Kort overzicht van de
bezwaren tegen liederen uit het Liedboek.
Lied
1: God heeft het eerste woord.
De Reformatie, jrg.73, pag.913 en 999
Nader Bekeken, jrg.6, pag.4
Lied tegen het licht, pag.48,101
Dit lied kent twee problemen: een schriftuurlijk
probleem in het 1e vers en een ogenschijnlijk talig probleem in het 4e vers.
Eerst het 1e vers:
God heeft het eerste woord Hij heeft in den
beginne
het licht doen overwinnen, Hij spreekt nog
altijd voort.
In de beoordeling van dit vers ligt ook
de kern van de meeste bezwaren tegen het Liedboek. Het gaat om de doorwerking
van de leer van Karl Barth over de schepping.
Toen hoogst actueel en zwaar bestreden
door de Gereformeerde dogmatici. In
deze tijd is de angelsaksische invloed sterker dan de duitstalige. We hopen dan
ook dat de huidige generatie professoren en kerkleiders zich ook kritisch gaat
verdiepen in de angelsaksische invloeden, zoals men dat toentertijd deed ten
aanzien van de duitstalige invloeden.
De redenering van deputaten ten aanzien
van o.a. het Barthianisme is: de
conflicten met deze stromingen of kerken liggen al weer voor een groot deel
achter ons. Inmiddels zijn wij ook
uitvoerig en met effect onderwezen met betrekking tot het verkeerde daarvan.[1]
Tot zover de complete (!) weerlegging van het Barthianisme in dit rapport van
deputaten...
Maar nu moet u opletten. Bij de
presentatie van de 255 liedboekgezangen stelden deputaten: Wij stellen ons op het standpunt dat je de gezangen op zichzelf genomen
moet bekijken. Als een tekst ook goed bijbels te duiden is, vinden we dat je er
geen bezwaar tegen hoeft te maken om die te zingen.[2]
Op deze manier zingen we over "het
overwinnende licht" heen. En toch zijn er wél predikanten en kerkenraden
die hier over vallen en zeggen: "in strijd met de Schrift"!
Oorzaak van de gemakkelijke acceptatie
van het Barthianisme is de kennelijke onbekendheid met de leer van Karl Barth,
misschien door het gebrek aan theologen in dit deputaatschap. Dit theologengebrek is in elk geval in
bezwaarschriften ook wel naar voren gebracht.
Ten aanzien van die overwinning van het licht stellen deputaten: Deed God in het begin het licht 'overwinnen'? Ja. Toen God de aarde schiep, was deze 'woest en ledig, en de
duisternis lag op de vloed'. God heeft uit de duisternis het licht tevoorschijn
geroepen.[3]
Een 100% Barthiaans "ja"
formuleren deputaten hier.
Het gaat hier vervolgens ook nog eens om
een echte beginnersfout ten aanzien van de leer van Karl Barth. Barths Die Kirchliche Dogmatik, deel 3 (von der Schöpfung)[4] is -
voor zover toen al uitgegeven - volledig gefileerd door prof.dr. K.Schilder in
de Heidelbergsche Catechismus, bij de
behandeling van Zondag 9, v/a 26 HC[5].
Barth gaat er vanuit dat duisternis,
aarde, woest en ledig een situatie was die God aantrof (NB: het gaat Barth om
het verhaal, hij gelooft niet in de schepping als zodanig). Als reactie daarop komt God met het licht.
Barth ziet een antithese. Maar dan was
God niet vrij in Zijn scheppen, God schiep niet uit eigen vrije verkiezing,
maar móest in dat geval reageren[6]. God overwon de duisternis met het licht.
Tussen
Genesis 1:1 en Genesis 1:3 en wat daar verder volgt, ligt dan die afgrond, die
duisternis, die chaos van Genesis 1:2; en het ordenen, dat ná het scheppen van
Genesis 1:1 komt, dat ordenen is dan in zijn vrije armslag gehandicapt,
gehinderd door de tussentredende chaos. (...) God kan niet óp tegen de
schaduwzijde van zijn god-heid. Maar de pausen vervloekten deze ketterij
reeds ...[7]
, aldus prof.dr. K.Schilder.
Anders gezegd volgens Barth: Het is de chaos van Genesis 1:2, die de
Schepper verworpen heeft en waartegen Hij neen heeft gezegd, waaraan Hij
voorbijgegaan is en die Hij achter Zich gelaten heeft. Het is de werkelijkheid die Hij niet gewild
en niet geschapen heeft en die toch in zekere zin de horizon van zijn schepping
en schepsel is.[8]
God
heeft dit duistere echter al overwonnen.
Doordat Jezus Christus overwinnaar is, heeft het afgedaan.[9]
Ds.P.Storm heeft daarbij geschreven: "Wij zullen dus, wat deputaten betreft, over de schepping van het licht voortaan met een theologisch gerust hart kunnen zingen als over het overwinnen van het licht alsof Barth of Noordmans daar niets mee te maken hebben."[10]
Jan Wit - een van de Landvolkdichters -
speelde graag met woorden. Dat zie je terug in het 4e vers:
God staat aan het begin en Hij komt aan het
einde
Zijn woord is van het zijnde oorsprong en
doel en zin.
De mensen hebben
geen flauw idee van wat ze hier zingen.
Het meest in de buurt komt Rom.11:36: Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hiermee wordt ons echter geleerd dat
God (3 maal Hem) en niet Zijn woord
(woord met kleine letter = de zoon van God, Christus?) oorsprong en doel van
ons bestaan is, en dat God Zelf daarvoor de eer moet ontvangen. De deputaten
leggen in hun verklaring van vs 4 het verband met Joh.1:1-3. Ze verklaren: ”Dat
Woord staat aan het begin en aan het einde. En alles wat er is zal uiteindelijk beantwoorden aan het doel
dat God in zijn Woord omschreven heeft”
Lied 1 heeft echter niet
dat in het woord het doel en de zin is, maar dat het woord zin en doel
is.
Er is geen logica in terug te
vinden. Wie is hier "God" en
de "komende Hij" en "Zijn woord" en "het zijnde"?
Kortom,
je zingt dichterlijke onzin.
Deze laatste zin is vooral geënt is op de
uitspraken van Karl Barth, die stelde: God
maakt echter de beide aspecten van de schepping, haar 'jubel' en haar 'jammer'
tot zijn eigen zaak in de vernedering en verhoging van Jezus Christus. Hij is de zin en het doel van de schepping!
[11]
Daarvan zeggen Van Genderen en Velema: In Genesis 1 zou tegelijk met het ja ook het
neen van God te horen zijn? Maar de
Bijbel schrijft het bestaan van iets negatiefs, hoe het ook voorgesteld wordt -
als de schaduwzijde van de schepping of als de bedreiging ervan - op geen
enkele wijze aan God toe.[12]
De schepping als geheel (inclusief de
duisternis) was goed; Genesis 1 is één harmonisch geheel. Als God al wordt gedwongen te strijden in
Genesis 1, dan wordt ook Genesis 3:15 ons afgenomen. Maar de bijbel roemt juist in dat vijandschap zetten als goddelijke
daad de volkomen vrijheid en het
vrijmachtige welbehagen en de creatieve kracht, die roept wat niet is, alsof
het is. Terecht zegt B.Jacob, joods
exegeet: Het is al een onmogelijke, lasterlijke en belachelijke gedachte dat de
almachtige God, die door zijn Woord het al geschapen heeft, met een element te
strijden zou gehad hebben.[13]
Hiermee wordt het werk van de middelaar Jezus Christus al ingebracht in het doel van de schepping, waarmee alles toch nog goed komt! Bij deze laatste passage verzuchte K. Schilder “-als dat per slot èn per opening van rekening geen algemene verzoening is, wat is het dan wel?” [14]
Wij
moeten dat hem helaas hier nazeggen. Verder zij nog verwezen naar 1 Kor 15:28 “Wanneer alles Hem (de Zoon) onderworpen is,
zal ook de Zoon zelf aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft,
opdat God zij alles in allen” en Rom. 11:33-36.
Maar mét de Gereformeerde theologen die
Barth wél hebben bestudeerd en begrepen, zeggen we: het zingen van Lied 1 betekent
dat je NEE zegt tegen de schepping zoals die beschreven staat in de Bijbel in
Genesis 1 en JA zegt tegen de leer van Barth, die in de schepping een volstrekt
verkeerd beeld geeft van de almacht van God en de heelheid en volledigheid van
Zijn schepping.
Als dit kan, als
je dit toelaat, dan ben je hopeloos vrijzinnig en los van Gods onfeilbare
Woord!
Lied
6: Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.633, jrg.75, pag.884
Lied tegen het licht[15]
Het is een lied naar aanleiding van Exodus 15:1-18.
De Landvolkdichter zelf zegt dat hij vers
6-10 niet heeft berijmd, het klinkt volgens hem wel door in de rest. Daarmee is overigens een belangrijk deel van
het hart uit dit lied gehaald. Jan Wit stelt zelf dat Ex.15:1 en 2 in vers 1;
Ex.15:3-5 in vers 2; Ex.15:11-13 in vers 4 en Ex.15:14-16 zeer vrij in vers 5
zijn opgenomen.[16]
Het 5e vers luidt:
Ik zing voor de Heer. Hij is Koning voorgoed
en dwars door de vloed geleidt Hij de zijnen.
Zijn goddelijk spoor gaat zelfs in de zee niet teloor: de zee van zijn
toorn die de zonden verzwelgt, het water en bloed dat de zonden uitdelgt. Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan,
en zingende moeten het water in gaan met slaafse ellende en vorstlijke waarde
de mensen der aarde.
Binnen de Geref.gezindte wordt het
Liedboek niet gebruikt en zijn dus ook nauwelijks beoordelingen bekend, maar
bij geval heeft de Gereformeerde Bond dit lied wel bekeken.[17]
Zij zagen een exegetische vertekening. In het slot van Lied 6 zagen ze triomfalisme en universalisme. De commissie voelt (...) een verwantschap aan een optimistische mensbeschouwing,
passend in een levensgevoel dat geruime tijd opgeld heeft gedaan.
Een kerkenraad geeft als bezwaar tegen
het 5e vers: Het wel wat erg exemplarisch
toepassen van de historische exodus op onze levensweg: "Zo gaat het van
doodszee naar levensjordaan".
Bovendien: waar zit de Schriftuurlijke grond om van de Schelfzee dan
symbool van de dood te maken en van de Jordaan symbool van het leven? (...) Meer bezwaar is er tegen de laatste
regels. Verraadt zich hier niet heel
duidelijk een lievelingsthema uit de jaren zestig/zeventig: de exodus als
parabel voor de God die alle ellendige mensen bevrijdt? Alle verdrukten en armen. En klinkt dan niet
helemaal in dit gezang wat door: God als de God van het volk dat bestaat uit de
slachtoffers in de wereld die bevrijd worden van de machtigen van de aarde?
Jan Wit zegt er zelf van: De
combinatie "slaafse ellende en vorstelijke waarde" slaat enerzijds op
het feit dat zowel de zojuist bevrijde slaven als de koning van Egypte de zee
in moesten gaan, anderzijds op wat Pascal noemt: "la grandeur et la misère
de l'homme".[18] Jan Wit acht het 5e vers in bepaalde gevallen tenslotte geschikt
als dooplied.
Deputaten zien het allemaal weer anders
(het lijkt wel een modern schilderij!): strofe
5 heeft een nieuwtestamentische invalshoek; in deze strofe wordt een verbinding
met de doop gelegd - de doorgang door de Rode Zee is immers een beeld van
Christus' dood en opstanding. Zo sluit
dit lied aan bij het doopsformulier.
Wij allemaal moeten door de doop gered worden. Iedereen moet het water van de doop ingaan. Dat moeten alle mensen op aarde doen, zowel
mensen die in nood zitten, "in slaafse ellende", als mensen met veel
macht, met "vorstelijke waarde".
Uit het slavenhuis, gered tot vrijheid als kinderen Gods en bewoners van
het Koninkrijk. En dan niet met haat of
in dwang, maar zingend! De Rode Zee
wordt het beeld van het afscheid van de dood.
De Jordaan wordt straks symbool van het begin van het nieuwe leven.
Ziehier een hele reeks elkaar in ieder
geval behoorlijk tegensprekende interpretaties van dit lied. Een criterium van de GS Kampen 1975 is: de
tekst moet duidelijk spreken!
Maar laten we er nog enkele beschouwingen
aan wagen.
Dit lied van Mozes kent een refrein. In het Liedboek is dat de volgende:
vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
de wagens en paarden.
De Bijbel geeft ons echter het meer
zeggende refrein:
Ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in de
zee. (Ex.15:1)
En Mirjam zong hun ten antwoord:
Zingt de HERE, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in de
zee. (Ex.15:21)
Een gemiste kans dus van de
Liedboekdichter. Hij komt hierover in
het eerste vers niet verder dan:
Ik
zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag; het komt aan de dag.
Zijn hand is verheven, zijn hand die
bevrijdt.
Ons inziens een forse vertekening.
Dit lied van Mozes was in Israëls dagen
zeer populair. Door veel Psalmdichters is er gebruik van gemaakt.
Dr.W.H.Gispen[19]
noemt o.a. Psalm 66, 68, 78, 106, 118, 136 enz.
Daarom heeft de GS Hattem 1972 bij het
opstellen van toetsingscriteria (die door de GS Kampen 1975 zijn bevestigd en
nu door de GS Leusden 1999 buiten werking zijn gesteld) besloten: Dat bij het beoordelen van in omloop zijnde
berijmingen van Schriftgedeelten en andere teksten (...) de volgende regels in
acht genomen dienen te worden: (...)
2.
het lied moet een winst zijn boven de Psalmen en mag niet leiden tot
onderwaardering van de Psalmen.[20]
Dit criterium was noodzakelijk omdat
eerder ten aanzien van het berijmen van Ex. 15:1-18 de GS Hattem 1972 van oordeel was:
dat
de deputaten hun keuze van de te berijmen Schriftgedeelten terecht typeren als
"in zekere zin willekeurig" en dat deze keuze dientengevolge soms
aanvechtbaar is en geen navolging verdient, zoals bijv. ten aanzien van:
berijming
van Ex.15:1-18 waarvan de inhoud reeds in zo sterke mate doorklinkt in de
Psalmen (78,106,136) dat aan een berijming van dit gedeelte geen behoefte
bestaat.[21]
En die berijming van deputaten[22] was ook nog een stuk vollediger en
schriftuurlijker dan dit Lied 6 van Jan Wit!
Maar de synode wees de mogelijkheid van
Psalmverdringers af. Een gezangenbundel moet een aanvulling zijn, geen vervanger.
GS Leusden 1999 zegt dus wel het is de verantwoordelijkheid van
voorgangers en kerken erop te letten dat de psalmen niet veronachtzaamd worden,
maar geeft tegelijkertijd Liedboekgezangen vrij die daar terdege aan bijdragen!
En in elk kerkgenootschap waar dit Liedboek is binnengekomen, worden
de psalmen ook veronachtzaamd!
In het kader van deze beoordeling hebben
we de Bevrijdingstheologie nog maar even gelaten voor wat die was. Daar komen
we een volgende keer nader op terug. Maar vers 4 staat er stijf van:
De volken der aarde gaan eindlijk verstaan
wat Gij hebt gedaan.
Hun leiders die bouwen op list en geweld
verstommen en zwijgen ontsteld.
Zij zullen:
vergaan door het diepe geheim van de macht,
de vliegende vaandels en blinkende
zwaarden, de wagens en paarden.
Nog enkele regels commentaar:
strofe 1, regel 8 "en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee. Exodus 15:7"In uw grote majesteit vernietigdet Gij wie tegen U opstonden;..." De straf is Gods gericht tegen het volk Egypte dat opstond tegen Hem, naar Hem niet wilde luisteren. Dat zich dat uit door het vervolgen van het volk Israël is waar, maar niet de hoofdoorzaak van Gods straf.
strofe 3, regel 8: "Uw dreigende vinger verwijst naar het niet". Kennelijk wordt hier verwezen naar de hel. Maar de omschrijving is niet schriftuurlijk. De bijbelse omschrijvingen van de hel: duisternis, of de poel van zwavel en vuur, of de plaats waar de worm niet uitsterft gegeven iets anders weer dan “het niet”. Van “het niet” gaat niet het afgrijzen uit zoals dat ons gepredikt wordt bv. in Jes. 66:24. Dit vervlakkend spreken over de hel doet tekort aan het evangelie waarin zowel de heilsbeloften als de verbondsdreiging onverkort een plaats hebben.
strofe 4, regel 1,2: "De volken der aarde gaan eindlijk verstaan wat Gij hebt gedaan "? Hier worden kennelijk vereenzelvigd de volken rond Egypte en Kanaän die de HERE wilden belemmeren in de uittocht van Israël en ‘de volken der aarde in het algemeen’ die met de HERE geen rekening houden. De grote daden van de HERE werden bekend aan de volken rond de schelfzee (Ex. 15:14) maar wanneer vindt de erkenning van Gods daden bij ‘de volken’’ plaats anders dan bij het oordeel van de jongste dag? Hier klinkt de universalisme door.
strofe 4, regel 8 "vergaan door het diepe geheim van de macht". Hierin wordt op een mystieke wijze gesproken van Gods uitgestrekte hand, Zijn oordeel dat ertoe heeft geleid dat het leger van Egypte door het water werd verzwolgen. Een taalgebruik dat niet in de Schrift is terug te vinden. Het leger van Egypte is door Gods slaande hand geoordeeld, dat heeft niets met een ongedefinieerde macht van een diep geheim te maken.
strofe 5: door de dichter zelf verzonnen: komt in dit schriftgedeelte niet voor.
strofe 5, regel 3,4: “gaat zelfs in de zee niet teloor” verdraagt zich niet met Psalm 77:20.
strofe 5, regel 5,6: "de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt, het water en bloed dat de zonden uitdelgt." Het water, een verwijzing naar de doop. Maar het volk kende alleen nog maar de besnijdenis. Het bloed, een verwijzing naar het avondmaal. Maar wat wist Mozes, en met hem het volk Israël daar vanaf toen zij aan de Schelfzee stonden?
strofe 5, regel 7: “van doodszee naar levensjordaan” 1 Kor 10,1 en 2: de Rode Zee is het beeld van de redding in Christus: het volk ging droogvoets verder, bevrijd van de vijand die omkwam. Waarom de Rode Zee hier ‘doodszee’ genoemd? ‘Levensjordaan’: waarom (door de deputaten) symbool van het leven genoemd als een soort tegenstelling m.b.t. de Rode Zee? Overigens wordt in liedboeklied 290 (vs.6 r.3) juist gesproken van de Jordaan als ‘doodsrivier’!, over willekeur gesproken. Terwijl de Here juist de overeenkomst tussen beide wateren benadrukt dmv de 12 gedenkstenen die uit de Jordaan werden genomen: Jozua 4:21-24: “Wanneer uw kinderen later hun vaders vragen: Wat betekenen deze stenen? dan zult gij uw kinderen aldus inlichten: Op het droge is Israël hier door de Jordaan getrokken, omdat de Here, Uw God, de wateren van de Jordaan voor u heeft doen opdrogen, zoals de HERE uw God, gedaan heeft met de Schelfzee, die Hij voor ons heeft doen opdrogen, totdat wij erdoor getrokken waren, opdat alle volken der aarde zouden weten dat de hand des HEREN sterk is, en zij de HERE, uw God, al de dagen zouden vrezen.” Liever dus deze boodschap (zie ook Ps 114:3,5) doorgeven dan dichterlijke verzinsels.
strofe 5, regel 10 "de mensen der aarde". niet nader gedefinieerd, kennelijk alle mensen, de gelovigen en de ongelovigen. Dit duidt op de leer van de algehele verzoening
Op basis van de criteria Kampen-1975 is
dit lied strijdig met de Schrift, want onvolledig en onjuist, onschriftuurlijke
algemene verzoening, discutabele exegese, vele elkaar tegensprekende
interpretaties, dus de tekst spreekt niet duidelijk; de GS Hattem 1972 vond dit
ook een schoolvoorbeeld van een Psalmverdringer en derhalve geen waardevolle
aanvulling op de Psalmen.
Lied
9: Mijn hart verheugt zich zeer.
De Reformatie, jrg. 73, pag.457
Lied tegen het licht, pag.92
De verantwoording van Deputaten
kerkmuziek bij dit lied is inhoudelijk en tekstueel vrijwel gelijkluidend aan
de tekst zoals die staat opgetekend in het Compendium[23]. Op het
moment dat in het Compendium dichter Jan Wit zijn dichting van deze lofzang
fundeert en beargumenteert vanuit de bevrijdingstheologie, stopt het citeren
door Deputaten. Jan Wit stelt als dichtprincipe bij dit lied immers: Wie
dit lied oprecht zingt en erover mediteert kan onmogelijk in het meditatieve
stadium blijven steken. Zijn houding
tegenover de groten dezer aarde zal onontkoombaar kritischer en
relativistischer worden. De
Deputaten laten dit weg.
Het profetische spreken van Hanna gaat
van het begin van haar lofzang, waar zij zingt over mijn hoorn is verhoogd in de HERE, aan het einde
over in: Hij geeft sterkte aan zijn
koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde. Deze hoorn vinden we
terug in de lofzang van Zacharias (Gez.8): in
't huis van David, zijn verkoren knecht, verrijst een hoorn van heil en recht,
zoals het vroeger reeds was toegezegd. Deze verwijzing en manier van zeggen
vinden we ook in Psalm 18, 75, 89, 92, 112, 132 (waaraan Zacharias > Lucas
1:69 zijn lofzang onder meer aan ontleent) en 148. De Deputaten voor de bundel
"Enige Gezangen" voor de GS Hattem-1972 gaven deze link wel aan in
hun Lofzang van Hanna in Gezang 26.[24] Dit staat ook overigens dichter bij de
Schrift, maar haalde het in Hattem niet. Deze profetische link wordt in Lied 9
geheel gemist.
Het sociale thema van de
bevrijdingstheologie heeft op veel plaatsen in Lied 9 de werkelijke tekst
verdrongen of verminkt.
Strofe 2:
Niemand ter wereld is van rang en stand
gewis, want God alleen is heilig.
Maar wie zijn onmacht kent ene tot de Heer zich wendt, is in zijn hoede veilig.
Maar er staat in 1Sam.2:2: Er is niemand heilig gelijk de HERE, want niemand is er buiten U en er is geen rots
gelijk onze God.
Deputaten GS Hattem-1972 berijmden
tenminste nog: Hoe hoog zijn macht ook
reik' geen mens is God gelijk; de
HEER alleen is heilig. Een enig God zijt Gij, er is geen Rots als Hij; Zijn volk
is bij Hem veilig.
In 1Sam.2:8 staat: Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het
slijk, om hem te doen zitten bij edelen,
en een erezetel te doen verwerven. De tekstverklaarders in vroeger en later
eeuwen zagen hier al snel de parallel met Jozef. In strofe 7 is hier echter van
gemaakt: De Heer, zijn naam zij lof,
werpt levenden in 't stof, doet doden weer herleven. De trotsen slaat Hij neer. Geringen wordt
de eer van edelen gegeven. Door
deze dichting is elke samenhang verdwenen en alleen een bevrijdingstheologie
zichtbaar geworden.
“Maar wie zijn onmacht kent” :onmacht is nog geen zonde! De zonde komt niet in beeld. De rest van dit gezang bouwt voort op deze gedachte
In 1Sam.2:9 staat: de goddelozen komen om in duisternis. Daarvoor in de plaats
verdoezelt strofe 9 de harde werkelijkheid door: Maar wie het boze wil, zal in de nacht verdwijnen. In 1Sam.2:10
lezen we: Wie met de HERE twisten, worden
gebroken, over hen dondert de hemel. De HERE richt de einden der aarde. De brutale strijd van volken en hun
machthebbers tegen de HEERE wordt door Jan Wit in de lijn van Karl Barth
ontdaan van zijn verticale relatie en omgezet in een horizontale: Des Heren woord beslist der volken oude twist. De laatsten worden eersten.
Rond 1970 kwam de bevrijdingstheologie
op.
Bevrijding functioneert op 3 niveau's:
1e. het verlangen van verdrukte volken,
klassen en sociale lagen met conflicten op economisch, sociaal en politiek
terrein;
2e. de mens neemt bewust het eigen lot in
handen teneinde zelf de gewenste veranderingen te bewerkstelligen;
3e. de term "bevrijding" brengt
de christen gemakkelijker bij de bijbel als bron van inspiratie, want Christus
de Heiland is de grote Bevrijder.[25]
Bevrijdingstheologie en
bevrijdingsbeweging gingen hand in hand: Weg
met jullie zendelingen! Houdt jullie geld maar! Laat ons alleen: laat ons
eindelijk onszelf zijn! Het is
afgelopen met de politieke bevoogding, nu moet het ook afgelopen zijn met de
kerkelijke bevoogding.[26]
samenvatting Lied 9:
strofe 2-7: Jan Wit trok het Loflied van Hanna los uit de Messiaanse
en profetische context en heeft er bewust een lied volgens de
bevrijdingstheologie van gemaakt. Hij legt daarvan in het Compendium duidelijke
verantwoording van af en hoopt dat men door het zingen van dit lied ook zelf in
de richting van de bevrijdingstheologie opschuift.
Strofe 10:
De twist tussen God en mensen wordt onder invloed van Karl Barth omgezet in een
twist tussen volken.
Op basis van de criteria Kampen-1975 is
het strijdig met de Schrift, immers het Bijbelwoord wordt inhoudelijk zwaar
verminkt weergegeven en ontdaan van zijn bedoelingen. Ten enen male ongeschikt
voor een gereformeerde eredienst!
Lied14:
De Heer is mijn Herder.
De Reformatie, jrg. 74, pag.654,666,
jrg.75, pag.688
Reformanda, jrg.8, pag.550
Deputaten Kerkmuziek beargumenteren in
hun keuze voor dit lied ook: Het lied kan
goed naast de berijming van Psalm 23 gezongen worden. Het lied trekt als het
ware Psalm 23 naar vandaag toe (..) Het gebruik van dit lied zal grotendeels
gelijk zijn aan dat van Psalm 23.[27] Dit zo stellend, kan het criterium van
Kampen-1975 "een waardevolle aanvulling op de Psalmen, niet
verdringend" inderdaad niet gehandhaafd blijven. Het is een bekende
uitvoering en veelal vroeger op de lagere school aangeleerd.
Het is zaak om eerst de onberijmde Psalm
23 te lezen en dan de berijming zoals die voorkomt in ons Gereformeerd
Kerkboek. Beiden komen behoorlijk overeen in toonzetting en
zeggingskracht. Houden we dan Lied 14
er naast, dan valt ons de zoetige (kindergeschikte?) vertaling op. Het lied is vlakker en voegt niets toe aan
de bestaande berijming van Psalm 23.
Vanaf Psalm 23:4 valt de berijming zelfs weg. Misschien wel geschikt voor
huiselijk gebruik, maar daarvoor hebben we geen Liedboek nodig. Heel verwarrend,
maar in de E&R-bundel is onder nr. 239 met deze wijs ook een De Heer is
mijn Herder opgenomen als "kinderversje" en met slechts 2 coupletten.
Voor het huiselijk gebruik moet u dus alsnog een keuze maken.[28]
We zagen al dat we met Liedboek-parafrases van Psalmen het meerdere gaan
vervangen door het mindere; de inspiratie door de Heilige Geest vervangen door
menselijk geschrijf. In Psalm 23:5
staat: Gij richt voor mij een dis aan
voor de ogen van wie mij benauwen. De exegeses verwijzen hier naar Jes. 65:11-15.
Hier is het gericht over de zondige mens die met de HERE geen rekening houdt.
Hier predikt de Heilige Geest de antithese.
