Helaas kunnen wij niet vaststellen dat het in alle onderdelen tekstgetrouw is. Ook bevat het lied onschriftuurlijke elementen

vs 1 “liefde dekt alle ongerechtigheden” In Petr. 4:8 staat echter “want de liefde bedekt tal van zonden” dus niet àlle zonden.

vs 2     ”maakt om u heen het heil des Heren waar”. Dit doet denken aan een kerk die het heil in deze wereld uitdeelt. Het is echter de Here zelf en niet wij, die het heil des Heren waarmaakt! Wij mogen  het heil in Christus verkondigen, maar kunnen het niet uitvoeren, dat doet Christus.

vs 3 r.1,4 “Als iemand spreekt, hij spreke vrank en vrij” dit staat er echt niet. Vs 11 van 1 Petr. 4 zegt iets heel anders: “Spreekt iemand laten het worden zijn als van God”  Het gaat in ons spreken niet om vrijmoedigheid maar om in geloofsgehoorzaamheid en in grote verantwoordelijkheid! Als iemand spreekt, dan zó dat hij de uitspraken van God verwoord (P.H.R. van Houwelingen: 1 Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, Kok, Kampen1991, p.158) Later in r.4 staat “Woord van zijn Woord” daarmee wordt iets teruggevonden van de tekstvan vs.11, maar het staat er vaag en het blijft onduidelijk of het hier gaat om gevolg of inhoud van de verheerlijking van God. Terwijl het door God geleide spreken en dienen juist als middel tot Gods verheerlijking wordt beschreven in de Schrifttekst: …opdat in alles God verheerlijkt worde

            r.4 "Genade voor genade" dit klinkt te veel als een tegenprestatie of een soort ruil. Genadegaven gebruiken ten dienste van anderen is wel het gevolg van Gods genade (‘rentmeesterschap’), maar kunnen toch niet als een tegenprestatie, als ruil gelden. (1 Petr. 4: 10: “als rentmeesters over de velerlei genade Gods”)

>> art.37 NGB

 

 

 

Lied 107:

De Reformatie, jrg.74, pag.497

 

Str. 1 ‘onderwerping aan de oudsten’ is eruit gehaald - vooral geen gezag! Str. 2: we missen het fundament: want Hij zorgt voor u...Str. 3: de vijand blijft in ‘t vage. En de grenzen van de broederschap zijn opgelost: ‘t lijden dat ... ter wereld wordt volbracht.

 

 

 

Lied 110:

De Reformatie, jrg.73, pag.457; jrg.75, pag.907

Nader Bekeken, jrg.5, pag.45

 

 

 

Lied 113: Ik zag een troon

De Reformatie, jrg.74, pag.323,755

Nader Bekeken, jrg.6, pag.69

Reformanda jrg.11, pag.91,103

 

alg: Lied 113 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 20:11-21:4. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden.Het lied ademt geheel de geest van het universalisme: het heil voor alle mensen. In Openb. 20:14,15 staat: ”En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs. En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs”. Deze tekst met het oordeel van de tweede dood, dat toch ook onmisbaar is voor het evangelie is ontbreekt geheel in lied 113. Laten we wel bedenken dat voor dit geselecteerd omgaan met Gods woorden, de woorden uit dit bijbelboek moeten worden overwogen: Openb. 22:19 “en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”

vs 1     Er wordt voorgesteld dat de troon (of Hij die daarop zit) zo ruimtevullend is dat er voor de hemel geen plaats meer is. Het licht van Degene die op de troon zit laat de aarde verdwijnen. Het is alsof wordt gesuggereerd dat Gods majesteit de schepping wegdrukt. Openb. 20:11 geeft echter een  beeldend visioen over de indrukwekkende verschijning van de Here, waarvoor niets en niemand staande blijft..

vs 2     r. 5,7 “het donker” en “de diepte” duiden hier op de eerste dood die haar doden prijsgeeft en niet op de tweede dood. Naar deze tweede dood ontbreekt elke verwijzing

vs 4 r.4 “opnieuw een wereld”: Volgens Gods Woord worden de hemel en de aarde nieuw=vernieuwd, maar niet geheel nieuw als bij een nieuw begin. Het prachtige vers van dit bijbelgedeelte ontbreekt: Openb. 21:3 “Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn …”

 

De verzen 12, 14 en 15 worden verzwegen, dit zijn de verzen in het hoofdstuk die gaan over het oordeel. Het geheel ademt duidelijk een sfeer van alverzoening. “Alle doden krijgen deel aan de vrede voor altijd”

Vers vier geeft een verkeerde voorstelling van zaken, het is niet zo dat er opeens een nieuwe wereld is, maar God vernieuwd deze aarde!  Ook het allermooiste vers van dit bijbelgedeelte ontbreekt (God zal bij ons wonen).

 

conclusie: Christus’ kerk spreke liever haar Koning na in Zijn openbaring dan dat ze dit lied meegaat zingen.

 

Str,4: niet alleen bevrijdend is het laatste oordeel, maar ook schrikwekkend: Openb.20:14,15, art.37 NGB. Openb.20:12b ontbreekt in str.3, r.4,5 en wordt daardoor een sfeer van alverzoening. In str.4 ontbreken alle elementen uit Openb.21:1-3 en in r.6,7 staan woorden die niet bij de nieuwe, maar bij de oude wereld horen.

 

 

 

Lied 114: Ik zag een nieuwe  hemel zich verheffen

De Reformatie, jrg.74, pag.636; jrg.75, pag.141

Nader Bekeken, jrg.6, pag.4, 69

Reformanda, jrg.10, pag.397,552

 

alg:      Lied 114 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 21:1-4. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden, het is een vrije omschrijving met oneerbiedige tekst.

vs 1     r.3 “om het geheim des levens te beseffen” wat betekent dit in relatie tot “een nieuwe aarde die ontstond”?

     r.7,8 “zoals het in Gods dromen als vanouds moet zijn geweest” God maakt geen dromen, hij maakt plannen. Het is niet eerbiedig om over God te zingen dat hij van het nieuwe Jeruzalem gedroomd heeft, als Hij dat Zelf niet heeft aangegeven in Zijn Woord.

 

Teveel poëtische vrijheid <> Openb.19:6-10

Gods dromen?

 

 

 

Lied 115: Die op de troon zat zeide

De Reformatie, jrg.76, pag.17

Nader Bekeken, jrg.6, pag.69

 

alg:      Lied 115 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 21:5-8. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. De duidelijke biibelse taal over de tweede dood is afgezwakt; de opsomming van zondaren verwordt tot mensen met aanzien, geld en macht. In het Compendium geeft Bernard aan waarom hij dit heeft gedaan, vers acht laat zich, zo zegt hij, moeilijk zingen, hij heeft het daarom slecht terloops ter sprake gebracht (zie Nader Bekeken maart 1999).

vs 1     r.5,6 “Al wat er moest vervallen, stierf in der getijdenkring” is dit een berijming van Openb. 21:4b“want de eerste dingen zijn voorbij gegaan”??

vs 3     r.3 “nu zal in ‘t niet verzinken”: dit is de afgezwakte berijking van  Openb. 21:8 zegt: hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.   

      r.4: “aanzien en macht en geld”  , zo vertaalt de dichter op horizontalistische wijze de opsomming in Openb. 21:8: “de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars”.

vs 4     r.4 de poel van vuur en zwavel wordt hier afgezwakt tot de poel van de leugen.

 

 

Een bijbellied naar Openbaring 21 : 5-8, gedicht door W. Barnard, op een niet erg bekende melodie (EKG 311, zie ook LvK 288).

WB: "... wil dit een vertolking van het tweede viertal verzen zijn. Met dien ver­stande, dat het achtste vers zich moeilijk zingen laat. Het is dan ook maar terloops aangegeven in de vierde strofe van dit gezang."

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Archaïserende taal. Veel eigen interpreta­tie; niet in de bijbel­tekst te vinden zijn bijv.:

str. 1: "Al wat er moest vervallen,

stierf in der tijden kring"

- niet erg duidelijk; wrsch. al wat verdwij­nen moest, is ondergegaan in de tijd.

str. 2: "Hij, God, sluit alle plaatsen

 en alle tijden in"

- klinkt filosofisch, niet bijbels.

str. 3: "nu zal in 't niet verzinken

aanzien en macht en geld"

- een van de stokpaard­jes van het 'Land­volk'.

str. 4: "der waarheid kind"

- in Openb. staat: "hij zal Mij een zoon zijn"; waarom deze verandering? Misschien om de tegenstelling met

"maar wie Hem niet wil vrezen

een poel van leu­gen vindt"?

Inderdaad een heel ter­loopse aandui­ding van vs 8; en 't klinkt minder erg dan 'poel die brandt van vuur en zwavel'; liever gezegd: het blijft binnen onze eigen hori­zon, ja binnen de taal (Landvolk!): wie de leugen wil, verdrinkt erin - ofzo. De rest van str. 4 is ook eigen vinding van WB.

Vanaf str. 2 zijn het niet meer woorden, gesproken door Hem die op de troon zit, maar woorden óver Hem. In str. 4 moet het perspectief wel dat van onze eigen tijd zijn: "God zal...". Blijkbaar heeft WB het zo moei­lijk met het oordeel in vs 8, dat hij er spon­taan een oproep tot bekering aan ontleent. In de bijbeltekst gaat het juist om de onbekeerlij­ken.

b. boodschap van het lied:

De boodschap is minder helder dan die van Openb. 21. Door zijn eigen accenten heeft WB de eerste helft van de tekst een filoso­fisch kleurtje gegeven en de tweede helft vervangen door een oproep tot beke­ring óm het oordeel maar te ontgaan.

c. beoordeling:

Negatief. Met name om de fantasieën en om de afzwakking van vs 8. Het is 'op zich' niet vreemd dat WB zich verwijdert van de tekst: met alle vier strofen in Ik-vorm zou het niet voor gemeente­zang in aanmerking komen. Maar hij verzint er teveel bij.

d. verrijking?

Naar mijn gevoelen kun je deze pericoop eigen­lijk alleen maar (voor)lezen en niet zingen. Je kunt hoogstens een lied zingen waarin elementen uit de tekst verwerkt zijn. Maar dan wel anders dan hier.

 

 

 

 

Lied 119: Richt op uw macht, o Here der heirscharen

De Reformatie, jrg.74, pag.373

 

alg:      alverzoeningsleer met de zaligheid op deze aarde

vs 1      r.1 “Richt op uw macht, o Here der heirscharen”. God is almachtig, zijn macht hoeft toch niet worden (op-) gericht, in stelling gebracht? We kunnen wel bidden: Here toon uw macht.

      “opdat de nacht zal wijken uit het land” Gebeurt dit doordat het volk van God wordt bewaard (r.3)? De kerk is wel een licht op een kandelaar, een stad op een berg: daar moet men dan heen, want daar wordt het heil verkondigd! maar ‘het land’ wordt zelf niet vernieuwd. Duidt dit op een soort voortrekkers rol voor de kerk in de wereld, met alverzoening (zie ook vs 2)?

vs 2     r.3 “Dan zal het land de rijkste vruchten geven: de vijgeboom en wijnstok van de trouw” Daar bekruipt ons dezelfde gedachte: komt hier niet de gedachte van universalisme (het heil voor iedereen, en op déze aarde) naar boven? Want wat wordt bedoeld met ‘het land’. In het O.T. was dat duidelijk: Het land van de belofte; in de N.T. betekent dit toch de nieuwe hemel en de aarde?

vs 4     r.4 Wij zullen altoos van uw heil gewagen in brood en wijn, totdat Gij wederkomt” De dichter een R.-K. theoloog verwijst hier naar de Roomse Mis: heil in brood en wijn (wijst op transsubstantiatie) i.p.v. met of door  brood en wijn.

vs 5 r.2,3 “de volkeren (…) ze zullen allen voor uw aanschijn komen en zingen dat uw woorden niet vergaan” Voor een oordeel en gericht van onze almachtige God is in dit lied geen plaats.

 

Tom Naastepad was r.k. kapelaan in Schie­dam toen hij van W. Barnard het verzoek kreeg adventsliederen te schrijven. Twee daarvan zijn in het LvK terechtgekomen: de nrs. 119 en 123.

Dit lied is voor de eerste zondag van Advent, waarop het collectagebed begint met: "excita Domine potentiam tuam". Ook is dan Psalm 85 aan de orde. De evangelie­lezing is uit Lucas 21 : 25-33; de zondag daarvoor ging het over de verwoes­ting van land, stad en tempel in Matt. 24 : 15-35. Dat alles is terug te vinden in dit lied, waarvan elke strofe begint met "Richt...": richt op, richt aan, richt.

TN tekent nog aan bij strofe 5: "(In Lucas 21 gaat het) over de tekenen, die voor de volken bedoeld zijn, de goyim, die altijd nog de sterren en de hemellichamen aan­bidden als lotsbepalers: alle creaturen zullen knechten zijn en belijden, dat alleen zijn woorden niet vergaan. Maar zíjn woorden zijn dan ook geen lotsbepalers; zij geven ons een bestem­ming, in vrijheid, tégen het lot en tégen elke ondergang" (Comp).

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Een hechte structuur m.b.v. het woordje 'richt'.

Zeer dichterlijk, maar vreemd: "laat uw hulp ontwaken uit uw hand" - alsof het om een per­soon ging;

"uw heil voor wie in onheil leven" - nieuw ge­bruik van 't woordje onheil;

vruchten bestaande uit "de vijgeboom en wijnstok van de trouw" - niet helemaal zuivere beeld­spraak;

"richt op uw woning" en "wees ons een tempel" lijkt me moeilijk te combine­ren;

"roep onze namen" - dat doet denken aan lied 1 en is even onduidelijk;

"de vreugdedis voor al de dagen" - het dage­lijkse misoffer?

"uw heil... in brood en wijn" - toch ook de r.k. opvatting?! (bij brood en wijn had wel ge­kund);

str. 5: "richt over..." wordt alleen 'positief' ingevuld: alle schepselen zullen zingen (dat doen ze niet als ze zich knarse­tandend moe­ten overgeven) "dat Gods woorden niet ver­gaan". Wat wordt precies bedoeld met dat laatste?

b. boodschap van het lied:

Het lied is alleen goed te begrijpen vanuit (de lezingen bij) het kerkelijk jaar. Toch wel een eenheid: een gebed tot de Here om zijn macht te tonen in hulp aan zijn volk, in heil dat Hij geeft, in tempel­bouw (aanwezigheid in de kerk), in het aanrich­ten van zijn tafel (mis) en in zijn komende gericht.

c. beoordeling:

Typisch adventslied (in roomse zin): hier wordt door de gemeen­te o.a. gevraagd om wat ze, als 't goed is, allang ontvangen heeft in Christus: hulp (de 'nacht' ís gewe­ken), heil (wel niet in volmaakt­heid nog, maar het hoeft niet meer 'aangericht' te worden), Woord en sacrament in zijn gemeente waar Hij wonen wil.

Het is ook typisch rooms in opvatting van het HA.

De 'nacht', het 'onheil' blijven neutraal; dat wij van onze zónden verlost moesten worden, dat blijft tot het eind buiten zicht, t/m het laatste gericht.

d. verrijking?

Nee. Zie c. Wij hoeven toch niet rooms te zingen?

 

 

 

Lied 122: Kom tot ons de wereld wacht

De Reformatie, jrg.74, pag.168

 

alg:      onschriftuurlijk magisch herbeleven

Dit lied zingt alsof wij aan de kribbe staan (vers 4) dit is echter niet het geval, Christus is reeds opgevaren naar de hemel. Zijn menswording behoeft geen herhaling, het is volbracht! De theologie die hierachter zit pleit voor herbeleving van Gods heilsdaden, een heel vreemde en onschriftuurlijke manier van herdenken. Het past goed bij de huidige zucht naar beleving en gevoel, maar is niet goed!

 

vs 1     Komt tot ons, de wereld wacht, Heiland, kom in onze nacht.”Roept Christus op mens te worden en zingt alsof wij aan de kribbe staan. Dat is echter voor ons niet het geval! Christus is opgevaren naar de hemel, en wij verwachten zijn terugkomst. Dàt is onze advent. De theologie die hierachter zit pleit voor herbeleving van God’s heilsdaden. Dit is iets anders dan Gods grote daden die Hij in het verleden gedaan heeft gedenken. Van dit ‘actualiseren’ gaat een suggestief mystiek gevoel uit, alsof wij bezig zijn met “kindje-wiegen in Bethlehem”. Het is afkomstig van Rooms denken waarbij de verwevenheid van de gelovige met de heilsfeiten zelf al een instrument is om het heil door te geven (vergelijk Franciscus van Assisi die de merktekenen van Christus bij zichzelf ging opmerken). Maar het is God die ons door Zijn Woord het heil aanreikt. Tegen magisch denken, dat op zich ook erg oneerbiedig gericht is tegen Christus in de hemel, moeten wij blijven waken ook in onze liederen.

vs 2     Kind dat uit uw kamer klein (…) op de aarde wordt gesteld”: onverklaarbare tekst: Jezus komt een kamertje de aarde op.

vs 4Uw kribbe blinkt in de nacht met een ongekende pracht, Het geloof leeft in dat licht   waarvoor al het duister zwicht.” Onschriftuurlijke romantiek: de kribbe blonk niet, en deze blinkende kribbe geeft ons het geloof niet. Dit is magische taal, waarmee we onze Here Christus niet mogen toezingen.

 

“Gij daalt van de Vader neer”, moet zijn daalde neer, het gaat immers over de menswording.

 

Oorspr. Ambrosiaanse kersthymne, door Luther ingekort tot 5 strofen ("Nun komm, der Heiden Heiland", EKG 1). De vertaler, Schulte Nordholt, had het niet gemakke­lijk: Luthers lied "is geschreven in een wat duistere taal en heeft daardoor altijd veel critiek ontmoet maar is toch, of misschien wel daar­door, zeer populair geworden" (Comp).

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Inhoud: In str. 1 wordt aan het Kind gevraagd te komen; het "licht dat in de nacht begint", dat "uit uw kamer klein" treedt als de opgaan­de zon, als een held, en via aarde en hel terug­keert tot de Vader. Voor het ongekend prachtige licht van de kribbe wijkt al het duis­ter, en het geloof leeft in dat licht. Lof aan de Drieënige God.

Alles in de tegenwoordige tijd-vorm; met "de hel zijt doorge­gaan en hemelwaarts opgestaan" in voltooide vorm. Vreemd! Het doet me denken aan het vertonen van een serie dia's. Het is per 'plaatje' even statisch. Moet ik me bijv. bij str. 4 een kerststalle­tje voorstellen, met lichtge­vende kribbe?

b. boodschap van het lied:

Comp: Thema: kom Verlosser! - Maar dat komt alleen in de aanhef uit. Verder geeft het kort, in verwarrend perspectief, de grote heilsfeiten tot en met hemelvaart weer in str. 3 en 4.

Str. 4 geeft het bekende beeld van een lichtge­vende kribbe en str. 5 een doxologie. Het licht-motief (str. 2, 4) is door de vertaler ook in str. 1 ingebracht.

'Onze nacht', is weer neutraal; in het hele lied wordt niet echt duidelijk waarvoor Christus op aarde kwam.

c. be­oorde­ling:

Al is het dan van Luther, ik kan het niet zeer waardevol vinden. Het is heel vreemd het Kind te roepen, terwijl je weet dat de Man nu in heerlijkheid aan 's Vaders rechterhand zit.           d. verrijking?

Nee. We hebben in ons kerkboek wel betere liederen, als we Christus' komst op aarde willen bezingen.

 

 

 

Lied 124: Nu daagt het in het oosten

De Reformatie, jrg.

Reformanda, jrg.8, pag.550

 

alg:        Vage tekst: “Nu daagt het in het oosten” We zingen over ‘nu’, over ‘dagen’, en over ‘in het oosten’: Kunnen wij dit lied wel zingen als NT kerk??. Dit lied verplaatst ons weer in wat mistige en mystieke taal naar de tijd vóór de komst van Christus.

 

a.      De tekst lijkt schriftuurlijk. Zulke bewoordingen over de vervulde belofte uit Jesaja 9 hadden we nog niet.

b.      De tekst is wel wat vaag. Dáágt het nu in het oosten? Daagt hét nu in het oosten? Daagt het nù in het oosten? Daagt het nu in het óósten?

c.      Het is geen bruikbare verrijking van de psalmen die we al hebben, daar zijn betere kandidaten voor.

 

 

 

Lied 125: O, kom, O kom, Immanuël

De Reformatie, jrg.74, pag.124,190

 

alg:      vage namen van Christus

vs 1     r.1O kom, o kom, Immanuel”: wat roepen we hier om de eerste komst van Christus, of om de wederkomst van Christus. Of roepen we om iets anders? Wanneer de eerste komst geldt dan zij verwezen naar de bezwaren van herbelevenm genoemd bij lied 122

vs 2 r.1 “O kom, Gij wortel Isai”  Wie is wortel Isaï: Isaï zelf of zijn voorvader = wortel van  Isaï (…)?

      r.3O Herder, sla de boze leeuw” de boze leeuw is onduidelijke niet in de Schrift voorkomende omschrijving voor de satan. De leeuw van Juda = de Here. De slang / de wolf staat voor de satan. Wel gaat de duivel rond als een briesende leeuw

vs 3     r.1O kom, o kom, Gij Orient”, Orient = oosten. Uit het oosten komt de zon, het licht. Onduidelijke aanduiding.

vs 5        r.1.2 O kom, die onze Heerser zijt, in wolk en vuur en majesteit”: zijn dit O.T. beelden voor Jahweh?

 

Dit lied is van W. Barnard, gedicht naar het (waarschijnlijk) 12e eeuwse "Veni, veni, Em­ma­nuël".

"De oorsprong van dit lied ligt in de La­tijnse liturgie, in het brevier. Men vindt daar bij de aanwijzingen voor Advent een aantal bijzon­dere antifonen, keerverzen bij het Magnifi­cat in de vespers. Wanneer dan 's avonds die Lofzang van Maria werd gezongen voegde men daar van 17 tot 23 december telkens een kort gebed tot haar Zoon aan toe, hem noe­mende met om­schrijvin­gen uit de profetische boeken(...): (vertaald) wijsheid, gebieder, wortel van Jesse (Isaï), sleutel van David, opgaande Zon, koning der volkeren, Emma­nuël" (Comp). Vijf daarvan zijn tot lied ver­werkt. De correspon­derende Schriftcitaten zijn Jesaja 7:14, Jesaja 11 : 1-10, Maleachi 4 : 1-3, Jesaja 22 : 20-22 en Deut. 10 : 17-21. Het refrein luidde: "Gau­de, gaude, Emma­nuel nascetur pro te Israel" (wees blij, wees blij, Immanu­el zal voor u geboren worden, Israël!) - en dat past weer mooi bij zondag Gaudete, de derde zondag van Advent.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: Immanuël - "God met ons":

dit vers herinnert ook inhoudelijk aan Jesaja 7: waar men naar uitziet dat is een verlossing van (aardse?) ellende.

str. 2: Wortel Isaï - zie Jesaja 11 : 10.

De dichter denkt duidelijk ook aan de herder David, Isaï's zoon:

"verlos ons van de tyrannie,

van alle goden dezer eeuw,

o Herder, sla de boze leeuw".

Vergelijking met de context in Jesaja 11: daar gaat het vooral over het recht dat Hij zal doen zegevieren.

Waar denkt WB aan bij 'goden dezer eeuw' - ik vermoed: nazisme, com­munis­me, kapitalisme enz.

str. 3: Oriënt - opgaande zon:

"maak uw licht alom bekend,

verjaag de nacht van nood en dood"

- in Maleachi 4:3 staat: "Maar voor u die mijn naam vreest (tegen­over de overmoedi­gen en goddelozen die in het vuur van het gericht zullen omko­men), zal de zon der ge­rechtigheid op­gaan".

str. 4: sleutel Davids - zowel in Jesaja 22 (over Eljakim) als in Openbaring 3 : 7 gaat het over de drager van de sleutel van (het huis van) David; vreemde beeld­spraak dus.

In Openba­ring wordt de deur geopend, "want gij hebt kleine kracht, maar gij hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloo­chend."

str. 5: Heerser, Adonai - Ook in Deutero­no­mium 10 staat de context vol met het vrezen en dienen van de Here.

Daarvan vind je in dit lied niets.

b. boodschap van het lied:

De bede tot Christus om zijn komst; Hij zal een einde maken aan ellende, tyrannie, nacht, nood en dood, en het nieuwe Jeru­zalem toegankelijk maken.

Geen spoor daarbij van zondebesef en van de noodzaak van verzoening door Hem.

c. beoordeling:

Ik vind het vreemd om zo 'oud-testamen­tisch' de nog niet gekomen Christus toe te zingen. Dan kun je trouwens beter veel psalmen zingen.

Zou je het toepassen op zijn tweede komst, dan valt des te meer het horizontale van de verwach­ting op. Want in dit lied zijn ellende, tyrannie, nood en dood neutraal: niets wijst erop dat Hij moest komen om van zonden te verlos­sen. Ook wijst niets op het besef dat de beloften van zijn komst en van het heil dat Hij brengt in de con­text staan van de vreze des Heren.

d. verrijking?

Nee. Het is een lied dat mensen 'in het donker' zeker zal aanspreken, maar het het biedt, met al z'n bijbelse woorden, geen echt bijbels perspec­tief.

 

 

 

Lied 126: Verwacht de komst des Heren

De Reformatie, jrg.75, pag.200

 

alg:      onschriftuurlijk herbeleven komst van Christus, alsof nú de Vorst op aarde komt

vs 1        r.7: “ons eigen leven vraagt toegang tot ons hart”? als “ons eigen leven” betekent: het eigenlijke leven in Christus, moet hierbij worden opgemerkt dat Christus eerst woning in ons hart maakt, waarna wij Hem aannemen als onze verlosser

 

“Nu komt de Vorst op aard. Die God zijn volk zou geven; ons heil, ons eigen leven, vraagt toegang tot ons hart” Wij moeten volgens dit lied Gods daden beleven alsof ze nú gebeuren. Wij moeten Hem daarbij toegang geven tot ons hart. Hij vraagt die immers? Maar dat is een verkeerde manier van gedenken. Bovendien vraagt Christus geen toegang tot ons hart, Nee Hij woont met Zijn Heilige Geest in ons hart. Dat is Zijn geschenk. Wij nemen Jezus niet in ons hert.

Vers 2, de weg die Christus op aarde ging, gaat Hij niet nogmaals laat staan dat wij zijn wegbereiders zouden zijn. Wij niet maar Johannes was de wegbereider, dat kan niet nogmaals!

Vers 3, Wij wachten niet in ootmoed op Gods heil, Hij roept ons tot Zijn heil, Hij koos ons uit, niet wij kozen Hem uit!

Pas nadat God in ons woning heeft gemaakt vragen wij naar Zijn gebod en niet andersom zoals in dit lied wordt voorgesteld.

 

Oorspr. "Mit Ernst, o Menschenkinder" van Valentin Thilo; vertaald door Ad den Besten. Vgl. NH-1938 Gezang 6: "Bereid, bereid uw harten".

"Onder de adventsliederen is dit een van de zeer weinige boeteliede­ren. De komst van de langver­wachte Heiland der wereld wordt hier wel zeer persoonlijk ingewacht: het gaat geheel en al om de enkele mens en zijn ontvankelijke of nog niet tot ont­vankelijkheid geneigde hart" (Comp). Toch ook wel universe­ler perspectief in de herinnering aan Jesaja 40.

Er is een strofe weggelaten, met stalmotief:

"Laat dit bestaan uw stal,

dit hart uw kribbe wezen,

opdat nu en nadezen

ik U lofzingen zal."

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: "ons eigen leven" klinkt niet goed: het is leven van búiten onszelf dat naar ons toe­komt. Ook vreemde beeldspraak: ons eigen leven vraagt toegang tot ons hart?

"Nu komt de Vorst op aard" - dat slaat wél op de eerste komst van Christus, maar wordt verder uitgewerkt als komen in je hart.

str. 3: "Een hart dat wacht in ootmoed..." - deed me denken aan 1 Petrus 5 : 5: "Want God weder­staat de hoogmoedigen, maar nederigen geeft Hij genade" - alleen staat dat in het kader van nede­righeid jegens elkaar.

"lieflijk voor de Heer" - is dat hetzelfde als gena­de? Het klinkt nogal 'verdienste­lijk'.

"het heil, de Zoon van God" - vreemde neven­schikking; Hij wordt zo vrij onper­soonlijk.

b. boodschap van het lied:

Bereid je hart voor de komst van de Here, opdat Hij woning zal maken in je hart. In beelden ontleend aan Jesaja 40 en aan de woorden van Johannes de Doper. (Niet zo­zeer opruiming in je léven, als wel in je hárt.)

c. beoordeling:

Ruimte maken opdat Jezus in je hart kan komen wonen - het is de boodschap van piëtistisch advent; ook zonder de stal-strofe is dat duidelijk. Het "Nu komt de Vorst op aard" (str. 1) verbon­den met de oproep tot bekering klinkt beter dan veel andere advents­liederen; toch blijf ik moeite hou­den met dat 'Nu'.

d. verrijking?

Het komt in de psalmen ook voor, zij het zonder de innig hart-elijke toepassing van dit lied (bijv. Psalm 24). In de psalmen is het perspectief vaak wel wijder. Wij moe­ten niet de Chris­tus-van-toen ontvangen, maar de verhoogde Koning dienen, van harte.

 

 

 

 

Lied 127: Gaat, stillen in den lande

De Reformatie, jrg.74, pag.655, jrg.75, pag.222

 

alg:        Dit lied zin­speelt duidelijk op de intocht van de Here Jezus in Jeru­zalem (Matt. 21, vs 1-11). Hier worden de gelovigen opgeroepen om in een soort herhaling van de heilsgeschiedenis Jezus (die wonderen doet, vs 1) die komt aangereden (vs 1,6) het Hosanna toe te roepen (vs 1,7). Het is niet verantwoord zo’n vermenging van beelden te zingen: magisch herbeleving van historische feiten vermengd met toekomst beelden.

Wederom dus de heilsfeiten van lang geleden hèbben reeds plaatsgevonden. We moeten niet doen alsof Christus steeds weer komt aangereden. Gelukkig geldt dit lied dan ook de stillen in den lande (vers 1), zolang die inderdaad stil blijven is er niet aan de hand met dit lied.

 

 

 

Lied 135: Hoor, de englen zingen de eer

De Reformatie, jrg.74, pag.636

 

alg:      Herbeleving van historische feiten, “zingt met algemene stem voor het kind van Bethlehem” Wij als NT kerk willen echter zingen voor onze opgestane Heer in heerlijkheid, die tevens als het Lam dat geslacht is, voor Gods troon staat!

Het lied laat ons zingen alsof het heilfeit van Christus geboorte nu nog moet plaatsvinden. Wij zingen niet meer voor het kind van Bethlehem! Wij horen geen engelen meer! Wat is trouwen zingen met algemene stem? Christus wordt niet geboren, Hij is geboren.

 

vs 3     r.2,4 “die op aarde vrede geeft” “taal en teken in de tijd” Deze uitdrukkingen passen in het denken van liedboekdichters: het bereiken van wereldvrede, waarbij Christus’ werk opgaat in het voorbeeld zijn van nederigheid en zelfopoffering. Het volbrengen van Gods wil in volmaakte  gehoorzaamheid en het brengen van Zijn kruisdood als verzoening voor onze zonden, komen in deze dwaalleer niet voor. Weliswaar is Christus in de Schrift een teken genoemd (Lucas 2:34) van Gods liefde. “Taal en teken” is echter een woord-combinatie van de Landvolkdichters zelf die een goddelijke dimensie aanduidt die in woord en gedicht naar boven komt (magisch element). De landvolkdichters spreken vaak over Christus als teken (voorbeeld) van gehoorzaamheid. Hier duikt een dwaling op die we in veel liederen in het liedboek tegenkomen.

 

Oorspr. "Hark, the herald angels sing" van Charles Wesley ('vader' van de metho­dis­ten), vertaald door W. Barnard. Vgl. NH-1938 gezang 25. De derde strofe is eigen­lijk geen vertaling, maar 'restauratie' van de tekst uit NH-1938.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Duidelijk dramatiserend: hoor! voegt u..., enz. Alle volken worden opgeroepen met de enge­len te gaan meezingen, voor het kind van Betlehem; str. 2: hij wordt gebo­ren... - zie 3.1.3.

- "woord (kleine letter) dat vlees geworden zijt", vgl. str. 3: "Gij die ons geworden zijt / taal en teken in de tijd": doet denken aan lied 1 en lied 30: wat bedoelt hij?

De werkwoordsvorm 'zijt' in str. 2 is vreemd: het gaat over 'Hij'; het is geen gebed. Dat komt pas in str. 3.

In de tweede helft van str. 3 lijkt het wel of het kruis niet meer nodig is; alsof zijn komen in de wereld als zodanig al genoeg is voor onze wederge­boorte.

b. boodschap van het lied:

Zing mee voor het kind van Betlehem, dat 'taal en teken in de tijd' geworden is. Hij legt zijn glorie af opdat wij "ongerept en rein / nieuw-geboren zouden zijn": bedoelt hij de­zelfde ruil als Lied 147?

c. beoordeling:

Nader beschouwd zijn er teveel vaagheden of vermoedens van een horizontale bood­schap. In str. 3 krijg ik de indruk van een 'mythologi­seren' van de kerstbood­schap.

d. verrijking?

Nee; áls het goed bedoeld is, is het te vaag.

 

Een Engels kerstlied zit achter het bekende "Hoor de englen zingen de eer" (LvK 135, selectie nr. 44): "Hark, the herald angels sing" van Charles Wesley ('vader' van de methodisten). Ja, het present-stellen is weer dadelijk aan te wijzen in de titel!

We kennen het origineel niet. Maar W. Barnard vertelt zelf dat hij in strofe 3 "grote vrijheid betracht" heeft. Daarin is dan ook een heel eígen geluid te horen: "Gij die ons geworden zijt / taal en teken in de tijd" - hebt u enig idee wat hij daarmee wil? Samen met "woord (kleine letter!) dat vlees geworden zijt" in strofe 2 herinnerde het ons aan een 'Land­volk-mode' bespro­ken in 3.2.3 / 3.2.4.

 

Steeds sterker werd bij het toetsen onze verzuchting: zijn er uit de schat(!) van de kerk der eeuwen eigenlijk wel goede, schriftuur­lijke (en liefst ook nog poëti­sche) liederen beschik­baar?

 

 

Lied 139: Komt verwondert u hier, mensen

De Reformatie, jrg.73, pag.776

 

alg:      bevat onwezenlijke verbinding van de gelovige nu met de baby-staat van onze Heiland destijds in Bethlehem. Deze mystieke en zoete taal komen wij in Gods Woord zo niet tegen en moeten wij als niet schriftuurlijk verwerpen.

vs 2     “hoe men Hem in doeken bindt (…) Ziet, hoe ligt Hij hier in lijden”. Het binden in doeken is  op zich geen teken van lijden, wel als uiting van het feit dat Christus in nederigheid ons vlees heeft aangenomen.

vs 3        “geef mij door uw kindsheid raad, sterk mij door uw tere handen, maak mij door uw kleinheid groot”  zie commentaar hierboven onder alg.

 

a.  Er is een sterke tegenstelling tussen Christus' heerlijk­heid die Hij had bij de Vader en zijn nederige positie in de kribbe. Echter, is het liggen in de kribbe ook lijden?

b.  De suggestie van het gelijktijdig aanwezig in de kribbe en het wandelen op de vleugels van de wind (couplet 2) is vreemd.

c.  Onjuist is de aanroeping van het kind in de kribbe in cou­plet 3:

              'geef mij door uw kindsheid raad./S­terk mij  door uw te­re han­den,/ maak mij door uw klein­heid groot'.

     Christus is nu in de hemel en dient daar aangeroepen te worden.

 

Een 17e-eeuws kerstlied uit de contra-reformato­rische sfeer. "...verwondering over het wonder van de menswording Gods. Het is een gestileerde verwondering. De dichter kan maar niet genoeg krijgen van het paradoxale gegeven..." De derde strofe (met stal-motief) is weggelaten. "We heb­ben hier geenszins met naïeve vroomheid te maken, maar met een geraffineerd litterair spel" (Comp).

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

eerst twee strofen lang: komt, en vooral: ziet. Ziet dit kind, hoe het daar ligt in armoede , zwakheid, 'lijden', terwijl Hij God Zelf is. In str. 3 wordt gebeden om het tegendeel van die verne­dering: maak mij door uw kleinheid groot, rijk door uwe nood, blijde door uw lijden, levend door uw dood.

Dat lijden zou je binnen het vers (zie str. 2 r. 5) wel moeten zien binnen de kerst­scène - helemaal begrijpen doe ik het niet: zo'n zwaar-geladen woord - en niet aan het kruis. Maar via de laatste regel van str. 3 wordt dat opeens anders, schuiven met terugwer­kende kracht de beelden van kribbe en kruis ineen.

b. boodschap van het lied:

"Verwondering over het wonder van de mens­wor­ding Gods", de paradox. Het derde couplet is een gebed: Here Jezus, geef mij/maak mij... - hetzelf­de probleem als bij 135: maak mij door uw verne­dering (kleinheid, teerheid, banden, nood en lijden) groot, rijk, vrij, blij; dit was toch pas het begin! - Climax: 'maak mij levend door uw dood': zie 'details'.

c. beoordeling:

Het lied heeft eigenlijk maar weinig in­houd. Het is typisch barok-rooms, stelt het kerst­kind present. In het derde couplet bid je tot het Kind: geef mij door uw kindsheid raad, enz. Dat kán toch helemaal niet, dat meen je toch ook niet? Alleen de slotre­gels kunnen wel.

d. verrijking?

Nee! We hebben liederen met veel meer inhoud, als het om die laatste twee regels gaat (Gezang 14 bijvoorbeeld). En de rest is vooral werken op het gevoel.

 

 

 

Lied 140: Prijs de Heer die herders prijzen

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.218,655

 

alg:      lied ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit, alsof wij bij de kribbe staan en hetzelfde moeten doen wat de herders (“Prijs de Heer, die herders prijzen”) of de 3 wijzen uit het oosten (“Geef de koning van uw leven wat de koningen Hem geven”) deden op dat moment. Dit is anders dan levendig verkondigen, maar is uit op een nieuwe beleving door ons zelf. Dit staat op gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die ook in het NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is voorgehouden. Bovendien is de inhoud schraal en is geen duidelijke verwijzing naar het doel van Christus’ komst naar de aarde: het volbrengen van de verzoening met God.

vs 2     “Geef de Koning van uw leven wat de koningen Hem geven, breng uw schatten de verheven in de stal geboren Heer” Deze mystieke herbeleving is niet overeenkomstig wat ons in Gods Woord wordt voorgehouden als inhoud van ons loflied met betrekking tot onze Heiland (vergelijk b.v. de liederen uit het boek Openbaring), waarin Christus wel als het lam Gods maar nooit als baby wordt verheerlijkt.

 

a.      Vers  1, wederom wordt gezongen alsof Christus nú geboren wordt (vers 1). Dit is niet maar een slordigheid van de landvolkdichters, maar ze schrijven dit welbewust zo. Ze doen dit opdat wij de heilsfeiten gevoelsmatig opnieuw beleven, om zo door ons gevoel gesticht te worden. Dit is geen bijbelse vorm van gedenken.

b.      Vers 4 Christus voorstellen als uitverkoren is niet correct; alsof God een keus had. Er was er maar één die Verlosser en Middelaar kon zijn: Gods enige Zoon. (HC 6, vr.ant. 14).

 

Een oud, wrsch. 9e eeuws lied: Quem pastores laudavere; het is later samenge­voegd met een ander lied (Nunc angelo­rum gloria) tot het lied dat door W.Bar­nard vertaald is tot Lied 137. Schulte Nordholt (de dichter van Lied 140) be­treurt het dat de Interkerkelijke Ge­zangen­commissie dat eerste deel toch nog als zelfstandig lied wilde opnemen. Tegen zijn zin heeft hij dus heel goed naar de latijnse tekst moeten kijken.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

zie 3.1.8.

b. boodschap van het lied:

Oproep om Hem te prijzen die herders en enge­len prijzen (weer t.t.), om Hem te geven wat de wijzen Hem geven, om samen met alle heiligen te zingen en om ons hart aan Hem te wijden. Een tijdloos plaatje.

Vergelijking met de oorspronkelijke tekst levert veel verschil­len op: in het lied géén present-stellen van het kerstkind (verleden-tijdsvormen), maar wél nogal wat nadruk op Maria.

c. beoordeling:

Vergeleken met 137, dat puur rooms aandoet, heel wat schrif­tuurlijker... maar toch niet hele­maal. Vooral als je vergelijkt met de oorspronke­lijke tekst, valt een ombui­ging naar minder schriftuurlijke zegging op. Dat is tegen de norm van deputaten (p. 151).

d. verrijking?

Och, nee.

 

Verder geldt hier hetzelfde als bij de Schriftberijmingen: ze moeten in hun geheel schrif­tuur­lijk zijn; geen dwaling bevat­ten. Het is natuurlijk niet vanzelfsprekend dat oude liederen ook schrif­tuurlijke liederen zijn, net zo min als dat bij nieuwe liederen vanzelf spreekt.

Helaas valt bij toetsing van liederen uit het LvK het ene lied na het andere door de mand. Of dat al in het origineel zit, hebben we niet altijd kunnen na­gaan. We hebben wel de liederen uit het Evange­lisches Kirchen­ge­sangbuch (EKG) kunnen vergelij­ken, maar niet de Engelse en de latijnse hymnen (vnl. door tijdge­brek).

 

In één geval hebben we toch de latijnse tekst opgezocht, omdat we door de werk­woords­vorm in de titel gealarmeerd waren. Het gaat om LvK 140 (nr. 39): "Prijs de Heer die herders prijzen", dat komt van "Quem pastores laudavere", een lied met wortels tot in de negende eeuw.

Wij menen dat de letterlijke vertaling onge­veer zo zal luiden: "Hij, die gepre­zen werd door de herders, tot wie de engelen gezegd hadden: vreest niet! - Hij is geboren, de Koning der ere.// Hij, tot wie de koningen gingen, die goud, mirre en wierook brach­ten als een rein offer; de vorst der overwin­ning.// Laten wij Hem loven samen met Maria en de hemelse vorsten; met vrome stem moeten we Hem bejubelen, in lieflijke samen­klank. // Christus, de vleesgewor­den Koning, aan ons gegeven door ("per") Maria, wordt door dit lied toege­zongen: lof, eer en prijs."[85]

 

Vergelijking met de vertaling van Schulte Nordholt levert  diverse verschil­len op. De tegenwoordige-tijdsvormen waarin hij over herders en koningen spreekt, zijn in het latijnse origi­neel verleden-tijdsvor­men[86]; we worden in het oude 'Quempas' ook niet opge­roe­pen om 'te geven wat de koningen Hem geven'. Wél valt de sterke nadruk op Maria op.

Schulte Nordholt heeft zich in de vertaling blijkbaar zoveel mogelijk aangesloten bij de gewoonte om de gebeurtenissen-van-toen 'present te stellen' (zie 3.1.3); het zat niet in het origineel.

 

 

Lied 147: Looft God, gij christnen, maakt Hem groot

De Reformatie, jrg.73, pag.776

 

alg:      lied ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit met mystieke en zoete taal (vs 2). Wat ontbreekt is het doel van Christus’ komst naar de aarde, nl. het volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld.

vs 2     r1,2 “Hij daalt uit ’s vaders schoot terneer op aard om kind te zijn”: Vaders schoot: uitdrukking die niet bijbels is, niet gepast om te gebruiken voor onze heilige God en Vader.

      r3-5 “een kindje arm en naakt en teer, al in een kribje klein, al in een kribje klein” :romantisch zoete taal

vs 3 vermeld: ‘Verzakende zijn macht en recht, verkiest Hij zich een stal,” God verzaakt zijn macht en recht niet, verzaken betekend (v. Dale) ontrouw worden aan, verloochenen, afvallig worden van.

vs 5     “Hij wordt een knecht en ik een heer”: klopt niet zoals het hier staat, suggereert alsof wij ten opzichte van onze Heiland heer zijn. ”waar vindt men zoveel gulheid weer”: vlakke en banale omschrijving van de onbegrijpelijke liefde vanhet verzoenend lijden van onze Heiland

vs 6        “En nu ontsluit Hij weer de de poort van ’t schoone paradijs. De cherub staat er niet meer voor. God zij lof, eer en prijs” Verwijst naar het paradijs, maar dat komt niet weer terug. Het beeld van de verdwenen cherub is een verzonnen beeld en niet bijbels, ook niet waar het verwijst naar de toegang naar de eeuwige heerlijkheid.

 

Een lied van een Boheemse cantor, begin 16e eeuw (Lobt Gott, ihr Christen alle gleich, EKG 21; vertaald door C.B. Bur­ger). Zijn liederen waren gedacht als 'Kinder- und Hauslieder'; ze hebben ook meestal een kinder­lijke toon. Zo ook in dit kerst­lied.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

"zendt", "daalt neer" enz: weer 'present ge­steld'.

"Hij ruilt met ons op vreemde wijs" (str. 4) - een bekend luthers thema, maar hier wel oppervlakkig: "Hij wordt een knecht en ik een heer"(5) - is dat bijbels gezegd? Immers, ik mag delen in zijn heerlijkheid, maar hij ruilt die niet met mij. Hij ontsluit weer de poort van 't para­dijs (6); "de cherub staat er niet meer voor" - het gaat kennelijk om de hof van Eden, waarheen we terug kunnen (vgl 165).

b. boodschap van het lied:

Looft God, omdat Hij zijn Zoon zendt, een klein arm kind in een kribje. Hij neemt ons vlees en bloed aan, ons geeft Hij zijn over­vloed; Hij knecht, ik heer; en Hij opent weer de poort naar het paradijs.

c. beoordeling:

Een ietwat triomfalistisch lied. De 'vrolijke ruil' waar Luther van sprak, wordt opper­vlak­kig weergegeven. Ook de slotstrofe doet oudtestamentisch aan: we gaan toch niet terug naar de hof van Eden (al wordt het nieuwe paradijs getekend in beelden van het oude)?

d. verrijking?

Wat mij betreft, nee dus.

 

 

 

Lied 148: Wees wellekom, Immanuël

De Reformatie, jrg.74, pag.655, jrg.75, pag. 240

 

alg:      Ook dit lied (zie commentaar op 140,147) ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit (“wees wellekom”) met mystieke en zoete taal (vs 2). Wat ontbreekt is het werkelijke lijden van Christus’ komst naar de aarde, nl. het aan het kruis volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld. Dit vlakke lied blijft met de verlossing steken in hooi en kribbe (vs 3). Dit staat op gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die ook in het NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is voorgehouden.

      In dit kader vinden wij de slotregel van de vers één (“welkom moet ons Jezus wezen”) niet gepast voor verloste kinderen die de grote daden hun Heiland gedenken: hoe zouden wij dit nù zo zingen (zie vs 1)

vs 1     “Wees wellekom, o Godes Zoon, die komt van Vaders troon, ons aller Heer en broeder! Welkom, welkom, die ons harten, onze smarten komt genezen, welkom moet ons Jezus heten”

      voor commentaar zie alg: onverantwoord herbeleven: heeft niets te maken met indringend levendig gedenken. Wij mogen in ons hart Christus woning laten maken, die als verlosser - overwinnaar en onze pleitbezorger aan Gods rechterhand zit.

vs 3        r.2-5 “En draagt der wereld zonden, om onzentwil in schamelheid, zeer arm in hooi en krib geleid, in doeken teer gewonden” Hier eindigt dit lied met het laatste refrein. Wij vinden dit een verminking van het evangelie. Het dragen van de zonden komt aan het kruis wanneer Christus de helse smarten moet lijden.

boodschap dat Christus naar de aarde is gekomen tot on­ze verlossing uit de macht van zonde en dood, is in dit lied maar bijzaak (alleen in couplet 3 derde regel).

12x Wees wellekom, terwijl Christus al 20 eeuwen geleden geboren is?

Vs.1, r.9-11 die … genezen: zie ook v/a 37 HC: present stellen als we hem als kind NU verwelkomen.

Vs.2, r.1-6 uw…waarheid: wel te zingen maar niet in het kader van zijn geboorte: de Here zit nu aan de rechterhand van de Vader.

Vs.3, r.1-3  O …zonden: komt?  Draagt? = onjuiste tijd

r.4-6 om…gewonden: zie v/a 36 HC >> is dus onjuist beestenkrib en doeken zijn slechts een klein deel van het lijden.  Hooi staat niet in de HS

Zie ook HC zo.35 zie ook formulier HA op pag.523 kerkboek

 

 

 

Lied 152: Een kind geboren te Bethlehem

De Reformatie, jrg.74, pag. 232

 

alg:      Laag poëtisch niveau (is ook criterium voor onze gezangen), eerder goedkope rijmelarij.

      Wat ernstiger is dat ook hier ontbreekt de voortgang in de heilsgeschiedenis (zie commentaar 140,147148), en daarmee blijft de werkelijke inhoud van het verzoenend lijden als de reden van Christus’ komst naar de aarde geheel buiten beeld.

vs 6        “Hij maakt ons door zijn armoe rijk, zijn armoe rijk, en brengt ons in het hemelrijk. Halleluha, halleluja!” Christus maakt ons niet door zijn armoe rijk maar door zijn kostbaar bloed!

 

Een middeleeuws lied (Puer natus in Bethle­hem) dat in veel versies voorkomt.

"Dit kerstlied behoort tot het genre samen­vat­tende liederen", de verschillende feiten "vrij zakelijk opgesomd en afgesloten met lof aan de drieënige God. Toch is het lied niet onpoë­tisch, het heeft bij alle soberheid een lapidaire zeg­gingskracht." (Comp.)

In z'n meest uitgebreide vorm heeft het 15 stro­fen. Hier zeven, waarin aanbidding door de wijzen centraal staat.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 6 "en brengt ons in het hemelrijk" - doet weer (zie 142) rooms aan (maar 't is ook een rooms lied, oorspronkelijk)

b. boodschap van het lied:

Hij wiens heerschappij oneindig is, daalde neer in onze ellen­de. De wijzen vereerden Hem en knielden voor Hem. Hij geeft ons het leven, maakt ons door zijn armoede rijk en brengt ons in 't hemelrijk. Dank de Heer daarom op deze dag.

c. beoordeling:

Het geheel blijft iets rooms houden, mis­schien ook door de melodie. Het is middel­eeuws-kort. Ook staat de aanbidding door de wijzen nogal los in het lied: inderdaad als in een opsomming van feiten. Tegen de inhoud is geen bezwaar, denk ik.

d. verrijking?

Als kerklied niet echt een aanwinst.

 

 

 

Lied 169: Zingt nu de Heer stemt allen in

De Reformatie, jrg.75, pag.276

Nader Bekeken, jrg.6, pag.4

 

alg:      Het lied staat vol met gedachten over licht en duisternis. Dit kan symbolisch heel schriftuurlijk zijn (zie bv. NGB art. 14). Wij moeten echter uit vs 1 en 2 afleiden dat dáár juist het geschapen licht bedoeld is: “Hij heeft het menselijk geslacht in ‘t licht geroepen en bedacht”.”Maar wij verkozen ‘t duister meer dan ‘t lucht door God geschapen”. Dan wordt het ineens moeilijker te begrijpen: “wij hebben dag en nacht verward” wordt er vervolgd. Er is dan een mix het licht van de eerste scheppingsdag en het licht dat verlossing betekent. Dit wijst op een dwaalleer van Barth: in het begin van de schepping was er een negatieve macht zich uitend in de chaos en de duisternis. God zou door de schepping van het licht en de ordening van de schepping dit negatieve element moeten bestrijden (Zie voor uitgebreide bespreking en bestrijding van deze dwaalleer K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus, deel III, 1950:pp 317-320,362-384). zie verder de bespreking bij lied 1.

vs 3        r.2  de eeuwige dood wordt hier afzwakkend als “het lege niets” omschreven (zie ook liedboeklied 115). Het is ook in dit lied opmerkelijk dat Christus neerdaling ter helle, om ons te verlossen, net als in zoveel andere liedboekliederen, buiten beeld blijft!

 

 

Lied 175: O wij arme zondaars

De Reformatie, jrg.75, pag.862

 

vs 1     r.1 “bedelaars onrein” betekenis van ‘bedelaars’ onduidelijk: waar wordt om gebedeld?, wellicht is ‘zondaars onrein’ beter.

vs 3 r.1 “Hoe zal ‘t God de Here ooit worden geloond” Dit is niet schriftuurlijk: wij kunnen God niet terugbetalen met goede werken. God maakt wel aanspraak op onze dankbaarheid en lofoffers. (H.C. zondag 24)

 

b.         Vs 2 ..tot sterven voor "anderen" bereid.. mist de toe-eigening voor "ons" - en het unieke van wat Christus dreef; wel vaker heeft iemand zijn leven ingezet voor een ander (de Here Jezus sprak er zelf over, Joh. 15:13).

c.         Couplet 3:'Hoe zal 't God ooit worden geloond?'

            Vreemd gezegd. God wacht niet op loon, maar maakt aan­spraak op onze lof en dankbaar­heidswerken. Dit kan geen serieuze vraag zijn. De Schrift spreekt van loon tussen God en Christus,  niet tussen de verloste als beloner en God als beloonde. Dus zal het een rhetorische vraag zijn. Psalm 116 heeft iets dergelijks. De Psalm reageert met blijde erkentenis. Het gezang couplet valt terug naar het Erbarm u, alvorens in vs 4 tot lofzegging te komen met dan eigenlijk al van regel 4 af nog eens dat refrein.

Ten opzichte van b.v. Psalmen 51 en 116 die helder en verstaanbaar spreken, is dit gezang allerminst een aanwinst.

d.         Couplet 4:         'U (Christus) zult heersen'.

            Waarom geen tegen­woor­dige tijd? Christus heerst nu al.

e.         Het 'kyrie' is ongepast in de coupletten 3 en 4. Het is nergens goed voor, dat wij (het refrein) in het Grieks zingen. Helderheid is raadzaam: 1 Cor. 14 : 9.

Waarom refrein in het latijn, we zijn toch niet rooms?

 

Een 'passie- en boetelied' van Hermann Bonn, een leer­ling van Luther ("O wir armen Sünder", EKG 57), vertaald door Ad den Besten. Tekst en melodie gaan terug op een lied op Judas ("O du falscher / armer Judas"), waarop ook heel wat spotliede­ren gemaakt zijn. AdB heeft een keuze gemaakt uit de zeven strofen; str. 3 is een zeer vrije samenvatting van drie strofen.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 2: "Hij alleen tot sterven voor anderen be­reid" - niet helemaal juist; vgl Rom. 5 : 7.

str. 3: "Hoe zal 't God de Here ooit wor­den beloond" - eigen­lijk een rare vraag: de gedachte aan een tegenprestatie is juist altijd een grote valstrik geweest. Het staat ook niet in de Duitse tekst: daar wordt de nadruk gelegd op het 'lau­terlich umsonst', op de genade.

Kyrie enz.: jammer dat het niet vertaald is!

            b. boodschap van het lied:

Had Christus niet voor ons geleden en ons vrijgekocht, wij zouden verloren zijn in alle eeuwigheid. Daarom: lof aan Hem en de bede om ons, arme zondaars, ter zaligheid te leiden.

Toch typerend waar AdB inkort/weglaat: waar gezongen wordt van genade 'lauter­lich um­sonst'; zodat wij "nicht verzagen vor der Höllen Glut" (AdB elimineert vaak woorden als hemel en hel); en de strofe met dank aan de drieënige God en de bede om bewaard te blijven bij zijn heilig Woord.

c. beoordeling:

Ik til vrij zwaar aan de weglatingen, om de ver­schuiving van het accent daardoor. Ook het onvertaalde Kyrie vind ik een minpunt.