Kijken we nu naar lied 14, dan vinden wij daarvan ... niets. Oordeel en gericht is iets voor de Bijbel,
maar kom hiermee niet aan bij het Liedboek.
samenvatting lied 14:
De reden voor opname in de selectie is
een nostalgische en niets meer. Daardoor is deze vlakke, zoete uitvoering een
serieuze bedreiging voor de huidige berijming van Psalm 23. De zeggingskracht
van de onberijmde Psalm 23 gaat vrijwel geheel verloren. Het is immers in
moeilijke tijden ook een psalm die onberijmd wordt geciteerd om staande te
blijven. In dat geval werkt het als een geloofsbelijdenis. Als een predikant of
wie ook eerlijk moet kiezen tussen lied 14 of psalm 23, dan zal lied 14 altijd
afvallen.
Qua dichting ongeschikt voor gebruik in
de eredienst, de Schrift wordt immers niet geheel gevolgd. Het is op basis van
de criteria Kampen-1975 een echte psalmverdringer en als zodanig ook erkend
door deputaten, dus af te wijzen.
Lied
15: Loof nu, mijn ziel, de Here.
De Reformatie, jrg.73, pag.309; jrg.74,
pag.324,627; jrg.75, pag.705
Reformanda, jrg.8, pag.550
Deputaten Kerkmuziek beargumenteren onder
andere: De tekstdichter was een van de
eerste medestanders van Luther (...) Samenvatten betekent natuurlijk ook
weglaten, maar de grote gedachte van de psalmtekst blijft beter bewaard als dit
lied in zijn geheel gezongen wordt dan wanneer van de berijmde psalm een paar
coupletten uit het totale verband worden gelicht.[29] De dichter Johann Gramann werd onder
invloed van Luther bekeerd en was vanaf 1525 predikant in Koningsbergen. Hij
geldt als één der Lutherse reformatoren van Oost-Pruisen. Het Compendium voegt toe: Psalm 103 in de "Nieuwe Berijming"
en op de Geneefse melodie is stellig een van de meest geliefde liederen van de
Nederlandse gemeente. Maar met zijn
negen strofen leent hij zich er niet goed voor om als geheel te worden
gezongen. Wie als ideaal heeft liederen
zoveel mogelijk integraal te zingen - een heel goed ideaal lijkt mij - vindt in
deze psalmbewerking van Gramann een goed alternatief.[30]
Zowel de vertaler/liedboekdichter Ad den
Besten als Deputaten Kerkmuziek vinden dat deze vertaling goed in plaats van onze berijming gezongen
kan worden. Dit lijkt ons behoorlijk in
strijd met de criteria van Kampen-1975 tegen de psalmverdringers. Het is het één of het ander: óf we kiezen
voor psalmverdringers, maar dan moet je in je synodebesluiten niet opnemen: Het is daarbij de verantwoordelijkheid van
voorgangers en kerken erop te letten dat de psalmen niet veronachtzaamd worden,[31]
óf we sluiten deze psalmherdichtingen van de selectie uit. Maar bij Deputaten wordt nota bene openlijk
geopperd de Liedboekvariant in lied 15 te gebruiken in plaats van onze psalmberijming van psalm 103.
De volgende vraag is, of hier inderdaad
een goede berijming is neergezet en of de grote
gedachte van de psalmtekst beter bewaard
blijft zoals deputaten Kerkmuziek suggereren.
Strofe 1 bedoeld Psalm 103:1-5 te
dichten, strofe 2 hoort bij vers 6-12, strofe 3 bij vers 13-16 en strofe 4
hoort bij vers 17-22.
Wat mist is de historische setting: Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de
kinderen Israëls zijn daden. Het
Liedboek gaat wat losjes met onze zondeschuld om: Hij die voor u blijft zorgen, de zonde van u doet. Terwijl in vers
10-11 staat: Hij doet ons niet naar onze
zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden, maar zo hoog de hemel
is boven de aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen.
Ook de tekst van vers 15-16: De sterveling - zijn dagen zijn als het
gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is
gegaan, is zij niet meer en haar plaats kent haar niet meer, is niet in
dezelfde context terug te vinden in het Liedboek: Hij immers kent ons broze bestaan, want stof zijn wij - een teer geluk,
als rozen zo schoon, zo snel voorbij; als gras zijn wij, als blaren, - wanneer
de najaarswind door 's levens boom komt varen, wie is er die ze vindt? De tekst over "de najaarswind die door
's levens boom komt varen" is een te dichterlijke vrijheid. Landvolkdichters eigen, is de verwijzing
naar het verbond geschrapt, immers vers 17-18: Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen, en zijn gerechtigheid
over kindskinderen, over hen die zijn verbond onderhouden en aan zijn bevelen
denken om die te doen.
Wij constateren dat de Landvolkdichter Ad
den Besten in dit Liedboekvers een mooie tekst heeft neergezet met als rode
draad dat we een fijne Here hebben Die schuld vergeeft en redt van de
dood. Armen en verdrukten worden door
Hem bevrijd; voor gebeukten en gebukten is er gerechtigheid. De Here kent ons
en blijft voor ons zorgen.
Maar wat we missen is dat Hij tevoren aan
Mozes zijn wegen bekend maakte en aan de kinderen Israëls zijn daden en dat
zijn goedertierenheid zich uitstrekt over
wie Hem vrezen. Zijn gerechtigheid is over hen die zijn verbond onderhouden en aan zijn bevelen denken om díe te doen.
Looft de HERE, die zijn wil
volbrengt. In dit laatste geval -
en dat is zeker de uitverkiezende rode draad van
eeuwigheid - spreken we de Schrift na;
het Liedboek predikt de alverzoening.
samenvatting lied 15:
Dit lied wordt ons voorgedragen als
vervanger van Psalm 103. Dat lijkt ons
in strijd met de criteria van Kampen-1975.
De grote gedachte van Psalm 103 is in dit Liedboeklied 15 zeker niet
beter bewaard zoals deputaten suggereren. Het verbond en de verbondsbeloften en
-eis zijn uit elkaar gehaald, waarbij de gehoorzaamheid aan Gods verbond is
weggemoffeld en de alverzoening als rode draad uiteindelijk overblijft.
We kunnen niet anders dan concluderen dat
dit lied in relatie met Psalm 103 onberijmd, eenzijdig onschriftuurlijk is.
Lied
20: Laat ons nu vrolijk zingen.
De Reformatie, jrg.74, pag.324,1013
Reformanda, jrg.8, pag.487,550
Deputaten Kerkmuziek stellen: Dit is niet zozeer een berijming van, als
wel een meditatieve reactie op een psalmtekst. De bewerking (...) past in een
periode, waarin meer ruimte werd gegeven aan een persoonlijk getint naspreken
van de Schrift.
In het Compendium verantwoordt
Landvolkdichter Ad den Besten het ontstaan van dit lied: (...) gekoppeld met de yojeuzere melodie van (...) Ebeling (=de
componist, red.) heeft ze de Evangelische
Kerk in Duitsland kunnen veroveren.
Deze koppeling had o.a. tot gevolg, dat de 2e en 3e strofe van Gerhardt (=de
dichter, red.) met hun manende en
vermanende toon om zo te zeggen onder tafel raakten. Men valle dus niet de schim van Gerhardt lastig met het verwijt,
dat hij belangrijke elementen uit de psalmtekst zou hebben verwaarloosd! Overigens is Gerhardt met deze tekst
aanmerkelijk vrijer omgegaan dan ons, Nederlandse psalmberijmers, in dank zou
zijn afgenomen, en dat weerspiegelt zich natuurlijk ook in mijn vertaling.[32]
De slag om de arm die deputaten gaven was
dus niet zo maar. Kop en staart van
deze Psalm zijn verdwenen.
In deze dichting ontbreekt vers 1b-4: Ik zal de HERE loven, mijn leven lang, mijn
God psalmzingen, zolang ik nog ben.
Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat
zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn
plannen.
Inderdaad is dus de maning en vermaning
verdwenen.
Het unieke van de enige troost van Zijn eeuwige Woord wil de Here stellen tegenover de vergankelijke en troosteloze hulp die van stervelingen verwacht wordt. Daarom stelt de HERE deze vergankelijkheid van de mens in vs 3 met zoveel woorden aan de orde! (vergelijk de rijke troost zoals omschreven in Jes. 40:6,7; 1 Petr. 1:23,24). In lied 20 wordt dit alles geheel weggelaten!
Blijven we onze eigen Psalm 146 zingen,
dan belijden we: Wil toch niet op mensen
bouwen, hoe voornaam ook en geacht. Want beschaamd wordt uw vertrouwen, als u
heil van hen verwacht. Als hun stervensuur zal slaan, zal hun plan met hen
vergaan.
In de dichting ontbreekt in strofe 6
tevens vers 10 van Psalm 146:
De
HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht,
Hallelujah. In dit Liedboek missen we dus volledig ons 8e
vers van Psalm 146: 't Is de HEER van
alle heren, Sions Koning, groot in macht, die voor eeuwig zal regeren tot het
laatste nageslacht, Sion, zing uw God ter eer, halleluja, loof de HEER! Zo is in het Liedboek de geleerde les
uit de geschiedenis (vers 2-4) en het toekomstperspectief (vers 10)
verdwenen. De slot-lofzang op het
verbond blijft derhalve achterwege.
Maar daar blijft het niet bij.
Alsof degene die zingt helemaal niet tot het verbond behoort, komt aan
het einde van dit Liedboek letterlijk "als een duveltje uit een doosje"
een extra strofe
7 opduiken: Ik arme en geringe, hoe zou ik voor uw troon
U lof en dank toezingen? Gij zijt zo
groot, zo schoon. Maar omdat Gij mijn
leven duldt voor uw aangezicht, mag ik, o Heer, U geven de weerglans van uw
licht. Ad den Besten stelt in het
Compendium: De slotstrofe van het lied is
m.i. de schoonste van alle. Ze betekende een uitdaging voor mij om hetzelfde
niveau te bereiken. We kunnen met
elkaar constateren dat dit volkomen onschriftuurlijk is. Christus duldt ons niet, Hij ziet ons als zijn
kinderen in liefde aan! Waar in de Bijbel staat dat wij de weerglans van
Christus licht geven? Het staat ook haaks op wat Gerhardt oorspronkelijk
dichtte: Jedoch weil ich gehöre gen Zion
in sein Zelt, ists billig, dass ich mehre sein Lob vor aller Welt.[33]
De vertaling van Ad den Besten slaat dus
nergens op.
Piëtisme
Begin 17e eeuw stak het piëtisme op. Op zich is piëtisme niet verkeerd. Het
steekt alle eeuwen de kop op als godsdienst verzakelijkt en veruiterlijkt. Zodra bijvoorbeeld de kerk staatskerk werd
en er daardoor niveauverlies optreedt, zien we een piëtistische reactie.
Piëtisme kan snel leiden tot een doperse levenshouding. Zo gaan
vergeestelijking en wereldmijding hand in hand. Het is altijd een zoeken naar de juiste balans. De extremen staan
veelal opgetekend in de geschiedenis, zowel naar de éne als naar de andere
kant.
In de voor-reformatorische tijd zien we
het piëtisme terug in de Moderne Devotie, in de na-reformatorische tijd vinden
we het terug bij de Nadere Reformatie.
Direct aansluitend kreeg het piëtisme ook voet aan de grond in de
Lutherse Kerk. Dit Luthers piëtisme is doorgaans feller reactionair, daardoor
overgeestelijker en kritischer tegenover de kerk dan het Gereformeerd piëtisme.
Bij dit piëtisme gaat het om een persoonlijke vroomheid, die door bekering
heenging en in vruchten uitkomt, die dus diepte en gestalte heeft.[34]
Piëtisme ontstaat dus uit
actie-reactie. De Bijbel kent de
tegenstelling tussen leer en leven niet, noch tussen belijden en beleven. Ds.
F. van Deursen ziet een rechtstreekse link tussen de oude rooms-middeleeuwse
piëtistische richting en die van de 17e eeuw.[35] Alle door Van Deursen aangehaalde
piëtistisch getinte Liedboekliederen hebben de uiteindelijke selectie van de
121 vrijgegeven Liedboekliederen niet gehaald.[36]
In dit Duits-Lutherse piëtisme zien we
naast Spener ook H.A.Francke en Nikolaus Ludwig, Graf von Zinzendorf, de
stichter van de Herrnhuter Brüdergemeinde. Deze laatste schreef ruim 2000
gezangen (bijvoorbeeld Lb. 442). Het
"ik" in deze piëtistische liederen is persoonblijk bedoeld en niet
als dat van de gemeente, zoals in de psalmen zo vaak het geval is. Plotselinge bekeringen hoorden er ook
bij. Gegrepen worden door God
(Busskampf), wegbeschrijvingen, kenmerken van een bekeerd mens. Hieruit volgde het methodisme, de
opwekkingsbewegingen in Engeland en Amerika. Een gesprek met de Herrnhutter Spangenberg is kenmerkend voor de
gedachtenwereld van de jonge theoloog John Wesley. Spangenberg vroeg hem:
"Hebt u het getuigenis in u? Getuigt
de Geest van God met uw geest, dat u een kind van God bent?" Wesley wist niet wat hij hierop antwoorden
moest. Daarop drong Spangenberg verder
aan: "Kent u Jezus Christus?" Wesley antwoordde: "Ik weet, dat
Hij de Zaligmaker der wereld is." Spangenberg: "Juist, maar weet u
ook, dat Hij ú gered heeft?" Wesley: "Ik hoop, dat Hij gestorven is
om mij te redden. Zo was Wesley vóór
zijn 'bekering'. Gedoopt, kind van christelijke ouders, opgevoed bij de Schrift,
afgestudeerd theoloog en toch nog niet weten, of de Here Jezus ook voor hem
gestorven was. Hij hoopte het.[37]
Zonder
voorbij te willen zien aan het zeer veel goede, dat door piëtisten en
methodisten verricht is op maatschappelijk gebied, mogen we toch niet verhelen,
dat hier sprake is van een eigenwillige godsdienst. (...) de gereformeerde
piëtisten mogen Gods verbond nog enigszins gekend hebben, bij de Wesleys was
het een onbekende zaak geworden. Noch
bij de middeleeuwse, noch bij de nareformatorische bevindelijken was Gods
verbond echt de grond van hun vertrouwen. Hier was sprake van tweeërlei weg. Volgens de Schrift is de weg:
Gods verbond en belofte (inhoud: Christus' bloed en Geest), aan ons verzegeld
door de sacramenten, niet veronachtzamen, maar vertrouwensvol aanvaarden. Volgens de middeleeuwse en latere
bevindelijken was de weg: ontsterving, zelfinkeer, zelfbeschouwing, in de
"hel" komen, in een zalig moment evenals John Wesley het warme gevoel
krijgen verlost te zijn. Ziedaar het
geboortemilieu van veel gezangen![38]
En in die context maakte Wesley dan ook
zo'n 6000 gezangen en in Amerika Sankey en Moody ruim 8000. Gevoegd bij de 2000 van Von Zinzendorf
kunnen we dus voorlopig in de evangelische opwekkingshoek nog wel een tijdje
terecht.
Terug nu naar de bespreking van lied 20.
De extra 7e strofe van Paul Gerhardt in een vertaling van Ad den Besten is een
prima voorbeeld hoe piëtisme uit de hand kan lopen in liederen. Het startmoment van deze 7e strofe ligt in
de aanhef van strofe 5: Op duizenderlei
wijze redt Hij ons van de dood. Een
heenwijzing naar de verschillende bekeringsmogelijkheden die binnen deze
richting mogelijk zijn. Het zingen van deze en de 7e strofe is een duidelijke
miskenning van Gods verbond. En elke
verbondsopmerking ín Psalm 146 is nadrukkelijk niet vertaald of weggelaten.
samenvatting Lied 20
In het gehele lied is de historische
Verbondsgod zoals die in Psalm 146 tot ons komt, weggelaten. Daarvoor in de plaats is een piëtistische
houding voor ons neergezet waarbij we vanuit het niets vragen of God ons wil
dulden (strofe 7). Daarbij mogen we
weten van duizenden verschillende bekeringsmogelijkheden om tot dat doel te
komen (strofe 5). In tegenstelling tot wat Deputaten beweren is er helemaal
geen sprake van een persoonlijk getint naspreken van de Schrift. Het is wederom een lied dat model kan staan
voor de verachting van het verbond, de gang van de Here in de
geschiedenis. Daardoor is dit gezang in
ernstige mate in strijd met de Schrift en is beslist geen aanvulling op de
Psalmen maar een verdringer; dit alles gelet op de criteria van Kampen-1975.
Lied
21: Alles wat adem heeft love de Here.
De Reformatie, jrg.74, pag.465
Reformanda, jrg.8, pag.486,550
Lied tegen het licht, pag.92
De laatste psalmverdringer in het
Liedboek is Lied 21. Dat wordt ook door
Deputaten aanbevolen: Het lied kan
gezongen worden op de momenten dat ook psalm 146 uit het Geneefse psalter voor
de hand ligt. Deputaten lichten verder toe: Dit lied komt voort uit de kring rond Maarten Luther. In die kring was het gebruikelijk de
psalmberijming naar de nieuwe bedeling te trekken. De tekst volgt weliswaar vrij nauwkeurig de onberijmde tekst,
maar in strofe 3 vinden we een verwijzing naar Romeinen 8 en de doxologie aan
het eind van strofe 7 is ook echt nieuwtestamentisch.[39]
In het Compendium vinden we nog de
volgende toelichting: Herrnschmidt werd
in 1715 hoogleraar in de theologie te Halle en tevens mededirecteur van de
hallese inrichtingen. In dit centrum
van het Duitse piëtisme werkte toenmaal een hele reeks dichtende professoren,
die met véle liedteksten hun bijdrage leverden ter verzadiging van de steeds
groeiende honger naar steeds nieuwe liederen.
Herrnschmidt was van hen veruit de belangrijkste. (...) Ofschoon er in
de Duitse Evangelische kerk de eeuwen door geen grote voorkeur voor het zin-gen
van psalmen - immers oudtestamentische liederen - heeft bestaan, toch behoren
er maar liefst 3 bewerkingen van Psalm 146 tot het in Duitsland graag bezongen
repertoire. Die van Herrnschmidt (Lied
21) wint het in populariteit nog van die
van Paul Gerhardt (het hiervoor behandelde Lied 20) en Matthias Jorissen. Daarna volgt een gedeelte commentaar dat
door Deputaten 1-op-1 is overgenomen, waarna het Compendium vervolgt: Welbeschouwd hebben we met een vrome stoplap
te maken: de dichter had immers uitsluitend ter berijming van vs.5 een hele
strofe ter beschikking, - en ik ken de problemen die dat schept! aldus Ad
den Besten in zijn commentaar op deze vertaling van zijn hand.[40]
Net als bij de behandeling van Lied 20
gezegd: de vermaning is "vergeten": Vertrouw niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is.
te vinden in Psalm 146:3 blijft onuitgesproken.
In strofe 5 en 6 worden de tekstdelen van Psalm
146: 7-9 dooreen gehaald. De Here wordt in deze psalm lof toegezongen vanwege
zijn actieve hulp. Je kan van de Here op aan!
De Here verschaft verdrukten recht en geeft hongerigen brood. Het
Liedboek vult aan: dorstige, zie de
heilsrivier! Deze toevoeging is niet direct helder te verklaren noch terug
te vinden in de psalm.
De Here maakt gevangenen los, blinden
ziende: we zien beide uitdrukkingen terug resp. aan het einde van strofe 5 en
strofe 6. Dan vervolgt de psalm: De HERE richt de gebogenen op, de HERE heeft
de rechtvaardigen lief. Dit is een
Landvolkdichter te moeilijk. Alleen rechtvaardigen liefhebben kan in hun ogen
niet: het is dan ook niet vertaald. Geen uitverkiezing graag! Daarvoor in de
plaats: Hij richt u op, als gij zijt
neergebogen en Hij buigt neer wie zich verheft.
Tezamen met het in strofe 2 (uit het niets) voortkomende: "Machtigen wanklen in hun
waan" zijn het elementen van de bevrijdingstheologie, maar komen
in de psalm zelf en in de bedoelingen van de context niet voor.
Vreemdeling, wees en weduwe hadden in het
oudtestamentisch Israël extra wettelijke bescherming. Dat was wel nodig, want anders hadden ze het niet breed. De psalm
zegt dan ook: de HERE behoedt de vreemdelingen,
wees en weduwe houdt Hij staande. Dit
is door de Liedboekdichter uit elkaar gehaald en onterecht vermengd: Vreemdeling, die hier op aard moet gedogen,
dat u de haat der mensen treft, Hij richt u op, als gij zijt neergebogen. Bij het onrecht dat de gelovigen wordt
aangedaan, zoals we dat lezen in vers 8 van deze psalm, zien we een
liefhebbende God die deze gebogenen opricht: de HERE heeft de rechtvaardigen lief!
In het Liedboek wordt deze betekenis van
vers 8 verwijderd en wordt de gebogene van vers 9b áchter vers 9a geplaatst: de
vréemdeling wordt gehaat en díe wordt uit de gebogen houding opgericht. Wederom krijgt vanuit de
bevrijdingstheologie de uitbuiting het hoofdaccent.
In het Liedboek worden de algemene
problemen van weduwe en wees ook verschraald: Zijt gij in rouw: God is uw licht.
Wederom geen juiste weergave van tekst en inhoud. Daarna wendt de dichter zich af van de tekst
in de bijbel. de rest komt hem niet zo goed uit. Ongedicht laat hij de rest van vers 9: maar de weg der goddelozen maakt Hij krom. Of liever gezegd: de weg
van de goddelozen leidt tot (het) niets.
Geen rechtvaardigheid, geen zaligheid.
En ook vers 10 wordt niet gedicht: De
HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht.
Hallelujah! Voor dit alles in de
plaats komt dan - zoals dat heet -
een doxologie, een lofverheffing, lofprijzing van Gods heerlijkheid. Wel mooi,
maar we hadden liever dat de gehele psalm was gedicht en niet een selectie
daarvan.
samenvatting Lied 21
Landvolkdichters kunnen niet omgaan met
de Dordtse Leerregels. Binnen een
opkomend oecumenisme is dat ook de eerste geloofsbelijdenis die op de helling
gaat. Het is voor hen een onverteerbare zaak dat "de Here uit het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het
eeuwige leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde
vergadert, beschermt en onderhoudt. Hij
doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof. En ik geloof dat ik van deze gemeente een
levend lid ben en eeuwig zal blijven." Zo belijden wij dat in Zondag
21, onder de vraag: Wat gelooft u van de heilige, algemene christelijke
kerk?. Als je vanuit deze belijdenis
terug kijkt op Lied 21, ja terugkijkt op alle besproken liederen. Dan zie je het grote verschil tussen het
levend lidmaat zijn in een nog immer wervende kerk van Christus en het slappe
"Iedereen wordt wel zalig" van de oecumenische kerken. Daar is alle
werfkracht weg, de spanning eraf. Iedereen wordt zalig, waarom zou ik me druk
maken om de reddende boodschap uit te dragen? Waarom zou ik zelf nog naar de
kerk gaan?
Het stelselmatig verwijderen van alle
verwijzingen naar Gods verbond met ons door alle eeuwen heen is dodelijk voor
ons geloof. Na het wegvallen van de Dordtse Leerregels, zullen ook de andere
belijdenisgeschriften wegvallen in het bodemloze niets van de oecumene.
Met de criteria van Kampen-1975 in de
hand kunnen we dan ook niet anders concluderen dan dat hier sprake is van een
Psalmverdringer en beslist geen waardevolle aanvulling; en dat de dichting qua
inhoud strijdig is met de Schrift omdat kernzaken bewust en met opzet zijn
weggelaten.
Lied
23: Het zal zijn in het laatste der tijden.
Geen besprekingen in bladen bekend.
Dit lied is door Jan Wit gedicht “naar
Jesaja 2:2-5". Deputaten
Kerkmuziek geven als commentaar: “Jan Wit
gaf het oorspronkelijke lied de titel ‘De tempelberg’ mee, waarmee hij de
centrale notie van het lied aangaf: de gang naar de berg van het huis des
HEREN, waar God zijn Naam heeft laten wonen bij de mensen. En zoals de
Israëlieten optrokken naar de Sion, zo zullen eens de volken toestromen om te
wandelen in het Licht des HEREN, te delen in de omgang van God met zijn
kinderen.”[41]
Deze tekst en betekenis zult u tevergeefs
zoeken in de drie strofes van dit Lied 23. Ook heeft Jan Wit dit nooit bedoeld
noch gezegd. Wat heeft hij wél gezegd: Het
gaat om de verhoging en de verheerlijking van de témpelberg in “het laatste der
dagen”, d.w.z. aan het eind van de geschiedenis. Ook deze stralende profetie
van gerechtigheid en vrede zullen wij niet op eerlijke wijze in de mond kunnen
nemen wanneer wij niet bezield zijn door een vruchtbaar verlangen naar nieuwe
verhoudingen tussen de mensen en de volken en wanneer wij niet bereid zijn aan
de realisering daarvan mee te werken.[42] Jan Wit dicht hier met de toen heersende
pacifistische en universalistische gedachten. De Sovjet Unie deelde deze mening
van harte en liet de tekst inmetselen bij het gebouw van de Verenigde Naties in
New York.
Deputaten Kerkmuziek stellen in hetzelfde
gedeelte: Van een antithese tussen wie
zich wel door God zal laten gezeggen en wie niet, is in dit schriftgedeelte
geen sprake. Daarvan is wel sprake in de Schrift, maar inderdaad níet in
het lied. Er staat immers in Jes.2:4 En
Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Daarvan
maakt Jan Wit: ... niets.
Wat is het doel van dat opgaan van de
volken? Volgens de Bijbel, Jesaja 2:3: Opdat
HIJ ons lere aangaande ZIJN wegen en opdat wij ZIJN paden bewandelen. Want uit
Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem.
Wat dicht Jan Wit? Om de rechten des Heren te leren en zich tot God en ELKAAR te bekeren.
Als Jeruzalems tinnen gaan blinken en beschamen der bergen en heuvelen trots,
zal van Sion uit blijde weerklinken het bevrijdende woord van het koninkrijk
Gods. De Here richt tussen de
volken. Deze volken zullen elkaar dus
níet bekeren (in het gebouw van de Verenigde Naties). Er zal geen algemene
vrede op deze aarde komen. Er zal een gericht komen. Geheel in dezelfde
betekenis zoals we deze tekst letterlijk ook terugvinden in Micha 4:1-5. Het
komen van de volken in Jesaja 2 is het gevolg van de oproep in Jesaja 1:10: Hoort het woord des HEREN, bestuurders van
Sodom, neigt uw oor tot de onderwijzing van onze God, volk van Gomorra. En
het vervolg van die profetie in Jes.1:18: Komt
toch en laat ons tezamen richten, zegt de HERE; al waren uw zonden als
scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn,
zij zullen worden als witte wol. Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij
het goede des lands eten; maar als gij weigert en weerspannig zijt, zult gij
door het zwaard worden verteerd, want de mond des HEREN heeft het gesproken.
Het Woord van de HERE brengt de volkeren in de crisis: voor of tegen Hem kiezen; het gaat om de grote antithese van vrouwenzaad en slangenzaad.(zie Hebr. 4:12,13 en 12:25-29). En daarom is het zich ‘tot elkaar bekeren’ uit dit lied hier volledig misplaatst: alsof het hier gaat om een strijd tussen volkeren, die moeten verbroederen. De keuze gaat echter vóór of tegen de HERE en dat gebeurt niet zonder de klem van het gericht: Jes. 2:4 “En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën” In tegenstelling tot wat dit lied ons wil leren, zegt Gods Woord niet dat komt tot een wereldvrede op déze aarde, maar dat God de vrede in de kerk wil door bekering. Met de komst van Christus zal dit uiteindelijk leiden tot het koninkrijk der hemelse vrede, voorzegd in Jes. 65:17, 66:22 en Petr. 3:13: “wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont”.[43]
Samenvatting lied 23:
We staan hier middenin het pacifistische
denken waarvoor deze verzen van Jesaja keer op keer worden misbruikt. Het voert ons af van de hier door God verwoorde
antithese en doodt de oproep tot bekering en het gehoorzaam luisteren naar Zijn
onderricht.