 

Str.1: Bedelaars onrein = stoplap . niet verder uitgewerkt  Slaven zou beter zijn gelet op str.2 (vrijgekocht) en str.3 (losprijs).  Bedelaar > alleen Lucas 16:20 > Lazarus

Str.2, r.3: Hij alleen tot sterven voor anderen bereid: te vlak > komt vaker voor Joh.15:13

Str.3 Hoe zal God voor zijn liefde ooit genoeg worden beloond? >  wel dankbaarheid, dat Hij zelf in ons werkt (Psa.116) Kyrie eleison past niet na de inhoud van deze strofe.

Christus zal met de Vader heersen: Mat.28:18, 1Cor.15:24-28

 

 

Lied 188: O Lam van God, onschuldig

De Reformatie, jrg.74, pag.627, jrg.76, pag.539

 

alg:      Dit lied brengt niet duidelijk de overwinning op de satan in beeld, in plaats daarvan wordt alleen de dood als vijand genoemd  (vs 1 r.6:“nu is de dood verslagen”). De gelovigen worden vervolgens niet duidelijk opgeroepen tot de strijd tegen de zonde en de duivel.  

vs 2     r.3,4 “Geduldig ons kruis u na te dragen” Ons kruis Christus nadragen is onduidelijk: wordt hiermee bedoeld dat wij aan het werk van Christus nog iets nadragen? In ieder geval sluit deze omschrijving niet aan  bij wat Gods Woord zegt over ons kruisdragen in  Matt. 10:38, 16:24, Marc 8:34, Lucas 9:23, Luc 14:27 “Indien iemand niet haat zijn (…) ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn”  De taal van de zelfverloochening wordt gemist en omgeruild voor iets wat we Christus nadragen.

     r.6“en help ons overwinnen” De strijd zelf komt niet in beeld.

 

a.  Couplet 1:    'Gij hebt de schuld gedragen'.

     Dit is onpersoon­lijk ver­woord.

b.  Het couplet sluit af met 'erbarm u onzer'. Ten onrech­te, een lofzang is hier op z'n plaats.

c.  Couplet 2:'help ons overwinnen'.

     De strijd tegen de zonde is te impliciet verwoord.

d.  'Geduldig ons kruis u na te dragen' is niet hetzelfde als wat bijv. in Matt. 10 en 16 staat: 'verloochen u zelf, neem uw kruis op en volg mij'.

 

De eerste strofe (vert. G. Spilt) is in zeke­re mate een verta­ling van het Duitse "O Lamm Gottes unschuldig" (EKG 55): Nikolaus Deci­us heeft het Agnus Dei in strofische vorm ge­bracht, als een litanie: drie­maal dezelfde tekst, tweemaal afge­sloten met "Erbarm dich unser, o Jesu" en een­maal met "Gib uns dein' Frieden, o Jesu".

De tweede strofe "ontstond uit vrije inspi­ratie" van W.A. Dwars.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

De tweede strofe loopt parallel aan de eerste; een bede om te leren Hem na te volgen, en om te helpen overwinnen.

b. boodschap van het lied:

Gij, Lam van God, hebt de schuld gedra­gen; nu is de dood verslagen. Geef ons ontfer­ming en vrede en leer ons, geduldig ons kruis u na te dragen.

c. beoordeling:

Inhoudelijk niet veel problemen. Al vind ik str. 1, 3-4 ver­dacht: "te allen tijd geduldig / bereid ten offeran­de" - nu nog? steeds weer? Gezien de herkomst van het lied til ik daar eigenlijk heel zwaar aan.

d. verrijking?

Om de herkomst alleen al: niet doen, zéker niet als vast avondmaalslied.

 

 

 

Lied 189: Mijn verlosser hangt aan ’t kruis

De Reformatie, jrg.73, pag.777, jrg.74, pag.535

 

alg:      Herbeleving alsof ‘t nu speelt, mystieke vereenzelviging met de toenmalige situatie. Zo spreekt Gods Woord niet over het eenmalige offer van Christus

vs 4        r.2,3 “’k heb mij, Heer, voor dood en leven U gegeven”  Dit is niet schriftuulijk: wìj geven ons niet. De Here riep ons in Zijn grondeloze ontferming. Wij zijn gekocht en betaald door het bloed van Christus.

 

a.         De bezinging in de tegenwoordige tijd blijft een storend element in dit lied. Het zou aan diepte winnen wanneer dit veranderd zou worden. Temeer omdat gepoogd wordt de rijkdom van Christus lijden aan het kruis te bezingen.

b.         Couplet 4: 'k Heb mij, Heer voor dood en leven U gegeven; laat mij dan met U in gemeenschap zijn’.

            Dit is onjuist, wij geven ons zelf niet. Maar wij zijn gekocht en betaald, het eigendom van Chris­tus. In droeve dagen steunt een gelovige op God die om Christus' wil zijn Vader is. Troost ligt nooit in de smart van een ander, ook niet in de diepte van de smart van de Here Jezus. Zij zijn niet vergelijkbaar. Vers 4 heeft, Ik heb mij, Heer, aan U gegeven;. De Schrift leert heb andersom. 1 Joh. 4 : 10.

 

 

Lied 201: O dag van de verrijzenis

De Reformatie, jrg.76, pag.583

 

alg:      Vage tekst over de betekenis van Pasen: Pasen en Jongste dag zijn niet helder door elkaar gebruikt. Vanwege vage elementen niet geschikt

vs 2     r.1 “O laat ons waarlijk zuiver zijn, dan wien wij hoe in ‘t licht” vreemde taal

      “Hoe Jezus zelve tot ons spreekt zeggende: wees gegroet” slaat dit op de jongste dag als de Here ons begroet met “Welkom gij gezegenden des Vaders” Matt. 25 : 34?

vs 3        r. 5-8 “De wereld die onzichtbaar is, de wereld die men ziet, begroeten de verrijzenis en zingen ‘t zegelied”  Slaat dit op het wederherstel van de zienlijke en onzienlijke dingen?? Dan gaat het initiatief toch niet van deze “werelden” uit. Of zijn het de in de Here ontslapenen tezamen met de levende gelovigen?? Dan is de omschrijving “wereld” vreemd. Onduidelijke en daarom ongeschikte tekst.

 

"Iets moest er toch wel in ons gezangboek, zo meenden wij, behouden blijven van de ontzag­wekkende traditie van de Byzan­tijnse kerk." De zangwijzen zijn te moeilijk, dat is het probleem. Nu is er één lied,'A­nastaseoos hèmera' (dag van de verrijze­nis) van Johannes Damascenus, in westerse liedvorm vertaald door J.W. Schulte Nord­holt, op een moderne wijs van Jan Boeke.

Het is de eerste ode van de Paascanon (de Gouden Canon): die correspondeert met het lied uit Exodus 15: "Zoals Mozes de kinderen Israëls door de Rode Zee leidde, zo leidt Christus ons van de aarde naar de hemel."

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: inderdaad: van de aarde en haar nood naar de hemel; niet naar het nieuwe Jeruza­lem op de nieuwe aarde.

str. 2: "laat ons waarlijk zuiver zijn" - maar wie is dat uit zichzelf?

"Dan horen we als de dag aanbreekt

met bovenaardse gloed...":

is dat de paasmorgen (die we vieren) of de jong­ste dag? Of valt dat op mystieke wijze samen?

str. 3: "De wereld die onzichtbaar is,

de wereld die men ziet,

begroeten de verrij­ze­nis":

ty­pisch 'oosters', die twee werelden zo nadrukkelijk ge­schei­den.

De melodie is moeilijk te leren;  de byzan­tijn­se sfeer geïmi­teerd?

b. boodschap van het lied:

Zichtbare en onzichtbare wereld begroeten de dag van Christus' opstanding. Hij leidt ons uit deze aarde en haar nood naar de hemel. Als wij zuiver zijn, zien wij Hem; dan horen we zijn groet bij het aanbreken van de dag.

c. beoordeling:

Zo typisch oosters dat de consequenties van het gezongene niet te overzien zijn - zie details. M.n. str. 2 (de dag die aan­breekt) geeft aanleiding te vermoeden dat hier vrij wat ooster­se mystiek meespeelt.

d. verrijking?

Nee, niet doorzichtig-bijbels.

 

 

 

Lied 203: Die in de dood gebonden lag

De Reformatie, jrg.75, pag.773, 952

Nader Bekeken, jrg.6, pag.37

 

alg:Vlakke en onschriftuurlijke tekst over de betekenis van het lijden van Christus. Satan is uit beeld gehouden!

vs 2     r.1,5-7 “Geen die de dood bedwingen kon, geen enkel mens op aarde (…) zo kreeg hij ons in zijn macht en heeft ons in zijn rijk gebracht en hield ons daar gevangen” de dood heeft hier ten onrechte de plaats ingenomen van satan!!  “Hallelujah” is hier als refrein misplaatst.

vs 3     r.1,3 “Toen heeft Gods Zoon ons hulp verschaft (…) en wees zonde en verzoeking af”: vlakke weergave van het verzoenend lijden van onze Heiland

      r.6  “heeft de dood ontnomen al zijn rechtsmacht en geweld (…) hij moest de sleutels van de hel in Christus’ handen laten”  Hier moest staan satan of zondemacht i.p.v. dood.

vs 4     r.5-7”Hij die onze bondgenoot geworden is, heeft in zijn dood de dood voor ons verslagen” bondgenoot moet verlosser zijn, dood moet zijn satan

 

 

a.  Weergave van het evangelie is hier en daar verzwakt.

     Couplet 3:'ons hulp verschaft./Hij (...) wees zonde en ver­zoe­king af/en heeft de dood zijn macht ontno­men'.

     couplet 4:'Hij die onze bondgenoot is'.

     Dit is in de plaats van: 'Hij die in onze plaats de schuld heeft gedra­gen, de zonde wegge­daan en daardoor de dood zijn macht ont­nomen'.

     Couplet 5:'die aan het kruis in de duisternis/zich­zelf heeft prijsgegeven'

     Dit is in plaast van 'die zich uit liefde voor ons heeft over­gege­ven'.

b.  Het lied zou aan schriftuurlijke duidelijkheid winnen als er bijna overal waar 'dood' staat 'duivel' wordt gele­zen. Bijv. in couplet 3: 'en heeft de dood ontnomen al zijn rechtsmacht en geweld; hij moest de sleutels van de hel in Christus handen laten'.

c.  Het hallelujah in couplet 2 is misplaatst.

Een lied van Luther ("Christ lag in Todes­ban­den", EKG 76), vertaald door Ad den Besten.

"Het heeft een sterk verhalend karakter". "Dat Luther zich de opstanding van Chris­tus zó gedacht heeft en niet - althans zeker niet in de eerste plaats - als een soort garantie voor een menselijke onsterfelijk­heid, is opmerke­lijk. Het gaat hem om de bevrijding van allen, die in hun deplorabele staat van slavernij aan de doodsmacht hun enige hoop op Christus hebben gesteld" (AdB in Comp.) - opmerke­lijk!

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 2: tegenstrijdig, zo'n strofe gevolgd door 'halleluja'!

str. 3: "wees zonde en verzoeking af en..." - je krijgt de indruk dat het afwijzen van de zonde al voldoende was om de dood zijn macht te ontne­men; zo is het niet! Luther:

"und hat die Sünd abgetan,

damit dem Tod genommen

all sein Recht und sein Gewalt".

str. 4: "een strijd... die dood en leven streden"

(Luther heeft dit ook) - ja? Het was toch Chris­tus die duivel en dood over­won? Maak je daar een strijd tussen leven en dood van, dan dreig je van Christus sym­bool van het leven te maken. Hij is wel 'het leven', maar je moet het niet omkeren.

"Hij die onze bondgenoot geworden is"

- klinkt me wat te modieus in de oren.

"Zijn bloed is aan onze deur"

- het kan wel, als beeld; toch aarzel ik.

"Dit is het maal... der ongezuurde broden.

Wij doen het oude zuurdeeg weg"

- idem. Is het wel duide­lijk genoeg wat hier bedoeld wordt? (onze deur - Luther: 'het geloof houdt de dood dat bloed voor'; het onge­zuurde brood van rein­heid en waar­heid t.o. het zuurdeeg van slechtheid en boosheid - I Kor. 5 : 8).

 

 

 

Lied 207:

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.655, jrg.76, pag.563

 

Een kijkspel. Verder een lied waar zo weinig in staat dat je er kwaad noch goed van kunt zeggen.

 

 

 

Lied 208: De Heer is waarlijk opgestaan

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.582

 

Schriftuurlijkheid

a.         Couplet 2:'wanneer Hij niet was opgestaan, dan zou de wereld zijn vergaan'.

            De bijbel zegt het anders: dan waren wij nog in onze zonden en was ons geloof vruchteloos, dan waren wij de beklagens­waardigste van alle mensen (1 Kor. 15). Dit couplet klinkt 'overdreven' dramatisch, daardoor minder klemmend. Dat de wereld zou zijn vergaan is een verzinsel dat strijdt met 2 Petrus 3:  10.

b. Couplet 4 - 17 speelt de ontmoeting van engelen, vrouwen en Petrus bij het graf. Wat zoet (ach goede engel, heb dank, o engel, voor uw woord) en daardoor onecht. In vers 4 en wat er volgt krijgen we Marcus 16 opgedist als een ballade. De vrouwen gaan een conversatie aan met de engel, die niet strookt met wat we uit de Bijbel weten. Verschijningen van engelen zijn heel indrukwekkend. Met hen heb je geen  zoetsappig gesprekje. De vrouwen gaven niet gedwee gahoor aan de instructie (vs 16: 'wij haasten ons, dat elk het hoort'). Integendeel, zij zijn (Marcus 16 : 7, 8) sidderend en met ontzetting gevlucht en zeiden niemand iets tot later (Lucas 24 : 9).

c.         Het hallelujah is in de coupletten 2, 4, 5, 8, en 12 ongepast. Als voorbeeld in couplet 2: 'dan zou de wereld zijn vergaan. Hallelujah, hallelujah!'.

d.         Het lied geeft de indruk dat er een toneelstuk wordt opgevoerd.

 

Beoordeling en conclusie

 

Wij wijzen ook dit gezang af. De coupletten zijn niet afzonderlijk bruikbaar, zij verleiden tot het opvoeren van een rollenspel, waarin vrouwen, Maria en de engel het zicht op de opgestane Heiland belemmeren. Zesenzeventig keer halleluja doet daar niets aan af.

 

alg:      Dit is geen kerklied maar een soort ‘musical’ met verschillende partijen die een aantal getuigen vertolken, de verhalen van het gebeurde op de paasmorgen.

vs 16 “Heb dank, o engel, voor uw woord (…) wij haasten ons, dat elk het hoort” Dit stemt niet overeen met de Schrift De vrouwen gaven zeker niet gedwee gehoor aan de instructie van de engelen. Integendeel! Marcus 16:8 zegt: “En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd”  Pas later vertelden zij aan de elven en de anderen (Lucas 24 : 9).

 

We moeten eerbiedig omgaan met de naam van de Here. In het Hebreeuws is de lofverheffing, het Hallel. De lofverheffing van de Here is dan Hallel-JHWH of Hallelu-JaH.  Vanaf ps.104 komen we dit in 15 psalmen tegen, waarvan in 7 psalmen 2 keer.  Als alle lof in ps.150 losbreekt, laat de Heilige Geest toch niet meer dan 2 keer het heilige Hallelu-JaH horen.  Het betreft de hoogheilige Naam van God. De Heilige Geest leert ons daar ingehouden en met eerbied mee om te gaan. Maar zo doet het Liedboek dat niet.  Het Hallelu-JaH geroep is soms wel heel overvloedig bijv. in lied 207: 12x, lied 212: 40x, lied 213: 18x en in lied 208: zelfs 76x.  Het wordt hierin zelfs als stopwoord gebruikt: rechtstreeks zonde tegen het 3e gebod.

 

 

 

 

Lied 213: Lof zij God in de hoogste troon

De Reformatie, jrg.74, pag.565

 

Een vertaling door Ad den Besten van "Gelobt sei Gott im höchsten Thron" (EKG 79) van Michael Weisse. Evenals 208 te herleiden tot "Surrexit Christus hodie" (14e eeuw), op str. 5 en 6 na. Zie ook 3.3.1, laatste voetnoot.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 4: "de dood heeft voor het eerst ge­beefd" - waar staat dat?

str. 6: gebenedijd - is dat woord bekend genoeg?

 

Het veelvuldig Halleluja onderbreekt ook hier gedurig het doorgaande betoog, al is het niet zo storend als in Gezang 208.

Bruikbaar zijn de verzen 1, 2, 5 en 6. Het oude woord 'gebenedijd' in vers 6  nemen we dan maar voor lief.

Dat de engel gezegd zou hebben 'de dood heeft voor het eerst gebeefd' is ons niet overgeleverd. De dood is geen persoon en als hij dat al was dan zou hij zijn Meester al menig keer eerder hebben ontmoet.

 

 

 

Lied 215: Christus, onze Heer, verrees

De Reformatie, jrg.

 

‘Heilge dag na angst en vrees.’ Is dat waar? Voor wie? Waarom? Waar staat dat?

‘bracht ons in Gods’ vrijheid thuis.’ In Gods’ vrijheid? Waar staat dat? Waarom worden onze zonde en Christus’ verzoening daarvan verzwegen? Hier wordt zó versimpeld, dat de volledigheid verloren gaat.

‘Dat Hij zondaars ’t leven gaf.’ Omdat hier versimpeld gesproken wordt (zoals in 1) kan hier gemakkelijk de alverzoening ingelezen worden en de antithese verzwegen worden.

In eerste regels bevestiging 2e vers. ‘Nu is Hij der heemlen Heer.’ Hier wordt onnodig Matt. 28:18 versmald: alle macht in hemel en op aarde. ‘Engelen juublen Hem ter eer.’ Hier wordt de vorige onjuistheid bevestigd. Engelen zijn in de hemel en zo…

 

Oorspr. een Engels lied naar een Duits voor­beeld. In het Engels is er nog een vierde strofe, die een doxologie bevat.

Verschil met de versie NH 1938: "Die ten dode ging..." werd "Die verhoogd werd..." (vgl Joh. 3 : 14, 8 : 28 en 12 : 32).

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: "verhoogd" is m.i. een verbetering (wrsch. van Bar­nard); "bracht ons in Gods vrijheid thuis" - is dat correct gezegd? zijn wij nú al 'thuis', en wat is bedoeld met 'Gods vrijheid'?

str. 2: "dat Hij zondaars..." - taalkundig wat moeilijk aan 't voorgaande verbonden.

str. 3: "Maar" is niet logisch; ik had eerder 'want' verwacht.

 

alg: Door versimpeling mist dit lied de diepgang van de paasliederen die wij in ons Geref. kerkboek bezitten. Het is daarom een verarming.

vs 1     r.3 ”Heilge dag na angst en vrees” De dag vóór de opstanding is meer een dag van verdriet voor de discipelen geweest dan van angst en vrees

      r.7 “bracht ons in Gods vrijheid thuis”  Omschrijving die door versimpeling onvoldoende  “het koninkrijk van God”  in beeld brengt, vergelijk b.v. Joh.14:2: ”In het huis mijns Vaders zijn vele woningen”

vs 3     r.5-8 “Nu is Hij der heemlen Heer, halleluja, Englen juublen Hem ter eer, halleluja” Christus die “alle macht in hemel en op aarde” kreeg, krijgt in dit lied niet de juiste lof toegezongen. Christus is wel koning van een koninkrijk der hemelen, maar dat betekent dat Hij daar nu zijn zetel heeft. Hij is daarvanuit Koning van hemel en aarde. Door alleen op het juichen van de engelen te wijzen wordt tekort gedaan aan zijn glorie: de lof van mensen die de engelenzang versterken.

 

Mat.28:18 wordt versmald. (str.3)

 

 

Lied 221: Wees gegroet gij eerstling der dagen

De Reformatie, jrg.74, pag.654

 

Schriftuurlijkheid

a.  Het in het couplet 2 genoemde 'in uw kruisdood meegekrui­sigd sterven' is niet naar de schrift. De gelovigen behoe­ven niet meegekruisigd te sterven. Christus heeft eenma­lig de kruisdood ondergaan en volbracht. Naar Gal 2: 20 en Gal 5: 24 moeten wij onze zondige verlangens en niet onszelf kruisigen.  De kern van het Christelijk geloof is dat we door Hem weer leven.

 

Taalgebruik

Is wel erg ouderwets. Zoals in couplet 1: 'Van der zaalgen sabbats­vree' en in couplet 2: 'duizendwerven' en 'Schoon eer­lang 't oog ons breek' uit couplet 3. 

 

Beoordeling en conclusie

Afgewezen vanwege onschriftuurlijke elementen en vanwege het zeer ouderwetse taalgebruik. Voor kinde­ren is dit een onbe­grijpelijke taal.

 

alg:      onschriftuurlijke gedachte over de kruisdood van Christus

vs 2 r.5,6 “leer ons duidendwerven, in uw kruisdood meegekruisigd sterven” verdraagt zich niet met Gal. 2:20, 5:24: Christus offer is uniek en eenmalig. De dagelijkse afsterving van de oude mens (H.C. zondag 33) is iets anders dan dat wij daarin opnieuw met Christus meegekruisigd zouden worden.            

vs 3     r.6,7 “als we onsterflijk uit de dood verrezen, knielen voor uw dankaltaar” wat is knielen voor uw dankaltaar in dit verband, lijkt ons geen schriftuurlijke gedachte.

 

Oorspr. 'zondagslied', gedicht door J.J.L. ten Kate. Het is het vierde van zes liederen die hij speciaal gemaakt heeft voor huis­diensten op Steenbeek, een "asyl voor uit de gevange­nis ontslagen en aan de prosti­tutie ontrukte meisjes", opgericht en geleid door ds. O.G. Heldring.

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Nogal ouderwets-gezwollen taal, zoals

"deel ons zelf de voor­smaak mee

van der zaalgen sabbats­vree",

"werpen wij het doodskleed af!

Door de kracht uws Geestes uitge­dreven,

treden we uit ons zondengraf.

Leer ons daag­lijks, leer ons duizen­dwer­ven...",

"en schoon eerlang 't oog ons breek'".

str. 1: "Wees gegroet" zeggen tegen een dag... - vat het maar op als een stijlfiguur. Na de eerste zin is het lied een gebed tot Christus.

str. 2: kun je dat zeggen: "leer ons daaglijks in uw kruisdood meegekruisigd sterven en achter u ten hemel gaan", als je (wrsch) dagelijkse bekering bedoelt? Naar de hemel gaan we immers pas na ons (licha­melijk) sterven; de hemel vind je hier op aarde niet, alleen de voorsmaak. "Meege­krui­sigd" gaat ook erg ver.

str. 3: beeldspraak in de sfeer van het kerkelijk jaar "deez' aardse lijdensweek" voor ons leven hier - gaat de identificatie met Christus niet, evenals in het vorige citaat, wat te ver? 1Petr.1:3-9

b. boodschap van het lied:

Gebed tot Christus, de opgestane, om de voor­smaak van de eeuwige vreugde die Hij voor ons verworven heeft; het stellige vertrouwen uitge­sproken, dat Hij die geven zal.

c. beoordeling:

De taal is wel erg uitbundig 19e-eeuws; voor onze jongere generaties heel ouder­wets tot onbegrijpelijk, en overigens ook wel gezwollen. Ik heb moeite met de uitwerking in str. 2 van een overigens zeer bijbelse gedachte van de dagelijk­se beke­ring.

d. verrijking?

Ik denk het niet, alleen al om het taal­kleed.

 

Str.1,r.5: trooster aller samrten, zon der wereld >> Mal.4:2: zon der gerechtigheid, Joh.8:12 het Licht der wereld.  Beter r3: door wiens werk en r6: Licht der wereld.

Laatste 2 regels > gericht op ons ten behoeve van ons. Maar: Geestelijke liederen uit de schat van de kerk der eeuwen (lied 65): zij de rustdag U gewijd, weerglans van uw heerlijkheid. > gericht op de rustdag U gewijd.

Str.2, r.5,6: moeten wij dagelijks meegekruisigd sterven?  Vgl. Gal.2:19,20 en Gal.5:24

 

Knielen voor uw dankaltaar >> is dat er?  Openb.21:22   dan: Amen, Jezus maak het waar!

Geestelijke liederen u.i.s.v.d.k.d.eeuwen heeft:  mogen zien Uw aangezicht, leven in Uw licht.

 

 

 

 

Lied 225: Zingt voor de Heer een nieuw gezang

De Reformatie, jrg.74, pag.373, 646

 

Het is niet schriftuurlijk te zingen: “Een lied van uw verwondering, dat nòg uw naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is, uit water en uit duisternis” (Vers 3). Wij zijn opnieuw geboren door de verzoening van Christus en de vernieuwing door Zijn Geest, uit water en uit Geest. Wij zijn niet geboren uit duisternis, de duisternis is in de bijbel beeld voor de zonde en de duivel.

 

alg:      Christus komt niet duidelijk in beeld. Mistige omschrijving van wedergeboorte. Is niet ondubbelzinnig schriftuurlijk en geeft de kerk geen heldere belijdenis in de mond. Christus’werk niet bij name genoemd.

vs 3     “Een lied van uw verwondering, dat nòg uw naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is, uit water en uit duisternis” dit vers is onduidelijk, kennelijk is “uw naam” niet de in vs 1 aangesproken Heer, maar het volk Israel cq de NT kerk. Maar dan blijft geboren ‘uit water en uit duisternis’ op zijn minst zeer onduidelijk. Is dit het beeld van de Rode Zee, die de doop heeft aangeduid? Maar als dit zo is, waar is dan het werk van onze Here Christus gebleven in dit lied??

vs 5     “Wij zullen naar zijn land geleid doorleven tot in eeuwigheid” ademt teveel geest van alverzoening

 

Symbolisch lied met symbolen. Dat de vervulling er is ontbreekt. Maar Joh.16:5-14 vraagt wat anders.

Water uit steen > 1 Cor.10:3-5 – gedenken, herbeleven naar kerkelijk jaar?

We zijn opnieuw geboren door water en geest.  Joh.3:5. Uit duisternis (strofe 3) is beeld van zonde en duivel.

God doet geen tekenen van gerechtigheid, maar werk gerechtigheid: ps.7:18, jes.63:1, 64:5.

Lees Joh.16:5-15 wat de Geest werkt, (i.p.v. dat de Geest ons aanvuurt de tekens te verstaan).

Barnard hecht aan beeldverhalen en oergelijkenissen.

 

 

 

Lied 228: Ten hemel opgevaren is

De Reformatie, jrg.74, pag.684

 

Een eenvoudig hemelvaartslied, wrsch. uit de 15e eeuw; Latijn: Coelos ascendit hodie", Duits: Gen Himmel aufgefahren ist" (EKG 92). Bij de psalm genoemd in str. 3 kan men­ vooral denken aan Psalm 110.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Eén probleem: de term Drievuldigheid (zie bij 165 en 253); de Duitse tekst heeft "Dreiei­nig­keit".

b. boodschap van het lied:

Christus, onze Heer en Koning, is naar de hemel opgevaren en zit nu aan Gods rechter­hand, zoals voorzegd was. Wij loven Christus, wij loven de dieënige God.

c. beoordeling:

Een mooi lied, met helaas een dubieuze terma als 'Drievuldig­heid' erin.

d. verrijking?

Hangt ervan af hoe we tegen die term aankijken.

 

 

 

Lied 234: Al heeft Hij ons verlaten

De Reformatie, jrg.73, pag.778, jrg.74, pag.707

 

alg:      mist het werk van de Heilige Geest, terwijl daardoor juist Christus bij ons is gebleven. Het is alsof het tussen hemelvaart en pinksteren is blijven steken.  De vrucht van de hemelvaart komt onvoldoende tot uitdrukking.

vs 1     r.5als zonlicht om de bloemen' is enigszins vreemd.

 

Schriftuurlijkheid

a.  Het eerste couplet mist het werk van de Heilige Geest, terwijl daardoor juist Christus bij ons is gebleven. Het is alsof het tussen hemelvaart en pinksteren is blijven steken.  De vrucht van de hemelvaart komt onvoldoende tot uitdrukking.

b.  Het beeld 'als zonlicht om de bloemen' is enigszins vreemd.

c.  Couplet 2 is mooi.

Beoordeling en conclusie

Couplet 1 is onjuist. Hierdoor kan het lied niet toegevoegd worden.

 

Zie ook zo.18 HC en strofe 1: wat wij in Hem bezaten – Classis Dordt/Gorinchem: hierbij moet niet gedacht worden saan Jezus lichamelijke tegenwoordigheid, zoals de roomsen dat menen dat Hij nog altijd om ons heen is (in de hosite, op het altaar) maar de dichter bedoelt Jezus liefde (zie r.8: zijn wij door hem bemind)  Dat die liefde geldt voor wie Zijn Woord bewaren en Jezus liefhebben, komt niet aan de orde.

 

 

 

Lied 240: Kom, Heilige Geest, Here God

De Reformatie, jrg.

Nader bekeken, jrg.5, pag.45

 

Wat abstract zoetig taalgebruik (heilge gloed, zoete troost…). Door deputaten Kampen 1975 (Acta, blz. 360) werd de bede “Kom Schepper God, o heilge Geest…..” onschriftuurlijk genoemd. Dit is later nooit weersproken.

 

Beoordeling en conclusie

Afwijzen

 

alg:        Door de dep. van de synode Kampen 1975 (acta blz. 360) werd de bede “Kom Schepper God, o heilige Geest” (in lederen 237-240) onschriftuurlijk genoemd. Er wordt gevraagd om de neerdaling van de Heili­ge Geest. Dit is echter al 2000 jaar geleden gebeurd. Als de kerk nu het Pinksterfeest viert dan hoeft de Heilige Geest niet op­nieuw te worden uitgestort. Dit lied is een weer­gave hoe men in de moderne theologie de heilsfeiten beleeft.

vs 1 r.3,4 “tot al wat wij zijn, geest, ziel en bloed, ontvlamt en staat voor u in gloed” dichterlijke vrijheid die door onduidelijkheid niet bijdraagt aan schriftuurlijk verstaan van het werk van de Heilige Geest.        

vs 2 r.1 “Gij heilige zon, hemels schat” lijkt ons onschriftuurlijke benaming van God de Heilige Geest

vs 3        r.1 “Gij heilige gloed, zoete troost” eveneens onbijbelse benaming.

 

Een lied van Luther ("Komm, Heiliger Geist, Herre Gott", EKG 98), vertaald door Ad den Besten. Het is een bewerking en uitbreiding van een 12e eeuwse antifoon "Veni, sancte Spiri­tus" (± eerste strofe); daarvan zei Luther, "dat de Heilige Geest zelf tekst en melodie moest hebben gedic­teerd".

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: "Kom..." -.

str. 3: "Gij heilge gloed, zoete troost..." vind ik moeilijk te zingen: alsof je een eigen­schap of een ervaring toezingt.

 

 

 

Lied 241:  Nu bidden wij de Heilige Geest

De Reformatie, jrg.74, pag.636

 

alg:      Vrij vlakke tekst. Benamingen van de Heilige Geest die Hij ons in Zijn eigen Woord ons niet leert. Gezien de heiligheid van Zijn  Naam moeten we zorgvuldig zijn in ons spreken.

vs 2     r.2 “kostbaar licht” als benaming van de Heilige Geest, niet schriftuurlijk.

vs 3 r.3 “heilge liefde” eveneens niet schriftuurlijk.

vs 4 r.3,4 “dat wij niet versagen ten laatste dage als de vijand ons zelf komt aanklagen” Dit is een onschriftuurlijke zin. Openb. 12:10 leert ons dat de satan ons niet meer kan aanklagen, omdat Christus hem heeft overwonnen.

 

Ook van Luther ("Nun beten wir den Heiligen Geist", EKG 99), vertaald door Ad den Besten. Ook dit lied gaat terug op een Duitse middel­eeuwse strofe, maar hiervan is het Latijnse origi­neel niet be­waard gebleven. Ontstaanstijd (van die eerste strofe) ± 1200. Het was zeer popu­lair in de late Middeleeuwen. Luther liet het eerst zingen na het avondmaal. Ook heeft het (hele) lied op diverse plaatsen in de liturgie gestaan. Dus oorspr. geen specifiek pinksterlied.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Weer een gebed tot de Geest - zie 3.1.4.

str. 2: "vaderland heeft doen aanschouwen" - verzwakking t.o.v. tekst van Luther: "der uns bracht hat zum rechten Vaterland".

str. 4 is door AdB m.i. verkeerd geïnterpre­teerd; hij voegt "ten laatsten dage" in, maar Luther heeft:

"dass in uns die Sinne nicht verza­gen,

wenn der Feind wird das Leben verkla­gen".

Op de laatste dag heeft 'de vijand' toch niets meer aan te klagen!

b. boodschap van het lied:

Gebed tot de Heilige Geest om een recht geloof en een veilige thuiskomst in het Vader­land. Ook een bede om veel liefde voor elkaar en onbe­vreesdheid.

c. beoordeling:

De melodie is in 't begin best wel lastig, net als 240. De melodie, samen met het 'Kyrieleis', geeft het lied iets weemoe­digs. Het onder 'details' genoemde weegt voor mij vrij zwaar.

d. verrijking?

'k Denk het niet.

 

 

 

Lied 252:  Wat zijn de goede vruchten

De Reformatie, jrg.

 

alg:      vreemde poëzie, die geen recht doet aan schriftuurlijke gegevens (boom des levens). Door de boom des levens te halen naar ‘dit aardse dal’ (vs 4 r.6) is ook hier weer de sterke suggestie van een paradijs op déze aarde.

vs 1 r.1,2 “goede vruchten, die groeien aan de Geest” ? moet ‘aan’ niet ‘door’ zijn?

vs 2 r.1,2 “geloof om veel te geven honderd-in” Wat zingen we hiermee??

vs 4        “Maar wie zich door de hemel laat helpen uit de droom, die vindt de boom des levens, de messiaanse boom en als hij zich laat enten hier in dit aardse dal dan rijpt hij in de lente tot hij vrucht-dragen zal” M.i. ongeoorloofde poëzie. ‘laat helpen uit de droom’: vlakke niet gepaste taal voor geloofsperspectief. Voorts: de boom des levens wordt hier op deze gebroken aarde ten tonele gevoerd. De Schrift kent deze boom een plaats in het paradijs, waartoe de toegang na de zondeval werd afgesloten. Pas op de nieuwe hemel en aarde wordt weer gesproken van de boom des levens (Openb. 2:7;22:2,14). Zie ook onder alg.

 

 

 

Lied 253: O zalig licht, Drievuldigheid

De Reformatie, jrg.73, pag.457. jrg.74, pag.510,654

Nader Bekeken jrg.5, pag.45

 

Schriftuurlijkheid

a.  In plaats van Drievuldigheid, in couplet 1, kan beter Drieënig­heid worden gelezen.

b.  De bedoeling van het beeld in couplet 1 'de grote zon verzinkt in nacht' is onduidelijk zonder historische context.

c.  Ook is onduidelijk wat/wie met het licht (laatste regel van couplet 1) bedoeld wordt. Als daarmee de 'Drievuldig­heid' bedoeld wordt, doet de oproep om in ons hart de wacht te houden vreemd aan.

d.  In couplet 2 zijn loven en smeken merkwaardig aan respectievelijk dageraad en avond gekoppeld.

 

geen schriftuurlijk aanspreken van onze God drieënig

vs 1     r.1 “o zalig licht, Drievuldigheid” oneerbiedige aanroeping van de drieënige God als ‘licht’;in laats van Drievuldigheid: Drieënig­heid, is echter ook geen aanspreek titel voor onze God!. 

            r.3 'de grote zon verzinkt in nacht' is onduidelijk en ongeoorloofde betiteling van onze almachtige God in de hemel

            r.4 onduidelijk is wat/wie met het licht bedoeld wordt. Als daarmee de 'Drievuldig­heid' bedoeld wordt, doet de oproep om in ons hart de wacht te houden vreemd aan.

vs 2 loven en smeken merkwaardig aan respectievelijk dageraad en avond gekoppeld. Of speelt hier toch de gedachte dat het waarneembare licht van God komt, maar de duisternis van een boze macht (zie bespreking lied 1)?

 

Volgens Comp. is het niet waarschijnlijk dat het lied van Ambrosius komt. Het was wel al in de vroege ME een geliefd avond­lied, alom gebruikt in de vespers. "In thematiek is het door en door ambrosi­aans: als het aardse licht verdwijnt schijne het hemelse licht in onze harten." Uit de eerste strofe blijkt ook dat het een avond­lied is.

Wat de rubricering betreft: het viel me op dat het lied in het LvK geplaatst is bij 'Trinita­tis' (= 'Drievuldigheid'; zondag Trinitatis werd na Pink­ste­ren gevierd).

Aanteke­ningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: "Drievuldigheid" - zie lied 165, 228.

"o licht, houd in ons hart de wacht" - ?

b. boodschap van het lied:

Een gebed om bewaring, en om de nooit-aflaten­de lof op de 'Drievuldigheid' uit onze monden.

c. beoordeling:

Bezwaar tegen die dogmatische term; klinkt net zo 'verlicht' als Opperwezen. Het is naar mijn idee daardoor een nogal afstandelijk lied; die indruk wordt alleen doorbro­ken door str. 3-3: "aan God de Geest die troost en leidt".

Melodie: weer een beetje lastig. En ik ben ge­neigd het 'huppel­tje' aan eind van de regel te vroeg te nemen.

d. verrijking?

Nee.

 

 

 

Lied 262: 'Op, waakt op!' zo klinkt het luide

De Reformatie, jrg.74, pag.129

 

"Het prachtige, sterke hoornsignaal van regel 1 en 4" past goed bij de inhoud. Tekst en melodie zijn van Philipp Nicolai ("Wachet auf, ruft uns die Stimme", EKG 121, vert. door C.B. Burger) - met 157 ("Wie schön leucht't uns der Morgen­stern") wel 'de koning en de koningin van de evangelische kerkliederen' genoemd.

Inhoud: vage verwijzing naar de wachters uit Jesaja 21 : 11-12; verder vooral Matt. 24 : 27-31, Matt. 25 : 1v, Openbaring 21.

T.a.v. de rubricering: het lied werd door de dichter tot Epifaniën gerekend, het LvK zet het bij Koninkrijk Gods.

CBB in Comp.: "Het zal door zijn bizarre en romantische beelden mis­schien bij de al te mo­derne jeugd van de daad verzet oproe­pen, maar het is op en top bijbels van struc­tuur..."

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1 duidelijk het moment in de gelijkenis van de maagden, waarop de komst van de Bruidegom aangekondigd wordt: opstaan, het feest gaat beginnen!

str. 2 beschrijft die komst: de Heiland daalt uit de hemel neer. Vreemd is, dadelijk daarop, de roep: Kom Heiland...

str. 3: oproep tot de lof van hemel en aarde, en beschrijving van het nieuwe Jeruzalem dat uit de hoge neerdaalt.

"Zo juichen wij

en roemen blij

de glorie van uw heer­schap­pij!":

ook hier zit ik met het door­eenlopende perspec­tief.

 

 

 

Lied 264: Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd

De Reformatie, jrg.75, pag.73

Nader Bekeken, jrg.5, pag.45

 

Schriftuurlijkheid

a.  Jeruzalem wordt toegezongen, niet de Here. Ook verder staat de hemelse stad in het middelpunt. Christus wordt zelfs niet ge­noemd.

b.  Het eerste couplet is verwarrend: tot en met regel 6 denk je nog aan het aardse Jeruzalem. Dan blijkt het je hart te zijn dat Jeruza­lem tegemoet snelt en ga je beseffen dat het wel eens kon gaan om het hemelse Jeruzalem.

c.  Het lied heeft iets verliefds.

 

Taalgebruik

In dit lied staan veel verouderde of vreemde taalvormen: 'met haasten en verward', 'op enenmale', 'profeten groot en pa­triar­chen oud', 'instru­men­ten schoon', 'de heemlen en hun heir', 'van vreugd hier ver­zaad' en 'stijg u naderbij'.

 

Beoordeling en conclusie

Afwijzen. Dit is geen schriftuurlijk lied.

 

alg:      In dit lied wordt Jeruzalem verheerlijkt, zonder dat de Koning van Jeruzalem, onze Here Christus ook maar één keer genoemd wordt. Een ronduit onschriftuurlijk lied

vs 4 “Gij zijt mijn doel, verheven houden stad, hoe klopt mijn hart in mij; van ’t aardse los, van vreugde  hier veraad, stij ik u naderbij, weg boven aard’ en sterren. Reikt englen, mij de hand! Ik zie u reeds van verre, mijn hoge vaderland” Eén en al mystiek, waarbij de ziel en het hogere verenigd zullen worden.

 

 

 

Lied 267: Zalig, die in Christus sterven

De Reformatie, jrg.

 

Het lied doet wel pathetisch aan (past bij vroeg-romantiek). Wel een beetje vreemd, de gestorven gelovigen aan te sporen God te loven (strofe 3). Ook de aanduiding voor God in die strofe als Nooitbegonnen klinkt niet goed

 

 

 

Lied 270: Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan

De Reformatie, jrg.75, pag.1367

 

vs 1 r.1-4 “Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan en ik de donkre straten der ondoordringbare nacht moet gaan – ach, wil mij niet verlaten” Deze tekst doet niet geheel recht aan het beeld dat de dood voor de gelovigen een doorgang is naar het eeuwige leven.

vs 3        r.5 “Want wat Gij leeft, dat leef ik nu en sterf ik straks, dan sterf ik U: uw leven is mijn leven”  Onschriftuurlijke gedachte dat ònze dood, die nog moet komen, gelijk is aan het sterven van Christus. In het sterven van Christus zijn wij weliswaar met onze zonden gestorven, maar dat is iets anders, dan dat in ònze dood Christus’sterven is begrepen.

 

HS v/a 117 + doopsformulier: door Uw beloften getroost, dit leven verlaten. 

Dan sterf ik U ??

 

 

 

Lied 271: Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig

De Reformatie, jrg.74, pag.635, jrg.76, pag.343

 

Schriftuurlijkheid

a.  In dit lied wordt de vanitas, het bekende 'ijdelheid der ijdelhe­den' van de Prediker bezongen. Daar blijft het ook in steken. De slotzin 'wie God vreest zal eeuwig leven' is bij­zonder mager om de troost over de triomf over de dood goed over te laten komen.

b.  De inhoud van dit lied komt over als een filosofie over het doodlopen van het leven.

c.  Dit lied kan ook in geen enkel opzicht de vergelijking doorstaan met Psalm 102, 77 en 88. Deze psalmen klagen vanuit de diepte, over het doodlopen van het leven. Daar wordt de nood persoonlijk beleefd en uitgeschreeuwd. Wat ook in dit lied gemist wordt is de aanroep tot de Here, de verwachting van Hem, en het beroep op Gods trouw.

 

alg:        dit onpersoonlijke lied blijft (bijna) steken in een algemene woorden over “ijdelheid der ijdelheden”; de enige uitkomst uit ‘de ijdelheid’ wordt geboden in het allerlaatste vers: “wie God vreest, zal eeuwig leven.” Dit is te mager om de bemoediging van het evangelie goed te laten doorklinken. Het lied mist de roep tot de Here, de verwachting op Zijn uitkomst en het beroep op Zijn belofte en trouw, zoals die b.v. in de rijke psalmen 77,88, en 102 doorklinken. Ook valt de noodzakelijke lofprijzing op Gods uitkomst weg in dit lied. Daarom is de inhoud van dit lied schraal.

 

Een 'vanitaslied' (vanitas = ijdelheid, vergan­kelijkheid) uit de tijd van de Dertig­jarige Oorlog, geschreven door Michael Franck ("Ach wie flüchtig, ach wie nichtig", EKG 327) en vertaald door Ad den Bes­ten. Vanitas, dat was het levensgevoel van de mensen in die tijd. Dat lied was dan ook zeer populair. Alleen aan het eind komt God ter sprake, als de enige die er wél toe doet.

"Géén lied, waarvan ik me voorstel dat het vaak zal worden gezongen!" (AdB)

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

-

b. boodschap van het lied:

Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig is het leven, de vreugde, de schoonheid, het geluk, de rijkdom en de glorie van de mensen. Maar wie God vreest zal eeuwig leven.

c. beoordeling:

Inderdaad een lied vol dood en verganke­lijk­heid, met alleen aan 't eind die ene regel: "Wie God vreest zal eeuwig leven". Nogal onevenwichtig!

Rubricering bij 'eindtijd en eeuwig leven' past bij de toespit­sing '(hoofd omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet') die het lied waarschijnlijk bedoelt. Eeuwig leven is echter niet alleen een zaak van het hierna­maals. Maar wanneer dit lied en andere in deze rubriek in díe richting geïnterpre­teerd moeten worden, is de combina­tie 'eindtijd en eeuwig leven' niet terecht; dan zouden deze liederen beter op hun plaats zijn in de laatste rubriek.

d. verrijking?

Nee. We hebben verscheidene psalmen die hetzelfde veel rijker verwoorden. Bijv. Psalm 73 en 102.

 

 

 

Lied 281:  Jezus zal heersen waar de zon

De Reformatie, jrg.

 

alg:      In dit lied lijken drie episoden in de heilshistorie door elkaar gebruikt: de tijd vóór Christus’koningschap (dus voor hemelvaart), de laatste bedeling met Christus’koningschap (de tijd waarin wij levene) en de eeuwige volmaakte heerlijkheid, wanneer Christus het koningschap heeft overgedragen aan zijn vader (na de jongste dag). Een duidelijk schriftuurlijk heilshistorisch perspectief naar de toekomst wordt daarom in dit lied gemist. Het wijst meer op een paradijs op déze aarde.

vs 1     “Jezus zal heersen” Dit is in de toekomende tijd gesteld, maar lijkt gezien vs 4 te slaan op de tijd na de geboorte van Christus (“stem met het lied der eng’len in)? Dus dit zingen we vóór zijn geboorte?

vs 3 r.1“Zijn rijk is volle zaligheid” Zijn rijk: volgens vs 1 slaat is dit rijk op deze aarde. Maar hier kent Christus’rijk nog geen volle zaligheid! Die komt wanneer Christus alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben bij de bruiloft des Lams (1 Cor. 15:24, Openb. 22:3) Onze tijd is echter het begin van deze heerlijkheid voor wie kinderen van Christus zijn.  

            r.2-4 “wie was gevangen wordt bevrijd, wie moe was komt tot rust voorgoed, wie arm was leeft in overvloed”  De inhoud van de zaligheid blijft in dit lied aardsgebonden: het is bestemd voor gevangenen, vermoeiden, armen. De schriftuurlijke diepgang van zondag 48 ( m.b.t. de bede “uw koninkrijk kome”) wordt ten enenmale gemist.

 

 

 

Lied 284: O lieve Heer, geef vrede

De Reformatie, jrg.74, pag.635, 1027

 

alg:      Dit lied ademt de sfeer van paradijs op deze aarde en horizontalistische vrede

vs 3     “Laat niet de goddelozen op aarde koningen zijn! (…) Dat zal een land van vrede van melk en honing zijn!”

     De ware vrede met God door de verzoening van onze zonden door het offer van Christus blijft buiten beeld

 

O lieve Heer is m.i. niet schriftuurlijk.  In str.1 lijkt het alsof de profeten alleen maar van vrede hebben geprofeteerd.  Wat met: str.2 doe onze ogen stralen doe ons het hart ophalen en str.3 laat ons uw land betreden?  Str.1: Christus en al de zijnen versmaad hun smeken niet.  Is Chr. Het stralende middelpunt? De aandacht richt zich op vrede, melk en honing. Daarmee horizontalistisch van karakter.

Classis Dordt/Gorinchem: hart ophalen klinkt platvloers (str.2r2) en Chr. Verschijnt niet voor god om vrede te smeken, maar om voor de zijunen te pleiten op grond van de door Hem vrworven vrede.

Str.3, r.4-6: waarom OT kenmerken ipv NT beloften uit Openb.21:1-8?

Prof.dr.K.Deddens: Nergens vindt men het verbond des HEEREN in Zijn belofte én in zijn dreiging terug.

 

 

Lied 285: Geef vrede, Heer, geef vrede

De Reformatie, jrg.73, pag.1005, jrg.74, pag.654

Reformanda jrg.8, pag.548

 

alg:      Dit lied ademt de sfeer van universalisme, horizontalisme, en pacifisme.

vs 1     r.4,5 ”de sterkste wint het pleit. Het onrecht heerst op aarde , de leugen triomfeert”de antithese tussen vrouwen-zaad (kerk) en slangenzaad (wereld) ontbreekt maar: wel wordt tegenstelling aangewezen tussen verdrukten, verachten enerzijds en machtigen, hooghartigen anderzijds

vs 2     r.3,4 “er wordt zo veel geleden, de mensen zijn zo bang” “o Jezus Christus, luister en laat ons niet alleen!” hiervoor geldt hetzelfde als hierboven opgemerkt: de bijbelse antithese ontbreekt; er wordt niet opgeroepen tot een bekering van onze zonde tot Christus, maar solidariteit met de verdrukten wordt gevraagd

vs 3 r.1,2 “Geef vrede, Heer, geef vrede, Gij die de vrede zijt” in dit lied geen plaats voor een bevrijding door Christus’ lijden van zonde en dood, maar via Christus is er bevrijding van moeite en onrecht mogelijk

vs 3 r.4 “gestreden onze strijd” vs 4 r.4 “Heer (…),deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart” geen plaatsvervangend lijden door verzoening (van de straf)maar het werk van Christus gaat op in het volbrengen van gehoorzaamheid (strijd) door Christus

vs 3     r.5,6 “opdat wij zouden leven bevrijd van angst en pijn”: het koninkrijk Gods is niet de verloste kerk van Christus, met de bruiloft van het lam in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde als perspectief, maar: een vrede op déze aarde

vs 3     r.7,8 “opdat wij (…) de mensen blijdschap geven en vredestichters zijn”: het heil is niet voorbehouden aan de duurgekochte kerk van Christus, maar de vrede geldt voor alle mensen; de kerk is hierbij een middel, gaat de wereld voor in het heil, de vrede

vs 3,4 in het centrum van de toekomstverwachting staat niet Christus, maar: begrippen als liefde, vrede en licht beheersen het toekomstbeeld

 

Jes.28.  vgl. vrede van Joh,14:27 met mat.10:34, Op.22:11, Op.8:1-3, Gen.3:15, Ps.122, Fil4:7.

Elke ongelovige kan str.1 meezingen. >> schrift. Antithese ontbreekt.  V/a 123 HC:

 

 

 

Lied 287: Waartoe geploegd, als ’t zaad

De Reformatie, jrg.74, pag.635, jrg.76, pag.438

 

alg:      Bij de klacht over de ijdelheid van onze werken missen wij de beloftevolle oproep dat onze hoop op de HERE gericht mag zijn. Dan zullen wij in de weg van geloofsgehoorzaamheid onze HERE mogen dienen: “te allen tijde overvloedig in het werk des HEREN” (1 Kor. 15:58)

vs 3     “Verkeer de vloek in zegen, opdat wij als weleer bewonen zonder pijn een aarde, waar wij weer gelukkig kunnen zijn” Hier krijgt de onschriftuurlijke verwachting van een vrederijk op déze aarde weer de boventoon.

 

 

 

Lied 288: Eens komt de grote zomer

De Reformatie, jrg.75. pag.48

 

alg:      In dit toekomstbeeld aangaande de jongste dag (vs 2, r.6) is geen plaats voor Gods oordeel.

vs 1     r.3,4 “God zal op aarde komen met groene eeuwigheid (…) De hemel en de aarde wordt stralende en puur,” Dit is niet hetzelfde als een nieuwe hemel en een nieuwe aarde? Waar is het oordeelsgericht bij Christus / Gods komst op aarde gebleven?

vs1 r.7,8 God zal zich openbaren in heel zijn kreatuur” Waar staat in dit lied dat de hemel en de aarde brandende zullen vergaan?

vs 4        r.1,8 “Ook ons zal God verlossen (…) van ‘t lijden aan de tijd”  Wat is ‘t lijden aan de tijd voor Gods kinderen??

 

Prof.dr.K.Deddens zegt daarvan: de taal is sterk verwijderd van de Schrift. 

In dit lied wordt gesproken van de groene eeuwigheid van het schone koninkrijk dat geen woord kan bereiken van God die ons middelpunt heet.

 

 

 

Lied 290: Er is een land van louter licht

De Reformatie, jrg.74, pag.635,723

 

alg:      Dit lied gaat over het beloofde land. Voor ons zou dit de nieuwe hemel en de nieuwe aarde moeten betekenen. In dit lied worden Kanaän en de Nieuwe hemel en aarde door elkaar gebruikt. Tegelijk worden verleden en toekomst in de tegenwoordige tijd gesteld: “Er is” (vs 1. r.1), “Daar is” (vs 2, r.1), “Men ziet” (vs 3,r.1). Deze en andere  ongeoorloofde dichterlijke vrijheden in vers 4-6, doen tekort aan een schriftuurlijke visie over onze weg naar de eeuwige heerlijkheid.

vs 4 “Maar ach de stervelingen staan hier huiverend terzij, en durven niet op weg te gaan, het duister niet voorbij”

            Onbegrijpelijke taal zonder schriftuurlijke basis: zijn ‘de stervelingen’ (alle mensen) bang om naar de hemel te gaan?

vs 5     “Hing niet het wolkendek zo zwart van twijfel om ons heen, wij zouden ‘t land zien van ons hart dat ‘s hemels licht bescheen” Opnieuw vreemde dichterlijke taal, die geen schriftuurlijke grond kent.

vs 6     r.1 “God, laat ons staan als Mozes hier”  De betekenis ontgaat ons, en is niet te herleiden tot gegevens uit Gods Woord

            r.3 “en geen Jordaan, geen doodsrivier”  in LB lied 6 (vs 5, r.7) heet de Jordaan nog levensjordaan! Dit zijn dus wel erg willekeurige benamingen voor deze rivier.

 

Tekstkarakter

In de eerste vier versen ligt het accent op het angsaanjagende van de dood als barriere tussen nu en straks. Men ziet (met het oog van het geloof) wel het land aan de overkant, zoals Israel het beloofde land zag (met het natuurlijke oog) (vers 3). Angst voor de dood (vers 4). Lijkt echter weer samen te gaan met twijvel over de goede aankomst (vers 5). Vandaar het gebed (vers 6) om als Mozes in het licht te staan (het belofde land nu al te mogen zien.

Zo laat dit lied ons slingeren tussen hoop en vrees en zijn we pas dan getroost wanneer wij “het land van ons hart” van uit de verte te zien krijgen, blijkbaar als toegift op het geloof, zoals mozes kanaan zag, waar hij nu juist niet in mocht? Wie kan deze vergelijking begrijpen?

Verder wat de beschrijving van het land aan de overkant in vers 1-3 betreft: Het lijkt alsof de aankomst aan de overkant van de doodszee samenvalt met de herschepping van alle dingen. Met de periode van duizend jaar (Open. 20) is geen rekening gehouden. Verwijzingen in dit lied naar Openbaringen 21, hebben immers betrekking op de nieuwe hemel en aarde en het nieuwe Jeruzalem. Wij menen dan ook dat met dit gezang een geliefd, maar ongegronde voorstelling van het leven in de hemel in stand gehouden wordt.

Verder is opvallend dat ondanks de relatie met Openbaringen 21, de daarin centraal staande namen van God en het Lam als bron van heerlijkheid en licht ontbreken.