In
dit lied is dit alles echter verworden tot een “bevrijding en bescherming van
allen”: dit is taal van de onschriftuurlijke bevrijdingstheologie en van
universalisme (‘allen die leven’).
De tekst is volkomen in strijd met de
Schrift.
Lied
26: Daar is uit ‘s werelds duistre wolken.
De Reformatie, jrg.74, pag.634 en 667
Deputaten Kerkmuziek stellen: Het oorspronkelijke lied had 8 strofen. In
de Hervormde bundel van 1938 stonden er nog 7, nu zijn er 4 overgebleven. Het
slot van strofe 4 is t.o.v. de versie 1938 - en die tekst kennen velen - nogal
veranderd. (...) [44]
De taal is ouderwets, maar niet onzingbaar.[45]
Voor de Gereformeerden behoorde dit lied
tot de niet-liturgische liedcultuur. Het werd wel in huiselijke kring gezongen,
maar niet in de kerk. Toen de Deputaten ad hoc (o.a. voor de bundel “Enige
gezangen”) hun rapport uitbrachten voor de GS Utrecht 1923, had men daarin dan
ook niet de populaire berijming van Nic.Beets opgenomen, maar had men (in
plaats van de berijming van Beets) Jes.9:5 zélf opnieuw berijmd. Zoals bekend
haalde die bundel berijmingen het niet.
Ook Deputaten voor de bundel “Enige
Gezangen” t.b.v. de GS Hattem 1972 namen een drietal strofes over uit de
Ned.Herv.Bundel, daaruit gezang 10:1,5 en 7 als het nieuwe Gezang 1 in hun
proefbundel. Het gaat hier om de verzen
1,3 en 4 van Liedboeklied 26.
Het verschil is, dat in strofe 1 de zin en gij, mijn ziele, bidt het aan! door
Deputaten werd vervangen door: gij, volk
des HEREN, bid het aan! en van de laatste strofe de zin met recht en met gericht zal sterken door
Deputaten is vervangen door: met Zijn
gerechtigheid zal sterken. Omdat gerechtigheid
(in de tekst) zuiverder is dan het woord gericht
(Liedboek).
Bezien we het Liedboeklied in relatie met
de criteria van Hattem/Kampen 1975, dan weten we: de gezangen dienen Schriftgetrouw te zijn en wat berijming van
schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw,(...) de zinnen moeten zo geformuleerd zijn dat ze gezongen en als zang
gehoord duidelijk spreken, waarbij met name gewaakt moet worden tegen
redenerende c.q. dogmatiserende regelconstructies, waarin het eigen karakter
van de Bijbeltekst niet behouden blijft.
Met deze normering in de hand oordeelde
de GS Hattem 1972 aldus over dit lied (de verwijzingen vertalen we naar het
thans voorliggende Liedboeklied 26):
Als
lied “naar Jesaja 9" resp. “berijming” mislukt (op verschillende punten
niet naar Jesaja 9), poging tot restauratie van en selectie uit Beets’ lied
doet niet alleen de Schrift zelf, maar ook diens dichterlijke vertolking
onrecht; romantiserend (strofe 1, regel 5 t/m 8; strofe 4 regel 1),
dogmatiserend (strofe 1, regel 4, strofe 3, regel 2), archaïstisch taalgebruik
(strofe 3, regel 6 t/m 8, strofe 4, regel 2 t/m 4). Over strofe 2 kon de GS
Hattem geen oordeel vormen omdat dit niet de synode was aangeboden. De GS
Hattem vindt tenslotte met deze beoordeling als voorbeeld: waaruit blijkt dat geen pogingen moeten worden ondernomen in te grijpen
op gangbare liederen om deze geschikt te maken voor zang in de liturgie,
waarbij nog de vraag zich voordoet of dergelijke Schriftgedeelten zich wel
voor dit doel lenen.[46]
Strofe
1 laat zien dat Jesaja 9
eerder als kapstok is gebruikt, dan dat er een wezenlijke band is. De tekst luidt immers: Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die
wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht. In de
Liedboektekst staat echter: Daar is uit
‘s werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan. Komt tot zijn schijnsel
alle volken en gij, mijn ziele, bid het aan! Zo is van elke strofe aantoonbaar te zien dat het eerder een
bredere interpretatie van de geschiedenis is naar aanleiding van Jesaja 9 dan
een echte weergave in welke zin dan ook. Terecht door GS Hattem 1972 een
onzorgvuldige berijming genoemd.
Samenvatting lied 26
Het mist de tekstgetrouwheid en het staat
daardoor te ver van Jesaja 9 af, niet in de laatste plaats door jarenlang
snoei- en entwerk, om nog als bijbellied te worden gekenmerkt. Het is een lied
dat buiten de kerkdiensten misschien nog wel gezongen kan worden, maar geen
toegevoegde waarde heeft voor de kerkelijke liturgie.
Lied
28: Wij hebben een sterke stad.
De Reformatie, jrg.73, pag.983
Een lied naar Jesaja 26:1-6. Deputaten
Kerkmuziek stellen: Aan de herkenbaar
berijmde tekst worden bijbelse elementen als dansende kinderen en musicerende
mensen toegevoegd, die we kennen uit bijv. Psalm 87 en Matth.11:17.[47]
De dichter Barnard geeft zelf zijn
beperkingen aan in dit lied: Want al
vermeldt Jesaja met zoveel woorden geen “stad waar de kinderen dansen”, hij
heeft die stellig wel vóór zich gezien, omgekeerd is de bitse “vernedering tot
de grond toe” van de arendsburchten der onderdrukkers in de strofische vorm
niet terug te vinden. Daarvóór leek een beurtspraak gewenst tussen het
optrekkende volk en een denkbeeldige poortwachter, en wat dat betreft is het
lied dus breder dan de profetie.[48]
Het is echter ronduit jammer dat de Here
wordt uitgestuft. Nergens lezen we meer: HIJ
stelt heil tot muren en voorwal (Jes.26:1b) of Standvastige zin bewaart GIJ in volkomen vrede (Jes.26:3a).
Daarvoor in de plaats staat wat WIJ doen: dansen, muziek maken.
Helaas komt in strofe 3 en 4 ook de bevrijdingstheologie in beeld: maar mensen die steeds zijn geknecht, die
wandelen hier in het licht (strofe 3) en: Hij voert de verdrukten erheen (strofe 4). Bij Jesaja gaat het over
Moab, de goddelozen, Gods tegenstanders tegenover: hen die de Here verwachten. Jes.
26 spreekt daarentegen over rechtvaardigen (vs 7) en goddelozen (vs 10), niet
over verdrukkers en verdrukten.
Samenvatting lied 28:
De eerste twee strofen zouden -
vanwege/ondanks het onjuiste Schriftgebruik - bruikbaar kunnen zijn als
liederen voor huiselijk gebruik, maar niet voor de kerkdiensten. De laatste
twee strofen zijn zonder meer af te keuren.
Intermezzo:
taal-theologie van de Landvolkdichters
Deputaten Kerkmuziek gaan voorbij aan de
taaltheologie van de Landvolkdichters. Gods Woord en de woorden van de dichters
vallen ultiem samen.[49]
Liedboeklied 84 laat dat zien: Maak onze
eigen woorden tot de eigen taal van God![50]
Heeroma zegt:[51] Het heeft God beliefd menselijke taal te
worden en dat maakt onze religie tot een taalreligie, ons geloof tot een
taalgeloof, ons bestaan tot een taalbestaan. Heeroma onderscheidt 3 vormen
van taal, die hij laat corresponderen met de drie Personen in de Drieëenheid:
God de Spreker, de Logos en het Pneuma. Er
worden wel bijbelse woorden en dogmatische begrippen gebruikt, maar ze worden
aangewend voor een algemeen-menselijke religiositeit. Het gevolg is ingrijpend:
God, in al zijn majesteit als Schepper, in zijn rechtvaardigheid en liefde, is
vervangen door een mythische voorstelling van menselijke taal. Als Persoon
bestaat Hij hoogstens in de verbeelding. De bijbel bevat woorden die mensen
ooit over God gedacht en gesproken hebben. (...) De consequenties van deze theologie voor je geloof zijn vérstrekkend:
de bijbel is niet meer het Woord van de levende God, ze is niet meer dan een
mythologisch verhaal óver God; Gods koninkrijk wordt vervuld in menselijke
rechtvaardigheid op aarde.[52]
Lied
30: Wie mat de waatren in zijn holle hand.
De Reformatie, jrg.73, pag.999, jrg.74,
pag.634 en 991
Een lied naar Jesaja 40:12-31.
Deputaten Kerkmuziek ontkennen de
taaltheologie, door enerzijds dit niet als een issue te behandelen in hun
verantwoording, terwijl een veelvoud aan liederen hiermee ‘besmet’ is en
anderzijds -zonder te overtuigen, temeer omdat de Landvolkdichters dat
nadrukkelijk anders zien in hun werk - in allerlei bijbelse uitdrukkingen te
zoeken naar vervangende verklaringen.[53]
Jan Wit zegt: Men moet om van zulk een uitgangspunt tot een zingbaar lied te komen
wel naar een kernwoord zoeken dat het geheel als Leitmotiv tot een poëtische
eenheid kan maken. Ik heb dit Leitmotiv gemeend te vinden in de verzen 21 en 28
en inhoudelijk in het feit dat, hoewel de pericoop allerlei zeer zichtbare
beelden oproept en de hoorder en/of lezer wordt uitgenodigd de sterrenhemel te
beschouwen en daar zelf zijn conclusies uit te trekken, de profeet toch als
theologische stellingname zich terugtrekt op datgene wat van oudsher is
overgeleverd, in zekere zin een prelude op Paulus’ woorden: het geloof is uit
het gehoor.[54]
Lied 30 stelt wel dezelfde vragen als
Jesaja 40, maar geeft steeds een ander antwoord. In strofe 1: Weet gij het niet? - Het wóórd. Strofe
3: Hebt gij het niet gehoord? Gij kent
Hem door zijn woord, Hij woont hier in
zijn naam. Strofe 6: Hebt gij het niet gehoord? Weet gij het
niet? Het woord zal altijd met u gaan. Strofe 7: Het woord geeft moeden nieuwe kracht. Het echte antwoord is
weggestuft in strofe 6, maar in plaats van: “het woord” horen we te verstaan:
God, de HERE, Schepper van de einden der aarde (Jes.40:28).
Vanuit de taaltheologie krijgt ‘het
woord’ een zelfstandige betekenis. De
Here God komt niet meer zelfstandig naar boven. “Gij kent Hem door zijn woord”
(daar komt Hij niet meer uit). “Hij woont hier in zijn naam”.
Jesaja 41:4: Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van
de aanvang af heeft geroepen; Ik de HERE, die de eerste ben, en bij de laatste
ben Ik dezelfde. Jes.42:5. Ik ben de
HERE, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen andere geven noch mijn lof
aan de gesneden beelden (Jes.42:8). Jes.43:1; Jes.43:9-15. Vanaf Jesaja 40
is het doordrenkt met activiteit van de Here God. Maar door Jan Wit weggewerkt
in de taaltheologie tot woorden...
Samenvatting lied 30:
Het is een mooi gedeelte van Jesaja, maar
door de taaltheologische verwerking een superdwaling geworden waarbij de
levende God is verdwenen en vervangen door een woord-herdichter.
Door deze dwaling is het lied volkomen
onschriftuurlijk.
Een verdere inhoudelijke toets is daarom
achterwege gelaten.
Lied
34: Om Sions wil zwijg ik niet stil.
De Reformatie, jrg.75, pag.745
Het gaat hier om een dichting naar Jesaja
62:1-10.
Deputaten laten ons de ogen
uitwrijven. Enerzijds zéggen ze dat de
wachters nimmer zwijgen en Hém geen rust laten, men rept ook van het
profetische toekomstperspectief en geven dan de gedichte tekst door uit strofe 4: Rondom de muur wordt ieder uur Gods wachtwoord doorgegeven. (...) Gun u
geen rust bij dag en nacht totdat door Gods gezag en macht Jeruzalem mag leven.
Dan vervolgen deputaten: Het parool is: we mogen Hem aan zijn gegeven
woord herinneren en bidden zonder ophouden om zijn toekomst. Het is een
eschatologisch lied dat inhoudelijk dicht bij het uitgangspunt is gebleven.[55]
De combinatie die hier gemaakt wordt is
voor ons echter onbegrijpelijk.
Om te beginnen staat op de plek van (...)
in hun citaat het volgende onbegrijpelijke: Zo
is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven. Jan Wit poogt bewust een sfeer te creëren waarbij
er gewoon wachters op een normale muur rondom Jeruzalem staan die elk uur aan
elkaar (bij de aflossing) Gods wachtwoord doorgeven. Niet meer en niet minder.
Er is absoluut geen sprake van “bidden zonder ophouden”.
Laten we Jan Wit zelf eens aan het woord:
In mijn bundel Ministeriale heb ik dit
lied genoemd “het wachtwoord”. Dat slaat natuurlijk op het begin van strofe 4,
zie Jes.62:6. Het gehele lied gaat
echter over het tot ere komen van het na de ballingschap herbouwde Jeruzalem,
maar dan in eschatologisch perspectief. En dan zijn, zie het slot van het lied
en van de pericoop, de volken opgenomen in het heil van de stad Gods. Dit Jeruzalemlied bezingt dus niet alleen
het eerherstel en het heil van Sion, maar het behelst ook een eschatologisch
heenreiken naar de verzoening tussen Israël en de volken. Als de christelijke
gemeente dit lied zingt, moet zij dus niet al te snel met het volk van Sion
identificeren en zeker niet menen dat wat Jeruzalem onder de oude bedeling was,
de christelijke kerk door de nieuwe bedeling geworden is. Integendeel, wanneer wij dit lied zingen
doen wij dat uit solidariteit met Israël en met een vurig verlangen naar de
uiteindelijke verzoening.[56]
En daarom vertikte Jan Wit het ook in
zijn dichting om Jes.62:11 op te nemen in de berijming, waar staat: Zegt tot de dochter Sions: zie uw heil komt,
zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit. deze tekst
vinden we ook terug in het bekende Jesaja 40 (Troost, troost mijn volk ...), waar we lezen in vers 10: Zie, de Here HERE zal komen met kracht en
zijn arm zal heerschappij oefenen: zie zijn loon is bij Hem en zijn vergelding
gaat voor Hem uit. Deze profetie
kennen we uit de intocht van Jeruzalem, Matth.21, waar we in vers 4vv lezen: Dit is geschied, opdat vervuld zou worden
hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: Zegt der dochter Sions:
Zie, uw Koning komt tot u. En uit Openbaringen 22:12, waar staat: Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij
om een ieder te vergelden naar dat zijn werk is.[57]
NEE, zegt Jan Wit, dat laat ik jullie
niet zingen. Zingen jullie maar: De
volken zien uw heilig spoor, zij volgen het en neigen voor de standaard van uw
koning (strofe 6).
De volken moeten solidair met Israël
zijn. Punt.
De wachters geven een wachtwoord door.
Punt.
Maar dat laatste is toch geen niet aflatend bidden tot God?
Arme kerk, die deze anti-christelijke
dwaling zingt.
Nog enkele opmerkingen tot slot:
strofe 2 regel 4 “die God u toe zal denken” Jes. 62:3 zegt dit veel sterker: “een koninklijke tulband in de hand van uw God. Daar zit geborgenheid in. Dat geldt ook voor de liefde die straalt uit 62:4 “Mijn Welgevallen”.
strofe 3 regel 1,3 “Zoals een maagd die wordt gevraagd (…) Zoals een bruid haar man verblijdt” In de bijbel staat het net andersom: Jes. 62:5 “Want zoals een jongeling (…) en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt” Dit vs legt het intiatief dus verkeerd: dit hoort bij de HERE te liggen: Hìj heeft welgevallen, Hìj zoekt zijn bruid op, en niet andersom.
strofe 4 regel 1,2 “Rondom de muur wordt ieder uur Gods wachtwoord doorgegeven” Een wachtwoord is alleen voor ingewijden en geeft toegang. De tekst van Jesaja geeft echter iets heel anders aan nl. dat de wachters op Jeruzalems muren zonder onderbreking zullen pleiten op Gods verbondsbeloften.
strofe 4 regel 3,4 “Zo is de tijd die nu verstrijkt met zijn geheim doorweven” Mistige taal die de kern niet raakt.
strofe 6 regel 5-7 “De volken zien uw heilig spoor, zij volgen het en neigen voor de standaard van
uw koning” Deze liedtekst volgt niet de bijbeltekst: het gaat om de
terugkomst van Gods volk uit de verstrooiing naar Jeruzalem (Jes. 62:12). Zoals
het hier in het LB vs staat doet het denken aan de alverzoening, zeker nu vs 11
ontbreekt.
Samenvatting lied 34:
Jan Wit ontkent de profetie en weigert de
verbanden te zien die in de Bijbel zijn gemaakt en te vinden. Daarom wil hij
ook niet dat wij er van zingen en verhorizontaliseert hij dit Schriftwoord tot
de platte praktijk van alle dag met één vergezicht: dat “de volken” solidariteit
met Israël tonen.
Onschriftuurlijk, ontdaan van alle
profetie en daardoor anti-christelijk.
Lied
39: Vrees niet, gij land, verheugt u en wees blijde.
De Reformatie, jrg.75, pag.758
Het gaat hier om een dichting naar Joël
2:21-24 en 28-32.
Deputaten citeren - in tegenstelling tot
het hieraan voorafgaande lied 34 - nu breed voor hun argumentatie Jan Wit uit
het Compendium. Natuurlijk ligt hier de verbinding met Hand.2:17vv.
Jan Wit beoogde echter meer dan door de
deputaten wordt geciteerd. Daarom dichtte hij ook vs.21-24 van Joël 2. Zijn Pinksterlied moet een lied van de hoop
zijn; hoop die de gehele schepping omvat,
planten en dieren komen ter sprake; hoop ook die de gehele maatschappij omvat.[58]
De combinatie van de vs.21-24 met 28-32
is dan ook niet Gereformeerd te duiden. Maar alleen als we “de hemel hier op
aarde denken te kunnen krijgen”. Hier
dus de zwaarden tot ploegscharen omsmeden.
Het niet gedichte deel: vs.25-27 en ook
het voorafgaande deel: vs.18-20 geven de tijd goed weer. Het is de zegen en
vloek van Lev.26 en Deut.28. De profetie zegt in Joël 2:27: Dan zult gij weten, dat Ik in het midden van
Israël ben, en dat ik, de HERE uw God ben, en niemand anders; mijn volk zal
nimmermeer te schande worden. Dáárna zal het geschieden ....
En dat is een andere uitgangspositie,
zowel in Joëls dagen als in Hand.2 bij het Pinksterfeest. Er is sprake van gericht zegt ook Jan Wit. Daar laat hij het bij en
dicht vervolgens: En allen die naar ‘s
Heren wegen vragen, die van zijn grote naam het zegel dragen, vieren in ‘t
nieuw Jeruzalem het feest van Woord en Geest (strofe 9).
De werkelijkheid is veel beklemmender.
Het gaat niet om een
maatschappij-hervorming, zoals Jan Wit die ons schetsen wil. Het gaat om de
laatste oordeelsdag. En het zal
geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept (dat is wat anders dan
naar ‘s Heren wegen vragen) behouden zal
worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen
zullen zij behoren, die de HERE zal
roepen. Dat is dan ook de
scheiding brengende inhoud van de prediking op het Pinksterfeest, zoals we in
Hand.2:39 lezen: Want voor u is de
belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here,
onze God ertoe roepen zal.
Strofe 6: “Ja ook op wie de vrijheid niet genieten, op slaven zal de Heer zijn Geest uitgieten. Zij krijgen deel aan een vernieuwd bestaan in ;’s Heren naam” De Schrifttekst heeft hier dienstknechten en dienstmaagden, wat meer hun geringe, nederige staat aangeeft. Het liedboek suggereert hier meer dat het gaat om verdrukking: wie de vrijheid niet genieten.
Samenvatting lied 39:
Jan Wit kiest het verkeerde focus-punt.
De belijdenis omtrent de uitverkiezing (o.a. art.16 NGB) wordt door hem
terzijde gesteld: we kunnen zelf wel naar de weg vragen. Het aanroepen van God
(Joh.4:23), door hen die Zijn Naam belijden (Jes.12:4) raakt daardoor op de
achtergrond.
Als we strofe 1-3 eraf konden halen en
strofe 9 konden herdichten, dan zou het alleszins de moeite waard zijn geweest.
Jammer.
Lied
42: Verheug u, gij dochter van Sion.
De Reformatie, jrg.75, pag.931
Het gaat hier om een dichting naar
Zach.9:9-10
De deputaten verwijzen kort naar
Matth.21:5 en Joh.12:15, de intocht van de Here Jezus in Jeruzalem.[59]
Opnieuw sluit men in de argumentatie nauw aan bij het Compendium.[60]
Vanuit het moderne theologische denken in
de Ned.Hervormde Kerk kijkt men vooral naar een herstel op deze aarde. Daarom
staat aan het einde van strofe 1 ook: de aarde zal spoedig een bloeiende tuin zijn van vrede en recht, de Heer heeft
het heden gezegd. En in strofe 3 staat: zijn
daden, zij zullen de aarde
vervullen, voor jood en voor heiden door dood en door lijden draagt Hij met
zich mede de blijdschap de vrede, Hij rijdt op een ezel, Hij lijdt als een knecht,
zo brengt Hij het leven terecht.
Wat moeten we verstaan onder “zo brengt Hij het leven terecht”? Waar
terecht?
We worden hier in dezelfde positie als
die mensen met de palmtakken gebracht en kiezen het verkeerde antwoord. We
lezen in Joh.12:30 de woorden van de Here tot de mensen rondom Hem: Niet om Mij is die stem er geweest, maar om
u. Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld
buiten geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot
Mij trekken. En dit zeide Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou. De
schare dan antwoordde Hem (want zij zongen kennelijk de belijdenis vanuit
Lied 42 in de toenmalige synagogen): Wij
hebben uit de wet gehoord, dat de Christus tot in eeuwigheid (op aarde) blijft; hoe kunt Gij dan zeggen, dat de Zoon
des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?
Snapt u de dwaling? De schare en de
Liedboekdichter wijzen naar een aardse
oplossing, Christus wijst naar de hemel. De Here tekent in het
schriftgedeelte iets anders nl. zijn universele heerschappij over de Kerk. Hij
is de koning van Sion. Deze Vredevorst heeft een koninkrijk dat niet van deze
aarde is. Het zal dan ook niet geschieden door kracht of geweld maar door Zijn
Geest! Dàt moet de boodschap zijn en niet die van een paradijs op aarde.
Samenvatting Lied 42
Onhelder geschetst toekomstbeeld, de
verkeerde keuze gemaakt. Het verkondigt een vrederijk op deze aarde, is
daarom in strijd met Gods Woord en doet tekort aan de eigenlijke betekenis van
dit schriftgedeelte. Geen
verrijking van een gereformeerde gezangenbundel.
Lied
43: Die dag zal komen, brandend als een oven.
De Reformatie, jrg.75, pag.773
Het gaat hier om een dichting naar
Maleachi 4:1-3.
De dichter van dit lied, Barnard zegt
daarvan: Schriftgezang. Het woord
Schriftgezang duidt er op, dat de bijbeltekst nauwkeurig wordt gevolgd.[61]
Deze dag wordt door Barnard in strofe 1 gezien als: een bosbrand, die niet meer te stuiten is, een vuurgloed aangestoken uit den hoge verteert de wortels van de duisternis. Maleachi begint dan met het oordeel: Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt zal hén in brand steken - zegt de Here der heerscharen - welke hun wortel noch tak zal overlaten. Het hier gestelde “met wortel en tak uitroeien” is toch wel wat anders dan de bosbrand van Barnard. Het gaat niet om “de duisternis” die wordt verteerd, nee, de Here heeft het over persónen. Barnard heeft het niet over de “overmoedigen en allen die goddeloosheid bedríjven”. Hij zwakt dat in strofe 2 ernstig af: voor allen die hun harten hoog verhieven (akkoord) als sterren aan de hemel van de tijd, die leefden zonder hoop en zonder liefde, is dit het einde, want hun rijk is uit. Hier wordt het wel heel dichterlijk weggespoeld! In deze omschrijving ontbreekt de antithese.
Dan komt Maleachi met de reddende hand: Maar voor u, die Mijn naam vreest, zal de
zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen.
Dan zien we Barnard weer in volle glorie
aan het werk als hij dat in strofe 3
weergeeft als: Maar allen die de naam des
Heren vrezen gaat dan de zon der wereld stralend op. Hij breidt zijn vleugels
uit en komt genezen al wie verkommerd
zijn in ‘s werelds loop. Is het
zo dat deze laatste categorie mensen bedoeld wordt met degene die de naam des
Heren vrezen? Zien we hier nog een
goede relatie met Maleachi 3? Hierin wordt de antithese tussen
rechtvaardigen en goddelozen omgeruild voor solidariteit met verdrukten in ’s
werelds loop (vergelijk Maleachi 3:18!). In het 3e vers van Maleachi 4
lezen we: Gij zult de goddelozen
vertreden, want tot stof zullen zij zijn onder uw voetzolen op de dag die Ik
bereiden zal, zegt de HERE der heerscharen. Maar is dat voldoende verwoord
als we in strofe 6 lezen: allen die de gerechtigheid verachtten worden
als as, vertreden door de voet? Dat
het gaat om méér dan horizontaal (sociaal?) onrecht is uit het Liedboeklied
niet op te maken.
Waarom koos Barnard ervoor dit stuk van
Maleachi te dichten? Hij zocht een lied bij Mattheus 24 (rede over de laatste
dingen) te dichten.[62] Maar als we geen rekening zouden houden met
zíjn keuze voor een Liedboekdichting voor het kerkelijk jaar, zouden we dan
niet ook Maleachi 4:5 en 6 hebben berijmd? Want daar lezen we in dezelfde
pericoop, en dan dicht je werkelijk het einde van het Oude Testament: Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de
grote en geduchte dag des HEREN komt (hebben we het niet over dezelfde
grote en geduchte dag?) Hij zal het hart
der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun
vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban. Een werkelijk
Gereformeerde dichting van Maleachi 4 had zich niet beperkt tot vers 1-3, maar
had dóórgedicht tot en met vers 6.
Tenslotte:
strofe 5 regel 3 hier wordt een “duisternis” geïntroduceerd die ontbreekt in de bijbeltekst
strofe 6 regel 2 Hierbij is de actie van “u, die mijn naam vreest” verdwenen.
strofe 6 regel 3 zie strofe 5 regel 3: “Dit
is de dag, waarvoor wij overnachten” hier wordt ook een nacht ingebouwd
waarvan in de tekst niet wordt gesproken.
Samenvatting lied 43.
Barnard veroorloofde zich veel
dichterlijke vrijheden. Er zitten teveel bevrijdingstheologische denkbeelden in
met sociale ongerechtigheid op de achtergrond. De weglatingen zijn typisch
Landvolkdichter-vrijheden.
Als Schriftberijming behoorlijk beneden
de maat.
Einde
Oudtestamentische Schriftberijmingen.
Deputaten voor de bundel “Enige Gezangen”
die aan de GS Kampen 1975 rapporteerden hebben eveneens studie gemaakt van het
Liedboek zoals dat voor ons ligt. Zij concludeerden mét ons: Deputaten kwamen echter in geen enkel geval
tot een aanbeveling van een dergelijk (nl. berijmde Schriftgedeelten) lied.[63] Helaas
moeten we het met hen eens zijn voorzover het de oudtestamentische
Schriftberijmingen betreft.