Wanneer we het geheel overzien zijn we er niet van overtuigd dat het eigen karakter van de bijbeltekst behouden is gebleven.

 

Hiaten met zo.48 HC >> Open.22:17,20

Mozes mocht het beloofe land wel zien, maar niet de Jordaan oversteken (str.6)

Zie ook commentaar Classis Dordt: Dit romanitsche sprookjeslied past niet in ons kerkboek.

Prof.dr.K.Deddens zegt daarvan: meer dan één gezang is zonder meer van mysticistische of piëtistische oorsprong met alle kenmerken ervan zoals wereldmijding, hemelverlangen, individualisme, scheiding van Woord en Geest en dergelijke.

 

 

 

Lied 293: Wat de toekomst brenge moge

De Reformatie, jrg.74, pag.655,974,991

 

Een zeer geliefd lied. “Leer mij volgen zonder vragen”, klopt dit? De psalmdichters vragen wel! (psalm 43: 2 onberijmd, 77: vers 3 berijmd). “Loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land” (vers 4). Dit roept terecht weerstand op. Is de dichter Unitariër, de naam van Christus Jezus wordt niet genoemd.

Beoordeling en conclusie

Afgewezen

 

alg:      zeer geliefd gezang met prachtige tekstregels, helaas zijn er een aantal storende elementen:

vs 1     r.5 “Leer mij volgen zonder vragen”

vs 2     r.6 “Zie ik vraag u niet: waarom?” Is het de wil van de HERE dat wij Hem geen vragen mogen stellen? Wij mogen geen ongelovige vragen hebben. Maar zeker wel vragen zoals de dichters van de Psalmen die hadden en ons op de lippen leggen zoals b.v. in Ps 10:1,13; 22:2; 43:2; 74:1; 77:8; 88:15; 89:47 en andere)

vs 4 r.3,4 “Loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land”  ‘gesloten ogen’ kan alleen betekenen dat wij geen zorgen moeten maken voor de toekomst (r.1). Maar tijdens het lopen moeten we onze ogen wel degelijk open houden (vergelijk vs 3 r.3).

 

 

 

Lied 294: Laat komen, Heer, uw rijk

De Reformatie, jrg.74, pag.147

 

alg:      wazig lied over het ‘beloofde land van God’ Het lied is een mix van O.T.verlangen naar het land Kanaän (vs 2,3) 

      en het N.T. verlangen naar … een paradijs op aarde (vs. 4, r.4 ‘in deze wereldtijd’)

vs 2 r.3 “waar liefd’ en lofgezang verdrijven leed en dood” Dit is een niet schriftuurlijke dichterlijke vrijheid: Onze lofzangen verdrijven de dood niet, op geen enkele manier. Christus verdrijft tenslotte de dood als laatste vijand en dàn komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ( 1Kor. 15:26; Openb. 21:4)

vs 8        “O Ster van Gods Verbond” niet schriftuurlijke aanspreektitel van Christus.

 

In dat geval liever huidige gezang 32,30,20,22,23,24,25 en 26a.  Wat betekent Israël hier?

Classis Dordt: str.2,3 wekken sterk de indruk dat het herstel van Israel en Jeruzalem in het aarde land Kanaan verwacht wordt.

Str.4 gaat over vrede in deze wereldtijd.  Nadruk ligt op de ellende hier op aarde. Nergens blijkt dat de zonde de oorzaak is van alle ellende en dat die eerst weggenomen moet worden.

 

 

Lied 296: Ik kom met haast, roept Jezus’ stem

De Reformatie, jrg.74, pag.427

 

Net als 235 een Blumhardt-lied ("Ich komme bald, ruft Jesus Christ", niet in EKG), vertaald door E.L. Smelik, en voor het LvK nogal gewijzigd. Oorspr. opschrift: "Openba­ring 22 : 12 en 20, 'Ik kom haaste­lijk. Amen, ja kom, Here-Jezus". Daarbij "wordt het laatste bijbel­boek niet zozeer geciteerd als wel evocatief in herinnering geroepen. Zo zijn er met name onder­huidse toespelingen op de brieven aan de zeven gemeenten uit Openba­ring 2 en 3, al is de vermaning tot standhouden in de verdruk­king nergens toegespitst." (Comp.)

Over Blumhardt nog (zie Comp. bij lied 136): eschatologische gerichtheid. Hij doorbrak de heerschappij van het eenzijdi­ge piëtisme.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: "Nu zal..." - nú al?

str. 2: "Werp van u af / wat ik niet gaf" - nogal vaag

str. 3: "Ik ben't, uit wie gij krachten schept" - is dat een bijbels beeld?

 

 

 

Lied 299: Voor alle heilgen in de heerlijkheid

De Reformatie, jrg.74, pag.636, jrg.76, pag.94

 

Van oorsprong een Engels lied van elf strofen van William Walsham How ("For all the Saints who from their labours rest"), vertaald door W. Barnard.

WB beschrijft uitvoerig wie de dichter was, een vurig 'evange­lical', streng voor zichzelf. Maar al "spreekt hij meer de rechtvaardige taal van de prediker dan de bloeiende beeld­spraak van de man die voor alles dichter is, toch leven in zijn lied de bijbelse gelijkenis­sen." "Hows lied heeft iets van een toernooiveld" à la Arthur en zijn ridders, iets te kleurig, maar daarachter rijzen toch "onmiskenbaar de contouren van het gouden Jeruza­lem" op. Het lied is geschikt "om gezongen te worden waar een gemeente in rouw bijeen is." (Comp.)

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1 "in hun aardse strijd" klinkt vaag. Wat is de aard van die strijd? Waartégen is de strijd? Die vraag wordt ook verder­op niet beantwoord.

b. boodschap van het lied:

De eenheid van hen die in de aardse strijd Gods naam beleden en door Hem thuisge­haald zijn, met ons die nu nog in die strijd gewikkeld zijn: samen wachten we op de jongste dag, als allen de Koning vol vreug­de tege­moet zullen snellen.

c. beoordeling:

Wel aardig getypeerd met 'toernooiveld'; de tegenstander in de strijd blijft helemaal buiten beeld. Het lied zegt eigenlijk heel weinig, is vooral triomfalistisch.

d. verrijking?

Ik denk van niet.

 

 

 

Lied 300: Eens, als de bazuinen klinken

De Reformatie, jrg.74, pag.654, jrg.75, pag.158

 

alg:      Zoals zoveel LB liederen over de jongste dag ontbreekt het eeruwig oordeel geheel.

vs 3     “Roept de doden tot getuigen dat Gij van oudsher regeert, roep hen die men dwong tot zwijgen, die de wereld heeft geweerd. Richt omhoog wat wist te buigen, kroon wat aanzien heeft ontbeerd” Het past ons niet om God als rechter te zeggen wat Hij moet doen. r.6 ‘kroon wat aanzien heeft ontbeerd’ : Dit wijst teveel op een horizontalistische leer van de bevrijdingstheologie. De Here zal kronen op grond van geloof uit genade.

vs 4 r.5,6 “Heer, laat ons dan niet ontbreken, want de traagheid grijpt ons aan” Wij missen de bede aan God om met Zijn Geest zó in ons te werken, dat wij werkelijk Gods geboden bewaren en volharden in het geloof

vs 5        “Mensen komt uw lot te boven, wacht na dit een ander uur, gij moet op het wonder hopen, dat gij oplaait als een vuur” Niet schriftuurlijke, wazige taal over Gods voorzienigheid en de werking van de Heilige Geest.

 

 

 

 

Lied 301: Wij moeten Gode zingen

De Reformatie, jrg.74, pag.17

 

Een inmiddels alom bekend en geliefd lied: Lied 301, "Wij moeten Gode zingen" (nr.84). Op 't eerste gehoor denk je aan een 'klassiek' adventslied ofzo, maar nee, het is een lied van Bar­nard, speciaal gemaakt voor de 20e zondag na Pinkste­ren.

Als je in De Adem van het Jaar[87] die zondag opzoekt, zie je daar enkele in het Missale Roma­num voorgeschreven lezingen: Efezi­ërs 5 : 15-21 en Johannes 4 : 46-53. Je ziet aan het begin een 'smeek­gebed' uit Daniël 3 (maar het blijkt te gaan om een apocriefe invoe­ging in het boek Daniël: het 'gebed van Azarja') en de profe­tenle­zing uit Ezechiël 18. In deze tijd van het jaar worden 'bal­ling­schapsgevoelens' gecultiveerd; het Missale Romanum geeft als 'Offertorium' Psalm 137 aan.

Als je dat weet, dan snap je de titel die het lied oorspronke­lijk droeg en die in strofe 4 doorklinkt: "Van de lier aan de wilgen". En je kunt her en der in het lied iets uit de lezingen aantreffen.

Terecht zegt Barnard er zelf van: "Zonder weet te hebben van (al die) gege­vens kan men de tekst be­zwaarlijk verstaan." En daarmee is ook gezegd dat dit lied niet in ons kerkboek past, ...zolang wij niet van plan zijn die hele santekraam aan speciale zondagen en lezingen over te nemen.

Ga maar na: het begint met "Wij moeten Gode zingen" (naar Efeziërs 5 : 19) - dat valt niet mee in de ballingschap! Maar God geeft ook nog goede dingen, zegenin­gen: hij schenkt le­vens­adem, is nabij hen die Hem vrezen, vooral de minsten. Gods volk leeft "in schande en in scha", "in 't land van vuur en­ oven" (gebed van Azarja). Maar "al is de hemel boven / voor mensen doof en stom, / nog moeten wij u loven / met stem en fluit en trom."

In vers 4 komen we vanuit de ballingschap opeens in een andere tijd. "De lier hing aan de wilgen / (...) / God zal ons niet verdelgen, / (...)/ Zijn woord zal ons genezen / (...) / zoals het was voor dezen / in Galilea."

'Voor dezen', dat is de tijd van Jezus' rondgang door Galilea en zijn genezingswonderen (Johannes 4); gezien vanuit onze eigen tijd. Van hieruit kijk je dan in heimwee terug naar de tijd vóór kruis en opstanding, en verwacht je een herhaling daarvan voor de toekomst. Dat de bedeling waarin wij leven, veel heerlijker is, wordt niet gezien, en dat heeft ook invloed op de mate van vreugde: het kost moeite, maar "Wij moeten Gode zingen, / met alle sterve­lin­gen."

Nee, echt blij is het lied niet, zoals er door-elkaar geklaagd wordt over 'schan­de en scha' en gezongen wordt van 'halle­luja' en 'glori­a'...! Het blijft iets zoet-droevigs, iets 'rooms' houden, met z'n kyrie-eleison en mise­ricordi­a en z'n melancho­lieke melo­die.

 

alg:      Vrij vlak lied dat niet diep doordringt tot de rijkdom van Gods genade, waarvoor wij Hem mogen toezingen

vs 3     “Al is de hemel boven voor mensen doof en stom nog moeten wij U loven met stem en fluit en trom”: voor mensen is er geen geluid van boven te horen, maar de kerk maakt wel geluid naar boven. Gezien vers 5 komt de kerk hier naar voren in een soort voortrekkersrol

vs 4     “Zijn Woord zal ons genezen, zoals het was voor deze in Galilea”  Christus wordt de kerk voorgehouden als een redder die genezingswonderen doet en worden de zaken omgedraaid: de genezingen in Galilea (Matt. 15:29-39) wezen juist heen naar het definitieve heil dat Christus door  lijden en opstanding voor Zijn kerk zou verwerven.

vs 5        “Wij moeten Gode zingen Halleluja (…) De Heer van alle dingen die leeft in gloria, met alle stervelingen, niets komt zijn eer te na, wij moeten Gode zingen  halleluja” Dit slotvers tendeert weer naar een soort alverzoening/universalisme (‘met alle stervelingen’)

 

str.1: wij moeten Gode zingen om alle goede dingen, is wel erg eenzijdig.

De Here komt te stade aan een ieder, de minsten allermeest?  God maakt geen verschil tussen groot en klein, rijk en arm. De uitdrukking “Van pas komen” komt hier juist niet van pas!

Str.3: relatie met Ef.5 klopt niet. Ps.137 als antifoon hier benoemen is niet terecht vanwege de verschillende situaties.

Is de hemel doof en stom? > Mat.7:7  denk ook aan Elia op de Karmel

Str.4: genezing van de zoon van de hoveling (Joh.4:46-54) = armoe wij leven juist in de tijd NA Pasen.

Str.5, r.4-6 ALLE stervelingen?

 

Classis Dordt: behalve een goede verstaander die de verwijzing naar Galilea snapt, nergens een verwijzing naar het NT: Christus en zijn werk worden niet genoemd.  Wat is dan de meerwaarde boven de psalmen?

 

 

 

Lied 316: Blijf bij ons, Jezus, onze Heer

De Reformatie, jrg.74, pag.

 

Het is jammer dat de concrete taal uit het Duitse origineel (viel Sekten und groß Schwärmerei; zu fälschen deine rechte Lehr) weer is weggelaten in de Liedboek-bewerking. ‘De vijand’ wordt nu wel genoemd, maar het/hij blijft vaag.

 

 

Lied 319: Looft God, die zegent al wat leeft

De Reformatie, jrg.74, pag.635, jrg.76, pag.75

 

vs 1 r.1 “Looft God, die zegent al wat leeft” zegent God iedereen?, hiermee lijkt ook dit lied het stempel van universalisme (alverzoening) te krijgen zie ook vs 3, r.3

vs 2 r.3 “Hij is de hartslag van ons werk”  de bede dat Christus in het hart van de gelovige woning maakt (Ef. 3:17 geeft ons (of de dichter) niet het recht om hem (zondermeer) de hartslag van ons werk te noemen!

vs 3 r.2God, “een toren in de tijd” : kwalificatie van God die wij in de Schrift niet tegen komen

        r.3 dat het ten hemel toe moet gaan”: vlakke aanduiding van Gods plan

vs 4 r.1 “Looft God, want Hij spreekt onze taal”  onduidelijk wat wordt bedoeld: wij moeten Zijn taal spreken, de taal van het verbond; Hij kent onze taal.

     r.4 “In woord en doop en avondmaal houdt Hij bij ons zijn hof” mystieke taal over de bediening der verzoening in prediking en sacramenten

 

o lieve God >> zo.49 en 46 HC

 

 

 

Lied 320:

De Reformatie, jrg.74, pag.

 

Teveel eer voor het gebouw. “Maak ons vrij / in dit uw heiligdom”... Het lied herinnert teveel aan de OT-ische situatie.

De slotzin heeft in dit lied een andere, veel beperkter betekenis dan de bijbelse roep in Openbaring.

Willen we zo’n ‘inwijdingslied’, dan liever het lied van Ria Borkent voor die gelegenheid!

 

 

 

Lied 327: Heer Jezus, o Gij dageraad

De Reformatie, jrg.75, pag.1330

 

alg:      De inhoud van dit lied is niet erg concreet. Gezang 6 en 25 uit ons Geref. kerkboek hebben veel meer diepgang en zeggingskracht voor de kerk vandaag.

vs 1        “Gij dageraad”: deze benaming voor God is niet schriftuurlijk

 

 

Lied 328:

De Reformatie, jrg.74, pag.

 

kanttekening: Christus als ‘glans der heerlijkheid’ enz. is abstract.

Waarom alleen Christus aangeroepen?

 

Here Jezus, om uw woord  >> Hoe leert de Here ons te bidden? Mat.6:9, beaamd in v/a 120 HC: waarom: Onze Vader?  Zie ook aanspraak in formuliergebeden. Zie ook v/.a 117 HC Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem wordt verhoord? 

Liever gezang 6 huidige bundel.

 

 

 

Lied 335: Heer van uw kerk

De Reformatie, jrg.73, pag.457, 931

Reformanda jrg.8, pag.461,550,551

 

 

DK-verwijzing bij str.8 naar Ex.13:12 etc > verbondsautomatisme?

 

Schriftuurlijkheid

a.  Verschillende bijbelse feiten lijken hier bij de doop gehaald. Zoals de nodiging van de kinderen door de Here Jezus (couplet 1), het brengen van de kinderen naar de tempel in het Oude Testa­ment (couplet 2 en 7). Met name bij het tweede gege­ven is het de vraag of dit bedoeld is en of het terecht is dat dit bij de doop wordt aange­haald.

b.  Er zijn veel onduidelijkheden (fouten) in dit lied:

     couplet 2:'wij': zijn dit de kinderen of de ouders?

     couplet 3:'Uw lief­de vindt ons langs verborgen we­gen'.

     couplet 7:'ver­vult zijn wegen naar zijn raad'.

c.  De kern van de doop is in dit lied onduidelijk en lijkt te ver­worden tot 'zegen' en 'het wijden' aan de Here. Het kenmerkende van de doop is dat een kind Gods naam krijgt omdat God heeft gezegd: 'Jij bent van mij'.

d.  In couplet 5 wordt gesproken dat het kind door de doop een naam heeft gekregen. Niet het kind heeft een naam gekre­gen door de doop, maar God heeft zijn naam aan het kind verbonden. De om­schrijving doet nu rooms aan.

Beoordeling en conclusie

Het lied wordt gekenmerkt door onduidelijkheid. De kern van de doops­bediening komt niet uit de verf. Dit lied verdient daarom geen plaats in de bundel.

 

Alg:Het kenmerkende van de doop is dat een kind het teken èn zegel van het verbond krijgt. God laat zijn eigendomsrecht zien op Zijn verbondskinderen en zegt daar 'Jij bent van mij'. In lied 335 lijkt de kern van de doopsbediening echter neer te komen op 'zegen' en 'het wijden' aan de Here. Ook staat de mens centraal en is er invloed van Barthiaans denken.

vs 1     r.3 Het is waar dat de Heiland heeft gezegd "laat de kinderen tot Mij komen" Maar de verbinding (in vs 2, 1) met de doop is onjuist. Want in het aangehaalde schriftgedeelte betreft het kinderen die reeds het teken van het verbond (toen nog besnijdenis) hadden ontvangen. De tekst die ook aangehaald wordt in ons doopformulier geeft aan dat verbondskinderen ook helemaal tot het verbond behoren. Toch hoort de gang naar het doopvont primair worden gezien als  gehoorzamen aan het bevel van God aan Abraham werd gegeven tot de besnijdenis (Gen. 17: 10-13), deze tekst staat daarom voorop in ons doopformulier

vs 2 r.1: “Hier zijn wij dan”: zijn dit de ouders? 

      r.3: “het moet u dankend worden weergegeven” Dit gold voor de eerstgeboren jongens in het O.T.: deze moesten aan de Here moesten worden weergegeven. Met Christus is dit vervuld: als “de” Eerstgeborene van de Kerk gaf Hij zijn leven als straf voor de zonde; het symbolisch teruggeven van ons leven kennen wij niet in de christelijke doop. Wij zijn Gods eigendom (r.2) en dat bezegelt God in de doop.

vs 3 r.1,3 “Reeds staat Gij klaar (…) uw liefde vindt ons langs verborgen wegen” Wazige omschrijving van Gods liefde voor ons in het grote offer van Zijn Zoon.

vs 4 r.1: “Geef ons uw naam”. Onze kinderen komen te staan op de naam van God: horen Hem toe. Het dopen in de naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest (zoals uitgewerkt in ons doopsformulier) betekent dat God Zijn naam verbindt aan het kind, dat zijn eigen naam juist behoudt: De Here roept hem/haar bij zijn/haar naam.

      r.3,4 Het voortgaande werk van de Heilige Geest: afwassing van de zonden en dagelijkse vernieuwing van ons leven, wordt hier en in de rest van het lied onvoldoende belicht.

vs 5 r.1Het water wacht” :sterke nadruk op teken;magische taal ook in vs 6,r.1:”Uw teken spreekt” 

      r.2 "t kind ontvangt uw zegen ". Noch hier noch elders in dit lied komt tot uitdrukking dat Gods verbond twee delen heeft; een belofte en een eis. Deze 2 delen worden in het doopsformulier heel duidelijk genoemd (Kerkboek blz. 513). Maar met de verbonds eis wordt in lied 335 niets gedaan.

     r.4 “en niemand rukt het uit uw macht” Dit is een link naar Johannes 10:28 gemaakt. Maar daarbij gaat men er aan voorbij dat in deze tekst gesproken wordt van de schapen die de stem van de herder horen en Hem volgen (Joh 10:27): het zijn dus de gelovigen die metterdaad gehoorzaam zijn. Dit kan van pasgeborenen nog niet gezegd worden. Het slotgebed in het doopsformulier laat daarom om de gave van geloofsgehoorzaamheid bidden, om te vervolgen: “Dàn zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en ware God, eeuwig loven en prijzen.Amen.”

vs 6     r.1 “Uw teken spreekt” zie vs 5:1. De Heilige Doop is als sacrament niet alleen teken maar óók zegel, zoals wij dat in V&A 66 van de H.C. belijden.  Aan de ouders wordt voorgehouden dat God de Heilige Doop heeft ingesteld om ons en ons zaad Zijn verbond te verzegelen.  Dat alleen teken' genoemd wordt in dit lied wijst op barthiaanse invloed: we kunnen slechts 'tekenen' van Gods Rijk oprichten. (zie ook hieronder)

      r.3,4 "het is gedoopt, begraven en herrezen in Vader, Zoon en Heilige Geest": komt overeen met de opvatting van Barth dat de prediking is de afkondiging van de verkiezing. In Christus zou God de verwerping van de mens op zich nemen; in Christus' verwerping is de mens dan verkoren.  De prediking is nu bekendmaking van dat feit.  Deze afwijkende leer klinkt door in deze regels. Terwijl toch het gebed vóór de doop vraagt (doopsformulier) "laat het kind door de doop in Christus' dood begraven worden en ook met Hem opstaan in een nieuw leven ". Dat gebeurt niet op het moment van de doop maar dat zal in het leven láter moeten gebeuren door gelovige aanneming van de belofte die de Here in de Heilige Doop betekend en verzegeld heeft. Het in 'Christus' geheiligd' zal altijd moeten worden gevolgd door het 'door de Geest geheiligd'. Prof.dr.K. Schilder heeft hierop gewezen in zijn afwijzing van de synodale doopsleer in zijn boek 'Looze Kalk', gericht tegen de opvattingen van dr. J. Ridderbos.  Zo wijst hij er in dit verband ook op dat de eerste zin van het dankgebed ná de Heilige Doop belofte-inhoud is.

vs 7        r.4:“ver­vult zijn wegen naar zijn raad” Dit kan nooit een statement, een gegeven zijn, maar dient een verbondseis te zijn vanuit Gods beloften!

vs 8     r.2"En laat de mond der kinderen die we U wijden " Is dat wat ons naar de doopvont drijft het wijden van de kinderen aan de Here (vergelijk vs 2 r.3)?  Heeft Gòd hen niet aan Zich gewijd? Een verwijzing naar Exodus 13:12 zoals de deputaten doen lijkt niet terecht: daar gold het de eerstgeborenen, in feite is dit specifieke wijden vervuld in de Here Christus. Voortaan mogen wij de Here allen dienen als een levend dankoffer. Ons doopswformulier leert wijding niet als een specifieke handeling bij de doop.

      r.3”eens zelf onwaakt, met ons uw naam belijden” Dit is het enige aanknopingspunt voor de verbondseis in dit lied.

vs 9     Er wordt er een verband gelegd tussen "er is gedoopt" (r.1) - dat is dus op dat moment gebeurd - met "de ganse kerk in één geloof".  Maar dat geloof is er bij het pas gedoopte kind nog niet.  Dat moet nog kómen.  Ze zijn wel als 'leden der gemeente' gedoopt, maar ze moeten nog levende leden wórden. Ook in dit vers bespeuren wij Barthiaanse invloed (zie vs 6)

Conclusie:Het is een gevaar wanneer men onschriftuurlijk gedachtegoed gaat 'inzingen'.  Dan kan het inzinken in het hart, met alle nare gevolgen van dien.  Dit lied dient derhalve als onschriftuurlijk te worden afgewezen.

 

Dooplied van de hand van E.L. Smelik, waar­in in de eerste plaats de ouders spre­ken (maar in de gemeente en met de gemeen­te mee). Het kan het beste in tweeën gezongen worden: str. 1-5 voor de doopsbediening, 6-9 daarna.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Str. 2: "Hier zijn wij dan" - klinkt nogal banaal; "het moet U dankend worden weergege­ven" - is dat juist uitgedrukt? Is het voor de doop dan ook maar één mo­ment uit Gods handen geweest?

Str. 3: "uw liefde vindt ons langs verborgen wegen" - is dat waar: 'verborgen'? Die liefde is toch juist geopenbaard, ook zoals hij werkt in de lijn der geslachten!

str. 4: "Geef ons uw naam" - maar wij zijn toch in zijn naam bijeen!

"de oude mens moet sterven,

in u zal hij een nieuw be­staan ver­werven"

- de oude mens?

"als Gij maar voor hem in wilt staan"

- God stáát voor ons in (maar níet voor de oude mens), daarvan is de doop juist het teken en zegel.

str. 5: "het heeft een naam gekregen"

- die kreeg het toch bij de geboorte! Do­pen is geen naamge­ving.

str. 6: "het is gedoopt, begraven en herre­zen

in Vader, Zoon en Heilge Geest"

- bijbelse klanken vreemd verbonden (Rom. 6 : 4 met de doop­for­mule); je kunt toch niet zeggen dat je begraven wordt in God.

str. 7: "Het wordt voor u geboren en geto­gen,

vervult zijn wegen naar uw raad"

- een duistere omschrij­ving. Wordt hier gewoon bedoeld dat de Here zijn leven leidt?

str. 8: "der kindren die w' U wijden"

- is dat zo, dat wij door de doop onze kinderen aan God wijden? Zij zíjn Gods kinderen; de doop is daarvan teken en zegel.

b. boodschap van het lied:

dooplied (inhoud moeilijk samen te vat­ten).

c. beoordeling:

Er zitten toch wel veel vreemde of ondui­delijke gedachten in dit lied; ook wordt de doop zo sterk gedramatiseerd. Eigenlijk is er ook maar weinig terug te vinden van de rijke inhoud van de doop, zoals: de reini­ging van de zonden, de heiliging door de Geest, de eeuwige toekomst.

d. verrijking?

Nee.

 

Lees ook commentaar CJBreen ivm Barthiaanse context.

 

 

 

 

Lied 336: Zie hier de kindren tot U komen

De Reformatie, jrg.73, pag.457

 

a.      Vers, de aandacht wordt gericht op de mens, in dit geval de kinderen.

b.      Vers 2, God verzegelt zijn verbondsbeloften, wij hoeven daarom niet te vragen. Het ademt een mystieke en verkeerde gedachte over de doop. Op ieders voorhoofd is volstrekte onzin, aan het voorhoofd herken je Gods kinderen niet.

c.      Vers 3, de mens staat weer centraal. Gods draagt onze namen in zijn handpalmen daar hoeven wij geen opdracht voor te geven.

d.      Vers 4, wij kunnen niet navolgen waar Hij gaat, onschriftuurlijk. Geen persoonlijke belijdenis, je zingt het voor een ander.

e.      Vers 5, heilig teken van wat God in het verborgen doet is onzin. Het zegel wat de doop ook is blijft buiten beschouwing. In feite spreekt vers 5 tegen wat openlijk in de doop zichtbaar is.

f.       Vers 6, de suggestie wordt gewekt dat de mens centraal staat, hij moet het zelf doen. De hemel is niet het doel, maar Gods eer!

 

Beoordeling en conclusie

Afwijzen, Gods werk in doop en Verbond wordt in dit lied onvoldoende tot uitdrukking gebracht.

 

vs 1 r.1 “Ziehier de kindren tot U komen” kennelijk bedoeld voor het dopen van meerdere kinderen,

      r.4 “wij leggen ze in uw armen neer”: dit stelt de mens centraal: de ouders gaan iets doen wat bij de doop niet van toepassing is: de kinderen worden al gedragen door Gods vaderliefde, ze ontvangen nu het teken en zegel van het verbond.

vs 3 r.3 “Ze zijn van U;draag Gij hun namen in uw handpalnmen gegraveerd”evenals vs 1,r.4: God draagt de namen van zijn uitverkoren kinderen al in zijn handpalmen; hierom vragen is niet gepast.

vs 5 r.1,2 “ze ontvingen toch het heilig teken van wat Gij in ’t verborgen doet” . Deze vage omschrijving van de betekenis van de doop komt in de plaats van een schriftuurlijke weergave waar de doop het teken èn zegel van is!! Nu blijft het volkomen vaag. Laten we de omschrijving in ons doopsformulier hier eens naast leggen. Het machtige werk van Christus die ons redt van zonde en dood en dat ten grondslag ligt aan de doop, blijft onderbelicht. Dit is armoede, die de dichter ook nog eens heilig wil noemen: dit krijgt dan weer iets magisch!

vs 6        En als de loopbaan is gelopen het doel bereikt met laatste kracht, dan gaat de hemel voor hen open” De verbondseis (zie weer het doopsformulier!) wordt niet genoemd. Volgens lied 336 zal de mens, die de doop ontving, zijn doel bereiken en in de hemel komen. Dit automatisme is niet bijbels (zie de gebeden in het doopsformulier zoals in kerkboek p.516: “Geef dat het gehoorzaam onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus zal leven en krachtig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk zal strijden en overwinnen. Dan zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en ware God, eeuwig loven en prijzen. Amen”)

 

 

 

Lied 341: Gij hebt uw woord gegeven

De Reformatie, jrg.73, pag.457

 

Vers 1 doet rooms aan door een vorm van substitutie die niet schriftuurlijk is. Gods grote liefde voor ons en het concrete offer van Christus voor ons komen niet aan bod. Heeft een mooie melodie.

Beoordeling en conclusie

Twijfelachtig, niet opnemen

 

alg:      Dit lied geeft aan dat ons geloof niet uit eigen kracht is ontstaan. 

vs 1 r.5-8 “Uw woord is daad, o Vader, werd brood in de woestijn, werd mens en is mij nader dan wie mijn naasten zijn”  Twijfelachtige dichterlijke vrijheid om zo een aantal geloofswaarheden met betrekking tot Gods Woord aan elkaar te koppelen. In één zin wordt even het wonder van de vleeswording van God betrokken in onze relatie met onze naasten.

 

 

Lied 350: God, die leven hebt gegeven

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.106,350

 

alg:      Dit lied gaat over rijk en arm; het mist het bijbelse perspectief van b.v.  Matt. 25:31-46.

vs 1     r.4,5 “Alle vrucht der velden meten we U vergelden”: onschriftuurlijke uitdrukking vergelden: geven uit dankbaarheid is iets anders dan terugbetalen van Gods genade.

vs 3        “Maar wij rijken (…)” Eénzijdige betrokkenheid van groep binnen de gemeente

 

 

 

Lied 356: O leid mijn blindheid bij de hand

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.627, jrg.75, pag.817,842

 

a.      De aanspraak in het eerste vers van dit lied is verhullend: de “O” in de eerste regel wordt pas in de derde regel nader aangeduid, met, “O liefde groot”. Hiermee wordt blijkens de tekst Christus bedoeld, maar dit is een onbijbels benaming; we noemen Christus niet naar één van zijn eigenschappen. Duidelijker en bijbelser staat het bijvoorbeeld in psalm 25 vers 2 berijmd.

b.      “Gij geeft aan mij, o liefde groot, Uzelf in dit gebroken brood”, dit is een dwaling, Christus geeft niet zichtzelf in het brood, we eten Hem niet, zoals hier wel staat. Dit  is rooms luthers en dus onschriftuurlijk!!

c.      Het tweede vers richt de aandacht op onszelf, wij die “licht en stil” bij elkaar heten te zitten, en worden geacht te vragen om de openbaring van Gods zoetheid, wat daarmee in dit verband ook bedoeld mag worden.

d.      Vers 3 begint met “verzadigd met één brood zijn wij” het brood dient echter niet ter verzadiging, maar als onderpand van Gods hartelijke liefde en trouw. De Here Jezus richt bij de instelling van het Heilig Avondmaal onze geloof op Zijn volkomen offer als enige grond voor ons heil; dat offer wordt in dit lied niet eens genoemd.

e.      De laatste regels van dit lied zijn uitgesproken vaag, wat is bijvoorbeeld: “o liefde die ontbloeid uit pijn wij zijn van U in brood en wijn”?

 

Beoordeling en conclusie

Afgewezen, dit lied richt onze aandacht op ons samenzijn in brood en wijn in plaats van op Gods liefde voor ons in het offer van zijn Zoon. Het lied is vaag en onschriftuurlijk.

 

alg:      lied over het avondmaal met onschriftuurlijjk mystiek karakter en rooms/lutherse boodschap, mist volledig de schriftuurlijke gedachtenis aan het zoenoffer van Christus.

vs 1 r.5, 6 “o liefde groot” geen bijbelse benaming van Christus ”gij geeft aan mij (…) Uzelf in dit gebroken brood”  HC zondag 29 leert tegen Roomse en Lutherse dwaling in: V&A 78: “…Zo wordt ook dit brood bij het avondmaal niet veranderd in het eigen lichaam van Christus” , “Maar vooral wil Hij ons door deze zichtbare tekenen en panden ervan verzekeren: ten eerste dat wij door de werking van de Heilige Geest even werkelijk deel krijgen aan zijn echte lichaam en bloed, als wij deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen” V&A 80: “Maar de mis leert (…) ten tweede dat Christus lichamelijk in de gedaante van brood en wijn aanwezig is en daarom ook in die gedaante aangebeden moet worden” Gods Woord leert dat het avondmaalsbrood Christus is (geestelijk verstaan), die Zich aan ons heeft gegegevn en aan wie wij deel krijgen; echter Christus geeft zich niet in brood: dit is transsubstantiatie (Rooms) waarbij Christus in brood veranderd wordt of consubstantiatie (Luthers) waarbij Christus in het brood aanwezig is.

vs 2 r.1-3 “Wij die hier zitten bij elkaar in één aanbidding, licht en stil, maak ons uw zoetheid openbaar”: mystieke bezigheid van de mens die vragen om het openbaar worden van zoetheid (wat betekent dit toch: magische gebeurtenis?)

vs 3 r.1 “Verzadigd met één brood zijn wij”  Hier komt het teken in plaats van Christus’ gekruisigd lichaam

     r.5,6 “O liefde die ontbloeit uit pijn wij zijn van U in brood en wijn” vaag en onduidelijk

 

 

 

Luthers avondmaalsvisie. We vonden het volgende

(bij dr. A.D.R. Polman, Woord en belijdenis,

eenvoudige verklaring van de Nederlandse

Geloofsbelijdenis, deel II p. 290-291.:)

Zo worden meer en meer voor Luther het lichaam en bloed des Heren de ware substantie van het avondmaal, de schat, waardoor en waarin de vergeving der zonden verkregen wordt. Dit li­chaam en bloed des Heren werken (welk een verzakelij­king) uit zichzelf. Niet Chris­tus Zelf, maar zijn lichaam is het goed, dat tegen dood en alle onheilen gegeven is. Dit lichaam heeft niet alleen de zondeverge­ving ver­diend, maar transporteert haar ook. De bekende Lutherse theoloog Goll­witzer spreekt hier, niet ten onrechte, van een magi­sche werking.

Opmerkelijk is echter, dat dezelfde twee­slachtigheid, die wij bij de Lutherse opvat­ting van de sacramen­ten in het algemeen en van de doop hebben aangewe­zen, ook hier terug­keert. Naast de verlegging van de evangelieschat in de elementen zelf, waar­bij aan het Woord alleen maar een dienen­de en verklaren­de beteke­nis gegeven wordt, blijft tot in de laatste werken van Luther de be­schouwing aanwezig, dat de eigenlij­ke schat in het beloftewoord het ware testa­ment van Christus, gelegen is.

Zo wordt enerzijds het verband tussen het Woord der belofte in het avondmaal en het geloof en de applicatie door de Heilige Geest ten volle gehandhaafd. Anderzijds wordt een tweede applicatie geleerd door het lichaam en door het bloed zelf, die zelfstandig werken en zaligen. Het Woord verliest dan zijn belofte­karakter, wordt verlaagd tot bijko­mende verklaring en het geloof wordt gedegradeerd tot toestem­ming, aanvaarding van het onbegre­pen mysterie.

Dat was wat we aanvoelden in dit lied. Nu is ook duidelijk waarom dat 'Kyrieleison' me haast een bezweringsformule leek.

 

 

 

Lied 358: Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.627, jrg.75, pag.842

 

Schriftuurlijkheid

a.      Ook in vers twee duikt de lutherse avondmaalsleer op “opdat ik U ontmoet in ’t teken van Uw lichaam en uw bloed”

b.      Vers 4, “voed mij en drenk mij met uw brood en wijn” dit klopt niet, Christus voed en verkwikt ons met zijn lichaam en bloed en het brood en de wijn zijn daarvan een teken.

c.      Vers 5, nu ik mijn hand strek…. Christus komt niet pas nadat ik mijn hand strek (niet pas na onze actie), maar Hij roept ons tot zijn heil.

d.      Couplet 6: ‘Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst. Uw kracht, uw leven daalde in mij neer'. Dit verwoord lutherse avondmaals­leer en geeft het idee dat er in het brood en in de wijn magische kracht zit. Hierin zit steeds weer dezelfde dwaling die de aandacht wil afleiden van het offer van Christus, het bewijs van Gods Lliefde.

 

Beoordeling en conclusie

Afgewezen, een erg slecht lied en dus ongeschikt voor gebruik

 

alg:      mystieke betekenis van het sacrament

vs 2 r.3,4opdat ik u ontmoet in het teken”: Rooms/Luthers: zie bespreking lied 356 en 360.

vs 4 r.1,4 “voed mij en drenk mij met uw wijn” Christus voedt en verkwikt ons met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed en niet met brood en wijn!, deze zijn de tekenen en zegelen daarvan(HC zondag 28)

vs 6 r.2 “Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst” sluit aan op vs 4 r.4! Het werk van Christus’ plaatsvervangend lijden, wordt verdrongen door het teken

     r.3  “Uw kracht, uw leven daalde in mij neer” mystieke betekenis van het sacrament

 

 

 

Lied 360: Heer, wij komen vol verlangen

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.75, pag.842

 

Schriftuurlijkheid

a.  Hetzelfde bezwaar als bij lied 358 met betrekking tot de Luthers/roomse avondmaalsleer.  Vers 1 “Laat ons dan in brood en wijn met Uzelf gespijzigd zijn”. “Vervul ons met uw krachten….zegen zo uw sacrament”. Opnieuw wordt aan het sacrament zelf een speciale magische kracht toegekend en wordt de aandacht daarop gericht.

c.      De eerste regels van vers 4 zijn erg vaag; de laatste roepen ons op Christus te “volgen onder ’t kruis op de smalle weg naar huis”. De weg die Christus op aarde ging kunnen wij niet volgen, al zijn er onder de liedboekdichters die dat denken: de moderne theologie ziet in Christus werk zelfs niet meer dan het ultieme voorbeeld voor ons. Ter navolging.

d.      Ook dit lied gaat over ons: “Wij komen vol verlangen” om ons te laten spijzigen met Christus zelf “in brood en wijn”, en over wat wij moeten doen. Het offer van Christus wordt slechts zijdelings genoemd; dit lied bevat dwaling en is dan ook ongeschikt om er Gods lof mee te verkondigen.

Beoordeling en conclusie

Niet geschikt voor gebruik en zelfs gevaarlijk.

 

alg:      In dit avondmaalslied komt het eigenlijke verzoeningswerk van Christus maar in één regel aan de orde: vs. 1 r.6”: “die uw bloed voor ons woudt geven“  Voor het overige ligt de nadruk sterk op het sacrament, de mens en zijn geloofsdaden

vs 1 r.7,8 “Laat ons dan in brood en wijn met U zelf gespijzigd zijn” De wijze waarop onze ziel gespijzigd wordt met het lichaam en bloed van Christus is echter niet met de mond maar geestelijk door het geloof (NGB art. 35) Het formulier in ons kerkboek zegt (p. 527): Laten wij vast geloven dat wij door de werking van de Heilige Geest even zeker met zijn lichaam en bloed aan onze zielen gevoed en verkwikt worden als wij het heilige brood en de heilige drank tot zijn gedachtenis ontvangen” Zoals het in dit lied staat dringt de Rooms/Lutherse leer van de substantiatie zich op. 

vs 3 r.7,8 “en U volgen onder ‘t kruis op de smalle weg naar huis” Zoals het hier staat lijkt het dat wij Christus moeten volgen onder het kruis, nl. Christus’kruis. Dit is echter onschriftuurlijk, de lijdensweg die Christus ging was uniek. Matt. 16:24 zegt wel “neme zijn  kruis op en volge Mij”, dat wil zeggen ieder moet zichzelf verloochenen en zonodig zijn eigen leven willen werlizen om Christus’wil. Zoals het hier staat is het op zijn minst erg verwarrend.

 

 

 

Lied 367: Wij bidden u Gods zegen toe

De Reformatie, jrg.73, pag.458, jrg.74, pag.655

 

Een huwelijkslied, gedicht door E.L. Sme­lik. "Bedoeld is een gezongen gebed van de gemeen­te bij de inzegening, nadat eerst bruidegom en bruid hun trouwbelofte ten overstaan van die gemeente hebben her­haald. Veel, zo niet alles, is onbekend van de toekomst der huwenden, hun jawoord is feilbaar. Alleen wanneer het in geloof gestand wordt gedaan en waargemaakt, kan het gezien worden als een door God omsloten 'ja'." (ELS in Comp.)

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

de toelichting is bedenkelijker dan het lied zelf.

Fraaie opbouw: str. 1 eindigt met 'God doet de toekomst open', 2 met 'God houdt uw ja omslo­ten'.

str. 1: kun je dat zo zeggen, dat de ge­meente Gods zegen a.h.w. aanreikt?

b. boodschap van het lied:

zie citaat uit Comp. (Hoe zit dat: hangt ons ja én Gods trouw af van ons geloof??) - Mis­schien kun je het ook positiever inter­pre­teren: God houdt uw ja omsloten; u mag op Hem vertrou­wen, en dank zij zijn trouw kunt u dat menselijk feilbare woord gestand doen.

c. beoordeling:

In die tweede interpretatie is het wel accepta­bel, denk ik.

d. verrijking?

Door z'n vaagheid zegt het lied eigenlijk heel weinig. Minder dan bijv. Psalm 121. Zing dat dan liever!

 

 

 

Lied 368: Als God ons huis zijn gunst ont­houdt

De Reformatie, jrg.74, pag.655

 

a.      Eveneens een huwelijksgezang. Met name couplet 3 gebruikt een mengeling van bijbelse en profane woorden waardoor een woordspeling ontstaat, die poëtisch wel mooi, maar niet het niveau voor gemeentezang heeft.

Beoordeling en conclusie

Afwijzen

 

Een huwelijkslied van Ad den Besten. Op de achtergrond verband met Psalm 127. Verschil o.a. dat er (nog) geen sprake is van zonen en dochters. "Het lied spreekt de wens uit, dit huis (gezin) te wijden tot een tempel voor de Heer." In str. 3 gaat het ándere tempelbeeld meespelen: ons lichaam (zie 1 Kor. 6 : 19).

Str. 3: Gods Geest als vuur en licht in ons 'huis' - dat wordt in dit lied van God ge­vraagd, "opdat de liefde tussen man en vrouw een afspiegeling zal zijn van Gods liefde tot ons mensen, - de liefde van Christus tot zijn uitverkoren bruid, de gemeen­te." (AdB in Comp.)

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

Verschil met Psalm 127 o.a. dat daar de HERE het huis bouwt, de leiding heeft. Hier wordt zijn gunst verlangd; Hij mag het grond­plan bepalen en erbij zijn als wij bouwen. Als God zijn gunst onthoudt, is het huis wel gebouwd, maar bereikt het z'n bestemming niet. Ook verderop: de Geest mag erin dalen, het 'vuur reinigen': het blijft meer een toevoe­ging aan, een verrij­king van ons leven. Het blijft ook (str. 4) naar binnen gericht: elkaar... - de buiten­wereld komt niet in beeld.

b. boodschap van het lied:

Alleen door Gods gunst en de aanwezig­heid van zijn Geest komt het 'huis', het huwelijk tot werkelijke ontplooiing.

c. beoordeling:

Het is geen slecht lied; vooral in str. 3 en 4 is het ook fraai dichterlijk. Maar de psal­men zijn rijker. Psalm 127 bijvoor­beeld.

d. verrijking?

Nee dus.

 

alg:      Dit lied bevat veel woordspelingen, maar mist een duidelijke schriftuurlijke boodschap

vs 2     “Ga niet voorbij aan ons domein laat het uw huis, uw tempel zijn, waarvan Gij ‘t grondplan hebt bepaald, opdat Uw Geest, Heer, daarin daalt”  Deze poetische taal, wijst niet op Christus op wie elk bouwwerk betrokken moet zijn zoals staat in Ef 2: 21,22: In Hem (Christus) was elk bouwwerk, goed ineensluitend op tot een tempel, heilig in de Here in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.         

vs 3     “En reinig met uw vuur het vuur van onze haard”: deze passage komt wat banaal over.

     “uw gloed, bij mensen ingekeerd, die onze brandstof niet verteert” wazige taal

 

 

 

Lied 374: De zon gaat op in gouden schijn

De Reformatie, jrg.75, pag.1345

 

een vlakke tekst. Eigenlijk een oubollig lied.

 

 

 

Lied 380: Ontwaak, o mens, de dag breekt aan

De Reformatie, jrg.74, pag.636

 

alg:      vlak lied met mistige inhoud, waarin ons burgerschap van het Koninkrijk der hemelen (zie vs 4,5,7) niet de juiste schriftuurlijke belichting krijgt. Met name valt ook hier op, dat Christus en Zijn werk ontbreekt.

vs 1     “de dag breekt aan, die u Gods liefde doet verstaan als nieuw, nu gij door slaap en kracht weer ‘t leven vindt, verstand en kracht” De tekst mist de schrituurlijke zeggingskracht van bv. Gez. 38 van ons Geref. kerkboek

vs 3 “Al wat geliefd is en vertrouwd, het wordt voor wie Gods licht aanschouwt met glans en heerlijkheid verguld, want het bestaat in Gods geduld” Horen we hierin een soort algemene genade? Dit vers legt ons in de mond dat de zaken die wíj mooi vinden en die God toelaat (in lankmoedigheid?), glans en heerlijkheid krijgen: waar hebben we het over?

vs 4     “Het schijnsel van de hemel gaat over de dag van vroeg tot laat”. Vage tekst, slaat dit op Gods onderhouding van de schepping? Maar hoe sluit dit aan op de 2 voorafgaande regeles: “Wie van zich af ziet naar God toe, loopt in het lichten wordt niet moe”?          

vs 5     “Houdt dan de hemel in het oog”, “Op aarde ziet gij een bovenaardse glans” Poetisch mooie taal, maar er zit niet veel schriftuurlijke diepgang in. Liever hadden we de taal gezien van Hebr. 12:2 “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leidsman en de voleinder des geloofs”; of die van Phil. 3:20: “Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen”.De inhoud van het evangelie in die genoemde schriftgedeelten geeft bemoediging en roept op tot volharding. Dat wordt gemist in dit ‘lievige’ lied.

vs 7        “Maak in uw liefd’ ons Heer, bereid voor licht en vreed’ in eeuwigheid”. Opnieuw wazige taal, waar het juiste zicht op het Koninkrijk der hemelen ontbreekt. Is hier toch ook niet een zucht naar een vrederijk op déze aarde.

 

 

 

Lied 382: God die het al geschapen heeft

De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74, pag.510,654

Nader Bekeken, jrg.6, pag.4

 

a.      Tekstueel niet erg sterk, bijvoorbeeld vers 4 in vier regels maar liefst vier samentrekkingen.

b.      Vers 6, “Geef dat geen slaap de geest omhult, dat enkel slape vrees en schuld…” Om welke geest gaat het hier?

c.      Vers 7, het is niet schriftuurlijk te zingen van God als zou Hij dromen.

d.      Melodie niet echt geschikt voor gemeentezang

Beoordeling en conclusie

Afwijzen

 

alg:      Een vaag lied met mystiek karakter

vs 5     opdat wanneer het daglicht is omsluierd door de duisternis, ‘t geloof niet in het duister zwicht maar door zijn glans de nacht verlicht” Hier staat de nachtelijke duisternis wel al te simpel voor het kwaad

vs 6 r.1,2 “Geef dat geen slaap de geest omhult, dat enkel slape vrees en schuld”  vaag en mystiek

vs 7 r.1,2 “Los van het kwade groeie nu diep in ons hart de droom van U”. vaag en mystiek

 

 

 

Lied 387: O Heer mijn God, ook deze nacht

De Reformatie, jrg.74, pag.656,778

 

alg:      In dit lied wordt de nacht vereenzelvigd met het terrein van de boze geesten (vs 5,6). De inhoud is vrij vlak.

      Vergeleken met bv. Gezang 39 van het Geref. kerkboek betekent dit lied een verarming.

vs 5     “Wanneer mij slapeloosheid kwelt, geef dat uw Geest mij vergezelt, laat mij niet raken in de macht der boze geesten van de nacht”  Dit doet nogal bijgelovig aan alsof de geschapen nacht bij uitstek het terrein van de boze geesten is. En alsof we daarvoor de Heilige Geest te hulp moeten roepen. Dit komt ook terug in het volgende vers:

vs 6        “Verjaag de wolven van uw schaap, want ik ben weerloos als ik slaap” Opnieuw wordt hier een magische betekenis aan de nachtelijke slaap gegeven, als een tijd vol gevaren.  De schrift kent zulk spreken niet. De verwijzing naar Matt. 10, 16 (schapen onder wolven) mist hier de diepe betekenis van dit Schriftwoord: Jezus zendt zijn apostelen uit waardoor ze als schapen onder wolven komen te  verkeren: ze moeten enerzijds bedachtzaam zijn, anderzijds op Christus blijven steunen en niet wankelen (zie dr. J. van Bruggen: Matteus, het evangelie voor Israël, Kok Kampen, 1990).

 

Zie ook avondgebed op blz.5782 van het Kerkboek

Classis Dordt: str.1,r3: schept  kan in het licht van de voltooide tijd in de volgende regel als rijmdwang worden gezien of dichterlijke vrijheid en hoeft dus noiet een belijdenis van een voortgaande schepping te zijn.

Str.2, r 1,2 :  doe mij niet aan het kwaad dat ik U heb gedaan: zou God dat anders wel doen, hetzelfde kwaad?

Str.3: strven valt wat vreemd in een lied over dagelijks gaan slapen en ontwaken.

Str.5b en 6: raar in conmtext van 1Petr.5:8

 

 

 

Lied 392: Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt

De Reformatie, jrg.74, pag. 656

 

Een zeer bekend Engels lied van Henry Francis Lyte ("Abide with me; fast falls the eventide"), vertaald door W.Barnard, Ad den Besten en W.J. van der Molen. Lyte schreef het lied kort voor zijn dood, terwijl hij al doodziek was.[88]

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 5: "wijs de weg omhoog" - alsof ik zélf bij het sterven de weg naar de hemel moet zoe­ken.

b. boodschap van het lied:

Here, blijf mij nabij als de nacht van de dood aanbreekt. Ik vrees geen kwaad, want de Here is bij mij; dood, waar is uw prik­kel? Houd me in mijn laatste ogenblik uw kruis voor. Dan breekt uw dag aan.

c. beoordeling:

Geen 'gewoon' avondlied, maar een lied dat stilstaat bij het naderend levenseinde. De nacht is slechts beeld. Over 't algemeen een mooi lied, met veel troost.

d. verrijking?

M.i. meer geschikt voor gebruik buiten de eredienst, gezien de zeer speciale persoon­lijke situatie die erin weergegeven wordt.

 

Vergeleken met Haspers’vertaling bizonder slecht te noemen. (zie toetsing Heemse).

 

 

Lied 393: De dag, door uwe gunst ontvangen

De Reformatie, jrg.74, pag. 635

 

vs 4 r.3,4Tot al Uw schepselen zich buigen / voor uw liefde en majesteit”: vertolkt de algemene verzoening

 

Schriftuurlijkheid

a.         In couplet 4 is het mogelijk dat de gedachte van 'heilsuniversa­lisme' gelezen wordt. Tot al Uw schepselen zich buigen / voor uw liefde en majesteit. Vertolkt de algemene verzoening.

b.         Het idee van het lied dat de lof onophoudelijk doorgaat is aan­sprekend.

Taalgebruik

Is hier en daar nogal verouderd zoals de woorden 'genaakt' en ont­luikt'.

Beoordeling en conclusie

Afgewezen

 

Een lied van John Ellerton, schrijver van o.a. de Notes and Illustrati­ons (zeg maar: Compendium) bij de anglicaanse Church Hymns. "The day Thou gavest, Lord, is ended" is vertaald door Jacqueli­ne van der Waals.[89]

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 4: "voor uwe liefd' en majesteit" - hier was een aanvul­ling met de 'keerzijde' wel op z'n plaats geweest: hier ont­breekt elke notie dat er niet bij álle schepselen dank­baarheid zal zijn op de jongste dag. (De Engelse tekst heeft hier niet het woord liefde: "Till all thy creatures own thy sway!")

b. boodschap van het lied:

Dank aan God voor zijn gunst in de afge­lopen dag; een dank die ononderbroken klinkt van steeds weer andere plaatsen. Zo zal de aarde van U getuigen, tot de jongste dag.

c. beoordeling:

Een mooi, bekend avondlied. Wel wat vlak van inhoud (zie details).

d. verrijking?

Ook hier aarzel ik weer of het als kerklied ge­schikt is.

 

Lees ook: Hand.13:48, psa.1 en Hebr.4:1-3 en 7 >> alverzoening moet worden afgewezen.

Probleem is vooral strofe 4.

 

 

 

Lied 396: Het oude jaar is nu voorbij

De Reformatie, jrg.76, pag.273

 

niet sterk. In strofe 4 weer: ‘geduld’

 

 

 

Lied 397: O God, die droeg ons voorgeslacht

De Reformatie, jrg.74, pag.278

 

alg: Selectief gebruik van Ps 90: 1,2,4,12,17 (onberijmd). Het middengedeelte, dat de kern van de psalm vormt, ontbreekt echter. De oorzaak van de korte levensduur en alle tegenspoed, n.l. de toorn van God over “onze ongerechtigheden” wordt niet genoemd! Groot verlies t.o.v. onze eigen berijmde Psalm 90

vs 6 geen roep om ontferming van Ps 90:13.

 

Met name de verzen 1,2,4,12,17 van de onberijmde psalm 90 zijn in dit gezang te herkennen. Het middengedeelte, dat de kern van de psalm vormt, ontbreekt echter. De oorzaak van de korte levensduur en alle tegenspoed, n.l. de toorn van God over “onze ongerechtigheden” wordt niet genoemd. De gebedswoorden in couplet 6 missen dan ook de roep om ontferming van vers 13. Zo komt de inhoud niet uit boven het selectief gebruik van de coupletten 1,2,3,8 en 9 van onze berijmde psalm, waarbij ook nog het “gena” van couplet 9 gemist wordt.

Beoordeling en conclusie

Dit lied is geen waardevolle aanvulling op de psalmen en kan dus worden gemist.

 

 

 

Lied 402: Verheugt u, christenen, tesaam

De Reformatie, jrg.74, pag. 65, jrg.75, pag.862

 

vs 5     r.1,2 “Hij sprak tot zijn geliefde Zoon: ‘Ik kan ’t niet langer lijden”: onschriftuurlijke taal over Gods wonderlijke liefde, bovendien verzonnen gesprekken tussen God de Vader en God de Zoon

      r.5 “sta voor hem in als bondgenoot”: Christus is onze borg, onze verlosser en Heiland, niet onze bondgenoot

vs 6        r.6,7 “om satans eigenwaan te slaan, hem in de val te lokken” onschriftuurlijke weergave van het plaatsvervangend lijden zoals in de Schrift beschreven.