Lied
63: De Heer verschijnt te middernacht
De Reformatie, jrg.74, pag.307
Blijkens het opschrift gaat het hier om
een lied bij Matth.25:1-13 en Lucas 12:35-40.
Noch deputaten noch het Compendium rept verder overigens over Lucas 12,
welke tekst bij de verdere beoordeling dan ook buiten beschouwing wordt
gelaten.
Toen de Doopsgezind Broederschap besloot
mee te doen met het Liedboek-project, was o.a. Lied 63 hun bijdrage. De
doopsgezinde predikant Ds.M.C.Postema vertaalde als lid van de
liederenbundel-commissie der Doopsgezinde Broederschap Rube’s Der Herr bricht ein zu Mitternacht en
ook een eigen dooplied als Gezang 343 in het Liedboek opgenomen[64]
(niet in onze selectie). De doopsgezinden leggen de nadruk op de lokale doperse
gemeente. Een kerkelijke organisatie zoals wij die kennen hebben ze niet. Hun
“koepel” heet dan ook Algemene Doopsgezinde Sociëteit. Er is ook een zekere
afkeer van het woord ‘kerk’. In ‘kerk’
vreest men de organisatie en een met gezag opgelegde geloofsovertuiging, dogma
of geloofsformulering als de belijdenis.[65] Het is ook dankzij hen, dat het Liedboek
niet Kerkelijk liedboek is gaan
heten.[66]
Onze deputaten geven geen eigen
toelichting, maar ontlenen zoals gebruikelijk hun argumentatie en toelichting
aan het Compendium. Het origineel kent 10 strofen, zoals dat was opgenomen in
het Gesangbuch (…) Evangelischen
Mennonietengemeinden. In het Gesangbuch
der evangelisch-reformierten Kirchen der deutschen Schweiz (Lied 156) staan
zelfs 11 strofen genoteerd.
Als we de oorspronkelijke tekst bezien,
dan begrijpen we ook waarom Lucas 12:35-40 wel in de aanhef staat opgenomen,
maar waarom we er zo weinig van terug vinden in het Lied. In het Compendium wordt het niet vertalen en
dus weglaten van strofes verantwoord als De
overige, bespiegelend van toon en wat minder rechtstreeks met het bijbels thema
verband houdend, waren wel wat veel van het goede.[67]
Ten onrechte, want men was dichter bij de strekking van het Bijbelwoord
gebleven als men de noties had opgenomen zoals in strofe 3:
Wie liegt die Welt so blind und tot!
Sie schläft in Sicherheit
Und meint,
des groszen Tages Not
Sei
noch so fern und weit.
En strofe 7 en 8:
Sei immer wach, mein Herz und Sinn
Und schlummre ja nicht mehr!
Blick täglich auf sein Kommen hin
Als ob es heute wär.
Der Tag der Rache nahet sich
Der Herr kommt zum Gericht.
Du, meine Seele, schicke dich,
Steh und verzage nicht.
De waarschuwing van Lucas 12 en Matth.24
en 25 mist, door dit weg te laten, nu ten ene male.
Dit lied zegt gebaseerd te zijn op schriftgedeeltes die de gelijkenis van de 10 dwaze en wijze maagden beschrijven. Matth.25:1 en 2 stellen: Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs. Daarvan is echter niets meer terug te vinden en dus ook niet van de afloop die het handelen van de 5 dwaze maagden had in Matth. 25:12.
Kern van deze tekst (Matth.25:1-13 maar
ook Matth.24:43-51) en van Lucas 12 is: waken, waakzaamheid. We weten noch dag
noch uur. In Lied 63 is het echter
allemaal anders: De Heer verschijnt te
middernacht (strofe 1 en 5) ! We weten het tijdstip precies! We moeten dus
gewoon wachten in plaats van verwachten. In Matth.24 is de rede over de laatste dingen opgenomen. Echt
vreselijke dingen staan er te gebeuren. Maar niet in de strofes 1 en 5 (beide
strofen zijn tekstueel vrijwel gelijk). Die strofes stellen: Nu is nog alles stil.
Kortom geheel in (weder)doperse stijl: we
kennen het tijdstip, er is nog niets aan de hand, heb nog even geduld.
Het woord DAN van Matth.25:1 maakt een
rechtstreekse koppeling met Matth.24 zichtbaar. En we lezen in Matth.24:45: Wie
is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer óver zijn dienstvolk gesteld
heeft om hun op tijd hun voedsel te geven? En dan zien we zo’n slaaf, die
denkt: ach het zal nog wel even duren. Prof.Van Bruggen overweegt: Maar dan
komt de heer thuis en straft dit misbruik van een tijd die voor verwachting, gereed-zijn en zorg voor anderen was bestemd. De
hardvochtige wordt nu hardvochtig gedood (in tweeën gespleten) en hij krijgt
een plaats bij de huichelaars, bij de toneelspelers. In hoofdstuk 24 richt
Jezus zich tot de gelovige leiders, op wie Hij zijn vergadering nu zal bouwen. Zij zullen echter onder hetzelfde oordeel
vallen als de wetgeleerden en de Farizeeën, wanneer zij in die dagen voor zijn
heerlijke verschijning heerszuchtig en geldzuchtig worden in plaats van
betrouwbaar en zorgzaam voor anderen. Dit leidt tot geween over eigen lot en
(onbekeerd) knarsen van de tanden uit woede tegen God.[68]
In het voorbeeld van de 10 maagden
waarschuwt de Here ons tevoren dat
dag en tijdstip onbekend zijn, maar dat het wel eens laat kan worden. Iedereen kan zich daarop voorbereiden
door het nemen van maatregelen voor de langere termijn. 5 doen dat, 5 niet.
Maar het eindoordeel is hard. Normaal gesproken zouden de later gekomen 5 dwaze
meisjes, die dan inmiddels wel voldoende lampolie bij zich hebben, met oosterse
gastvrijheid worden binnengehaald. De Here brengt een schok teweeg: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet! De
kern is: waakt dan, want gij weet de dag
noch het uur!
In dat licht bezien is strofe 4 dan ook
volledig misplaatst waar staat: zijn onze
lampen wel gereed en branden ze wel goed, zodat, als Christus binnentreedt, Hij
waardig wordt begroet? De kern in dit lied ligt bij een noodzakelijke
waardige begroeting van Christus. Maar daar gaat het allerminst over in deze
gelijkenis.
Samenvatting lied 63:
Een zeer eigenmachtige uitleg, waardoor
de boodschap van de bijbeltekst in de mist verdwijnt. Wat resteert is een
onschriftuurlijke fluttekst, het papier en de inkt niet waard.
Lied
75: U kennen, uit en tot U leven
De Reformatie, jrg.75, pag.718
Dit lied behandeld een aantal Ik-ben
teksten uit het bijbelboek Johannes. Boven het lied staan weliswaar
verwijzingen alsof het lied dichtingen bevat van hele pericopen, maar daar is
niets van waar. Het lied is opgedeeld in 5 stukken. Elk stuk kent een
“aanbidding”: aanvang-strofen 1,4,7,10 en 13, welke strofen allemaal hetzelfde
zijn. Elk stuk kent een “belijdenis”: slotstrofen 3,6,9,12 en 15.
Daartussen staan de Ik-ben gedichten,
respectievelijk strofe 2 – Joh.6:35; strofe 5 – Joh.4:14 + Joh.7:38; strofe 8 –
Joh.8:12; strofe 11 – Joh.15:1 en strofe 14 – Joh.10:11.
De Bijbelteksten gaan steeds uit van “Ik
ben” terwijl in Lied 75 deze strofen steeds beginnen met “Gij zijt”. Een prachtig stuk dichtwerk van Ad den
Besten.
Deputaten volstaan met een in eigen
woorden zeggen[69] van wat het
Compendium schrijft.[70]
Bezien we de “aanbidding”-strofen wat
nader, dan valt de aanspraak van de Here Jezus op. De dichter noemt Hem
“Verborgene”. Nu kent het Nederlands
taalgebied wel 197 verschillende namen en titels van onze Here Jezus Christus,
maar Verborgene zit daar niet bij. We
kennen echter een theologie, waarin God als Verborgene prominent op de
voorgrond staat: Barth. Het grondmotief van Barths theologie is juist de
verborgenheid van God. Maar uitgaande van
de vrijheid en de souvereiniteit Gods, van Zijn vrijheid om Zich te openbaren
zooals Hij wil, zullen we toch, gezien Barths kritiek op alle gegeven en
directe openbaring, deze lijn moeten doortrekken en bij Barth iets zien van de
huiveringwekkende diepten van den verborgen God. Het is ten diepste de betrouwbaarheid Gods, die in Barths
theologie in het geding is, het áánkunnen op Zijn Woord. Gods openbaring wordt
van haar zin beroofd, als tegenover al het “gegevene” verwezen wordt naar de
‘diepere” “werkelijkheid” van de verborgen God; aldus prof.dr.G.C.Berkouwer
in zijn studie Karl Barth.[71]
Dit als antwoord op Barths: Wij weten
niet, wat wij zeggen, als wij God Vader en Zoon noemen. Wij kunnen dit immers
slechts zo zeggen, dat het in onze monden en in onze begrippen onwaarheid is.
Voor ons is de waarheid, die wij uitspreken, terwijl wij God Vader en Zoon
noemen, verborgen en ondoorgrondelijk.[72] Barth noemt God de Vader en de Zoon niet
Verborgene, maar zegt wel dat het een verborgen God is. God is onaanschouwelijk
volgens Barth. Een verborgen God. Daarvan zegt dr.C.Smits: Want de mens die meent te bidden tot Jezus Christus en die bidt tot een
“onaanschouwelijk midden” tot het “dialectische woord” bij uitnemendheid, die
mens bidt niet werkelijk, maar hij bedrijft een vervloekte afgoderij. En de
mens, die Christus belijdt als het “onschouwelijk midden”, die belijdt Hem
niet, maar die loochent Hem; die mens “zal niet kunnen zalig zijn”.[73]
U zult begrijpen dat we daarom wat moeite
hebben de strofen 1,4,7,10 en 13 meebiddend te zingen.
De aanspraak O Christus, der wereld zin! kunnen we ook niet echt vertalen in
begrijpbare tekst.
In de belijdenis-strofen belijden we: Gij tot in alle eeuwigheid de weg, de
waarheid en het leven. In Johannes
14:6 lezen we: Ik ben de weg en de
waarheid en het leven. Dat is niet
tot in alle eeuwigheid – zie hiervoor bij de 10 maagden met de olielampjes. Het
is iets van déze bedeling. Er moet nú gekozen gaan worden.
Strofe 2. De Here wordt aangesproken met o hemels brood. Weliswaar zegt de Here:
Ik ben het brood des levens (Joh.6:35), maar deze aanspraak is toch wel wat
vrijpostig. In v/a 117 HC leren we op de vraag Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord
wordt? het volgende antwoord te geven: Ten
eerste dat wij alleen de enig ware God, die Zich in zijn Woord aan ons
geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons geboden heeft te
bidden (…) Ten derde dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, al
zijn wij dat niet waard, om Christus wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in
zijn Woord beloofd heeft. We hebben als Gereformeerden juist geleerd
terughoudend te zijn met het bidden tot Jezus alleen.
De dichting zou moeten gaan over Joh.6:35
en 36. Het beste is dat u deze tekst eens leest en dan strofe 2. Al snel zult u
begrijpen dat de boodschap van de Schrift niet is overgenomen. We zouden ook nooit op het idee komen om
Jezus te beschouwen als de spijze van de
eeuwigheid. Joh.6:55 zegt: Want mijn
vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Joh.6:54: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt,
heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongste dage. Dat is echter
iets heel anders dan wat in strofe 2 staat.
In strofe 5 lezen we: de bronnen van de eeuwigheid zijn ons ter
lafenis gegeven, zijn doorgebroken in de tijd. We kunnen dit maar nergens
vinden in de Bijbel, zeker niet in Joh.4
In strofe 8 lezen we dat Jezus is: een zon die nog haar stralen spreidt,
wanneer het nacht wordt in ons leven, wanneer het nacht wordt in de tijd. Deze
uitspraak staat haaks op de boodschap van Joh.8:12. Het wordt juist geen nacht
meer in ons leven. Er staat immers: wie
Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des
levens hebben. Jezus is ook geen
“zon die nog haar stralen spreidt”. Hij is hoogstens Zon der gerechtigheid
(Mal.4:2).
In strofe 11 lezen we: doorstroom ons met uw hartebloed. Dat
willen we in dit door Deputaten als Avondmaalslied aanbevolen Lied echter niet
meezingen. Dat zou teveel de Lutherse avondmaalsleer in zich hebben. De Here
zegt juist in Joh.15:3: Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
En vers 7: Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt
wat gij maar wilt, en het zal u geworden.
Dat lijkt ons een Schriftuurlijker benadering.
In strofe 14 komt het accent te liggen op
de schapen en hun lot. De tekst legt echter het accent op de herder. De relatie
met Joh.10:1-18 is echter volkomen zoek. Ben je dief of herder? Ga je door de
deur (= Christus) binnen? Ben je herder of huurling? De kern van de zaak wordt
gemist.
In de Reformatietijd zong men uit Ps.34
en 138 of de Lofzang van Simeon.[74]
Samenvatting Lied 75:
De aanspraak van onze Here Jezus Christus
is danig uit de hand gelopen (links en rechts Barthiaans). Ook het misvormen
van de gebruikte schriftgedeelten uit Johannes is niet goed te praten. Als je
de opgegeven teksten leest, zou je toch heel andere liederen mogen verwachten.
Kortom: absoluut niet Schriftgetrouw.
We hebben inmiddels wel een beeld gevormd van de gezangen die beoordeeld zijn en nog zullen komen. Slechts een gering aantal zal uiteindelijk de toets der kritiek kunnen doorstaan. Het ligt niet altijd aan de oorspronkelijke bedoelingen en dichtregels van de dichter. De Liedboekbewerkers hebben er het hunne in bewerkt en – vooral – weggelaten. In een aantal voorafgaande liederen hebben we dat al geconstateerd; in de komende Liedboekbesprekingen zal het niet anders zijn.
Het zal weinigen ontgaan zijn dat de Hervormde en Synodale kerken hun best doen om zich te laten kennen als valse kerken waar de valse prediking, het weigeren de tucht te oefenen en de manier waarop zij de sacramenten (niet of onjuist) bedienen[75] schering en inslag zijn.
In de meeste gezinnen staan de kerkgeschiedenisboeken van Ds.C.G.Bos wel op de plank. Daarin lezen we o.a. van de Ned.Herv.Kerk: Te wijzen is op het geschrift Klare Wijn, dat wel als een pendant van de roomse Nieuwe Katechismus kan worden beschouwd. De hervormde synode heeft dit geschrift in 1967 aangeboden als “rekenschap over geschiedenis, geheim en gezag van de Bijbel”. Daaruit blijkt wel hoezeer een Barthiaans-modernistische Schriftbeschouwing de toon is gaan aangeven. Van werkelijk gezag van de Bijbel, van de Bijbel als enige en vaste regel voor geloof en leven blijft niets over. De Bijbel wordt aangediend als een Joods getuigenis aangaande de ontmoeting tussen God en de mens. Genesis 1 wordt genoemd een lied van een belijdende Jood, die de bevrijding uit de ban van de natuurkrachten door de levende God bezingt. Wij zullen ons het denken en de denkwijze van de Joodse getuigen die in de Bijbel spreken, eerst moeten eigen maken om de Bijbel te kunnen verstaan. Iets heet dan ook niet waar, omdat het in de Bijbel staat, maar de Bijbel is slechts waar, inzover hetgeen in de bijbel tot ons komt, ons overtuigt.[76] Ten aanzien van de synodalen lezen we in hetzelfde boek: Vooral na 1960 is de modernistische invloed sterk geworden. Toen begon prof.dr.J.L.Koole reeds over Genesis 1-11 te schrijven als “visionaire oergeschiedenis’ naar de Openbaring aan Johannes als visionaire eindgeschiedenis.[77] Moeten we nog vertellen over Kuitert, Wiersinga, Wessels, Den Heyer en al die andere valse profeten en leraars? Het is zonneklaar dat de prediking in die kerken NIETS meer te maken heeft met het evangelie dat week aan week in onze kerken nog te beluisteren valt.
Net zoals in onze kerken de prediking van het Woord beantwoord wordt met lofzang, gebeurt dat in de Hervormde en Synodale kerken ook. Is ónze lofzang doordrengt met de Schrift, lofzang waarin het Verbond, belofte én eis, zegen én vloek volledig tot zijn recht komen; zo is de belijdenis-zang van de valse kerk doordrenkt met de leugens en halve waarheden van de valse prediking en geloof. Zou na een valse prediking er plotseling als antwoord daarop Schriftuurlijk gezongen worden? Natuurlijk niet!
Je kunt er dan ook van op aan – en de toetsingen tot dusver hebben dat ook bewezen – dat 80% van de Liedboekgezangen in meer of mindere mate in strijd zijn met Schrift en belijdenis.
En waren er al uit de historie der kerk liederen die wél de volle breedte van Gods Woord bezongen, dan werd in de tijd voorafgaande aan het Liedboek, maar zéker ín het Liedboek deze “schat der eeuwen” verbouwd tot de belijdenis van de valse kerk. U heeft dat in de voorafgaande toetsingen kunnen bemerken en u zult dat in de komende toetsingen ook weer ervaren.
Tot op heden zijn de meeste getoetste gezangen ontmaskert als strijdig met Schrift en belijdenis. Het is een illusie te denken, dat de rest wel mee zal vallen. Als vuistregel kunt u dus aannemen dat 80% van de Liedboekgezangen, die u elke week zingt, in strijd zijn met Gods Woord en de belijdenis.
Broeders en zusters die weigeren uit deze selectie te zingen valt dus niets te verwijten. Het is dan ook bemoedigend om te vernemen dat meer en meer kerkenraden en predikanten de bereidheid hebben de toetsingsresultaten pósitief kritisch te benaderen. Zouden deputaten én synode wellicht misgetast kunnen hebben?
De Reformatie, jrg.74, pag.667
Een lied van J.J.L. ten Kate, zeker met betrekking tot de wijs zeer bekend onder ons. Oorpsronkelijk bestaande uit 7 verzen, al snel bekort tot 6 en gesnoeid tot 4 strofen voor in dit Liedboek.
In het Compendium staat: Kenmerkend voor dit gebedslied is allereerst de persoonlijke toon. Het gaat om mijn verbondenheid met de Heer. Dan ook om de nadruk die valt op de (aan de natuur georiënteerde) geestelijke groei en wasdom.[78]
Deputaten refereren hier niet aan, maar stellen: In feite is dit een belijdend lied, waarmee de gemeente de woorden van Johannes 15:1-8 instemmend beantwoord en voor haar rekening neemt. Het is heel persoonlijk van toon. (…) Ook dit lied is goed te gebruiken bij de avondmaalsviering en verder bij een preek over Johannes 15.[79]
We gaan hier de discussie met de deputaten aan. Ons inziens
is hier juist NIET sprake van een belijdend lied, waarmee de gemeente de
woorden van Johannes 15:1-8 instemmend beantwoord en voor haar rekening
neemt. In deze Liedboekuitvoering is
van de bijbeltekst vrijwel niets terug te vinden. Het valt meteen op dat
Joh.15:1-2 niet in het lied terug te vinden zijn en daarmee komt het lied los
te staan van de Vader als landman. De
nadruk valt op het natuurlijke proces: uw
kracht moet in mij overvloeien (…) doorstroom, beziel en zegen mij, opdat ik
waarlijk vruchtbaar zij! (strofe 1).
Strofe 2: Uw Geest moet in mij uitgestort: Christus spreekt niet direct over het werk van de Heilige Geest, terwijl dat in dit Liedboeklied wel gebeurt.
Joh.15:3 zegt: Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijf in Mij, gelijk Ik in u. In het Liedboeklied wordt dat omgedraaid: ‘k blijf de Uw’ altijd, blijf Gij de mijn’! (strofe 3). De Here heeft zijn beloften gegeven. De vraag is niet aan de orde of Hij óns wel blijft vasthouden, maar of wij in Hém blijven. Onze aandacht, ons leven moet op Hem gericht zijn, dan komt het met dat vruchtdragen wel goed.
Joh.15:7 zegt: Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden: Niet terug te vinden. Daardoor maakt de dichter Christus los van Zijn woord (vgl. Joh.14:15-31).
Joh.15:8: Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn: staat nergens en het sluit nauw aan bij het ook weggelaten vs.2 (de Vader is de landman (vs.1); Hij snoeit).
Bezien we strofe 3, dan kunnen we niet anders stellen, dan dat de Liedboekdichter hier behoorlijk aanmatigend dicht: IK wil van U niet scheiden, IK blijf de uwe altijd. BLIJF de mijne, Uw liefde MOET, uw leven MOET, uw licht MOET; en als dat allemaal is gedaan DAN blijft mijn ziel voor U gewonnen: het staat nérgens in Joh.15.
We merkten het al op: van de 7 strofen zijn er maar 4 overgebleven binnen de belijdenis van de valse kerk. Alle dreiging is weggesaneerd. We diepten één van die weggesneden strofen op:
Daarom herhaal het duizendwerven
Herhaal het Heer van uur tot uur:
“Die zich aan Mij niet houdt, zal sterven
de dode ranken zijn voor ’t vuur”.
Geef dat ik gauwer m’ aan u bind,
Hoe zwakker ik mij zelven vind. [80]
Kijk, dán zou er wel een raakvlak zijn met Joh.15. Maar de valse kerk weigert dat te belijden. En in dat voetspoor gaan wij als Gereformeerden ook belijden?
Lied 78 eindigt met onzin: Wat in de windslen sliep, ontbot en komt in ’t licht en rijpt voor God (strofe 4).
Samenvatting Lied 78:
Joh.15 wordt tot op het bot aangetast in deze “belijdenis” van de valse kerk onder de valse prediking. Geen spoor van Schrift en belijdenis in terug te vinden.
Lied
87: Wij willen God de ere geven
De Reformatie, jrg.?, pag.?
Deputaten stellen dat in Rom.6 via
retorische middelen (vragen, categorisch antwoord) het belang van de genade van
God aangetoond wordt.[81]
Vervolgens geven ze aan dat dit ook in Lied 87 wordt verwoord. Dat nu wordt door niemand anders verder zo
gezien.
De dichter Jan Wit stelt wel, dat het
hier een dichting is van Rom.6:1-6, maar geeft zelf al als toelichting, dat de
vraag uit Rom.6:1 niet is meegedicht. In strofe 1 wordt geopend met Rom.6:2, in
strofe 2 en 3 is Rom.6:3 aan de orde en in strofe 4 en 5 is Rom.6:4-6 aan de
beurt, maar in een andere volgorde: sterven en opstaan met Christus, de
kruisiging van de oude mens en het aan het licht komen van de nieuwe. Jan Wit
en de deputaten zijn het er beiden over eens dat dit een dooplied is (dept:
strofe 2) en goed bruikbaar in de paastijd (dept: paaslied).
Deputaten memoreren nog de melodie van Psalm 5 is door de
tekstdichter welbewust om zijn kwaliteit gekozen. Jan Wit nuanceert: werd door mij geschreven op de prachtige melodie van Psalm 5 die,
althans in de meeste kerken, in het vergeetboek dreigde te raken.[82]
Als u even Psalm 5 voor u neemt, kunt u al snel begrip hebben voor het feit dat
die psalm (en dús de melodie) niet in de kerken van het Liedboek werd en wordt
gezongen…
Dit lied 87 draagt de alverzoening in
ruime mate uit, zo zullen we zien, maar was in ieder geval de mening van de
Chr.Geref. gezangencommissie.[83]
Rom.6:1 stelt de vraag: Wat zullen wij
dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Nee, zegt
vs.2, wij, in Christus gedoopten, zijn in Zijn dood gedoopt (vs.3), mét Hem
begraven door de doop in de dood, gelijk Christus uit de doden opgewekt, ook
wij in de nieuwheid des levens (vs.4). Zo in de dood, zo ook in de opstanding
(vs.5). Onze oude mens is medegekruisigd, waardoor we niet langer slaven van de
zonde zijn (vs.6), want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde (vs.7).
Zo we met Christus gestorven zijn, we geloven dat we ook mét Hem leven (vs.8),
de dood voert geen heerschappij meer (vs.9). Eens en voor altijd gestorven
leeft Hij nu voor God (vs.10). Zo ook wij: dood voor de zonde, levend voor God
in Christus (vs.11). Laat de zonde dan niet langer meer heersen (vs.12), niet
ten diensten van de zonde, maar stel u ten diensten van God als mensen die dood
zijn geweest, maar thans léven (vs.13), Immers, (antwoord op vraag) de zonde
zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar
onder de genade.(vs.14).
Jan Wit stelt: Dit schriftgezang benadert weer een berijming van de betrokken
pericoop.
Wat is de boodschap van Rom.6? Mogen we bij de zonde blijven, opdat de
genade toeneme? Nee! Laat de zonde niet langer heersen, maar stel u ten dienste
van God (uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God), als
mensen die dood geweest zijn en thans leven! De zonde zal over u geen
heerschappij meer voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de
genade!
Niet in de zonde blijven liggen, maar
actief strijden voor God! Niet denken: hoe meer zonde, hoe meer genade. Komen we wat tegen van die boodschap in Lied
87? Volstrekt niet! (vs.2).
De constatering in strofe 1: Want wij zijn voor de zonde dood en wat God
zelf heeft afgeschreven, zal niet herleven heeft pas inhoud in het licht
van Rom.6:11-14. Dood voor de zonde, levend voor God, en: Laat dán de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk
lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen en stelt uw leden niet
langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar … Het
vereist van ons een actieve daad, actief handelen, gehoorzaamheid.
Strofe 2: we zijn niet door de doop Hem toegewijd, zoals deze
strofe – als dooplied – ons wil doen geloven, dat is Rooms. HC v/a 72: Alleen het bloed van Jezus Christus en de
Heilige Geest reinigen ons van alle zonden. HC v/a 1: Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald.
Strofe 3: De mensheid der verloren tijden deed Christus sterven aan zijn kruis.
Deputaten denken dat we dit als toelichting moeten weten: Ik heb immers voor u, omdat u anders de eeuwige dood had moeten
sterven, mijn lichaam aan het kruis in de dood gegeven. Zo citeren ze uit
het avondmaalsformulier een goede toelichting.
Deze toelichting is klare taal en algemeen bekend. Maar met strofe 3
heeft het niet zo veel te maken. Hoe zit
het met het onderwerp? Deed de mensheid nou Christus sterven aan het kruis? Is de mensheid der verloren tijden dan het
oude Joodse volk? Of deed Christus “de mensheid der verloren tijden” sterven
aan zijn kruis? Is deze mensheid dan soms “de
oude mens”? In het laatste geval,
het meest aannemelijke, dan is zijn
bevrijden, een synoniem voor nieuwe
mensen. DE mensHEID geeft echter weer veel stof tot alverzoening-gedachten.
Strofe 4: Al onze boosheid en ellende ging met de Heer ter rust in ’t graf. Wij
zijn ontslagen van de straf. Je mag
deze boodschap echter niet los zien van vs.11 en volgende. Het geïsoleerd neerzetten van deze tekst
maakt zorgeloze en goddeloze mensen (HC v/a 64).
Strofe 5: zo zijn ook wij aan ’t licht gebracht om nieuw te leven, zonder vrezen,
nu en na dezen. Rom.6:4 geeft echter: zo
ook wij in nieuwheid des levens ZOUDEN wandelen. Ook hier moet je het
“zouden” zien in relatie met wat volgt vanaf vers 12.