 

Schriftuurlijkheid

a.  Couplet 2 en 3 geven op schriftuurlijke wijze de verdor­ven aard van de mens weer.

b.  In couplet 4 en 5 wordt het offer van Christus nu present ge­steld. Is erg verwarrend deze twee tijdslagen. De bijbel kent een dergelijke aanpak niet.

c.  Couplet 6: Satan in de val lokken? Christus heeft de men­selijke gedaante aangenomen om ons te verlossen!

d.  Coupletten 5 en 7 -10 geven citaten weer van Christus' spreken, die zouden dan letterlijk of zoveel mogelijk letter­lijk moeten zijn. Van dit gesprek weten we niets, is gedra­matiseerd. “Ik kan ’t niet langer lijden” is zelf s ronduit plat en dit behoren we in de eredienst niet te zingen

Taalgebruik

Hier en daar erg oud.

Beoordeling en conclusie

Lied dat door twee tijdlagen verwarrend is en tevens weergave sugge­reert te zijn van een gesprek van Christus waarover we in de bijbel niets vinden. Afwijzen.

 

 

 

Lied 403: Wat mijn God wil geschied’ altijd

De Reformatie, jrg.76, pag.39

 

Dit lied is een berijming van Luthers uitleg bij de derde bede van het Onze Vader; dichter van het Duitse origineel ("Was mein Gott will, das gÑcheh allzeit", EKG 280) is Albrecht, hertog van Pruisen. Het is vertaald door Schulte Nordholt.

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1: vaker 'mijn' en 'mij' dan in 't origi­neel.

r. 3-4  was:

"Zu helfen dem er ist bereit,

der an ihn glaubet fes­te"

- die beperking is verdwenen bij SN.

str. 2: verdwenen "sein Wort ist wahr";

de slotre­gels zijn zwakker dan

"Er hüt' und wacht,

stets für uns tracht'

auf dass uns gar nichts fehlet".

str. 3: "hinfahren.../zu meinem Gott" is algemeen "heengaan" geworden;

"du from­mer Gott,

Sünd, Höll und Tod

hast du mir über­wun­den"

wordt ook vlak­ker:

"Die mij geleidt

door dood en strijd,

Hij heeft al overwon­nen".

Ook str. 4 heeft afzwakking:

"Wenn mich der böse Geist an­ficht,

lass mich, Herr, nicht verza­gen.

Hilf, steur und wehr,

ach Gott, mein Herr"

wordt afstande­lijker:

"wanneer de boze gaat te­keer,

laat mij uw hulp aanschou­wen,

 dat ik niet val,

maar leven zal".

"Nog één ding wil ik vragen, Heer" - is dat een correcte vertaling van "Noch eins, Herr, will ich bitten dich"?

(Ik dacht dat het 'nog eenmaal (hetzélfde) vragen' betekent, in de lijn dus van de vorige strofen; niet iets ánders vragen.)

 

 

 

Lied 408: Nu laat ons God de Here

De Reformatie, jrg.74, pag. 627,1053

 

vs 5 r.1 “Wij bidden U, Algoede”  “Algoede” net zo onschriftuurlijke benaming voor onze Here God als “Opperwezen” etc. die wij uit de psalmberijming van 1773 hebben afgekeurd

vs 6 “Bewaar ons in uw waarheid / geef ons op aarde vrijheid / met alle mensen samen / uw rijk, Heer, te beamen” Dit is puur Barthiaans universalisme. De Schrift leert ons echter dat het heil er niet is voor alle mensen. In dit lied wordt verkiezing en verwerping genegeerd en daardoor Gods Woord tekort gedaan. de oorspronkelijke tekst van dit lied (EKG 227) is ongeveer direct vertaald: “Houdt ons bij de waarheid / geef ons de eeuwige vrijheid / om uw Naam te loven / door Jezus Christus. Amen” Het moge duidelijk zijn dat in het liedboek lied de alverzoening is ingebouwd waar deze oorspronkelijk niet stond!

 

Schriftuurlijkheid

a.  Een eenvoudig helder lied.

b.  'Algoede' in couplet 5 is geen goede bijbelse benaming voor de Here. (ook door de Nederlands Gereformeerde afgewezen!)

c.  In couplet 6 vinden we niet alleen een onbijbelse toe­komstver­wachting in: 'geef ons op aarde vrijheid, met alle mensen samen uw rijk, Heer te beamen', maar hier klinkt ook de leer van de algemene verzoening door­heen. De bijbel spreekt niet over vrijheid op aarde met ALLE mensen samen, integendeel: de vrijheid van de zonde beleven de uitverkorenen van God in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde.

Beoordeling en conclusie

Vanwege de onbijbelse toekomstverwachting en benaming voor de Here afwijzen

 

Classis Dordt: str.1 r.3,4: dit is niet waar vgl. Job1:21, 2:10 ps.73:14, 74, 77:8 Rom8:18 HC zo.9

Wel wil onze God het kwade dat Hioj ons laat overkomen ten goede keren.

Algoede: HC v/a 120

Str.6 onvertaald: Erhalt uns in der Wahrheit, gib ewigliche Freiheit, zu preisen deinen Namen durch Jesum Christum, Amen

 

 

Lied 409: Laat ons de Heer lofzingen

De Reformatie, jrg.75, pag. 973

 

Ondanks de ‘hevige’ vergelijking een vlak lied. Uit het origineel zijn opvallend bepaalde noties weggelaten. ‘Dood’ wordt blijkens de context in strofe 1 vervlakt tot ellende; de verlossing van onze zonden is weg-berijmd. ACdB heeft het wel over een wal, maar de vijand blijft buiten beeld.

 

Nergens Rom.11 terug te vinden.

 

 

 

 

Lied 423: Ach, blijf met uw genade

De Reformatie, jrg.

 

Nogal vlak

 

 

Lied 429: Wie maar de goede God laat zorgen

De Reformatie, jrg.73, pag. 309,520 jrg.74, pag.655, jrg.75, pag.720

 

alg: Een lied waarin het leven in het verbond een vrij passieve aangelegenheid is verworden. Hierin geen krachtig oproep tot de schriftuurlijke worsteling om het geloof te behouden.

vs 1     r.1 “Wie maar de goede God laat zorgen en op Hem hoopt in ‘t bangst gevaar” Moet dit ‘laten zorgen’ passief worden opgevat? Alsof er voor ons in geloofsgehoorzaamheid geen goede strijd is te strijden! De hoop op God moet heel ons leven stempelen, niet alleen in ‘t bangst gevaar

      r.3  is bij Hem veilig en geborgen” Er wordt niet aangegeven wèlk gevaar dreigt en waartegen veiligheid nodig is.

      r. 5 wie op de hoge God vertrouwt” Waarvoor we Gods vertrouwen nodig hebben, namelijk om te volharden in het geloof blijft buiten beeld. Het gaat blijkbaar allereerst om 

vs 2 r.2 en zwijg de Heer ootmoedig stil” Komt zeer passief over omdat het de diepgang mist van Psalm 62: “Waarlijk mijn ziel keer zich stil tot God, van Hem is mijn heil (…) Hoelang zult gij op een man aanstormen?”

vs 3 r.1 “Treed vrolijk voort op ’s Heren wegen, neem zijn gebod getrouw in acht” Vrolijk na ootmoedig uit vs 2 is hier oppervlakkig en mist de diepte van Fil. 4:4,5 “Verblijd u (…) Weest in geen ding bezorg,  maar laten uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend gemaakt worden bij God”

     r. 3,4  “’t Wordt eindelijk  alles u ten zegen, wanneer gij daarop biddend wacht” Vage bewoordingen die niet duidelijk maken dat het moet gaan om het gelovig gebed,  dat opkomt voor het recht van God.

 

1.      ‘Wie maar de goede God laat zorgen’ Waarom wordt lieve (lieben!) hier vertaald met goede? Maar hier wordt God eenzijdig aangeduid. ‘laat zorgen’ Zorgt de Here in opdracht van ons? Of moet dit passief worden opgevat? Waar wordt op deze manier in de Heilige Schrift over God gesproken? ‘en op Hem hoopt in ’t bangst gevaar,’ Wordt hiermee ruimte gegeven voor de moderne theologie? Hopelijk kan God in zo’n gevaar nog iets voor ons doen. ‘is bij Hem veilig en geborgen.’ In dit hele lied mist men de verbondstaal van het verbondskind, die zich vertrouwend aan zijn Verbondsgod overgeeft. ‘wie op de hoge God vertrouwt.’ Waarom ‘hoge’ God? Waar staat dat? Wat betekent dat? In deze verzen wordt duidelijk ons huidige, aardse bestaan verwoord. Maar onze zondeschuld en zondenood en daarmee ons schuldbesef worden niet genoemd. Het gaat blijkbaar allereerst om ons welzijn en welbevinden hier en nu!

2.      ‘en zwijg de Heer ootmoedig stil,’ Weer: passief? Het klinkt wel ootmoedig, maar het is niet Schriftuurlijk. Ook de rest is heel passief, het klinkt wel christelijk, God kent alle zorg die in ons leeft, maar weer, het is zo onbestemd, zo neutraal, zo menselijk.

3.      ‘Treedt vrolijk voort op ’s Heren wegen, neem zijn gebod getrouw in acht.’ ‘Vrolijk’ is veel te plat, oppervlakkig. 1e couplet: ‘’t bangst gevaar’. 2e couplet: ‘eerbiedig’ ‘ootmoedig’ en dan nu ‘vrolijk.’ Heel zelfverzekerd. ‘’t Wordt eindelijk  alles u ten zegen, wanneer gij daarop biddend wacht.’ Wat wordt hiermee bedoeld? Waar slaat ‘alles’ op? Waarop doelt ‘daarop’? Waarom ‘eindelijk’? ‘En wie gelovig op Hem ziet, weet zeker, Hij verlaat ons niet.’ Dit is voorwaardelijk. Opnieuw: de mens presteert en dan kan God niet anders.

Beoordeling en conclusie

Afgewezen

 

Georg Neumann schreef dit lied ("Wer nur den lieben Gott lässt walten", EKG  298, daar 7 coupletten; vertaald zijn 1, 3 en 7), als dank voor velerlei uitredding, toen hij 20 jaar oud was. Later heeft hij er zelf de melodie bij gemaakt; hij gaf het uit met verwij­zing naar Psalm 55 : 23 ("Werp al uw bekom­mer­nis..."). Het is ver­taald door Abraham Rutgers.

 

 

 

Lied 432: Wat God doet, dat is welgedaan

De Reformatie, jrg.74, pag. 349,655

 

Het lied bestond oorspronkelijk uit zes strofen; het is van de hand van Samuel Rodigast ("Was Gott tut, das ist wohlge­tan", EKG 299). Twee eeuwen geleden is het door Petronella Moens in het Neder­lands vertaald. De eerste strofe is gehand­haafd, de rest is opnieuw (zeer vrij) ver­taald door Jan Wit; in totaal drie strofen (1, 4 en 6) zijn in het LvK gekomen. Het lied is volgens JW voornamelijk gebaseerd op Deuteronomium 32 : 4.

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 3: "daar laat ik het bij blijven" klinkt allesbe­halve dichter­lijk.

"de engten / waar mij de dood zal drijven" klinkt wat vreemd, verbonden met "de tijd van duister­nis verdragen". In EKG gaat het om "Not, Tod und Elend"; dat kan dus slaan op een langere tijd, een tijd van duisternis.

b. boodschap van het lied:

Gods leiding in mijn leven is wijs en heilig. Hij zorgt vader­lijk en zal mij uiteinde­lijk ook door de dood heen leiden.

c. beoordeling:

Een eenvoudig piëtistisch getint lied, vrij ikkerig; het perspectief in Deut. 32 : 4 is veel ruimer. Vrij oppervlakkig ook (een optimisme dat niet ver­wijst naar de díepte van Gods vaderlijke ontfer­ming, in Chris­tus).

d. verrijking?

Nee; er zijn heel wat psalmen vol geloofs­vertrou­wen, met vaak meer inhoud.

 

 

 

 

Lied 434: Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere

De Reformatie, jrg.74, pag.

Reformanda jrg.8 pag.487

 

Bezwaar tegen strofe 5:

a. de ‘heerlijkste naam van zijn namen’ hangt in de lucht (vgl. oudere versie: ‘Noem Hem uw Vader...’);

b. hoe kunnen wij als christenen sámen met ‘Abrahams kinderen’ (dit moeten wel de joden zijn, anders heeft die aanspraak ‘christenen’ geen functie) God loven? Het gaat hier óf over een twee-wegen leer (Joden en Christenen elk als ene eigen weg tot God) ó, zoals op andere plaatsen in het liedboek (bijv. 41), christenen komen slechts via het joodse volk tot God.[90]

Deputaten zeggen in hun verantwoording naar de synode dat het hier gaat om Israëlieten uit het Oude Testament, maar dat is niet wat door deze liedtekst wordt gesuggereerd. Bovendien doet het onderscheid in dit couplet tussen çhristenen’ en ‘Abrahams kinderen’ geen recht aan wat de schrift leert: dat wij, christenen uit heidenen en uit het joodse volk, door het geloof Abrahams kinderen zijn (Rom.4:16).

Denk ook aan de Israel-visie van de Evangelische en de SoW-kerken.

Er is gelof en ongeloof, verkiezing en verwerping, er bestaat anti-these.

 

Strofe 4: lof zij de hemelse liefde die over ons regent?

 

 

Lied 435: O verbreker aller banden

De Reformatie, jrg.74, pag.656, jrg.76, pag.415

Reformanda jrg.11, pag.175

 

vs 1 r.3,4 “bij wie schade zelf en schande hemel wordt en heerlijkheid”Deze tekst is onduidelijk en wijst mogelijk op Christus. Op deze manier wordt over Zijn zoenoffer wel erg vaag gesproken.

        r.5 “tuchtig dan Adams trotse zonen in hun eigenzinnigheid”, tot Ge uw aangezicht zult tonen en hen uit de kerker leidt”  Vergelijk Rom. 5:12-14. Deze oproepende bede van de dichter aan God is niet goed te begrijpen: vragen wij aan God om mensen te straffen totdat Hij hen genade wil schenken?

vs 4 r. 3,4 “Geef in ons bestaan een teken, dat deze zege zeker is” Wij hebben geen ander teken nodig en te vragen dat Christus’zege zeker is dan Gods Woord en de sacramenten.

 

 

 

Lied 442: Jezus, ga ons voor

De Reformatie, jrg.74, pag. 655

 

De inzet, die het hele lied beheerst, is onjuist: ‘Jezus, ga ons voor / deze wereld door’. Dat is vreemd voor wie Hem als de verhoogde Christus aan Gods rechterhand weet. Het is wél mooi voor wie zich Hem vooral voorstelt als ons inspirerend voorbeeld.

 

 

 

Lied 444: Grote God, wij loven U

De Reformatie, jrg.

 

vs 1 r.3 “Heel de wereld buigt voor U …” Dit is onjuist

vs 2 r.1,2 “Alles wat U prijzen kan” zie hierboven

     “Ongeziene” onschriftuurlijke naam voor God

 

 

 

Lied 448: Soms groet een licht van vreugde

De Reformatie, jrg.73, pag. 755,778, jrg.75, pag. 112

 

alg:        vrij vage inhoud op vers 3 uitgezonderd

vs 1 r.7 “donkere regen” de regen is juist een teken van Gods goedheid

vs 2        r.1,2 “Goddank wij overdenken ‘t geheim van onze Heer” geheim blijft onduidelijk en mysterieus

vs 4        r.3,4 “al ligt het veld te klagen onder een lege lucht” vreemde poëzie

     r.7,8 “daar ik op Hem mag hopen ben ik alleen maar blij”  De troost en het geluk van H.C. Zondag 1 klinken heel wat krach­tiger

 

Schriftuurlijkheid

a.  Het lied bevat wat merkwaardige beelden: 'licht van vreug­de', 'donkere regen', 'veld ligt te klagen onder lege lucht'.

b.  Mooie belijdenis van Gods voorzienigheid in couplet 3.

c.  Een beetje krachteloos einde in de laatste twee zinnen van cou­plet 4: 'daar ik op Hem mag hopen ben ik alleen maar blij'. De troost en het geluk van H.C. Zondag 1 klinken dan heel wat krach­tiger.

d.  Het woord ' 't geheim' in couplet 2 is mysterieus, onbe­paald en zonder inhoud.

Beoordeling en conclusie

Een lied met zowel mooie als zwakke delen.

Niet opnemen.

 

 

 

Lied 456: Zegen ons, Algoede

De Reformatie, jrg.73, pag. 218

 

vs 1 r.1 “Zegen ons Algoede” Er moet bezwaar gemaakt worden tegen de benaming “Algoede”voor onze goedertieren God, die Zich nergens in Zijn Woord goed voor àllen laat noemen. Hij wreekt óók wie zijn verbond schendt. Laten we toch zorgvuldig zijn bij de namen van onze God.

vs 3        Andere gezangen en psalmen bieden dichterlijk en inhoudelijk meer.

 

 

 

Lied 457: Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig

De Reformatie, jrg.73, pag. 777

 

CBB (ds. C.B. Burger) in Comp: "Op het conti­nent wordt de Drieëenheid minder vaak en uitbundig bezongen dan in Enge­land, waar de Engelse staatskerk de tradi­tie van het kerkelijk dogma, misschien beter: van de kerkelijke liturgie van vóór de Refor­matie, altijd heeft hoog gehou­den, daarbij steeds meer vrijheid latend aan dogmatische verschillen en afwijkingen. Ook de Triniteit kan men zeer modern opvatten, temeer omdat over het bijbels fundament verschillend kan worden ge­dacht. (...) ...om duidelijk te maken, hoe men het trinitarische lied ook zingt zónder de Triniteit. Wij hebben dat bewust niet gedaan, ook al zijn we wat minder met de Drieëenheid bezig dan de Anglicanen."

De dichter van "Holy, holy, holy" is bis­schop Reginald Heber, de vertaler W. Barnard. Het was bedoeld voor zondag Trinitatis. WB was niet zo gelukkig met de slotregel "Drievuldig God, die één in wezen zijt" (er is uitvoerig discussie over geweest). CBB wijst aan dat in str. 3 "geen oog op aarde ziet U zoals Gij zijt" de 'ethische notie' mist van "the eye of sinful man", een notie "die we in een lied over Gods heiligheid eigenlijk niet kunnen missen"[91].

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 1 en 4, slot: "merciful" (genadig) weer­ge­geven door "liefde­vol" haalt de herinne­ring aan de 'ethische notie' (zie boven) weg.

"Drievuldig" - hier is de term iets minder 'verdacht' door de toevoeging: die één in wezen zijt (vgl. 165 enz.). Maar zulke dogma­tiserende (niet in de bijbel te vin­den) termen en zinnen blijven voor mij een bezwaar in een kerklied.

str. 3: de 'ethische notie' (zie boven) had inderdaad niet gemist mogen worden.

b. boodschap van het lied:

Gods heiligheid wordt geprezen, uitge­werkt: zijn almacht, zijn eeuwigheid, zijn smetteloze heiligheid (maar dat is slecht uitgewerkt), de lof die hemel en aarde Hem toebrengen.

c. beoordeling:

Juist in een lied waarin zo uitvoerig over Gods heiligheid gezongen wordt, kun je het contrast met onze ónheiligheid door de zonde niet missen. Nu mist het lied diep­gang.

d. verrijking?

Misschien. Maar zet het lied niet op een vaste plaats in de eredienst (die van het 'Sanctus' in de avondmaalsliturgie; zie de plaats die depu­ta­ten het lied geven onder liturgische gezan­gen)! Daar krijgt het door zijn plaats een 'meerwaarde' met bedenke­lijke kanten.

 

Gij, gehuld in duister? Psa.18:12, 2Sam.22:12: in beide gevallen gaat her erover, dat de dichter in groot gevaar verkeert, roept tot de Here, en de Here geeft uitkomst en redding.>> Tegenwoordigheid van de Here in wolken en donkerheid, in donder en bliksem van het onweer.

In de bijbel is echter duisternis synoniem aan ongeloof, satan enz. Psa.104:2, 27:1, 36:10, 43:4,44:4,89:16 God verbonden met het licht.

In het NT ook: Joh.8:12,1:5, 1Tim6:16,1Joh.1:7

Lees ook 2Cor.6:14 en 1Joh1:5: In Hem is geheel geen duisternis.

In SoW-kerken wel een thema: Gods verduistering.

 

 

Lied 459: Door de nacht van strijd en zorgen

De Reformatie, jrg.

 

alg:      Vreemd mystiek lied dat gaat over pelgrims die door de nacht trekken naar de morgen waar God ons zal ontvangen.

vs 2, 3 “Door de nacht leidt ons ten leven licht dat weerlicht overal, dat ons blinkend zal omgeven als ons God ontvangen zal. In ons hart is dit de luister, dit de liefde die ons leidt op de kruistocht door het duister naar de lichte eeuwigheid.”  Dit lied is niet doordrenkt met de Schrift. In de zweverige tekst komt Christus niet in beeld

vs 3        r.1 “Als ons God ontvangen zal” vs 5 r.4 “naar de kust waar God ons wacht” Beide verzen geven een beeld van God die wacht tot de pelgrimsstoet arriveert. Dat wachten van de Here verdraagt zich niet met de schriftuurlijke oproep: De Geest zegt met de bruid: “Kom Heer, wìj zien verlangend naar uw verschijning uit” (Gezang 13, Geref. kerkboek vs 6 naar Openb. 22). Niet God wacht op ons maar wij wachten (actief!) op God! Wat is bedoeld met ‘de kust’  in r.4? 

 

 

 

Lied 460: Loof de Koning, heel mijn wezen

De Reformatie, jrg.74, pag. 656

 

alg:         Christus’verzoenend lijden krijgt ook in dit lied geen plaats. ‘geduld’, ‘genezen’, ‘vergeven’, ‘liefde’, ‘licht’, het zijn alle goede en mooie begrippen, maar de inhoud van ons loflied als kerk van Jezus Christus, wordt hier niet betrokken op het verlost zijn van de eeuwige toorn van God (zie bv. onze gezangen 28 en 30).

 

Schriftuurlijkheid

a.  Een lied vol van de zegende, reddende en liefdevolle kracht van God. Maar vergeleken met bijvoorbeeld de mach­ti­ge lofzang in Ps. 103 toch niet zo sterk. Onze schuld wordt bijvoorbeeld niet zo duidelijk genoemd (alleen in cou­plet 1).

b.  'Ziel' (in bijv. Ps. 103) is ook mooier als 'wezen'.

c.  Zwak punt in couplet 1, laatste regel: 'tot gij Hem ont­moeten zult'. Het tegendeel lijkt ons eerder waar te zijn, als we Hem ontmoeten, mogen we eeuwig voor zijn troon juichen.

d.  Couplet 2 komt over alsof alles gewoon is en automatisch gebeurt. Alsof we niet hoeven te strijden om in te gaan, te vechten tegen de zonde. Bovendien de Heilige Geest eigent ons toe wat we in Christus al hebben. Dat doen wij toch niet?

e.  Coupletten 3 t/m 5 zijn wel mooi, alleen een wat vreemde laatste zin van het lied: waarom bewoog (alleen in de verle­den tijd) God de hemellichamen?

Taalgebruik

Geen problemen, melodie wel bekend/geliefd.

Beoordeling en conclusie

Onacceptabel

 

 

 

Lied 470: Wat vlied’ of bezwijk’, getrouw is mijn God

De Reformatie, jrg.74, pag. 636

 

Verouderde taal. Kanttekening, vooral bij de laatste strofe: die klinkt wel erg triomfalistisch; kun je dat van te voren zeggen, dat je in het uur van je dood Gods goedheid zult bezingen? Als je erdóór bent, ja! Maar wij hebben toch geen garantie dat we een ‘licht’ sterfbed zullen hebben?

 

 

 

Lied 473: Neem mijn leven, laat het, Heer

De Reformatie, jrg.74, pag. 655

 

alg:        Mist een duidelijke verwijzing naar Christus als onze Middelaar door wie we door God aangenomen worden.

vs 6 r.1,2 “Neem mijn zonden en mijn schuld in ’t beleid van uw geduld” Dit is een onschriftuurlijke toevoeging van de bwerker van dit oorspronkelijke gedicht. Hier blijft de toorn van God over de zonde en het zoenoffer van Christus buiten beeld. In plaats daarvan verschijnt Gods geduld met ons!

vs 9 r1,2 “Neem en zegen alle vreugd, al ’t geluk dat mij verheugt”: Wat wordt bedoeld met alle vreugd ? Vrij oppervlakkig gesteld alsof ons aardse geluk altijd goed zou zijn.

     r 3,4 “Maak dat ik mij nimmer schaam mens te wezen in uw naam” Wat moeten we hierbij denken? We zouden eerder zeggen: Maak dat ik mij voor Uw naam niet schaam, of Maak dat U zich nimmer schaamt voor ons.

 

  1. Neem mijn leven… Maak mijn uren en mijn tijd. Enz. enz. tot en met vers 5. Er wordt sterk de indruk gewekt, dat alle dingen, die genoemd worden, van mij zijn. Echter, de Here heeft ze ons eerst gegeven. Daar die gaven door onze zonde zó onbekwaam zijn geworden, is er voor ons geen aanleiding meer zó uitvoerig over mijn… mijn… te spreken / zingen.
  1. ‘Maak mijn hart tot uwe troon.’ Waar staat, dat ons hart de troon van de Here is?
  2. ‘Neem mijn zonden en mijn schuld in ’t beleid van uw geduld.’ Wat wordt hiermee bedoeld? Het lijkt op een verontschuldiging: heb geduld en alles zal goedkomen. Onze zondeschuld wordt afgevlakt. ‘Maak dat ik, opstandig kind, steeds de weg tot U hervind.’ Ineens word ik een kind. Alsof ik dan nog meer te verontschuldigen ben voor de zondeschuld en zondesmet. Hervind wijst er opnieuw op. Dat deze activiteit van mij uitgaat.
  3. ‘Maak dat ook in mij uw kracht steeds in zwakheid wordt volbracht.’ Hier wordt wellicht gedoeld op 2 Cor. 12: 9 en 10: ‘En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.’ Paulus spreekt hier totaal anders dan strofe 7. Naar de klank is er nauwelijks verschil, maar we zingen hier, dat door de Heilige Geest zijn kracht steeds in mij in zwakheid wordt volbracht. Zie ook 2 Cor. 12: 5. Paulus leert hier, dat zijn oude hóógmoed (en wie kent die niet?) tot zwijgen gebracht wordt, door zwak te worden, zodat eigenroem uitgesloten wordt! Wij volbrengen de kracht van de Heilige Geest niet in zwakheid, dat is fantasie. Dit lijkt op een verontschuldiging.
  4. ‘Neem en weeg mijn staat en stand in de weegschaal van uw hand.’ Wat betekent dit? Waar staat dit? we zagen bij strofe 7 dat onze hoogmoed tot zwijgen gebracht moet worden en gaan we nu over onze staat en stand zingen? Wat moet de uitslag van het wegen worden? ‘Maak dat ik in deemoed leer knecht te zijn, als Gij, o Heer.’ Worden wij Christus gelijk? Waar staat dat? Is dit niet in strijd met Johannes 13: 13?
  5. ‘Neem en zegen alle vreugd, al ’t geluk dat mij verheugt.’ Wat moeten we ons hier bij voorstellen? Hier mist de diepe dankbaarheid van de verloste zondaar. Puur oppervlakkig! ‘Maak dat ik mij nimmer schaam mens te wezen in uw naam.’ Zeg maar, wat hiermee bedoeld wordt. Wie begrijpt dit? Waar staat dit in de Bijbel? Eren wij hiermee de Here??
  6. ‘Neem ook mijne liefde, Heer, ‘k leg voor U haar schatten neer.’ Moet de Here soms nog “dankjewel” zeggen voor de schatten van onze liefde? Welk kind van de Here durft dit in het geloof te zingen? Zijn dit lofoffers van onze lippen? ‘Neem mijzelf en voor altijd ben ik aan U toegewijd.’ Alsof: ik ben zó goed van mijzelf, als U mij neemt, dan ben ik meteen voor altijd aan U toegewijd, Ik, de mens, centraal.