Samenvatting Lied 87:
Rom.6 stelt een concrete vraag (vs.1-2),
waarop een concreet antwoord volgt (vs.11-14). Dichter Jan Wit vist er echter
enkele verzen uit waarin staat dat Christus voor de zonde heeft betaald en dat
WE daar dus niets meer van te vrezen hebben. Dat kan in deze context zeker geen
dooplied zijn en ontneemt ook het Paasevangelie een deel van zijn kracht. Het
geheel ademt de alverzoening. Deputaten zijn er niet in geslaagd de boodschap
alsnog aannemelijk te maken. Het weghouden van de centrale boodschap uit Rom.6
in dit lied, maakt dat het lied als onschriftuurlijk moet worden
gekarakteriseerd.
Let op! Vanaf dit punt vinden nog aanpassingen
plaats
Lied
90: Is God de Heer maar voor mij
De Reformatie, jrg.75, pag.1311
alg: 1. Dit is een vlakke en selectieve (incomplete) vrije berijming op Rom.8:26-30. Zoals in veel LB-liederen wordt in dit lied de horizontale antithese verzwegen, hierin is de invloed van de algemene verzoeningsleer van K. Barth zichtbaar.
2. In tegenstelling tot Rom. 8: wordt niet gesproken van de roeping, rechtvaardiging, verheerlijking en uitverkiezing van de uitverkorenen Gods.
3. Het betreft geen tekstgetrouwe weergave: de kern van dit bijbelgedeelte komt onvoldoende tot zijn recht. Het unieke offer van Christus voor de Zijnen (Rom 8:32 “Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem niet alle dingen schenken?”) komt onvoldoende over (als enige vinden wij terug in vs 3 r.2 “in zijn bloed is voor wie op Hem bouwen Gods heil in overvloed”), dit in tegenstelling tot de oorsponkelijke versie uit het evangelische Kirchengezangbuch.
vs 7: De Schrift geeft m.b.t. het werk van de Geest met onze gebeden aan “dat Hij naar de wil van God voor heiligen pleit” (Rom 8:27). In het lied wordt in een soort mystieke dichtertaal, die vaag en onduidelijk is, het werk van de Heilige Geest voorzien van omschrijvingen als “is taal voor Hem en teken”
vs 8 r.1 “zoete dingen” is deze vage omschrijving bedoeld om weer te geven wat Rom 28:28 zo troostvol voorhoudt “Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben..” ??
r.3 “zijn gunstelingen” Echter de prachtige gouden keten van het heil (Rom.28:29-30) die het begin van Gods vrijmachtige verkiezing tot en met het einde de verheerlijking aangeeft komt met dit ene woord niet voldoende in beeld. De eeuwige verkiezing (tevoren bestemd!) wordt weggelaten.
Vs.1 God is mijn bondgenoot, vs.2: mijn Vader is mijn vriend, dat Hij geen kwaad kan willen, vs.4: Had Hij niet … bij mij in willen keren, vs.5: Hij die bluste ’t vuur dat een mens verteert, Hij schonk mij heldenmoed, vs.6 Hij richt mijn wens en wil en wat er ook mag komen, Hij spreekt en maakt mij stil >> de mens centraal Aan Rom.8:26 wordt zo’n vreemde uitleg gegeven dat we Gods Wooprd ernstig geweld aandoen als we dit willen zingen. Lees NGB art.3,5 en 7 vanwege dergelijke misvormingen.
Lied
91: Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen
De Reformatie, jrg.
alg: Een bijbellied op Romeinen 14:7-10. Helaas blijkt dat deze verzen in het LB lied uit het verband zijn gelicht. Rom. 14:7 begint immers met "Want” . Dit slaat op vs 1-6, het gedeelte dat gaat over het aanvaarden van elkaar in broederliefde in geval van verschil in persoonlijke meningen (dus geen leergeschillen!), zeker als deze berusten op komaf (Jood of heiden). Rom. 14:11 staat ingeklemd tussen 8 en 10. Vs 10 zegt: Wij mogen onze broeders, die ook de HERE willen dienen, niet oordelen; De HERE oordeelt of onze dienst aan Hem waarachtig was als wij voor zijn rechterstoel komen. Dan volgt vs 11, waarin met aanhaling van Jes. 45:23, de HERE Zich bekend maakt als de enige en waarachtige verlosser voor zowel het nakroost van Israel als de einden der aarde. Het gaat in Rom 14:11 dus niet over een alverzoening, een universeel heil voor iedereen (alle knie). Het gaat hier om Gods verlossing die er is voor uitverkoren Jood èn uitverkoren heiden en die alleen in de weg van geloofsgehoorzaamheid (knielen!) aan de enige God en Verlosser. Daarom zal een ieder voor zich rekenschap moeten geven aan God.
vs 3 r.4,5 “Wij worden allen eens voorbij de dood gesteld voor Christus’ rechterstoel” Allen voorbij de dood? Dat weten wij nu nog niet. Welke dood wordt trouwens bedoeld?
r.6 “En Hij stelt ons in ‘t oordeel van zijn heerschappij” Wat betekent ‘van zijn heerschappij’?
vs 4 r.2 “Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.” In de Schrift tekst heeft het de betekenis van een eed: “zo waar ik leef”(zie Jes. 45); deze lading wordt in LB tekst gemist
r.3,4
“En alle knie op aarde buigt zich
neer, en alle mond belijdt mij als de Heer.” Hier straalt het universalisme
vanaf! (zie bij opmerkingen n.a.v. Rom 14:11 onder alg.)
Lied
92: Al kon ik alle talen spreken
De Reformatie, jrg.76, pag.321
In een goed kerklied roep je de Here aan, spreek je soms elkaar aan (om elkaar op God en zijn werk te wijzen), maar niet allerlei deugden - zelfs niet de liefde. Zelfs díe kan afgod zijn.
Aan het eind zingen we van de bruiloft, maar de bruidegom
blijft buiten beeld.
Lied
95: Nu bidden wij met ootmoed en ontzag
De Reformatie, jrg.73, pag.956
De Reformatie, jrg.74, pag.635
Een bijbellied van de hand van Jan Wit.
"...bij Paulus gaat het om een gebed voor de gemeente (...) In het lied gaat het om een gebed van de gemeente en dus om een 'wij'-lied."
Tekst via ik (vs14) via U (vs.17) naar wij (vs20)
"Uiteraard zal men dit lied heel geschikt kunnen zingen in de tijd rond Pinksteren. Immers, het is een bede om de eenheid door de Heilige Geest. Maar juist omdat het zo sterk om deze eenheid gaat past het in elke dienst waar de kerk als oecumene ter sprake komt en zou het ook geschikt zijn voor een protestantse viering van de Allerheiligendag" (JW in Comp).
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str.1: "wiens naam... aanzijn gaf": dat is wat anders dan dat wij naar Hem genoemd zijn (uit Hem... zijn alle dingen). Het herinnert me aan Lied 30, aan het onduidelijke "Hij woont hier in zijn naam". Hijzelf gaf ons het aanzijn!
Ik mis "door het geloof" uit vs 17.
"Zijn liefde is... de oorsprong van ons hart"...?
- vgl. Lied
426 str. 1:
"Is de hartslag van het leven
niet de liefde van de Heer?";
zie 3.1.8.
Str. 2: de fraaie beeldspraak van het uitzicht in 't morgenlicht op hoge tinnen maakt het 'vatten' nogal afstandelijk; Paulus bedoelt meer dan kennis-nemen.
Alweer: "in Gods verheven naam". Wat moet ik ermee?
str. 3: "en meer is dan ons diepste denken peilt" - een stoplap, die afstandelijkheid suggereert.
b. boodschap van het lied:
Als in Efeziërs 3. Maar ik ben wantrouwig geworden tegenover het gebruik van de 'naam': wat wil JW daarmee?
c. beoordeling:
Het lied is heel knap, in zekere zin doorzichtiger dan de onberijmde tekst. Toch heeft strofe 3 niet de climax die Ef. 3 kenmerkt. Misschien in de hand gewerkt door het stereotiepe "nu gelijk tevoren en tot in eeuwigheid"?
Om de onduidelijkheden en de afstandelijkheid aarzel ik zeer een positieve beoordeling te geven. Uit het commentaar van JW (zie voetnoot) komt ook wel uit dat het 'samen met alle heiligen' niet duidelijk genormeerd is: alles wat Christen heet moet hierbij betrokken worden: er is geen dwaalleer, er zijn alleen maar onnoemelijk veel facetten aan het heil, waarvan de één dit, de ander dat ziet.
d. verrijking?
Ef. 3 : 14-21 is een pericoop die (hoewel zeer geladen) te compact is om te berijmen; het is meer een gedeelte om te lezen en te overdenken dan te zingen.
Lied
96:
De Reformatie, jrg.75, pag.27
Lied
103: De heiligen, ons voorgegaan
De Reformatie, jrg.74, pag.46
alg: Het betreft een zogenaamd bijbellied, een berijming van Hebr.11. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. Hebr. 11 geeft ons ten voorbeeld de vastheid van het geloof van de geloofsgetuigen in de komende Christus. Hebr. 11:39 geeft aan dat dit voor ons betekent: “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen”
In plaats daarvan wil dit lied ons het veilig trekken van Abraham en anderen (zie het refrein: “Geprezen zij zijn naam! Hij deed hen veilig gaan! Komt, zingen wij tezaam met alle heiligen” en vs 3 r.5-8: “dat wij omgeven door de wolk de weg teneinde lopen, één met het heilig trekkend volk in liefde en in hope”) ten voorbeeld stellen. Dit is een ongeoorloofd exemplarisme die in de tekst wordt ingedragen.
vs 2 r.6
‘en hebben niets geweten’ vergelijk
echter met Hebr 11:10: “want hij
verwachtte de stad met fundamenten”, 11:13-16 “en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op
aarde… maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland”
a. Dit lied houdt ons de heiligen voor als voorbeelden (in deze theologie wordt zelfs Christus alleen gezien als onovertroffen voorbeeld). Het verhaal van Abraham is geen voorbeeld of een mythe waar we iets uit kunnen leren, maar het geeft getuigenis van zijn geloof; wat dàt vermag!
b. We zijn niet één met alle heiligen in liefde en in hoop, maar in geloof. Dit verschil in refrein tussen hebreen 11 en lied 103 is tekenend.
c. De belangrijke verzen 39 en 40 worden niet berijmd.
d. Vers 1 van hoofdstuk 12 wordt wel berijmd maar vers 2 (het zicht op Christus) niet!!!!
e. Dit lied is niet tekst- en schriftgetrouw (Acta Hattem, art 144)
f. Het tekstgedeelte is naar zij aard, plaats en functie niet geschikt om te zingen in de liturgie (Acta Hattem art 171).Het lied gaat los van zijn context een eigen leven leiden.
Lied 103 maakt van Hebreen 11 een oppervlakkige, exemplarische-moralistische toepassing en verzwijgt de beloofde Christus. Over Hém gaat het en dat verzwijgt dit lied!
Lied 103, "De heiligen, ons voorgegaan", komt wel voor in de selectie (nr. 16). Het deed ons denken aan lied 3. Muus Jacobse (dichterspseudoniem van K. Heeroma) heeft in drie strofen de essentie van Hebreeën 11 willen vatten. Al die geloofsgetuigen hadden gemeen dat zij "geloofden dat Gods hand / die hen tot daar geleid had / in 't beter, hemels vaderland / een stad voor hen bereid had"; "Zij trokken uit als Abraham, / door God de Heer geroepen / zonder te weten waar hij kwam, / om 't land van God te zoeken."
Deze simplificatie - niet állen trokken immers uit hun land weg - is niet toevallig! We herinneren ons nog goed dat dit in de jaren zestig een geliefd beeld was in de 'kerken van het Liedboek': zoals Abraham uit zijn land vertrok naar een onbekend land, "en zijn kompas was een enkel woord", zo gaat ieder die gelooft, die Gods woorden hoort en volgt, een reis in het ongewisse beginnen. Ter vergelijking dit lied van Jan Wit, dat in die jaren heel populair was:
Door de wereld gaat een woord,
en het drijft de mensen voort.
Breek uw tent op, ga op reis
naar het land dat ik u wijs.
(Men bleek dat in te vullen als een breken met je bepaaldheid door natuur, afkomst, cultuur met z'n burgerlijke zekerheden, het 'avontuur met God' aangaan, een pelgrimstocht naar het wenkend perspectief van een volmaakte aarde. Dat komt ook uit in de volgende verzen. En onderweg zong je jezelf moed in met het refrein:)
Here God, wij zijn vervreemden
door te luistren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem."
Dát vind je in zowel lied 3 als lied 103 terug.[84]
Lied 103 is geschreven n.a.v. Hebreeën 11, maar licht er vnl. de verzen 8-10 en 13-16 uit, én 39 (40 weer niet). Het gaat over de hoofdstukgrens heen; 12 : 1 vinden we terug in strofe 3: "zij spreken en getuigen nog / om ons geloof te sterken,/ dat wij omgeven door de wolk / de weg ten einde lopen,/ één met het heilig trekkend volk / in liefde en in hope."
Wat missen we hier het vervolg: "Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs," enz.! Wil je een nieuwtestamentisch lied zingen, en kies je dan Hebreeën 11/12, dan ligt het immers voor de hand déze verzen te berijmen: dáár ging het de schrijver om. Het lied dat er nu ligt, is zo armzalig. Op z'n best oudtestamentisch. Waar komt in dit lied uit dat "God iets beters met ons voorhad" (11 : 40)?
Kortom: wij vinden dat het de context geen recht doet, omdat het het perspectief naar Christus toe mist.
Interessant is wat Heeroma zelf in 't Compendium schrijft. Toen de bundel in eerste aanleg voltooid was, merkte iemand ("Jan Wit?") op dat er nog een lied op de 'heiligen' ontbrak. Vandaar dit lied.
De derde strofe is omgewerkt met assistentie van Jan Wit en
daarbij is de 'wolk van getuigen' uit Hebraeën 12 : 1 erin gekomen. De leidende
gedachte van het lied is echter stellig de verbondenheid van de gemeente die
wij zijn met 'de heiligen, ons voorgegaan'. Dat zit ook in het refrein, als
bij alle refreinliederen het eerst geschreven en dus het dichterlijk
uitgangspunt (...) Wij zingen in de kerk sámen met allen die ons zijn
voorgegaan, wij zingen, in hun spoor meetrekkend, hun achterna naar ''t beter,
hemels vaderland'; Gezang 103 is, evenals Gezang 11, een reislied, een
treklied.
Lied
106: Het einde aller dingen is nabij
De Reformatie, jrg.74, pag.373
Reformanda jrg.11, pag. 139
alg: Lied 106 is een zogenaamd bijbellied, een berijming op 1 Petr. 4:7-11. Helaas kunnen wij niet vaststellen dat het in alle onderdelen tekstgetrouw is. Ook bevat het lied onschriftuurlijke elementen
vs 1 “liefde dekt alle ongerechtigheden” In Petr. 4:8 staat echter “want de liefde bedekt tal van zonden” dus niet àlle zonden.
vs 2 ”maakt om u heen het heil des Heren waar”. Dit doet denken aan een kerk die het heil in deze wereld uitdeelt. Het is echter de Here zelf en niet wij, die het heil des Heren waarmaakt! Wij mogen het heil in Christus verkondigen, maar kunnen het niet uitvoeren, dat doet Christus.
vs 3 r.1,4 “Als iemand spreekt, hij spreke vrank en vrij” dit staat er echt niet. Vs 11 van 1 Petr. 4 zegt iets heel anders: “Spreekt iemand laten het worden zijn als van God” Het gaat in ons spreken niet om vrijmoedigheid maar om in geloofsgehoorzaamheid en in grote verantwoordelijkheid! Als iemand spreekt, dan zó dat hij de uitspraken van God verwoord (P.H.R. van Houwelingen: 1 Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, Kok, Kampen1991, p.158) Later in r.4 staat “Woord van zijn Woord” daarmee wordt iets teruggevonden van de tekstvan vs.11, maar het staat er vaag en het blijft onduidelijk of het hier gaat om gevolg of inhoud van de verheerlijking van God. Terwijl het door God geleide spreken en dienen juist als middel tot Gods verheerlijking wordt beschreven in de Schrifttekst: …opdat in alles God verheerlijkt worde
r.4 "Genade voor genade" dit klinkt te veel als een tegenprestatie of een soort ruil. Genadegaven gebruiken ten dienste van anderen is wel het gevolg van Gods genade (‘rentmeesterschap’), maar kunnen toch niet als een tegenprestatie, als ruil gelden. (1 Petr. 4: 10: “als rentmeesters over de velerlei genade Gods”)
>> art.37 NGB
Lied
107:
De Reformatie, jrg.74, pag.497
Str. 1 ‘onderwerping aan de oudsten’ is eruit gehaald -
vooral geen gezag! Str. 2: we missen het fundament: want Hij zorgt voor
u...Str. 3: de vijand blijft in ‘t vage. En de grenzen van de broederschap zijn
opgelost: ‘t lijden dat ... ter wereld
wordt volbracht.
Lied
110:
De Reformatie, jrg.73, pag.457; jrg.75,
pag.907
Nader Bekeken, jrg.5, pag.45
Lied
113: Ik zag een troon
De Reformatie, jrg.74, pag.323,755
Nader Bekeken, jrg.6, pag.69
Reformanda jrg.11, pag.91,103
alg: Lied 113 is een zogenaamd
bijbellied, een berijming van Openbaring 20:11-21:4. Hiervan mag verwacht
worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De
Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten
betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden.Het lied
ademt geheel de geest van het universalisme: het heil voor alle mensen. In
Openb. 20:14,15 staat: ”En de dood en het
dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel
des vuurs. En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek
des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs”. Deze tekst met het
oordeel van de tweede dood, dat toch ook onmisbaar is voor het evangelie is
ontbreekt geheel in lied 113. Laten we wel bedenken dat voor dit geselecteerd
omgaan met Gods woorden, de woorden uit dit bijbelboek moeten worden overwogen:
Openb. 22:19 “en indien iemand afneemt
van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het
geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”
vs 1 Er
wordt voorgesteld dat de troon (of Hij die daarop zit) zo ruimtevullend is dat
er voor de hemel geen plaats meer is. Het licht van Degene die op de troon zit
laat de aarde verdwijnen. Het is alsof wordt gesuggereerd dat Gods majesteit de
schepping wegdrukt. Openb. 20:11 geeft echter een beeldend visioen over de indrukwekkende verschijning van de Here,
waarvoor niets en niemand staande blijft..
vs 2 r. 5,7 “het donker” en “de diepte” duiden hier op de eerste dood die haar doden prijsgeeft en niet op de tweede dood. Naar deze tweede dood ontbreekt elke verwijzing
vs 4 r.4 “opnieuw een wereld”: Volgens Gods Woord worden de hemel en de
aarde nieuw=vernieuwd, maar niet geheel nieuw als bij een nieuw begin. Het
prachtige vers van dit bijbelgedeelte ontbreekt: Openb. 21:3 “Zie, de tent van God is bij de mensen en
Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen
zijn …”
De verzen 12, 14 en 15 worden verzwegen, dit zijn de verzen in het hoofdstuk die gaan over het oordeel. Het geheel ademt duidelijk een sfeer van alverzoening. “Alle doden krijgen deel aan de vrede voor altijd”
Vers vier geeft een verkeerde voorstelling van zaken, het is niet zo dat er opeens een nieuwe wereld is, maar God vernieuwd deze aarde! Ook het allermooiste vers van dit bijbelgedeelte ontbreekt (God zal bij ons wonen).
conclusie: Christus’ kerk spreke liever
haar Koning na in Zijn openbaring dan dat ze dit lied meegaat zingen.
Str,4: niet alleen bevrijdend is het
laatste oordeel, maar ook schrikwekkend: Openb.20:14,15, art.37 NGB.
Openb.20:12b ontbreekt in str.3, r.4,5 en wordt daardoor een sfeer van
alverzoening. In str.4 ontbreken alle elementen uit Openb.21:1-3 en in r.6,7
staan woorden die niet bij de nieuwe, maar bij de oude wereld horen.
Lied
114: Ik zag een nieuwe hemel
zich verheffen
De Reformatie, jrg.74, pag.636; jrg.75,
pag.141
Nader Bekeken, jrg.6, pag.4, 69
Reformanda, jrg.10, pag.397,552
alg: Lied 114 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 21:1-4. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden, het is een vrije omschrijving met oneerbiedige tekst.
vs 1 r.3 “om het geheim des levens te beseffen” wat betekent dit in relatie tot “een nieuwe aarde die ontstond”?
r.7,8
“zoals het in Gods dromen als vanouds
moet zijn geweest” God maakt geen dromen, hij maakt plannen. Het is niet
eerbiedig om over God te zingen dat hij van het nieuwe Jeruzalem gedroomd
heeft, als Hij dat Zelf niet heeft aangegeven in Zijn Woord.
Teveel poëtische vrijheid <>
Openb.19:6-10
Gods dromen?
Lied
115: Die op de troon zat zeide
De Reformatie, jrg.76, pag.17
Nader Bekeken, jrg.6, pag.69
alg: Lied 115 is een zogenaamd bijbellied, een berijming van Openbaring 21:5-8. Hiervan mag verwacht worden dat het een tekstgetrouwe berijming is. (ACTA Hattem art 144, 1: “De Gezangen dienen schriftgetrouw te zijn en wat berijming van schriftgedeelten betreft ook tekstgetrouw”). Dat kan van dit lied niet gezegd worden. De duidelijke biibelse taal over de tweede dood is afgezwakt; de opsomming van zondaren verwordt tot mensen met aanzien, geld en macht. In het Compendium geeft Bernard aan waarom hij dit heeft gedaan, vers acht laat zich, zo zegt hij, moeilijk zingen, hij heeft het daarom slecht terloops ter sprake gebracht (zie Nader Bekeken maart 1999).
vs 1 r.5,6 “Al wat er moest vervallen, stierf in der getijdenkring” is dit een berijming van Openb. 21:4b“want de eerste dingen zijn voorbij gegaan”??
vs 3 r.3 “nu zal in ‘t niet verzinken”: dit is de afgezwakte berijking van Openb. 21:8 zegt: hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.
r.4: “aanzien en macht en geld” , zo vertaalt de dichter op horizontalistische wijze de opsomming in Openb. 21:8: “de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars”.
vs 4 r.4 de poel van vuur en zwavel wordt hier afgezwakt tot de poel van de leugen.
Een bijbellied naar Openbaring 21 : 5-8, gedicht door W. Barnard, op een niet erg bekende melodie (EKG 311, zie ook LvK 288).
WB: "... wil dit een vertolking van het tweede viertal verzen zijn. Met dien verstande, dat het achtste vers zich moeilijk zingen laat. Het is dan ook maar terloops aangegeven in de vierde strofe van dit gezang."
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Archaïserende taal. Veel eigen interpretatie; niet in de bijbeltekst te vinden zijn bijv.:
str. 1: "Al wat er moest vervallen,
stierf in der tijden kring"
- niet erg duidelijk; wrsch. al wat verdwijnen moest, is ondergegaan in de tijd.
str. 2: "Hij, God, sluit alle plaatsen
en alle tijden in"
- klinkt filosofisch, niet bijbels.
str. 3: "nu zal in 't niet verzinken
aanzien en macht en geld"
- een van de stokpaardjes van het 'Landvolk'.
str. 4: "der waarheid kind"
- in Openb. staat: "hij zal Mij een zoon zijn"; waarom deze verandering? Misschien om de tegenstelling met
"maar wie Hem niet wil vrezen
een poel van leugen vindt"?
Inderdaad een heel terloopse aanduiding van vs 8; en 't klinkt minder erg dan 'poel die brandt van vuur en zwavel'; liever gezegd: het blijft binnen onze eigen horizon, ja binnen de taal (Landvolk!): wie de leugen wil, verdrinkt erin - ofzo. De rest van str. 4 is ook eigen vinding van WB.
Vanaf str. 2 zijn het niet meer woorden, gesproken door Hem die op de troon zit, maar woorden óver Hem. In str. 4 moet het perspectief wel dat van onze eigen tijd zijn: "God zal...". Blijkbaar heeft WB het zo moeilijk met het oordeel in vs 8, dat hij er spontaan een oproep tot bekering aan ontleent. In de bijbeltekst gaat het juist om de onbekeerlijken.
b. boodschap van het lied:
De boodschap is minder helder dan die van Openb. 21. Door zijn eigen accenten heeft WB de eerste helft van de tekst een filosofisch kleurtje gegeven en de tweede helft vervangen door een oproep tot bekering óm het oordeel maar te ontgaan.
c. beoordeling:
Negatief. Met name om de fantasieën en om de afzwakking van vs 8. Het is 'op zich' niet vreemd dat WB zich verwijdert van de tekst: met alle vier strofen in Ik-vorm zou het niet voor gemeentezang in aanmerking komen. Maar hij verzint er teveel bij.
d. verrijking?
Naar mijn gevoelen kun je deze pericoop eigenlijk alleen maar (voor)lezen en niet zingen. Je kunt hoogstens een lied zingen waarin elementen uit de tekst verwerkt zijn. Maar dan wel anders dan hier.
De Reformatie, jrg.74, pag.373
alg: alverzoeningsleer met de zaligheid op deze aarde
vs 1 r.1 “Richt op uw macht, o Here der heirscharen”. God is almachtig, zijn macht hoeft toch niet worden (op-) gericht, in stelling gebracht? We kunnen wel bidden: Here toon uw macht.
“opdat de nacht zal wijken uit het land” Gebeurt dit doordat het volk van God wordt bewaard (r.3)? De kerk is wel een licht op een kandelaar, een stad op een berg: daar moet men dan heen, want daar wordt het heil verkondigd! maar ‘het land’ wordt zelf niet vernieuwd. Duidt dit op een soort voortrekkers rol voor de kerk in de wereld, met alverzoening (zie ook vs 2)?
vs 2 r.3 “Dan zal het land de rijkste vruchten geven: de vijgeboom en wijnstok van de trouw” Daar bekruipt ons dezelfde gedachte: komt hier niet de gedachte van universalisme (het heil voor iedereen, en op déze aarde) naar boven? Want wat wordt bedoeld met ‘het land’. In het O.T. was dat duidelijk: Het land van de belofte; in de N.T. betekent dit toch de nieuwe hemel en de aarde?
vs 4 r.4 “Wij zullen altoos van uw heil gewagen in brood en wijn, totdat Gij wederkomt” De dichter een R.-K. theoloog verwijst hier naar de Roomse Mis: heil in brood en wijn (wijst op transsubstantiatie) i.p.v. met of door brood en wijn.
vs 5 r.2,3 “de volkeren (…) ze zullen allen voor uw aanschijn komen en zingen dat
uw woorden niet vergaan” Voor een oordeel en gericht van onze almachtige
God is in dit lied geen plaats.
Tom Naastepad was r.k. kapelaan in Schiedam toen
hij van W. Barnard het verzoek kreeg adventsliederen te schrijven. Twee daarvan
zijn in het LvK terechtgekomen: de nrs. 119 en 123.
Dit lied is voor de eerste zondag van Advent,
waarop het collectagebed begint met: "excita Domine potentiam tuam".
Ook is dan Psalm 85 aan de orde. De evangelielezing is uit Lucas 21 : 25-33;
de zondag daarvoor ging het over de verwoesting van land, stad en tempel in
Matt. 24 : 15-35. Dat alles is terug te vinden in dit lied, waarvan elke strofe
begint met "Richt...": richt op, richt aan, richt.
TN tekent nog aan bij strofe 5: "(In Lucas 21
gaat het) over de tekenen, die voor de volken bedoeld zijn, de goyim, die altijd nog de sterren en de
hemellichamen aanbidden als lotsbepalers: alle creaturen zullen knechten zijn
en belijden, dat alleen zijn woorden niet vergaan. Maar zíjn woorden zijn dan
ook geen lotsbepalers; zij geven ons een bestemming, in vrijheid, tégen het
lot en tégen elke ondergang" (Comp).
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Een hechte structuur m.b.v. het woordje 'richt'.
Zeer dichterlijk, maar vreemd: "laat uw hulp
ontwaken uit uw hand" - alsof het om een persoon ging;
"uw heil voor wie in onheil leven" -
nieuw gebruik van 't woordje onheil;
vruchten bestaande uit "de vijgeboom en
wijnstok van de trouw" - niet helemaal zuivere beeldspraak;
"richt op uw woning" en "wees ons
een tempel" lijkt me moeilijk te combineren;
"roep onze namen" - dat doet denken aan
lied 1 en is even onduidelijk;
"de vreugdedis voor al de dagen" - het
dagelijkse misoffer?
"uw heil... in brood en wijn" - toch ook
de r.k. opvatting?! (bij brood en
wijn had wel gekund);
str. 5: "richt over..." wordt alleen
'positief' ingevuld: alle schepselen zullen zingen
(dat doen ze niet als ze zich knarsetandend moeten overgeven) "dat Gods
woorden niet vergaan". Wat wordt precies bedoeld met dat laatste?
b. boodschap van het
lied:
Het lied is alleen goed te begrijpen vanuit (de
lezingen bij) het kerkelijk jaar. Toch wel een eenheid: een gebed tot de Here
om zijn macht te tonen in hulp aan zijn volk, in heil dat Hij geeft, in tempelbouw
(aanwezigheid in de kerk), in het aanrichten van zijn tafel (mis) en in zijn
komende gericht.
c. beoordeling:
Typisch adventslied (in roomse zin): hier wordt
door de gemeente o.a. gevraagd om wat ze, als 't goed is, allang ontvangen
heeft in Christus: hulp (de 'nacht' ís geweken), heil (wel niet in volmaaktheid
nog, maar het hoeft niet meer 'aangericht' te worden), Woord en sacrament in
zijn gemeente waar Hij wonen wil.
Het is ook typisch rooms in opvatting van het HA.
De 'nacht', het 'onheil' blijven neutraal; dat wij
van onze zónden verlost moesten worden, dat blijft tot het eind buiten zicht,
t/m het laatste gericht.
d. verrijking?
Nee. Zie c. Wij hoeven toch niet rooms te zingen?
Lied
122: Kom tot ons de wereld wacht
De Reformatie, jrg.74, pag.168
alg: onschriftuurlijk magisch herbeleven
Dit lied zingt alsof wij aan de kribbe staan (vers 4) dit is echter niet het geval, Christus is reeds opgevaren naar de hemel. Zijn menswording behoeft geen herhaling, het is volbracht! De theologie die hierachter zit pleit voor herbeleving van Gods heilsdaden, een heel vreemde en onschriftuurlijke manier van herdenken. Het past goed bij de huidige zucht naar beleving en gevoel, maar is niet goed!
vs 1 “Komt tot ons, de wereld wacht, Heiland, kom in onze nacht.”Roept Christus op mens te worden en zingt alsof wij aan de kribbe staan. Dat is echter voor ons niet het geval! Christus is opgevaren naar de hemel, en wij verwachten zijn terugkomst. Dàt is onze advent. De theologie die hierachter zit pleit voor herbeleving van God’s heilsdaden. Dit is iets anders dan Gods grote daden die Hij in het verleden gedaan heeft gedenken. Van dit ‘actualiseren’ gaat een suggestief mystiek gevoel uit, alsof wij bezig zijn met “kindje-wiegen in Bethlehem”. Het is afkomstig van Rooms denken waarbij de verwevenheid van de gelovige met de heilsfeiten zelf al een instrument is om het heil door te geven (vergelijk Franciscus van Assisi die de merktekenen van Christus bij zichzelf ging opmerken). Maar het is God die ons door Zijn Woord het heil aanreikt. Tegen magisch denken, dat op zich ook erg oneerbiedig gericht is tegen Christus in de hemel, moeten wij blijven waken ook in onze liederen.
vs 2 “Kind dat uit uw kamer klein (…) op de aarde wordt gesteld”: onverklaarbare tekst: Jezus komt een kamertje de aarde op.
vs 4 “Uw kribbe blinkt in de nacht met een
ongekende pracht, Het geloof leeft in dat licht waarvoor al het duister zwicht.” Onschriftuurlijke
romantiek: de kribbe blonk niet, en deze blinkende kribbe geeft ons het geloof
niet. Dit is magische taal, waarmee we onze Here Christus niet mogen toezingen.
“Gij daalt van de Vader neer”, moet zijn daalde neer, het gaat immers over de menswording.
Oorspr. Ambrosiaanse kersthymne, door Luther
ingekort tot 5 strofen ("Nun komm, der Heiden Heiland", EKG 1). De
vertaler, Schulte Nordholt, had het niet gemakkelijk: Luthers lied "is
geschreven in een wat duistere taal en heeft daardoor altijd veel critiek
ontmoet maar is toch, of misschien wel daardoor, zeer populair geworden"
(Comp).
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Inhoud: In str. 1 wordt aan het Kind gevraagd te komen; het "licht dat in de nacht begint", dat "uit uw kamer klein" treedt als de opgaande zon, als een held, en via aarde en hel terugkeert tot de Vader. Voor het ongekend prachtige licht van de kribbe wijkt al het duister, en het geloof leeft in dat licht. Lof aan de Drieënige God.
Alles in de tegenwoordige tijd-vorm; met "de hel zijt doorgegaan en hemelwaarts opgestaan" in voltooide vorm. Vreemd! Het doet me denken aan het vertonen van een serie dia's. Het is per 'plaatje' even statisch. Moet ik me bijv. bij str. 4 een kerststalletje voorstellen, met lichtgevende kribbe?
b. boodschap van het lied:
Comp: Thema: kom Verlosser! - Maar dat komt alleen in de aanhef uit. Verder geeft het kort, in verwarrend perspectief, de grote heilsfeiten tot en met hemelvaart weer in str. 3 en 4.
Str. 4 geeft het bekende beeld van een lichtgevende kribbe en str. 5 een doxologie. Het licht-motief (str. 2, 4) is door de vertaler ook in str. 1 ingebracht.
'Onze nacht', is weer neutraal; in het hele lied wordt niet echt duidelijk waarvoor Christus op aarde kwam.
c. beoordeling:
Al is het dan van Luther, ik kan het niet zeer waardevol vinden. Het is heel vreemd het Kind te roepen, terwijl je weet dat de Man nu in heerlijkheid aan 's Vaders rechterhand zit. d. verrijking?
Nee. We hebben in ons kerkboek wel betere liederen, als we Christus' komst op aarde willen bezingen.
Lied
124: Nu daagt het in het oosten
De Reformatie, jrg.
Reformanda, jrg.8, pag.550
alg: Vage
tekst: “Nu daagt het in het oosten” We zingen over ‘nu’, over ‘dagen’, en over
‘in het oosten’: Kunnen wij dit lied wel zingen als NT kerk??. Dit lied
verplaatst ons weer in wat mistige en mystieke taal naar de tijd vóór de komst
van Christus.
a. De tekst lijkt schriftuurlijk. Zulke bewoordingen over de vervulde belofte uit Jesaja 9 hadden we nog niet.
b. De tekst is wel wat vaag. Dáágt het nu in het oosten? Daagt hét nu in het oosten? Daagt het nù in het oosten? Daagt het nu in het óósten?
c. Het is geen bruikbare verrijking van de psalmen die we al hebben, daar zijn betere kandidaten voor.
Lied
125: O, kom, O kom, Immanuël
De Reformatie, jrg.74, pag.124,190
alg: vage namen van Christus
vs 1 r.1 “O kom, o kom, Immanuel”: wat roepen we hier om de eerste komst van Christus, of om de wederkomst van Christus. Of roepen we om iets anders? Wanneer de eerste komst geldt dan zij verwezen naar de bezwaren van herbelevenm genoemd bij lied 122
vs 2 r.1 “O kom, Gij wortel Isai” Wie is wortel Isaï: Isaï zelf of zijn voorvader = wortel van Isaï (…)?
r.3 “O Herder, sla de boze leeuw” de boze leeuw is onduidelijke niet in de Schrift voorkomende omschrijving voor de satan. De leeuw van Juda = de Here. De slang / de wolf staat voor de satan. Wel gaat de duivel rond als een briesende leeuw
vs 3 r.1 “O kom, o kom, Gij Orient”, Orient = oosten. Uit het oosten komt de zon, het licht. Onduidelijke aanduiding.
vs 5 r.1.2
“O kom, die onze Heerser zijt, in wolk en vuur en majesteit”: zijn
dit O.T. beelden voor Jahweh?
Dit lied is van W. Barnard, gedicht naar het (waarschijnlijk) 12e eeuwse "Veni, veni, Emmanuël".
"De oorsprong van dit lied ligt in de Latijnse liturgie, in het brevier. Men vindt daar bij de aanwijzingen voor Advent een aantal bijzondere antifonen, keerverzen bij het Magnificat in de vespers. Wanneer dan 's avonds die Lofzang van Maria werd gezongen voegde men daar van 17 tot 23 december telkens een kort gebed tot haar Zoon aan toe, hem noemende met omschrijvingen uit de profetische boeken(...): (vertaald) wijsheid, gebieder, wortel van Jesse (Isaï), sleutel van David, opgaande Zon, koning der volkeren, Emmanuël" (Comp). Vijf daarvan zijn tot lied verwerkt. De corresponderende Schriftcitaten zijn Jesaja 7:14, Jesaja 11 : 1-10, Maleachi 4 : 1-3, Jesaja 22 : 20-22 en Deut. 10 : 17-21. Het refrein luidde: "Gaude, gaude, Emmanuel nascetur pro te Israel" (wees blij, wees blij, Immanuel zal voor u geboren worden, Israël!) - en dat past weer mooi bij zondag Gaudete, de derde zondag van Advent.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: Immanuël - "God met ons":
dit vers herinnert ook inhoudelijk aan Jesaja 7: waar men naar uitziet dat is een verlossing van (aardse?) ellende.
str. 2: Wortel Isaï - zie Jesaja 11 : 10.
De dichter denkt duidelijk ook aan de herder David, Isaï's zoon:
"verlos ons van de tyrannie,
van alle goden dezer eeuw,
o Herder, sla de boze leeuw".
Vergelijking met de context in Jesaja 11: daar gaat het vooral over het recht dat Hij zal doen zegevieren.
Waar denkt WB aan bij 'goden dezer eeuw' - ik vermoed: nazisme, communisme, kapitalisme enz.
str. 3: Oriënt - opgaande zon:
"maak uw licht alom bekend,
verjaag de nacht van nood en dood"
- in Maleachi 4:3 staat: "Maar voor u die mijn naam vreest (tegenover de overmoedigen en goddelozen die in het vuur van het gericht zullen omkomen), zal de zon der gerechtigheid opgaan".
str. 4: sleutel Davids - zowel in Jesaja 22 (over Eljakim) als in Openbaring 3 : 7 gaat het over de drager van de sleutel van (het huis van) David; vreemde beeldspraak dus.
In Openbaring wordt de deur geopend, "want gij hebt kleine kracht, maar gij hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend."
str. 5: Heerser, Adonai - Ook in Deuteronomium 10 staat de context vol met het vrezen en dienen van de Here.
Daarvan vind je in dit lied niets.
b. boodschap van het lied:
De bede tot Christus om zijn komst; Hij zal een einde maken aan ellende, tyrannie, nacht, nood en dood, en het nieuwe Jeruzalem toegankelijk maken.
Geen spoor daarbij van zondebesef en van de noodzaak van verzoening door Hem.
c. beoordeling:
Ik vind het vreemd om zo 'oud-testamentisch' de nog niet gekomen Christus toe te zingen. Dan kun je trouwens beter veel psalmen zingen.
Zou je het toepassen op zijn tweede komst, dan valt des te meer het horizontale van de verwachting op. Want in dit lied zijn ellende, tyrannie, nood en dood neutraal: niets wijst erop dat Hij moest komen om van zonden te verlossen. Ook wijst niets op het besef dat de beloften van zijn komst en van het heil dat Hij brengt in de context staan van de vreze des Heren.
d. verrijking?
Nee. Het is een lied dat mensen 'in het donker' zeker zal aanspreken, maar het het biedt, met al z'n bijbelse woorden, geen echt bijbels perspectief.
Lied
126: Verwacht de komst des Heren
De Reformatie, jrg.75, pag.200
alg: onschriftuurlijk herbeleven komst van Christus, alsof nú de Vorst op aarde komt
vs 1 r.7: “ons eigen leven vraagt toegang tot ons hart”? als “ons eigen leven”
betekent: het eigenlijke leven in Christus, moet hierbij worden opgemerkt dat
Christus eerst woning in ons hart maakt, waarna wij Hem aannemen als onze
verlosser
“Nu komt de Vorst op aard. Die God zijn volk zou geven; ons heil, ons eigen leven, vraagt toegang tot ons hart” Wij moeten volgens dit lied Gods daden beleven alsof ze nú gebeuren. Wij moeten Hem daarbij toegang geven tot ons hart. Hij vraagt die immers? Maar dat is een verkeerde manier van gedenken. Bovendien vraagt Christus geen toegang tot ons hart, Nee Hij woont met Zijn Heilige Geest in ons hart. Dat is Zijn geschenk. Wij nemen Jezus niet in ons hert.
Vers 2, de weg die Christus op aarde ging, gaat Hij niet nogmaals laat staan dat wij zijn wegbereiders zouden zijn. Wij niet maar Johannes was de wegbereider, dat kan niet nogmaals!
Vers 3, Wij wachten niet in ootmoed op Gods heil, Hij roept ons tot Zijn heil, Hij koos ons uit, niet wij kozen Hem uit!
Pas nadat God in ons woning heeft gemaakt vragen wij naar Zijn gebod en niet andersom zoals in dit lied wordt voorgesteld.
Oorspr. "Mit Ernst, o Menschenkinder" van Valentin Thilo; vertaald door Ad den Besten. Vgl. NH-1938 Gezang 6: "Bereid, bereid uw harten".
"Onder de adventsliederen is dit een van de zeer weinige boeteliederen. De komst van de langverwachte Heiland der wereld wordt hier wel zeer persoonlijk ingewacht: het gaat geheel en al om de enkele mens en zijn ontvankelijke of nog niet tot ontvankelijkheid geneigde hart" (Comp). Toch ook wel universeler perspectief in de herinnering aan Jesaja 40.
Er is een strofe weggelaten, met stalmotief:
"Laat dit bestaan uw stal,
dit hart uw kribbe wezen,
opdat nu en nadezen
ik U lofzingen zal."
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: "ons eigen leven" klinkt niet goed: het is leven van búiten onszelf dat naar ons toekomt. Ook vreemde beeldspraak: ons eigen leven vraagt toegang tot ons hart?
"Nu komt de Vorst op aard" - dat slaat wél op de eerste komst van Christus, maar wordt verder uitgewerkt als komen in je hart.
str. 3: "Een hart dat wacht in ootmoed..." - deed me denken aan 1 Petrus 5 : 5: "Want God wederstaat de hoogmoedigen, maar nederigen geeft Hij genade" - alleen staat dat in het kader van nederigheid jegens elkaar.
"lieflijk voor de Heer" - is dat hetzelfde als genade? Het klinkt nogal 'verdienstelijk'.
"het heil, de Zoon van God" - vreemde nevenschikking; Hij wordt zo vrij onpersoonlijk.
b. boodschap van het lied:
Bereid je hart voor de komst van de Here, opdat Hij woning zal maken in je hart. In beelden ontleend aan Jesaja 40 en aan de woorden van Johannes de Doper. (Niet zozeer opruiming in je léven, als wel in je hárt.)
c. beoordeling:
Ruimte maken opdat Jezus in je hart kan komen wonen - het is de boodschap van piëtistisch advent; ook zonder de stal-strofe is dat duidelijk. Het "Nu komt de Vorst op aard" (str. 1) verbonden met de oproep tot bekering klinkt beter dan veel andere adventsliederen; toch blijf ik moeite houden met dat 'Nu'.
d. verrijking?
Het komt in de psalmen ook voor, zij het zonder de innig hart-elijke toepassing van dit lied (bijv. Psalm 24). In de psalmen is het perspectief vaak wel wijder. Wij moeten niet de Christus-van-toen ontvangen, maar de verhoogde Koning dienen, van harte.
Lied
127: Gaat, stillen in den lande
De Reformatie, jrg.74, pag.655, jrg.75,
pag.222
alg: Dit
lied zinspeelt duidelijk op de intocht van
de Here Jezus in Jeruzalem (Matt. 21, vs 1-11). Hier worden de gelovigen
opgeroepen om in een soort herhaling van de heilsgeschiedenis Jezus (die
wonderen doet, vs 1) die komt aangereden (vs 1,6) het Hosanna toe te roepen (vs
1,7). Het is niet verantwoord zo’n vermenging van beelden te zingen: magisch
herbeleving van historische feiten vermengd met toekomst beelden.
Wederom dus de heilsfeiten van lang geleden hèbben reeds plaatsgevonden. We moeten niet doen alsof Christus steeds weer komt aangereden. Gelukkig geldt dit lied dan ook de stillen in den lande (vers 1), zolang die inderdaad stil blijven is er niet aan de hand met dit lied.
Lied
135: Hoor, de englen zingen de eer
De Reformatie, jrg.74, pag.636
alg: Herbeleving van historische feiten, “zingt met algemene stem voor het kind van Bethlehem” Wij als NT kerk willen echter zingen voor onze opgestane Heer in heerlijkheid, die tevens als het Lam dat geslacht is, voor Gods troon staat!
Het lied laat ons zingen alsof het heilfeit van Christus geboorte nu nog moet plaatsvinden. Wij zingen niet meer voor het kind van Bethlehem! Wij horen geen engelen meer! Wat is trouwen zingen met algemene stem? Christus wordt niet geboren, Hij is geboren.
vs 3 r.2,4 “die op aarde vrede geeft” “taal en teken in de tijd” Deze uitdrukkingen passen in het denken van liedboekdichters: het bereiken van wereldvrede, waarbij Christus’ werk opgaat in het voorbeeld zijn van nederigheid en zelfopoffering. Het volbrengen van Gods wil in volmaakte gehoorzaamheid en het brengen van Zijn kruisdood als verzoening voor onze zonden, komen in deze dwaalleer niet voor. Weliswaar is Christus in de Schrift een teken genoemd (Lucas 2:34) van Gods liefde. “Taal en teken” is echter een woord-combinatie van de Landvolkdichters zelf die een goddelijke dimensie aanduidt die in woord en gedicht naar boven komt (magisch element). De landvolkdichters spreken vaak over Christus als teken (voorbeeld) van gehoorzaamheid. Hier duikt een dwaling op die we in veel liederen in het liedboek tegenkomen.
Oorspr. "Hark, the herald angels sing"
van Charles Wesley ('vader' van de methodisten), vertaald door W. Barnard.
Vgl. NH-1938 gezang 25. De derde strofe is eigenlijk geen vertaling, maar 'restauratie'
van de tekst uit NH-1938.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Duidelijk dramatiserend: hoor! voegt u..., enz. Alle volken worden opgeroepen met de engelen te gaan meezingen, voor het kind van Betlehem; str. 2: hij wordt geboren... - zie 3.1.3.
- "woord (kleine letter) dat vlees geworden zijt", vgl. str. 3: "Gij die ons geworden zijt / taal en teken in de tijd": doet denken aan lied 1 en lied 30: wat bedoelt hij?
De werkwoordsvorm 'zijt' in str. 2 is vreemd: het gaat over 'Hij'; het is geen gebed. Dat komt pas in str. 3.
In de tweede helft van str. 3 lijkt het wel of het kruis niet meer nodig is; alsof zijn komen in de wereld als zodanig al genoeg is voor onze wedergeboorte.
b. boodschap van het lied:
Zing mee voor het kind van Betlehem, dat 'taal en teken in de tijd' geworden is. Hij legt zijn glorie af opdat wij "ongerept en rein / nieuw-geboren zouden zijn": bedoelt hij dezelfde ruil als Lied 147?
c. beoordeling:
Nader beschouwd zijn er teveel vaagheden of vermoedens van een horizontale boodschap. In str. 3 krijg ik de indruk van een 'mythologiseren' van de kerstboodschap.
d. verrijking?
Nee; áls het goed bedoeld is, is het te vaag.
Een Engels kerstlied zit achter het bekende "Hoor de englen zingen de eer" (LvK 135, selectie nr. 44): "Hark, the herald angels sing" van Charles Wesley ('vader' van de methodisten). Ja, het present-stellen is weer dadelijk aan te wijzen in de titel!
We kennen het origineel niet. Maar W. Barnard vertelt zelf dat hij in strofe 3 "grote vrijheid betracht" heeft. Daarin is dan ook een heel eígen geluid te horen: "Gij die ons geworden zijt / taal en teken in de tijd" - hebt u enig idee wat hij daarmee wil? Samen met "woord (kleine letter!) dat vlees geworden zijt" in strofe 2 herinnerde het ons aan een 'Landvolk-mode' besproken in 3.2.3 / 3.2.4.
Steeds sterker werd bij het toetsen onze verzuchting: zijn
er uit de schat(!) van de kerk der eeuwen eigenlijk wel goede, schriftuurlijke (en liefst ook nog poëtische) liederen
beschikbaar?
Lied
139: Komt verwondert u hier, mensen
De Reformatie, jrg.73, pag.776
alg: bevat onwezenlijke verbinding van de gelovige nu met de baby-staat van onze Heiland destijds in Bethlehem. Deze mystieke en zoete taal komen wij in Gods Woord zo niet tegen en moeten wij als niet schriftuurlijk verwerpen.
vs 2 “hoe men Hem in doeken bindt (…) Ziet, hoe ligt Hij hier in lijden”. Het binden in doeken is op zich geen teken van lijden, wel als uiting van het feit dat Christus in nederigheid ons vlees heeft aangenomen.
vs 3 “geef mij door uw kindsheid raad, sterk mij
door uw tere handen, maak mij door uw kleinheid groot” zie commentaar hierboven onder alg.
a. Er is een sterke tegenstelling tussen Christus' heerlijkheid die Hij had bij de Vader en zijn nederige positie in de kribbe. Echter, is het liggen in de kribbe ook lijden?
b. De suggestie van het gelijktijdig aanwezig in de kribbe en het wandelen op de vleugels van de wind (couplet 2) is vreemd.
c. Onjuist is de aanroeping van het kind in de kribbe in couplet 3:
'geef mij door uw kindsheid raad./Sterk mij door uw tere handen,/ maak mij door uw kleinheid groot'.
Christus is nu in de hemel en dient daar aangeroepen te worden.
Een 17e-eeuws kerstlied uit de contra-reformatorische sfeer. "...verwondering over het wonder van de menswording Gods. Het is een gestileerde verwondering. De dichter kan maar niet genoeg krijgen van het paradoxale gegeven..." De derde strofe (met stal-motief) is weggelaten. "We hebben hier geenszins met naïeve vroomheid te maken, maar met een geraffineerd litterair spel" (Comp).
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
eerst twee strofen lang: komt, en vooral: ziet. Ziet dit kind, hoe het daar ligt in armoede , zwakheid, 'lijden', terwijl Hij God Zelf is. In str. 3 wordt gebeden om het tegendeel van die vernedering: maak mij door uw kleinheid groot, rijk door uwe nood, blijde door uw lijden, levend door uw dood.
Dat lijden zou je binnen het vers (zie str. 2 r. 5) wel moeten zien binnen de kerstscène - helemaal begrijpen doe ik het niet: zo'n zwaar-geladen woord - en niet aan het kruis. Maar via de laatste regel van str. 3 wordt dat opeens anders, schuiven met terugwerkende kracht de beelden van kribbe en kruis ineen.
b. boodschap van het lied:
"Verwondering over het wonder van de menswording Gods", de paradox. Het derde couplet is een gebed: Here Jezus, geef mij/maak mij... - hetzelfde probleem als bij 135: maak mij door uw vernedering (kleinheid, teerheid, banden, nood en lijden) groot, rijk, vrij, blij; dit was toch pas het begin! - Climax: 'maak mij levend door uw dood': zie 'details'.
c. beoordeling:
Het lied heeft eigenlijk maar weinig inhoud. Het is typisch barok-rooms, stelt het kerstkind present. In het derde couplet bid je tot het Kind: geef mij door uw kindsheid raad, enz. Dat kán toch helemaal niet, dat meen je toch ook niet? Alleen de slotregels kunnen wel.
d. verrijking?
Nee! We hebben liederen met veel meer inhoud, als het om die laatste twee regels gaat (Gezang 14 bijvoorbeeld). En de rest is vooral werken op het gevoel.
Lied
140: Prijs de Heer die herders prijzen
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.218,655
alg: lied ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit, alsof wij bij de kribbe staan en hetzelfde moeten doen wat de herders (“Prijs de Heer, die herders prijzen”) of de 3 wijzen uit het oosten (“Geef de koning van uw leven wat de koningen Hem geven”) deden op dat moment. Dit is anders dan levendig verkondigen, maar is uit op een nieuwe beleving door ons zelf. Dit staat op gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die ook in het NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is voorgehouden. Bovendien is de inhoud schraal en is geen duidelijke verwijzing naar het doel van Christus’ komst naar de aarde: het volbrengen van de verzoening met God.
vs 2 “Geef de Koning van uw leven wat de koningen Hem geven, breng uw schatten de verheven in de stal geboren Heer” Deze mystieke herbeleving is niet overeenkomstig wat ons in Gods Woord wordt voorgehouden als inhoud van ons loflied met betrekking tot onze Heiland (vergelijk b.v. de liederen uit het boek Openbaring), waarin Christus wel als het lam Gods maar nooit als baby wordt verheerlijkt.
a. Vers 1, wederom wordt gezongen alsof Christus nú geboren wordt (vers 1). Dit is niet maar een slordigheid van de landvolkdichters, maar ze schrijven dit welbewust zo. Ze doen dit opdat wij de heilsfeiten gevoelsmatig opnieuw beleven, om zo door ons gevoel gesticht te worden. Dit is geen bijbelse vorm van gedenken.
b.
Vers 4 Christus voorstellen als uitverkoren is niet correct;
alsof God een keus had. Er was er maar één die Verlosser en Middelaar kon zijn:
Gods enige Zoon. (HC 6, vr.ant. 14).
Een oud, wrsch. 9e eeuws lied: Quem pastores laudavere; het is later samengevoegd met een ander lied (Nunc angelorum gloria) tot het lied dat door W.Barnard vertaald is tot Lied 137. Schulte Nordholt (de dichter van Lied 140) betreurt het dat de Interkerkelijke Gezangencommissie dat eerste deel toch nog als zelfstandig lied wilde opnemen. Tegen zijn zin heeft hij dus heel goed naar de latijnse tekst moeten kijken.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
zie 3.1.8.
b. boodschap van het lied:
Oproep om Hem te prijzen die herders en engelen prijzen (weer t.t.), om Hem te geven wat de wijzen Hem geven, om samen met alle heiligen te zingen en om ons hart aan Hem te wijden. Een tijdloos plaatje.
Vergelijking met de oorspronkelijke tekst levert veel verschillen op: in het lied géén present-stellen van het kerstkind (verleden-tijdsvormen), maar wél nogal wat nadruk op Maria.
c. beoordeling:
Vergeleken met 137, dat puur rooms aandoet, heel wat schriftuurlijker... maar toch niet helemaal. Vooral als je vergelijkt met de oorspronkelijke tekst, valt een ombuiging naar minder schriftuurlijke zegging op. Dat is tegen de norm van deputaten (p. 151).
d. verrijking?
Och, nee.
Verder geldt hier hetzelfde als bij de Schriftberijmingen: ze moeten in hun geheel schriftuurlijk zijn; geen dwaling bevatten. Het is natuurlijk niet vanzelfsprekend dat oude liederen ook schriftuurlijke liederen zijn, net zo min als dat bij nieuwe liederen vanzelf spreekt.
Helaas valt bij toetsing van liederen uit het LvK het ene lied na het andere door de mand. Of dat al in het origineel zit, hebben we niet altijd kunnen nagaan. We hebben wel de liederen uit het Evangelisches Kirchengesangbuch (EKG) kunnen vergelijken, maar niet de Engelse en de latijnse hymnen (vnl. door tijdgebrek).