Beoordeling en conclusie

Afgewezen

 

Geen verbondslied maar piëtistisch getint.

Aangehaalde schriftplaatsen niet van toepassing Ef.6, Hand5, Joh,8 en 13

 

 

 

 

Lied 477: Geest van hierboven

De Reformatie, jrg.

Reformanda jrg.11, pag.39

 

vs 1 r.4 De Geest van God wordt hier genoemd “Hemelse Vrede”Een benaming die wij in de Schrift niet tegenkomen. Ef 2:14 zegt van Christus dat Hij onze vrede is (niet heet).

      r.6 “Aan een wereld die U verwacht” Zo’n wereld kennen wij niet; wel de wereld van Joh. 1:9,10 “en de wereld, heeft Hem niet gekend” doelend op Christus. In  de wereld zijn wel degenen die “Hem hebben aangenomen”, Joh. 1:12 “de kinderen Gods”. En als Hand 2:27 zegt over de Geest: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees” dan wordt daar niet mee bedoeld iedereen, maar allerlei vlees, nl. ook de dienstmaagden, diensknechten, de ‘leken’. 

      r.7-10 “Wij mogen zingen van grote dingen, als wij ontvangen al ons verlangen”: Zoals het hier staat is het niet juist. Want gelukkig mogen we en moeten we zelfs al van Gods grote daden zingen vóórdat wij geheel ons verlangen in vervulling zien gaan.

vs 2     r.3 “Liefde die ons heeft liefgehad” God is liefde maar heet geen liefde.

     r.9 “Gij zult op aarde de macht aanvaarden en onze koning zijn, Halleluja” Nee, Christus heeft nu de macht op aarde en is reeds onze koning. Christus zal straks zijn koningschap overdragen aan de Vader (1 Kor. 15:28).

 

a.      In de vierde regel van de eerste strofe wordt de Heilige Geest aangesproken met de woorden:  “Hemelse Vrede”, Nergens wordt in de Heilige Schrift de Heilige Geest zo aangesproken en ook Christus héét niet onze vrede maar Hij is onze vrede (Acta Leusden, bijlage 23, pag. 614). Het is dus onschriftuurlijk de Geest zo aan te spreken.

b.      Even later wordt gezegd dat de wereld die Geest verwacht. Dit klopt toch niet, er zijn er in  de wereld die Hem verwachten, maar het is toch niet de wereld die Hem verwacht. De vele vervolgde broeders en zusters in de wereld weten wel beter.

c.      In het eerste couplet wordt verder gezegd dat we mogen zingen van grote dingen als wij ons verlangen ontvangen. Dan pas? Zacharias zong toch al van grote dingen ver voordat hij ze ontvangen had (Lucas 1: 67-79). En ook wij mogen toch al zingen van grote dingen vóórdat wij ze ontvangen hebben, van Zijn verbond, van Christus, van Zijn schepping enz…

d.      En verderop legt het lied ons op de lippen: Eeuwigheidsleven zal Hij ons geven,….”, Maar wie in Hem geloofd hééft toch al het eeuwige leven. Juist omdat het eeuwig is raak je het nooit meer kwijt. Het eeuwige leven van de ziel begint toch al in dit leven en eeuwig leven van lichaam én ziel zal Hij ons geven op de Jongste Dag.

e.      In het tweede couplet wordt God aangesproken met Liefde, Hij héét Liefde. Dit is niet naar de Schrift, in de brief aan de Romeinen wordt wel gezegd dat God liefde is, maar niet dat Hij liefde héét. Hij heeft ons liefgehad met Zijn liefde.

f.       De laatste vijf regels zijn onduidelijk: “Gij, onze Here, doet triomferen die naar U heten en in U weten dat wij Gods zonen zijn.”, Wij kunnen niet in U weten dat we Gods zonen zijn, maar we weten dat we ‘in Christus’ Gods kinderen zijn.

Beoordeling en conclusie

Dit lied is erg onduidelijk en niet kindvriendelijk. Verder zijn er veel elementen die onschriftuurlijk zijn, afwijzen dus

 

 

 

Lied 479: Aan U behoort, o Heer der heren

De Reformatie, jrg.74, pag. 802

 

alg:      Dit lied wil meer doen dan alleen Gods grootheid in de schepping prijzen. Het prijzen van God door ons te verwonderen over de schoonheid van Zijn schepping heeft een belangrijke functie in ons loflied (zoals in vele Psalmen, o.a. Ps 19,104) en volgens art.2 van NGB wordt daarbij een ieder opgeroepen om Hem te dienen. Dit lied wil echter meer doen met de natuurgegevens (vs 3 r.5,6  ’t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis”). Ze brengt verbanden aan tussen het geschapene (Boek van de natuur) enerzijds en heilshistorische en geloofsgegevens (Boek van Gods Woord) anderzijds. De dichter wil in deze verbanden tekens zien, die wij als gelovigen toch vooral moeten opmerken (vs 4 r.3,4 “met open ogen, open oren om al uw tekens te verstaan”). In het Compendium van het Liedboek geeft de dichter Jan Wit zelf aan welke verbanden hij in dit lied heeft willen leggen. (zie bespreking van de afzonderlijke verzen) Conclusie: hier wordt aan natuur en poezie (die deze tekens aanwijst) een extra geestelijke waarde (zie vs 4 r.5,6: “Dan is het aardse leven goed omdat de hemel mij begroet”) toegekend die niet met de Schrift te verdedigen is. De associaties blijven ook nog een vaag en raken niet aan de Schriftuurlijke betekenis. Het geheel doet aan als een spel met zogenaamde verbanden.

vs 2     r.1,2 “Gij roept het jonge leven wakker, een tuin bloeit rond het open graf” Deze tuin verwijst naar volgens de dichter naar de hof  van Jozef van Arimathea en tegelijk óók naar onze parkachtige kerkhoven. Natuur en Heilshistorie worden hier dus willekeurig aan elkaar gekoppeld.

vs 2 r.3-6 “Er ruisen halmen op de akker waar zich het zaad verloren gaf. En vele korrels vormen saam een kostbaar brood in uwe naam” Het  graan wordt  geassocieerd met  Jezus' woorden over het tarwegraan dat in de aarde valt en sterft om veel vrucht voort te brengen (Joh. 12:24). De slotregels  sluiten in bepaald opzicht aan bij 1 Cor. 10:17, al heeft de dichter  daarbij ook gedacht aan het gewone brood op onze tafel thuis. Dus: een mengeling van gedachten die volgens de vrije regels van de poëzie tot één beeld zouden mogen samenvloeien? Bovendien waar blijft hierbij dan de de echte zin van de gelijkenis van de ontkiemende graankorrel zoals die in Joh 12:25 wordt vermeld “Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwige leven.” Déze schriftuurlijke betekenis vanm de gelijkenis wordt in dit lied niet vermeld. Hetzelfde geldt voor de de schriftuurlijke betekenis van het graan en het ene brood (de eenheid van Christus kerk komt er niet aan te pas). Daarom wordt dit alles tot een gespeel met associaties

vs 3     “‘t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis” zie opmerkingen onder alg.

vs 4        zie opmerkingen onder alg.

 

Wat opvalt  is dat niet  volstaan wordt  met een opsomming van  de dingen die we om ons heen zien. De schepping wordt ons voorgesteld als een boek om in te lezen (zie NGB art.2). We kunnen er  uit leren en het roept ons op de Schepper te eren. In de coupletten 2 cm 3 is er echter meer aan de  hand. Wat wij in de natuur om ons heen zien heeft een betekenende functie. een meer dan aards geheimenis. Het  zijn  allemaal  tekens waarvoor  we open  ogen en  oren moeten krijgen Om ze te verstaan (couplet 4).  We vragen ons dan wel  af. wat  we moesten  verstaan. helpen  ons de  associaties in  de tekst daarbij?  Volgens de  toelichting van  de dichter  Jan Wit  in het ,,Compendium'

De tuin  rond het  open graf  verwijst naar  de hof  van Jozef van Arimathea  en  wat de  dichter betreft  ook naar  onze parkachtige kerkhoven. Het  graan wordt  geassocieerd met  Jezus' woorden over het tarwegraan dat in de aarde valt en sterft om veel vrucht voort te brengen (Joh. 12:24). De slotregels  sluiten in bepaald opzicht aan bij 1 Cor. 10:17, al heeft de dichter  daarbij ook gedacht aan het gewone brood op onze tafel thuis (couplet 2).

De regels over bloemen en vogels sluiten aan bij de passage uit de bergrede (Matth. 6: 25-34) (couplet 3).

Wanneer de zingende  gemeente deze verwijzingen herkent dan blijft nog de vraag of de betekenis duidelijk is, want,

a. De  tuin rond het open  graf geeft inderdaad  aan dat  God zijn schepping niet  vergeet, dankzij de  opstanding van Christus. Maar kunnen we dat een teken noemen?

b. De gelijkenis  van het tarwegraan wordt door Jezus  gebruikt om zijn hoorders op  te roepen om hun leven  niet lief te hebben maar Hem te volgen. Maar wie  leest die betekenis in dit lied?  Wat dan overblijft is  dat we ook  aan het ontkiemende  graan uit een dode korrel  kunnen zien dat  God de natuur in  stand houdt. Vervolgens kan ook hierbij de  vraag gesteld worden of dit een teken  mag he­ten. bovendien is dan de  eigenlijke betekenis van de  gelijkenis verloren gegaan. wat verwarrend kan werken.

c. Paulus gebruikt in 1 Cor. 10 het  beeld van de vele korrels die samen het brood vormen  om de eenheid van de gemeente met Christus en met elkaar aan  te geven. Maar  bestaat daarvoor het  graan uit vele korrels en worden die daarom tot een brood gebakken?

Zo zijn er aan dit lied allerlei kritische vragen te  stellen. Dat het  eigen karakter van de  bijbeltekst behouden  blijft kunnen we dan ook moeilijk verdedigen.

Beoordeling en conclusie

Voldeed niet in alles aan de gestelde criteria

 

Classis Dordt: het eerste couplet is gebaseerd op Ps.19:2-3 en Ps.24, maar die bezingen de pracht van de scheppoing ter inleiding op de grotere pracht van Gods wet en tempelstad.  Dat wordt in dit lied totaal gemist terwijl Ps.33:5 (de aarde is vol van de goedertierenheid des Heren) helemaal geen rol speelt.

Het lied is vooral gebaseerd op ps.104 en mat.6:26, 28-29, maar wat daarin gewone door God geschapen en bestuurde werkelijkheid is, wodt hier tot een gelijkenis en tot tekens gereduceerd.

 

 

 

Lied 481: O grote God die liefde zijt

De Reformatie, jrg.73, pag.777, jrg.75, pag.685

Nader Bekeken, jrg.5, pag. 97,256

 

vs 1 r. 8 “uw waarheid openbaren”: Openbaren betekend onthullen het verborgene zichtbaar maken, dit is een Goddelijke activiteit. (Rom. 16:25, Ef. 1:17, Luk. 2:32); wij kunnen wat Hij geopenbaard heeft verkondigen. Wij mogen niet onszelf toedichten wat de onze God toekomt.

vs 2     r.1-4 “maak ons volbrengers van dat woord, ¼ dan gaat wie aarzelt met ons voort, wie afdwaalt met ons mede.”. Het is niet vanzelfsprekend dat wie aarzelt met ons voort gaat, Gods woord kan ook ongeloof, tegenstand en haat als reactie hebben: wie het Woord hoort wordt rein door Christus of wordt nog vuiler. De Here heeft ons niet beloofd dat iedereen die het Woord hoort ook zich bekeerd.

vs 3     r.3 hier wordt een tegenstelling gemaakt tussen liefde en strijd, terwijl God ook strijd van ons vraagt (Fil. 1: 30, Col. 1: 29, 1 Tim. 1: 19, 6: 12). Strijdt tegen zonde, de duivel en ons eigen vlees.

      r.6 wij kunnen niet Gods verbond herstellen, Christus is het die het verbond herstelt!

vs 4     r.4-8 :parallel tussen Christus liefde voor ons (“in zijn stervensnood”) en onze liefde (“het wordt overal volbracht, waar liefde wordt gegeven”) Hiermee wordt de uniciteit van het lijden en sterven van Christus ontkend.

     In het oude lied werd het plaatsvervangende lijden van Christus wel genoemd, in het nieuwe lied is dit (doelbewust!) weggelaten.

 

Schriftuurlijkheid

     a.    In het eerste vers wordt gezegd dat wij Gods waarheid openbaren. Openbaren betekend onthullen het verborgene zichtbaar maken. Als het gaat om de waarheid van God dan is openbaren een Goddelijke activiteit. (Rom. 16:25, Ef. 1:17, Luk. 2:32). Wij mogen Gods waarheid die Hij geopenbaard heeft verkondigen. Wij mogen niet onszelf toedichten wat de hoge God toekomt.

     b.    Het tweede couplet begint met de regels “maak ons volbrengers van dat woord, ¼ dan gaat wie aarzelt met ons voort, wie afdwaalt met ons mede.”. Het is niet vanzelfsprekend dat wie aarzelt met ons voort gaat, Gods woord kan ook ongeloof, tegenstand en haat als reactie hebben, wie het Woord hoort wordt rein door Christus of wordt nog vuiler. De Here heeft ons niet beloofd dat iedereen die het Woord hoort ook zich bekeerd.

     c.    In het derde couplet wordt een tegenstelling gemaakt tussen liefde en strijd, terwijl God ook strijd van ons vraagt (Fil. 1: 30, Col. 1: 29, 1 Tim. 1: 19, 6: 12). Strijdt tegen zonde, de duivel en ons eigen vlees. Ook kunnen wij niet Gods verbond herstellen, Christus is het die het verbond hersteld!

     d.    Er wordt in het laatste vers een parallel getrokken tussen Christus liefde voor ons (“in zijn stervensnood”) en onze liefde (“het wordt overal volbracht, waar liefde wordt gegeven¼”) Hiermee wordt de uniciteit van het lijden en sterven van Christus ontkend. In het oude lied werd het plaatsvervangende lijden van Christus wel genoemd, in het nieuwe lied is dit (doelbewust!!!) weggelaten.

Beoordeling en conclusie

Afgewezen, omdat in dit lied de mens opschuift in de richting van de positie van God en Christus: op een bepaalde manier gelijk willen zijn aan God.

 

Oorspronkelijk een Engels lied van George Thomas Coster, maar zo veranderd door Jan Wit, dat het geen vertaling meer mag heten (vgl ook NH 1938, Gezang 120, en voor de melodie EKG 24).

In zijn bundel Ministeriale heette het "Het diepste woord": "een lied over de intermen­selijke liefde als antwoord op Gods liefde (...) Gods liefde in Christus is oorsprong en oorzaak van alle liefde die wij elkaar kunnen geven en daarom ook mogen en moeten geven." (JW in Comp).

 

Aantekeningen bij de inhoud:

a. details:

str. 2: "Maak ons volbrengers van dat woord";

3: "spreek zelf door onze daden van vrede en gena­de";

4: "het wordt overal gebracht waar liefde wordt gegeven"

- wat is de inhoud van 'woord' in deze gevallen?

str. 3: "Leg ons de woorden in de mond

die weer herstellen uw verbond"

- het herstel komt toch niet van ons, of via ons, maar is door Chris­tus tot stand ge­bracht.

b. boodschap van het lied:

zie citaat JW.

c. beoordeling:

Met woord/woorden is er (weer) iets vreemds. Een opsomming:

wij moeten Gods woord bewaren (zijn waarheid openba­ren) (str. 1);

wij moeten het volbrengen (getuigen van zijn vrede) (2);

zijn woorden in onze mond herstellen zijn verbond;

Hij spreekt van vrede en genade door onze daden (3);

zijn diepste woord is in Christus' stervens­nood verno­men;

het klinkt nog, het spreekt met macht en het wordt overal volbracht waar liefde wordt gegeven, waar wij uit zijn liefde leven (4)

-- je krijgt sterk de indruk dat "woord" en "liefde" hier uitwissel­baar zijn: Gods liefde spreekt door onze liefde(-woorden en -daden) heen en zo her­stellen wíj het verbond.

Het is een gebed, maar is vol van wat wij moeten doen.

Het roept op tot actie, met als drijfveer: (Gods) liefde, die wij moeten volbrengen: een 'christe­lijk-geïnspi­reerde' medemen­se­lijk­heid?

God die liefde is - aan 't eind van dit lied kun je het ook omke­ren: liefde, die God is. Buiten beeld blijft de aard van Gods liefde, en de aard van onze liefde. Waar­schijnlijk doelt JW daarop, als hij 't heeft over "de oecumenische kanten van deze tekst" (Comp): 'iedereen' zal zich hierin kunnen vinden.

d. verrijking?

Nee.

 

Zie zo.14 HC: aan de zaak van plaatsbekleding wordt ernstig tekort gedaan.

De regels 1 en 2 van strofe 4: Wij…gekomen maken dat niet goed.

Str.1 r2: God is in alle dingen onze Vader, juist omdat hij zijn Zoon gegeven heeft in onze plaats

r.3,4: wordt hier Gods liefde niet min of meer losgemaakt van hemzelf?

r.5: wij ZIJN het zout der aarde (Mat.5:13)

r.6: wij ZIJN het licht van de wereld (Mat.5:14)

r.7,8: het is een hachelijke zaak dit wonder van God voor te stellen als mogelijkheid voor mensen daartoe op te roepen

str.2 r.3,4: veel te boud gesproken, alleen wie gegrepen worden door de genade van God, zullen met ons meegaan.

Gods Woord brengt scheiding

r.7,8: dit gaat terug op een diep woord van onze Heiland, dat alleen in de context (Luc.9:37-50) verstaan kan worden.

Str.3, r.1,2: eenzijdige nadruk op de liefde.  Ook zijn leiding in zijn toorn zullen we in geloof als liefdevol moeten leren dragen.

Verschil liefde en strijd: Strijd en Gods liefde gaan samen: Gen.3:15, Fil1:30, Col.1:29, 1Tim1:19,6:12.

r.5,6 het is onduidelijk wat we onder dit “herstellen van zijn verbond” moeten verstaan.  Heeft het hier wel de inhoud van de Schrift als deze bv. Over het vernieuwe van het verbond spreekt?  Wij kunnen dat verbond niet herstellen.

ONZE daden van vrede en genade?

Str.4, r.1: we moeten ons door de Heilige Geest vanuit de Schrift laten onderwijzen, deze leert dat wij de HERE niet met zijn goddelijke eigenschappen mogen aanspreken, behalve als dit naar uitwijzen van de Schrift is toegestaan.  M.i. is de dichter met zijn aanspraak O liefde groot, in strijd met de Schrift.

r.3,4  het is niet duidelijk wat dat “diepste woord” inhoudt.

r.5-8: het is niet duidelijk wat nu toch precies “dat woord’ is.

 

 



[1] Liedlijst Eerste Fase, hoofdstuk 4.3 Onzuivere terminologie? pag.9

[2] Interview ND 2 jan. 1998;  bespreking o.a. Reformanda 14 jan. 1998, pag 1v

[3] Liedlijst, a.w. pag.12 met een volstrekt onterechte verwijzing naar 2Kor.4:6.

[4] Uitgekomen tussen 1948 en 1951, zie verder: Die Religion in Geschichte und Gegenwart. 3.Auflage, Munchen 1986, dl.1:  pag 894v, dl.5: pag. 1469v

[5] K.Schilder, de Heidelb.Catech., deel III, Goes, 1950, vrijwel het gehele boek.

[6] idem a.w.  pag 369v

[7] idem a.w.  pag 372.

[8] Karl Barth, Kirchliche Dogmatik, III-3, pag.406, zo vertaald en geciteerd in de Beknopte Geref. Dogmatiek

[9] Kirchliche Dogmatik, III-3, pag.416-425

[10] Nader Bekeken jrg.6, jan.1999, pag.4

[11] Beknopte Geref.Dogmatiek, a.w. pag.240, aanhalende Barths Kirchliche Dogmatik, dl. III-1, pag.430-433 en III-2, 182-188

[12] Dr. J.van Genderen en dr. W.H.Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, Kampen 1992  pag.241v

[13] K.Schilder, de Heidelb.Catech. III, pag.374

[14] K.Schilder, de Heidelb.Catech. III, pag 375

[15] Lied tegen het licht, J.P.C.Vreugdenhil en H.Vreugdenhil-Busstra, uitgave Woord en Wereld nr. 40, Bedum 1998; nog steeds verkrijgbaar bij Scholma Druk BV, tel. 050-3013636, pag.110,114

[16] Compendium Liedboek, a.w.  pag. 159.

[17] De bijbelliederen van het Liedboek voor de Kerken getoetst.  Uitgave vanwege de Geref.Bond in de Ned.Herv.Kerk. febr. 1980.

[18] Compendium Liedboek, a.w. pag 159

[19] Dr.W.H.Gispen, Korte Verklaring der Heilige Schrift, deel Exodus I, pag. 156v

[20] Acta GS Hattem 1972, art. 171, pag. 185 (daar onder 'd').

[21] Acta GS Hattem 1972, art. 171,  pag. 185 (daar onder 'b').

[22] Rapport inzake de bundel "Enige Gezangen", Gezang 24: Mozes lied aan de Schelfzee, 12 verzen op de wijs van Ps.116, pag.58v

 

[23] Compendium bij het liedboek, Zoetermeer 1998, pag.163

[24] Rapport inzake de bundel Enige Gezangen,  voor de GS Hattem 1972, pag.64v

[25] ds.Joh.Francke: De jongste theologie, Groningen 1975, pag.28v

[26] idem a.w. pag.25v

[27] Tussen Leusden en Zuidhorn, a.w. pag.33-34

[28] Liedbundel E&R, Zwolle 1991, nr.239;  pag.286

[29] Tussen Leusden en Zuidhorn, a.w. pag.34

[30] Compendium, a.w. blz.175

[31] Rapport 1d, GS Leusden, Agenda 3.3 dd 14-9-1999, blz.5

[32] Compendium, a.w. blz.182

[33] Compendium, a.w. blz. 183

[34] Samengevat uit: Prof.dr.S.van der Linde: Piëtisme, Chr.Encyclopedie, dl. 5, 2e druk, Kampen 1960; pag.452v 

[35] Ds.F.van Deursen, De voorzeide leer, Psalmen II, 3e druk, Barendrecht 1986, pag.360.

[36] Het gaat hierbij om Lb. 230,323,388,389,440 en 441.

[37] Ds. F.van Deursen, a.w. pag. 362.

[38] Ds.F. van Deursen, a.w. blz. 365v

[39] Tussen Leusden en Zuidhorn, a.w. pag.35

[40] Compendium, a.w. pag.183v

[41] Idem, pag.35

[42] Compendium Liedboek, Zoetermeer 1998, pag. 186v

[43] zie ook H.J. Schilder: Het Schrift dat niet verslijt, Van den Berg, Kampen 1983, pag. 150-154

[44] Dit is wel één van de meest aangepaste gezangen, die binnen elke kerkgemeenschap weer leidde tot andere resultaten. Zie ook: J.Smelik, Eén in lied en leven, Den Haag 1997, pag.83 voor de Doopsgezinde variant.

[45] Idem, Tussen Leusden en Zuidhorn, pag.36

[46] Acta GS Hattem 1972, art. 171, pag.184v

[47] Tussen Leusden en Zuidhorn, pag.36

[48] Compendium Liedboek, pag.199

[49] Zie ook Lied tegen het licht, J.P.C.Vreugdenhil e.a., Bedum 1998, pag.80

[50] van Muus Jacobse

[51] Citaten via ‘Lied tegen het licht’ ontleend aan Heeroma/Muus Jacobse: Nader tot een taaltheologie, in Lied tegen het licht pag.97vv

[52] Lied tegen het licht, a.w. pag.100

[53] Tussen Leusden en Zuidhorn, pag.37

[54] Compendium Liedboek, pag.203, ook overgenomen door Deputaten

[55] Acta Leusden 1999, Liedlijst 1e fase, bijlage 23, pag.571

[56] Compendium, 1998, pag.208

[57] Volgens dr. van der Kamp (“Openbaring, Profetie vanaf Padmos”, Kok 2000, pag.489): “Als Christus komt heeft Hij de beloning bij zich. Deze aankondiging ligt in de lijn van de hele bijbel (Ps. 62:13, Jes. 40:10, Jer. 17:10, Matt. 6:27, Openb. 2:23;11:18). Het geven van vergelding sluit zowel beloning als bestraffing in. De dag van de afrekening nadert. Het recht krijgt zijn loop. Wat het oudtestamentisch getuigenis van God verwacht wordt hier van Christus gezegd.”

[58] Compendium, 1998, pag.216

[59] Acta Leusen 1999, Bijlage 23, pag.572

[60] Compendium, pag.223

[61] Compendium, pag.224

[62] Idem, pag.224

[63] Acta GS Kampen 1975, bijlage 7, pag.373v

[64]  Compendium, pag.254

[65]  Dr.C.N.Impeta, Kaart van kerkelijk Nederland, Kampen 1972, pag.207v

[66]  Compendium, pag.1317

[67]  Compendium, pag.255

[68]  Prof.dr.J.van Bruggen, Mattheus, Kampen 1990, pag.425.

[69]  Acta GS Leusden, Bijlage 23, pag.574

[70]  Compendium, pag.273v

[71] dr.G.C.Berkouwer, Karl Barth, Kampen 1936, pag.93

[72]  Karl Barth, Kirchliche Dogmatik I,1 pag.455

[73]  Dr.C.Smits: Het Barthianisme in strijd met Schrift en Belijdenis, Goes 1955, pag.38

[74]  Drs.G.van Rongen, Ja en Amen, Kelmscott 1998, pag.154v

[75]  art.29 NGB

[76]  Ds.C.G.Bos, Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1945, Groningen 1980, pag.51. Ds.Bos verwijst hierbij ook naar dr.C.Trimp, Betwist Schriftgezag, hfdst.6.

[77]  Dr.C.G.Bos, a.w. pag.77v

[78]  Compendium, pag.276

[79]  Acta GS Leusden, B ijlage 23, pag.574

[80]  Tekstboekje behorende bij den liederenbundel der Geref.Jeugdorganisaties, Rotterdam z.j. (voor 1940), pag.78

[81]  Acta GS Leusden, bijl.23, pag.574v

[82]  Compendium, pag.287v

[83]  Acta Chr.Geref.Kerken, 1980, pag.216v

[84] We hebben ook ergens gelezen (Lenze Bouwers, Gewassen van het Landvolk, Radix 2e jg nr 4, p.174/175) dat "Oer" in lied 3 er expres zó staat: van oer-staat (kringloop van heiden­se religie - zoals die o.a. in het nazi-dom uitkwam; dat hadden deze dichters pas nog aan den lijve ondervon­den) naar nieuw Jeruzalem (volmaakte, aardse harmonie).

[85] We vonden de tekst bij G. van der Leeuw, Beknopte geschiede­nis van het kerklied, Groningen/Batavia 1939.

[86] geen praesens maar perfec­tum en imperfectum: laudavere = geprezen hebben, ambulabant = gingen.

[87]  uitgave van de prof.dr. G. van der Leeuwstichting, Amsterdam 1975

[88]. Engelse tekst uit Aan 't eind van elke school­tijd, Groningen 1957 (4e druk); ook te vinden in Uit elke taal van H.R. Munneke, Gronin­gen z.j.

[89]. De Engelse tekst vonden we in Aan 't eind van elke school­tijd van H. Hasper.

[90]     Deputaten in 1975 signaleerden al dat dit principieel onaanvaardbaar is (Acta 1975, p. 349).

[91]. Engelse tekst uit het Book of Praise van onze Canade­se zusterkerken, hymn 4 (dezelfde tekst in Haspers Aan 't eind van elke schooltijd en In elke taal van H.R. Munneke).