In één geval hebben we toch de latijnse tekst opgezocht, omdat we door de werkwoordsvorm in de titel gealarmeerd waren. Het gaat om LvK 140 (nr. 39): "Prijs de Heer die herders prijzen", dat komt van "Quem pastores laudavere", een lied met wortels tot in de negende eeuw.
Wij menen dat de letterlijke vertaling ongeveer zo zal luiden: "Hij, die geprezen werd door de herders, tot wie de engelen gezegd hadden: vreest niet! - Hij is geboren, de Koning der ere.// Hij, tot wie de koningen gingen, die goud, mirre en wierook brachten als een rein offer; de vorst der overwinning.// Laten wij Hem loven samen met Maria en de hemelse vorsten; met vrome stem moeten we Hem bejubelen, in lieflijke samenklank. // Christus, de vleesgeworden Koning, aan ons gegeven door ("per") Maria, wordt door dit lied toegezongen: lof, eer en prijs."[85]
Vergelijking met de vertaling van Schulte Nordholt levert diverse verschillen op. De tegenwoordige-tijdsvormen waarin hij over herders en koningen spreekt, zijn in het latijnse origineel verleden-tijdsvormen[86]; we worden in het oude 'Quempas' ook niet opgeroepen om 'te geven wat de koningen Hem geven'. Wél valt de sterke nadruk op Maria op.
Schulte Nordholt heeft zich in de vertaling blijkbaar zoveel mogelijk aangesloten bij de gewoonte om de gebeurtenissen-van-toen 'present te stellen' (zie 3.1.3); het zat niet in het origineel.
Lied
147: Looft God, gij christnen, maakt Hem groot
De Reformatie, jrg.73, pag.776
alg: lied ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit met mystieke en zoete taal (vs 2). Wat ontbreekt is het doel van Christus’ komst naar de aarde, nl. het volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld.
vs 2 r1,2 “Hij daalt uit ’s vaders schoot terneer op aard om kind te zijn”: Vaders schoot: uitdrukking die niet bijbels is, niet gepast om te gebruiken voor onze heilige God en Vader.
r3-5
“een kindje arm en naakt en teer, al
in een kribje klein, al in een kribje klein” :romantisch zoete taal
vs 3 vermeld: ‘Verzakende zijn macht en recht, verkiest Hij zich een stal,” God verzaakt zijn macht en recht niet, verzaken betekend (v. Dale) ontrouw worden aan, verloochenen, afvallig worden van.
vs 5 “Hij wordt een knecht en ik een heer”: klopt niet zoals het hier staat, suggereert alsof wij ten opzichte van onze Heiland heer zijn. ”waar vindt men zoveel gulheid weer”: vlakke en banale omschrijving van de onbegrijpelijke liefde vanhet verzoenend lijden van onze Heiland
vs 6 “En nu ontsluit Hij weer de de poort van ’t
schoone paradijs. De cherub staat er niet meer voor. God zij lof, eer en prijs”
Verwijst naar het paradijs, maar dat komt niet weer terug. Het beeld van de
verdwenen cherub is een verzonnen beeld en niet bijbels, ook niet waar het
verwijst naar de toegang naar de eeuwige heerlijkheid.
Een lied van een Boheemse cantor, begin 16e eeuw (Lobt Gott, ihr Christen alle gleich, EKG 21; vertaald door C.B. Burger). Zijn liederen waren gedacht als 'Kinder- und Hauslieder'; ze hebben ook meestal een kinderlijke toon. Zo ook in dit kerstlied.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
"zendt", "daalt neer" enz: weer 'present gesteld'.
"Hij ruilt met ons op vreemde wijs" (str. 4) - een bekend luthers thema, maar hier wel oppervlakkig: "Hij wordt een knecht en ik een heer"(5) - is dat bijbels gezegd? Immers, ik mag delen in zijn heerlijkheid, maar hij ruilt die niet met mij. Hij ontsluit weer de poort van 't paradijs (6); "de cherub staat er niet meer voor" - het gaat kennelijk om de hof van Eden, waarheen we terug kunnen (vgl 165).
b. boodschap van het lied:
Looft God, omdat Hij zijn Zoon zendt, een klein arm kind in een kribje. Hij neemt ons vlees en bloed aan, ons geeft Hij zijn overvloed; Hij knecht, ik heer; en Hij opent weer de poort naar het paradijs.
c. beoordeling:
Een ietwat triomfalistisch lied. De 'vrolijke ruil' waar Luther van sprak, wordt oppervlakkig weergegeven. Ook de slotstrofe doet oudtestamentisch aan: we gaan toch niet terug naar de hof van Eden (al wordt het nieuwe paradijs getekend in beelden van het oude)?
d. verrijking?
Wat mij betreft, nee dus.
Lied
148: Wees wellekom, Immanuël
De Reformatie, jrg.74, pag.655, jrg.75,
pag. 240
alg: Ook dit lied (zie commentaar op 140,147) ademt sfeer van herbeleven van heilsfeit (“wees wellekom”) met mystieke en zoete taal (vs 2). Wat ontbreekt is het werkelijke lijden van Christus’ komst naar de aarde, nl. het aan het kruis volbrengen van de verzoening met God door het betalen van onze zondeschuld. Dit vlakke lied blijft met de verlossing steken in hooi en kribbe (vs 3). Dit staat op gespannen voet met de voortgang in de heilsgeschiedenis, zoals die ook in het NT aan de toenmalige en alle gelovigen in de eindtijd is voorgehouden.
In dit kader vinden wij de slotregel van de vers één (“welkom moet ons Jezus wezen”) niet gepast voor verloste kinderen die de grote daden hun Heiland gedenken: hoe zouden wij dit nù zo zingen (zie vs 1)
vs 1 “Wees wellekom, o Godes Zoon, die komt van
Vaders troon, ons aller Heer en broeder! Welkom, welkom, die ons harten, onze
smarten komt genezen, welkom moet ons Jezus heten”
voor commentaar zie alg: onverantwoord herbeleven: heeft niets te maken met indringend levendig gedenken. Wij mogen in ons hart Christus woning laten maken, die als verlosser - overwinnaar en onze pleitbezorger aan Gods rechterhand zit.
vs 3 r.2-5 “En draagt der wereld zonden, om onzentwil in schamelheid, zeer arm in hooi en krib geleid, in doeken teer gewonden” Hier eindigt dit lied met het laatste refrein. Wij vinden dit een verminking van het evangelie. Het dragen van de zonden komt aan het kruis wanneer Christus de helse smarten moet lijden.
Dé boodschap dat Christus naar de aarde is gekomen tot onze verlossing uit de macht van zonde en dood, is in dit lied maar bijzaak (alleen in couplet 3 derde regel).
12x Wees wellekom, terwijl Christus al 20 eeuwen geleden geboren is?
Vs.1, r.9-11 die … genezen: zie ook v/a 37 HC: present stellen als we hem als kind NU verwelkomen.
Vs.2, r.1-6 uw…waarheid: wel te zingen maar niet in het kader van zijn geboorte: de Here zit nu aan de rechterhand van de Vader.
Vs.3, r.1-3 O …zonden: komt? Draagt? = onjuiste tijd
r.4-6 om…gewonden: zie v/a 36 HC >> is dus onjuist beestenkrib en doeken zijn slechts een klein deel van het lijden. Hooi staat niet in de HS
Zie ook HC zo.35 zie ook formulier HA op
pag.523 kerkboek
Lied
152: Een kind geboren te Bethlehem
De Reformatie, jrg.74, pag. 232
alg: Laag poëtisch niveau (is ook criterium voor onze gezangen), eerder goedkope rijmelarij.
Wat ernstiger is dat ook hier ontbreekt de voortgang in de heilsgeschiedenis (zie commentaar 140,147148), en daarmee blijft de werkelijke inhoud van het verzoenend lijden als de reden van Christus’ komst naar de aarde geheel buiten beeld.
vs 6 “Hij maakt ons door zijn armoe rijk, zijn
armoe rijk, en brengt ons in het hemelrijk. Halleluha, halleluja!” Christus
maakt ons niet door zijn armoe rijk maar door zijn kostbaar bloed!
Een middeleeuws lied (Puer natus in Bethlehem)
dat in veel versies voorkomt.
"Dit kerstlied behoort tot het genre samenvattende
liederen", de verschillende feiten "vrij zakelijk opgesomd en
afgesloten met lof aan de drieënige God. Toch is het lied niet onpoëtisch, het
heeft bij alle soberheid een lapidaire zeggingskracht." (Comp.)
In z'n meest uitgebreide vorm heeft het 15 strofen.
Hier zeven, waarin aanbidding door de wijzen centraal staat.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 6 "en brengt ons in het hemelrijk" - doet weer (zie 142) rooms aan (maar 't is ook een rooms lied, oorspronkelijk)
b. boodschap van het lied:
Hij wiens heerschappij oneindig is, daalde neer in onze ellende. De wijzen vereerden Hem en knielden voor Hem. Hij geeft ons het leven, maakt ons door zijn armoede rijk en brengt ons in 't hemelrijk. Dank de Heer daarom op deze dag.
c. beoordeling:
Het geheel blijft iets rooms houden, misschien ook door de melodie. Het is middeleeuws-kort. Ook staat de aanbidding door de wijzen nogal los in het lied: inderdaad als in een opsomming van feiten. Tegen de inhoud is geen bezwaar, denk ik.
d. verrijking?
Als kerklied niet echt een aanwinst.
Lied
169: Zingt nu de Heer stemt allen in
De Reformatie, jrg.75, pag.276
Nader Bekeken, jrg.6, pag.4
alg: Het lied staat vol met gedachten over licht en duisternis. Dit kan symbolisch heel schriftuurlijk zijn (zie bv. NGB art. 14). Wij moeten echter uit vs 1 en 2 afleiden dat dáár juist het geschapen licht bedoeld is: “Hij heeft het menselijk geslacht in ‘t licht geroepen en bedacht”.”Maar wij verkozen ‘t duister meer dan ‘t lucht door God geschapen”. Dan wordt het ineens moeilijker te begrijpen: “wij hebben dag en nacht verward” wordt er vervolgd. Er is dan een mix het licht van de eerste scheppingsdag en het licht dat verlossing betekent. Dit wijst op een dwaalleer van Barth: in het begin van de schepping was er een negatieve macht zich uitend in de chaos en de duisternis. God zou door de schepping van het licht en de ordening van de schepping dit negatieve element moeten bestrijden (Zie voor uitgebreide bespreking en bestrijding van deze dwaalleer K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus, deel III, 1950:pp 317-320,362-384). zie verder de bespreking bij lied 1.
vs 3 r.2
de eeuwige dood wordt hier
afzwakkend als “het lege niets”
omschreven (zie ook liedboeklied 115). Het is ook in dit lied opmerkelijk dat
Christus neerdaling ter helle, om ons te verlossen, net als in zoveel andere
liedboekliederen, buiten beeld blijft!
Lied
175: O wij arme zondaars
De Reformatie, jrg.75, pag.862
vs 1 r.1 “bedelaars onrein” betekenis van ‘bedelaars’ onduidelijk: waar wordt om gebedeld?, wellicht is ‘zondaars onrein’ beter.
vs 3 r.1 “Hoe zal ‘t God de Here ooit worden geloond” Dit is niet
schriftuurlijk: wij kunnen God niet terugbetalen met goede werken. God maakt
wel aanspraak op onze dankbaarheid en lofoffers. (H.C. zondag 24)
b. Vs 2 ..tot sterven voor "anderen" bereid.. mist de toe-eigening voor "ons" - en het unieke van wat Christus dreef; wel vaker heeft iemand zijn leven ingezet voor een ander (de Here Jezus sprak er zelf over, Joh. 15:13).
c. Couplet 3:'Hoe zal 't God ooit worden geloond?'
Vreemd gezegd. God wacht niet op loon, maar maakt aanspraak op onze lof en dankbaarheidswerken. Dit kan geen serieuze vraag zijn. De Schrift spreekt van loon tussen God en Christus, niet tussen de verloste als beloner en God als beloonde. Dus zal het een rhetorische vraag zijn. Psalm 116 heeft iets dergelijks. De Psalm reageert met blijde erkentenis. Het gezang couplet valt terug naar het Erbarm u, alvorens in vs 4 tot lofzegging te komen met dan eigenlijk al van regel 4 af nog eens dat refrein.
Ten opzichte van b.v. Psalmen 51 en 116 die helder en verstaanbaar spreken, is dit gezang allerminst een aanwinst.
d. Couplet 4: 'U (Christus) zult heersen'.
Waarom geen tegenwoordige tijd? Christus heerst nu al.
e. Het 'kyrie' is ongepast in de coupletten 3 en 4. Het is nergens goed voor, dat wij (het refrein) in het Grieks zingen. Helderheid is raadzaam: 1 Cor. 14 : 9.
Waarom refrein in het latijn, we zijn toch niet rooms?
Een 'passie- en boetelied' van Hermann Bonn, een leerling van Luther ("O wir armen Sünder", EKG 57), vertaald door Ad den Besten. Tekst en melodie gaan terug op een lied op Judas ("O du falscher / armer Judas"), waarop ook heel wat spotliederen gemaakt zijn. AdB heeft een keuze gemaakt uit de zeven strofen; str. 3 is een zeer vrije samenvatting van drie strofen.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 2: "Hij alleen tot sterven voor anderen bereid" - niet helemaal juist; vgl Rom. 5 : 7.
str. 3: "Hoe zal 't God de Here ooit worden
beloond" - eigenlijk een rare vraag: de gedachte aan een tegenprestatie
is juist altijd een grote valstrik geweest. Het staat ook niet in de Duitse
tekst: daar wordt de nadruk gelegd op het 'lauterlich umsonst', op de genade.
Kyrie enz.: jammer dat het niet vertaald is!
b. boodschap van het lied:
Had Christus niet voor ons geleden en ons vrijgekocht, wij zouden verloren zijn in alle eeuwigheid. Daarom: lof aan Hem en de bede om ons, arme zondaars, ter zaligheid te leiden.
Toch typerend waar AdB inkort/weglaat: waar gezongen wordt van genade 'lauterlich umsonst'; zodat wij "nicht verzagen vor der Höllen Glut" (AdB elimineert vaak woorden als hemel en hel); en de strofe met dank aan de drieënige God en de bede om bewaard te blijven bij zijn heilig Woord.
c. beoordeling:
Ik til vrij zwaar aan de weglatingen, om de verschuiving
van het accent daardoor. Ook het onvertaalde Kyrie vind ik een minpunt.
Str.1: Bedelaars onrein = stoplap . niet
verder uitgewerkt Slaven zou beter zijn
gelet op str.2 (vrijgekocht) en str.3 (losprijs). Bedelaar > alleen Lucas 16:20 > Lazarus
Str.2, r.3: Hij alleen tot sterven voor
anderen bereid: te vlak > komt vaker voor Joh.15:13
Str.3 Hoe zal God voor zijn liefde ooit
genoeg worden beloond? > wel
dankbaarheid, dat Hij zelf in ons werkt (Psa.116) Kyrie eleison past niet na de
inhoud van deze strofe.
Christus zal met de Vader heersen:
Mat.28:18, 1Cor.15:24-28
Lied
188: O Lam van God, onschuldig
De Reformatie, jrg.74, pag.627, jrg.76,
pag.539
alg: Dit lied brengt niet duidelijk de overwinning op de satan in beeld, in plaats daarvan wordt alleen de dood als vijand genoemd (vs 1 r.6:“nu is de dood verslagen”). De gelovigen worden vervolgens niet duidelijk opgeroepen tot de strijd tegen de zonde en de duivel.
vs 2 r.3,4 “Geduldig ons kruis u na te dragen” Ons kruis Christus nadragen is onduidelijk: wordt hiermee bedoeld dat wij aan het werk van Christus nog iets nadragen? In ieder geval sluit deze omschrijving niet aan bij wat Gods Woord zegt over ons kruisdragen in Matt. 10:38, 16:24, Marc 8:34, Lucas 9:23, Luc 14:27 “Indien iemand niet haat zijn (…) ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn” De taal van de zelfverloochening wordt gemist en omgeruild voor iets wat we Christus nadragen.
r.6“en help ons overwinnen” De strijd zelf
komt niet in beeld.
a. Couplet 1: 'Gij hebt de schuld gedragen'.
Dit is onpersoonlijk verwoord.
b. Het couplet sluit af met 'erbarm u onzer'. Ten onrechte, een lofzang is hier op z'n plaats.
c. Couplet 2:'help ons overwinnen'.
De strijd tegen de zonde is te impliciet verwoord.
d. 'Geduldig ons kruis u na te dragen' is niet hetzelfde als wat bijv. in Matt. 10 en 16 staat: 'verloochen u zelf, neem uw kruis op en volg mij'.
De eerste strofe (vert. G. Spilt) is in zekere mate een vertaling van het Duitse "O Lamm Gottes unschuldig" (EKG 55): Nikolaus Decius heeft het Agnus Dei in strofische vorm gebracht, als een litanie: driemaal dezelfde tekst, tweemaal afgesloten met "Erbarm dich unser, o Jesu" en eenmaal met "Gib uns dein' Frieden, o Jesu".
De tweede strofe "ontstond uit vrije inspiratie" van W.A. Dwars.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
De tweede strofe loopt parallel aan de eerste; een bede om te leren Hem na te volgen, en om te helpen overwinnen.
b. boodschap van het lied:
Gij, Lam van God, hebt de schuld gedragen; nu is de dood verslagen. Geef ons ontferming en vrede en leer ons, geduldig ons kruis u na te dragen.
c. beoordeling:
Inhoudelijk niet veel problemen. Al vind ik str. 1, 3-4 verdacht: "te allen tijd geduldig / bereid ten offerande" - nu nog? steeds weer? Gezien de herkomst van het lied til ik daar eigenlijk heel zwaar aan.
d. verrijking?
Om de herkomst alleen al: niet doen, zéker niet als vast
avondmaalslied.
Lied
189: Mijn verlosser hangt aan ’t kruis
De Reformatie, jrg.73, pag.777, jrg.74,
pag.535
alg: Herbeleving alsof ‘t nu speelt, mystieke vereenzelviging met de toenmalige situatie. Zo spreekt Gods Woord niet over het eenmalige offer van Christus
vs 4 r.2,3
“’k heb mij, Heer, voor dood en leven
U gegeven” Dit is niet
schriftuulijk: wìj geven ons niet. De Here riep ons in Zijn grondeloze
ontferming. Wij zijn gekocht en betaald door het bloed van Christus.
a. De bezinging in de tegenwoordige tijd blijft een storend element in dit lied. Het zou aan diepte winnen wanneer dit veranderd zou worden. Temeer omdat gepoogd wordt de rijkdom van Christus lijden aan het kruis te bezingen.
b. Couplet 4: 'k Heb mij, Heer voor dood en leven U gegeven; laat mij dan met U in gemeenschap zijn’.
Dit is onjuist, wij geven ons zelf niet. Maar wij zijn gekocht en betaald, het eigendom van Christus. In droeve dagen steunt een gelovige op God die om Christus' wil zijn Vader is. Troost ligt nooit in de smart van een ander, ook niet in de diepte van de smart van de Here Jezus. Zij zijn niet vergelijkbaar. Vers 4 heeft, Ik heb mij, Heer, aan U gegeven;. De Schrift leert heb andersom. 1 Joh. 4 : 10.
Lied
201: O dag van de verrijzenis
De Reformatie, jrg.76, pag.583
alg: Vage tekst over de betekenis van Pasen: Pasen en Jongste dag zijn niet helder door elkaar gebruikt. Vanwege vage elementen niet geschikt
vs 2 r.1 “O laat ons waarlijk zuiver zijn, dan wien wij hoe in ‘t licht” vreemde taal
“Hoe Jezus zelve tot ons spreekt zeggende: wees gegroet” slaat dit op de jongste dag als de Here ons begroet met “Welkom gij gezegenden des Vaders” Matt. 25 : 34?
vs 3 r.
5-8 “De wereld die onzichtbaar is, de
wereld die men ziet, begroeten de verrijzenis en zingen ‘t zegelied” Slaat dit op het wederherstel van de
zienlijke en onzienlijke dingen?? Dan gaat het initiatief toch niet van deze
“werelden” uit. Of zijn het de in de Here ontslapenen tezamen met de levende
gelovigen?? Dan is de omschrijving “wereld” vreemd. Onduidelijke en daarom
ongeschikte tekst.
"Iets moest er toch wel in ons gezangboek, zo meenden wij, behouden blijven van de ontzagwekkende traditie van de Byzantijnse kerk." De zangwijzen zijn te moeilijk, dat is het probleem. Nu is er één lied,'Anastaseoos hèmera' (dag van de verrijzenis) van Johannes Damascenus, in westerse liedvorm vertaald door J.W. Schulte Nordholt, op een moderne wijs van Jan Boeke.
Het is de eerste ode van de Paascanon (de Gouden Canon): die correspondeert met het lied uit Exodus 15: "Zoals Mozes de kinderen Israëls door de Rode Zee leidde, zo leidt Christus ons van de aarde naar de hemel."
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: inderdaad: van de aarde en haar nood naar de hemel; niet naar het nieuwe Jeruzalem op de nieuwe aarde.
str. 2: "laat ons waarlijk zuiver zijn" - maar wie is dat uit zichzelf?
"Dan horen we als de dag aanbreekt
met bovenaardse gloed...":
is dat de paasmorgen (die we vieren) of de jongste dag? Of valt dat op mystieke wijze samen?
str. 3: "De wereld die onzichtbaar is,
de wereld die men ziet,
begroeten de verrijzenis":
typisch 'oosters', die twee werelden zo nadrukkelijk gescheiden.
De melodie is moeilijk te leren; de byzantijnse sfeer geïmiteerd?
b. boodschap van het lied:
Zichtbare en onzichtbare wereld begroeten de dag van Christus' opstanding. Hij leidt ons uit deze aarde en haar nood naar de hemel. Als wij zuiver zijn, zien wij Hem; dan horen we zijn groet bij het aanbreken van de dag.
c. beoordeling:
Zo typisch oosters dat de consequenties van het gezongene niet te overzien zijn - zie details. M.n. str. 2 (de dag die aanbreekt) geeft aanleiding te vermoeden dat hier vrij wat oosterse mystiek meespeelt.
d. verrijking?
Nee, niet doorzichtig-bijbels.
Lied
203: Die in de dood gebonden lag
De Reformatie, jrg.75, pag.773, 952
Nader Bekeken, jrg.6, pag.37
alg:Vlakke en onschriftuurlijke tekst over de betekenis van het lijden van Christus. Satan is uit beeld gehouden!
vs 2 r.1,5-7 “Geen die de dood bedwingen kon, geen enkel mens op aarde (…) zo kreeg hij ons in zijn macht en heeft ons in zijn rijk gebracht en hield ons daar gevangen” de dood heeft hier ten onrechte de plaats ingenomen van satan!! “Hallelujah” is hier als refrein misplaatst.
vs 3 r.1,3 “Toen heeft Gods Zoon ons hulp verschaft (…) en wees zonde en verzoeking af”: vlakke weergave van het verzoenend lijden van onze Heiland
r.6 “heeft de dood ontnomen al zijn rechtsmacht en geweld (…) hij moest de sleutels van de hel in Christus’ handen laten” Hier moest staan satan of zondemacht i.p.v. dood.
vs 4 r.5-7”Hij die onze bondgenoot geworden is, heeft in zijn dood de dood voor ons verslagen” bondgenoot moet verlosser zijn, dood moet zijn satan
a. Weergave van het evangelie is hier en daar verzwakt.
Couplet 3:'ons hulp verschaft./Hij (...) wees zonde en verzoeking af/en heeft de dood zijn macht ontnomen'.
couplet 4:'Hij die onze bondgenoot is'.
Dit is in de plaats van: 'Hij die in onze plaats de schuld heeft gedragen, de zonde weggedaan en daardoor de dood zijn macht ontnomen'.
Couplet 5:'die aan het kruis in de duisternis/zichzelf heeft prijsgegeven'
Dit is in plaast van 'die zich uit liefde voor ons heeft overgegeven'.
b. Het lied zou aan schriftuurlijke duidelijkheid winnen als er bijna overal waar 'dood' staat 'duivel' wordt gelezen. Bijv. in couplet 3: 'en heeft de dood ontnomen al zijn rechtsmacht en geweld; hij moest de sleutels van de hel in Christus handen laten'.
c. Het hallelujah in couplet 2 is misplaatst.
Een lied van Luther ("Christ lag in Todesbanden", EKG 76), vertaald door Ad den Besten.
"Het heeft een sterk verhalend karakter". "Dat Luther zich de opstanding van Christus zó gedacht heeft en niet - althans zeker niet in de eerste plaats - als een soort garantie voor een menselijke onsterfelijkheid, is opmerkelijk. Het gaat hem om de bevrijding van allen, die in hun deplorabele staat van slavernij aan de doodsmacht hun enige hoop op Christus hebben gesteld" (AdB in Comp.) - opmerkelijk!
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 2: tegenstrijdig, zo'n strofe gevolgd door 'halleluja'!
str. 3: "wees zonde en verzoeking af en..." - je krijgt de indruk dat het afwijzen van de zonde al voldoende was om de dood zijn macht te ontnemen; zo is het niet! Luther:
"und hat die Sünd abgetan,
damit dem Tod genommen
all sein Recht und sein Gewalt".
str. 4: "een strijd... die dood en leven streden"
(Luther heeft dit ook) - ja? Het was toch Christus die duivel en dood overwon? Maak je daar een strijd tussen leven en dood van, dan dreig je van Christus symbool van het leven te maken. Hij is wel 'het leven', maar je moet het niet omkeren.
"Hij die onze bondgenoot geworden is"
- klinkt me wat te modieus in de oren.
"Zijn bloed is aan onze deur"
- het kan wel, als beeld; toch aarzel ik.
"Dit is het maal... der ongezuurde broden.
Wij doen het oude zuurdeeg weg"
- idem. Is het wel duidelijk genoeg wat hier bedoeld wordt? (onze deur - Luther: 'het geloof houdt de dood dat bloed voor'; het ongezuurde brood van reinheid en waarheid t.o. het zuurdeeg van slechtheid en boosheid - I Kor. 5 : 8).
Lied
207:
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.655, jrg.76, pag.563
Een kijkspel. Verder een lied waar zo weinig in staat dat je er kwaad noch goed van kunt zeggen.
Lied
208: De Heer is waarlijk opgestaan
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.582
Schriftuurlijkheid
a. Couplet 2:'wanneer Hij niet was opgestaan, dan zou de wereld zijn vergaan'.
De bijbel zegt het anders: dan waren wij nog in onze zonden en was ons geloof vruchteloos, dan waren wij de beklagenswaardigste van alle mensen (1 Kor. 15). Dit couplet klinkt 'overdreven' dramatisch, daardoor minder klemmend. Dat de wereld zou zijn vergaan is een verzinsel dat strijdt met 2 Petrus 3: 10.
b. Couplet 4 - 17 speelt de ontmoeting van engelen, vrouwen en Petrus bij het graf. Wat zoet (ach goede engel, heb dank, o engel, voor uw woord) en daardoor onecht. In vers 4 en wat er volgt krijgen we Marcus 16 opgedist als een ballade. De vrouwen gaan een conversatie aan met de engel, die niet strookt met wat we uit de Bijbel weten. Verschijningen van engelen zijn heel indrukwekkend. Met hen heb je geen zoetsappig gesprekje. De vrouwen gaven niet gedwee gahoor aan de instructie (vs 16: 'wij haasten ons, dat elk het hoort'). Integendeel, zij zijn (Marcus 16 : 7, 8) sidderend en met ontzetting gevlucht en zeiden niemand iets tot later (Lucas 24 : 9).
c. Het
hallelujah is in de coupletten 2, 4, 5, 8, en 12 ongepast. Als voorbeeld in
couplet 2: 'dan zou de wereld zijn vergaan. Hallelujah, hallelujah!'.
d. Het lied geeft de indruk dat er een toneelstuk wordt opgevoerd.
Beoordeling en conclusie
Wij wijzen ook dit gezang af. De coupletten zijn niet afzonderlijk bruikbaar, zij verleiden tot het opvoeren van een rollenspel, waarin vrouwen, Maria en de engel het zicht op de opgestane Heiland belemmeren. Zesenzeventig keer halleluja doet daar niets aan af.
alg: Dit is geen kerklied maar een soort ‘musical’ met verschillende partijen die een aantal getuigen vertolken, de verhalen van het gebeurde op de paasmorgen.
vs 16 “Heb dank, o engel, voor uw woord (…) wij
haasten ons, dat elk het hoort” Dit stemt niet overeen met de Schrift De
vrouwen gaven zeker niet gedwee gehoor aan de instructie van de engelen. Integendeel!
Marcus 16:8 zegt: “En zij gingen naar
buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar
bevangen en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd” Pas later vertelden zij aan de elven en de
anderen (Lucas 24 : 9).
We moeten eerbiedig omgaan met de naam
van de Here. In het Hebreeuws is de lofverheffing, het Hallel. De lofverheffing
van de Here is dan Hallel-JHWH of Hallelu-JaH.
Vanaf ps.104 komen we dit in 15 psalmen tegen, waarvan in 7 psalmen 2
keer. Als alle lof in ps.150 losbreekt,
laat de Heilige Geest toch niet meer dan 2 keer het heilige Hallelu-JaH
horen. Het betreft de hoogheilige Naam
van God. De Heilige Geest leert ons daar ingehouden en met eerbied mee om te
gaan. Maar zo doet het Liedboek dat niet.
Het Hallelu-JaH geroep is soms wel heel overvloedig bijv. in lied 207:
12x, lied 212: 40x, lied 213: 18x en in lied 208: zelfs 76x. Het wordt hierin zelfs als stopwoord
gebruikt: rechtstreeks zonde tegen het 3e gebod.
Lied
213: Lof zij God in de hoogste troon
De Reformatie, jrg.74, pag.565
Een vertaling door Ad den Besten van "Gelobt sei Gott im höchsten Thron" (EKG 79) van Michael Weisse. Evenals 208 te herleiden tot "Surrexit Christus hodie" (14e eeuw), op str. 5 en 6 na. Zie ook 3.3.1, laatste voetnoot.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 4: "de dood heeft voor het eerst gebeefd" - waar staat dat?
str. 6: gebenedijd - is dat woord bekend genoeg?
Het veelvuldig Halleluja onderbreekt ook hier gedurig het doorgaande betoog, al is het niet zo storend als in Gezang 208.
Bruikbaar zijn de verzen 1, 2, 5 en 6. Het oude woord 'gebenedijd' in vers 6 nemen we dan maar voor lief.
Dat de engel gezegd zou hebben 'de dood heeft voor het eerst gebeefd' is ons niet overgeleverd. De dood is geen persoon en als hij dat al was dan zou hij zijn Meester al menig keer eerder hebben ontmoet.
Lied
215: Christus, onze Heer, verrees
De Reformatie, jrg.
‘Heilge dag na angst en vrees.’ Is dat waar? Voor wie? Waarom? Waar staat dat?
‘bracht ons in Gods’ vrijheid thuis.’ In Gods’ vrijheid? Waar staat dat? Waarom worden onze zonde en Christus’ verzoening daarvan verzwegen? Hier wordt zó versimpeld, dat de volledigheid verloren gaat.
‘Dat Hij zondaars ’t leven gaf.’ Omdat hier versimpeld gesproken wordt (zoals in 1) kan hier gemakkelijk de alverzoening ingelezen worden en de antithese verzwegen worden.
In eerste regels bevestiging 2e vers. ‘Nu is Hij der heemlen Heer.’ Hier wordt onnodig Matt. 28:18 versmald: alle macht in hemel en op aarde. ‘Engelen juublen Hem ter eer.’ Hier wordt de vorige onjuistheid bevestigd. Engelen zijn in de hemel en zo…
Oorspr. een Engels lied naar een Duits voorbeeld. In het Engels is er nog een vierde strofe, die een doxologie bevat.
Verschil met de versie NH 1938: "Die ten dode ging..." werd "Die verhoogd werd..." (vgl Joh. 3 : 14, 8 : 28 en 12 : 32).
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: "verhoogd" is m.i. een verbetering (wrsch. van Barnard); "bracht ons in Gods vrijheid thuis" - is dat correct gezegd? zijn wij nú al 'thuis', en wat is bedoeld met 'Gods vrijheid'?
str. 2: "dat Hij zondaars..." - taalkundig wat moeilijk aan 't voorgaande verbonden.
str. 3: "Maar" is niet logisch; ik had eerder 'want' verwacht.
alg: Door versimpeling mist dit lied de diepgang van de paasliederen die wij in ons Geref. kerkboek bezitten. Het is daarom een verarming.
vs 1 r.3 ”Heilge dag na angst en vrees” De dag vóór de opstanding is meer een dag van verdriet voor de discipelen geweest dan van angst en vrees
r.7 “bracht ons in Gods vrijheid thuis” Omschrijving die door versimpeling onvoldoende “het koninkrijk van God” in beeld brengt, vergelijk b.v. Joh.14:2: ”In het huis mijns Vaders zijn vele
woningen”
vs 3 r.5-8 “Nu is Hij der heemlen Heer, halleluja, Englen juublen Hem ter eer,
halleluja” Christus die “alle macht in hemel en op aarde” kreeg, krijgt in
dit lied niet de juiste lof toegezongen. Christus is wel koning van een
koninkrijk der hemelen, maar dat betekent dat Hij daar nu zijn zetel heeft. Hij
is daarvanuit Koning van hemel en aarde. Door alleen op het juichen van de
engelen te wijzen wordt tekort gedaan aan zijn glorie: de lof van mensen die de
engelenzang versterken.
Mat.28:18 wordt versmald. (str.3)
Lied
221: Wees gegroet gij eerstling der dagen
De Reformatie, jrg.74, pag.654
Schriftuurlijkheid
a. Het in het couplet 2 genoemde 'in uw kruisdood meegekruisigd sterven' is niet naar de schrift. De gelovigen behoeven niet meegekruisigd te sterven. Christus heeft eenmalig de kruisdood ondergaan en volbracht. Naar Gal 2: 20 en Gal 5: 24 moeten wij onze zondige verlangens en niet onszelf kruisigen. De kern van het Christelijk geloof is dat we door Hem weer leven.
Taalgebruik
Is wel erg ouderwets. Zoals in couplet 1: 'Van der zaalgen sabbatsvree' en in couplet 2: 'duizendwerven' en 'Schoon eerlang 't oog ons breek' uit couplet 3.
Beoordeling en conclusie
Afgewezen vanwege onschriftuurlijke elementen en vanwege het zeer ouderwetse taalgebruik. Voor kinderen is dit een onbegrijpelijke taal.
alg: onschriftuurlijke gedachte over de kruisdood van Christus
vs 2 r.5,6 “leer ons duidendwerven, in uw kruisdood meegekruisigd sterven” verdraagt zich niet met Gal. 2:20, 5:24: Christus offer is uniek en eenmalig. De dagelijkse afsterving van de oude mens (H.C. zondag 33) is iets anders dan dat wij daarin opnieuw met Christus meegekruisigd zouden worden.
vs 3 r.6,7 “als we onsterflijk uit de dood verrezen, knielen voor uw dankaltaar”
wat is knielen voor uw dankaltaar in dit verband, lijkt ons geen
schriftuurlijke gedachte.
Oorspr. 'zondagslied', gedicht door J.J.L. ten Kate. Het is het vierde van zes liederen die hij speciaal gemaakt heeft voor huisdiensten op Steenbeek, een "asyl voor uit de gevangenis ontslagen en aan de prostitutie ontrukte meisjes", opgericht en geleid door ds. O.G. Heldring.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Nogal ouderwets-gezwollen taal, zoals
"deel ons zelf de voorsmaak mee
van der zaalgen sabbatsvree",
"werpen wij het doodskleed af!
Door de kracht uws Geestes uitgedreven,
treden we uit ons zondengraf.
Leer ons daaglijks, leer ons duizendwerven...",
"en schoon eerlang 't oog ons breek'".
str. 1: "Wees gegroet" zeggen tegen een dag... - vat het maar op als een stijlfiguur. Na de eerste zin is het lied een gebed tot Christus.
str. 2: kun je dat zeggen: "leer ons daaglijks in uw kruisdood meegekruisigd sterven en achter u ten hemel gaan", als je (wrsch) dagelijkse bekering bedoelt? Naar de hemel gaan we immers pas na ons (lichamelijk) sterven; de hemel vind je hier op aarde niet, alleen de voorsmaak. "Meegekruisigd" gaat ook erg ver.
str. 3: beeldspraak in de sfeer van het kerkelijk jaar "deez' aardse lijdensweek" voor ons leven hier - gaat de identificatie met Christus niet, evenals in het vorige citaat, wat te ver? 1Petr.1:3-9
b. boodschap van het lied:
Gebed tot Christus, de opgestane, om de voorsmaak van de eeuwige vreugde die Hij voor ons verworven heeft; het stellige vertrouwen uitgesproken, dat Hij die geven zal.
c. beoordeling:
De taal is wel erg uitbundig 19e-eeuws; voor onze jongere generaties heel ouderwets tot onbegrijpelijk, en overigens ook wel gezwollen. Ik heb moeite met de uitwerking in str. 2 van een overigens zeer bijbelse gedachte van de dagelijkse bekering.
d. verrijking?
Ik denk het niet, alleen al om het taalkleed.
Str.1,r.5: trooster aller samrten, zon
der wereld >> Mal.4:2: zon der gerechtigheid, Joh.8:12 het Licht der
wereld. Beter r3: door wiens werk en
r6: Licht der wereld.
Laatste 2 regels > gericht op ons ten
behoeve van ons. Maar: Geestelijke
liederen uit de schat van de kerk der eeuwen (lied 65): zij de rustdag U
gewijd, weerglans van uw heerlijkheid. > gericht op de rustdag U gewijd.
Str.2, r.5,6: moeten wij dagelijks
meegekruisigd sterven? Vgl. Gal.2:19,20
en Gal.5:24
Knielen voor uw dankaltaar >> is
dat er? Openb.21:22 dan: Amen, Jezus maak het waar!
Geestelijke
liederen u.i.s.v.d.k.d.eeuwen
heeft: mogen zien Uw aangezicht, leven
in Uw licht.
Lied
225: Zingt voor de Heer een nieuw gezang
De Reformatie, jrg.74, pag.373, 646
Het is niet schriftuurlijk te zingen: “Een lied van uw verwondering, dat nòg uw naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is, uit water en uit duisternis” (Vers 3). Wij zijn opnieuw geboren door de verzoening van Christus en de vernieuwing door Zijn Geest, uit water en uit Geest. Wij zijn niet geboren uit duisternis, de duisternis is in de bijbel beeld voor de zonde en de duivel.
alg: Christus komt niet duidelijk in beeld. Mistige omschrijving van wedergeboorte. Is niet ondubbelzinnig schriftuurlijk en geeft de kerk geen heldere belijdenis in de mond. Christus’werk niet bij name genoemd.
vs 3 “Een lied van uw verwondering, dat nòg uw naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is, uit water en uit duisternis” dit vers is onduidelijk, kennelijk is “uw naam” niet de in vs 1 aangesproken Heer, maar het volk Israel cq de NT kerk. Maar dan blijft geboren ‘uit water en uit duisternis’ op zijn minst zeer onduidelijk. Is dit het beeld van de Rode Zee, die de doop heeft aangeduid? Maar als dit zo is, waar is dan het werk van onze Here Christus gebleven in dit lied??
vs 5 “Wij
zullen naar zijn land geleid doorleven tot in eeuwigheid” ademt teveel geest van alverzoening
Symbolisch lied met symbolen. Dat de
vervulling er is ontbreekt. Maar Joh.16:5-14 vraagt wat anders.
Water uit steen > 1 Cor.10:3-5 –
gedenken, herbeleven naar kerkelijk jaar?
We zijn opnieuw geboren door water en
geest. Joh.3:5. Uit duisternis (strofe
3) is beeld van zonde en duivel.
God doet geen tekenen van gerechtigheid,
maar werk gerechtigheid: ps.7:18, jes.63:1, 64:5.
Lees Joh.16:5-15 wat de Geest werkt,
(i.p.v. dat de Geest ons aanvuurt de tekens te verstaan).
Barnard hecht aan beeldverhalen en
oergelijkenissen.
Lied
228: Ten hemel opgevaren is
De Reformatie, jrg.74, pag.684
Een eenvoudig hemelvaartslied, wrsch. uit de 15e eeuw; Latijn: Coelos ascendit hodie", Duits: Gen Himmel aufgefahren ist" (EKG 92). Bij de psalm genoemd in str. 3 kan men vooral denken aan Psalm 110.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Eén probleem: de term Drievuldigheid (zie bij 165 en 253); de Duitse tekst heeft "Dreieinigkeit".
b. boodschap van het lied:
Christus, onze Heer en Koning, is naar de hemel opgevaren en zit nu aan Gods rechterhand, zoals voorzegd was. Wij loven Christus, wij loven de dieënige God.
c. beoordeling:
Een mooi lied, met helaas een dubieuze terma als 'Drievuldigheid' erin.
d. verrijking?
Hangt ervan af hoe we tegen die term aankijken.
Lied
234: Al heeft Hij ons verlaten
De Reformatie, jrg.73, pag.778, jrg.74,
pag.707
alg: mist het werk van de Heilige Geest, terwijl daardoor juist Christus bij ons is gebleven. Het is alsof het tussen hemelvaart en pinksteren is blijven steken. De vrucht van de hemelvaart komt onvoldoende tot uitdrukking.
vs 1 r.5 ‘als zonlicht om de bloemen' is enigszins vreemd.
Schriftuurlijkheid
a. Het eerste couplet mist het werk van de Heilige Geest, terwijl daardoor juist Christus bij ons is gebleven. Het is alsof het tussen hemelvaart en pinksteren is blijven steken. De vrucht van de hemelvaart komt onvoldoende tot uitdrukking.
b. Het beeld 'als zonlicht om de bloemen' is enigszins vreemd.
c. Couplet
2 is mooi.
Beoordeling en conclusie
Couplet 1 is onjuist. Hierdoor kan het lied niet toegevoegd worden.
Zie ook zo.18 HC en strofe 1: wat wij in Hem bezaten – Classis Dordt/Gorinchem: hierbij moet niet gedacht worden saan Jezus lichamelijke tegenwoordigheid, zoals de roomsen dat menen dat Hij nog altijd om ons heen is (in de hosite, op het altaar) maar de dichter bedoelt Jezus liefde (zie r.8: zijn wij door hem bemind) Dat die liefde geldt voor wie Zijn Woord bewaren en Jezus liefhebben, komt niet aan de orde.
Lied
240: Kom, Heilige Geest, Here God
De Reformatie, jrg.
Nader bekeken, jrg.5, pag.45
Wat abstract zoetig taalgebruik (heilge gloed, zoete troost…). Door deputaten Kampen 1975 (Acta, blz. 360) werd de bede “Kom Schepper God, o heilge Geest…..” onschriftuurlijk genoemd. Dit is later nooit weersproken.
Beoordeling en conclusie
Afwijzen
alg: Door de dep. van de synode Kampen 1975 (acta blz. 360) werd de bede “Kom Schepper God, o heilige Geest” (in lederen 237-240) onschriftuurlijk genoemd. Er wordt gevraagd om de neerdaling van de Heilige Geest. Dit is echter al 2000 jaar geleden gebeurd. Als de kerk nu het Pinksterfeest viert dan hoeft de Heilige Geest niet opnieuw te worden uitgestort. Dit lied is een weergave hoe men in de moderne theologie de heilsfeiten beleeft.
vs 1 r.3,4 “tot al wat wij zijn, geest, ziel en bloed, ontvlamt en staat voor u in gloed” dichterlijke vrijheid die door onduidelijkheid niet bijdraagt aan schriftuurlijk verstaan van het werk van de Heilige Geest.
vs 2 r.1 “Gij heilige zon, hemels schat” lijkt ons onschriftuurlijke benaming van God de Heilige Geest
vs 3
r.1 “Gij heilige gloed, zoete troost” eveneens onbijbelse benaming.
Een lied van Luther ("Komm, Heiliger Geist, Herre Gott", EKG 98), vertaald door Ad den Besten. Het is een bewerking en uitbreiding van een 12e eeuwse antifoon "Veni, sancte Spiritus" (± eerste strofe); daarvan zei Luther, "dat de Heilige Geest zelf tekst en melodie moest hebben gedicteerd".
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: "Kom..." -.
str. 3: "Gij heilge gloed, zoete troost..." vind
ik moeilijk te zingen: alsof je een eigenschap
of een ervaring toezingt.
Lied
241: Nu bidden wij de Heilige
Geest
De Reformatie, jrg.74, pag.636
alg: Vrij vlakke tekst. Benamingen van de Heilige Geest die Hij ons in Zijn eigen Woord ons niet leert. Gezien de heiligheid van Zijn Naam moeten we zorgvuldig zijn in ons spreken.
vs 2 r.2 “kostbaar licht” als benaming van de Heilige Geest, niet schriftuurlijk.
vs 3 r.3 “heilge liefde” eveneens niet schriftuurlijk.
vs 4 r.3,4 “dat wij niet versagen ten laatste dage als de vijand ons zelf komt aanklagen” Dit is een onschriftuurlijke zin. Openb. 12:10 leert ons dat de satan ons niet meer kan aanklagen, omdat Christus hem heeft overwonnen.
Ook van Luther ("Nun beten wir den Heiligen Geist", EKG 99), vertaald door Ad den Besten. Ook dit lied gaat terug op een Duitse middeleeuwse strofe, maar hiervan is het Latijnse origineel niet bewaard gebleven. Ontstaanstijd (van die eerste strofe) ± 1200. Het was zeer populair in de late Middeleeuwen. Luther liet het eerst zingen na het avondmaal. Ook heeft het (hele) lied op diverse plaatsen in de liturgie gestaan. Dus oorspr. geen specifiek pinksterlied.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Weer een gebed tot de Geest - zie 3.1.4.
str. 2: "vaderland heeft doen aanschouwen" - verzwakking t.o.v. tekst van Luther: "der uns bracht hat zum rechten Vaterland".
str. 4 is door AdB m.i. verkeerd geïnterpreteerd; hij voegt "ten laatsten dage" in, maar Luther heeft:
"dass in uns die Sinne nicht verzagen,
wenn der Feind wird das Leben verklagen".
Op de laatste dag heeft 'de vijand' toch niets meer aan te klagen!
b. boodschap van het lied:
Gebed tot de Heilige Geest om een recht geloof en een veilige thuiskomst in het Vaderland. Ook een bede om veel liefde voor elkaar en onbevreesdheid.
c. beoordeling:
De melodie is in 't begin best wel lastig, net als 240. De melodie, samen met het 'Kyrieleis', geeft het lied iets weemoedigs. Het onder 'details' genoemde weegt voor mij vrij zwaar.
d. verrijking?
'k Denk het niet.
Lied
252: Wat zijn de goede vruchten
De Reformatie, jrg.
alg: vreemde poëzie, die geen recht doet aan schriftuurlijke gegevens (boom des levens). Door de boom des levens te halen naar ‘dit aardse dal’ (vs 4 r.6) is ook hier weer de sterke suggestie van een paradijs op déze aarde.
vs 1 r.1,2 “goede vruchten, die groeien aan de Geest” ? moet ‘aan’ niet ‘door’ zijn?
vs 2 r.1,2 “geloof om veel te geven honderd-in” Wat zingen we hiermee??
vs 4 “Maar wie zich door de hemel laat helpen uit de droom, die vindt de boom des levens, de messiaanse boom en als hij zich laat enten hier in dit aardse dal dan rijpt hij in de lente tot hij vrucht-dragen zal” M.i. ongeoorloofde poëzie. ‘laat helpen uit de droom’: vlakke niet gepaste taal voor geloofsperspectief. Voorts: de boom des levens wordt hier op deze gebroken aarde ten tonele gevoerd. De Schrift kent deze boom een plaats in het paradijs, waartoe de toegang na de zondeval werd afgesloten. Pas op de nieuwe hemel en aarde wordt weer gesproken van de boom des levens (Openb. 2:7;22:2,14). Zie ook onder alg.
Lied
253: O zalig licht, Drievuldigheid
De Reformatie, jrg.73, pag.457. jrg.74,
pag.510,654
Nader Bekeken jrg.5, pag.45
Schriftuurlijkheid
a. In plaats van Drievuldigheid, in couplet 1, kan beter Drieënigheid worden gelezen.
b. De bedoeling van het beeld in couplet 1 'de grote zon verzinkt in nacht' is onduidelijk zonder historische context.
c. Ook is onduidelijk wat/wie met het licht (laatste regel van couplet 1) bedoeld wordt. Als daarmee de 'Drievuldigheid' bedoeld wordt, doet de oproep om in ons hart de wacht te houden vreemd aan.
d. In couplet 2 zijn loven en smeken merkwaardig aan respectievelijk dageraad en avond gekoppeld.
geen schriftuurlijk aanspreken van onze God drieënig
vs 1 r.1 “o zalig licht, Drievuldigheid” oneerbiedige aanroeping van de drieënige God als ‘licht’;in laats van Drievuldigheid: Drieënigheid, is echter ook geen aanspreek titel voor onze God!.
r.3 'de grote zon verzinkt in nacht' is onduidelijk en ongeoorloofde betiteling van onze almachtige God in de hemel
r.4 onduidelijk is wat/wie met het licht bedoeld wordt. Als daarmee de 'Drievuldigheid' bedoeld wordt, doet de oproep om in ons hart de wacht te houden vreemd aan.
vs 2 loven en
smeken merkwaardig aan respectievelijk dageraad en avond gekoppeld. Of speelt
hier toch de gedachte dat het waarneembare licht van God komt, maar de
duisternis van een boze macht (zie bespreking lied 1)?
Volgens Comp. is het niet waarschijnlijk dat het lied van Ambrosius komt. Het was wel al in de vroege ME een geliefd avondlied, alom gebruikt in de vespers. "In thematiek is het door en door ambrosiaans: als het aardse licht verdwijnt schijne het hemelse licht in onze harten." Uit de eerste strofe blijkt ook dat het een avondlied is.
Wat de rubricering betreft: het viel me op dat het lied in het LvK geplaatst is bij 'Trinitatis' (= 'Drievuldigheid'; zondag Trinitatis werd na Pinksteren gevierd).
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: "Drievuldigheid" - zie lied 165, 228.
"o licht, houd in ons hart de wacht" - ?
b. boodschap van het lied:
Een gebed om bewaring, en om de nooit-aflatende lof op de 'Drievuldigheid' uit onze monden.
c. beoordeling:
Bezwaar tegen die dogmatische term; klinkt net zo 'verlicht' als Opperwezen. Het is naar mijn idee daardoor een nogal afstandelijk lied; die indruk wordt alleen doorbroken door str. 3-3: "aan God de Geest die troost en leidt".
Melodie: weer een beetje lastig. En ik ben geneigd het 'huppeltje' aan eind van de regel te vroeg te nemen.
d. verrijking?
Nee.
Lied
262: 'Op, waakt op!' zo klinkt het luide
De Reformatie, jrg.74, pag.129
"Het prachtige, sterke hoornsignaal van regel 1 en 4" past goed bij de inhoud. Tekst en melodie zijn van Philipp Nicolai ("Wachet auf, ruft uns die Stimme", EKG 121, vert. door C.B. Burger) - met 157 ("Wie schön leucht't uns der Morgenstern") wel 'de koning en de koningin van de evangelische kerkliederen' genoemd.
Inhoud: vage verwijzing naar de wachters uit Jesaja 21 : 11-12; verder vooral Matt. 24 : 27-31, Matt. 25 : 1v, Openbaring 21.
T.a.v. de rubricering: het lied werd door de dichter tot Epifaniën gerekend, het LvK zet het bij Koninkrijk Gods.
CBB in Comp.: "Het zal door zijn bizarre en romantische beelden misschien bij de al te moderne jeugd van de daad verzet oproepen, maar het is op en top bijbels van structuur..."
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1 duidelijk het moment in de gelijkenis van de maagden, waarop de komst van de Bruidegom aangekondigd wordt: opstaan, het feest gaat beginnen!
str. 2 beschrijft die komst: de Heiland daalt uit de hemel neer. Vreemd is, dadelijk daarop, de roep: Kom Heiland...
str. 3: oproep tot de lof van hemel en aarde, en beschrijving van het nieuwe Jeruzalem dat uit de hoge neerdaalt.
"Zo juichen wij
en roemen blij
de glorie van uw heerschappij!":
ook hier zit ik met het dooreenlopende perspectief.
Lied
264: Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd
De Reformatie, jrg.75, pag.73
Nader Bekeken, jrg.5, pag.45
Schriftuurlijkheid
a. Jeruzalem wordt toegezongen, niet de Here. Ook verder staat de hemelse stad in het middelpunt. Christus wordt zelfs niet genoemd.
b. Het eerste couplet is verwarrend: tot en met regel 6 denk je nog aan het aardse Jeruzalem. Dan blijkt het je hart te zijn dat Jeruzalem tegemoet snelt en ga je beseffen dat het wel eens kon gaan om het hemelse Jeruzalem.
c. Het lied heeft iets verliefds.
Taalgebruik
In dit lied staan veel verouderde of vreemde taalvormen: 'met haasten en verward', 'op enenmale', 'profeten groot en patriarchen oud', 'instrumenten schoon', 'de heemlen en hun heir', 'van vreugd hier verzaad' en 'stijg u naderbij'.
Beoordeling en conclusie
Afwijzen. Dit is geen schriftuurlijk lied.
alg: In dit lied wordt Jeruzalem verheerlijkt, zonder dat de Koning van Jeruzalem, onze Here Christus ook maar één keer genoemd wordt. Een ronduit onschriftuurlijk lied
vs 4 “Gij zijt mijn doel, verheven houden stad, hoe klopt mijn hart in mij; van ’t aardse los, van vreugde hier veraad, stij ik u naderbij, weg boven aard’ en sterren. Reikt englen, mij de hand! Ik zie u reeds van verre, mijn hoge vaderland” Eén en al mystiek, waarbij de ziel en het hogere verenigd zullen worden.
Lied
267: Zalig, die in Christus sterven
De Reformatie, jrg.
Het lied doet wel pathetisch aan (past bij vroeg-romantiek).
Wel een beetje vreemd, de gestorven gelovigen aan te sporen God te loven
(strofe 3). Ook de aanduiding voor God in die strofe als Nooitbegonnen klinkt
niet goed
Lied
270: Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan
De Reformatie, jrg.75, pag.1367
vs 1 r.1-4 “Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan en ik de donkre straten der ondoordringbare nacht moet gaan – ach, wil mij niet verlaten” Deze tekst doet niet geheel recht aan het beeld dat de dood voor de gelovigen een doorgang is naar het eeuwige leven.
vs 3 r.5
“Want wat Gij leeft, dat leef ik nu
en sterf ik straks, dan sterf ik U: uw leven is mijn leven” Onschriftuurlijke gedachte dat ònze dood, die
nog moet komen, gelijk is aan het sterven van Christus. In het sterven van
Christus zijn wij weliswaar met onze zonden gestorven, maar dat is iets anders,
dan dat in ònze dood Christus’sterven is begrepen.
HS v/a 117 + doopsformulier: door Uw
beloften getroost, dit leven verlaten.
Dan sterf ik U ??
Lied
271: Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig
De Reformatie, jrg.74, pag.635, jrg.76,
pag.343
Schriftuurlijkheid
a. In dit lied wordt de vanitas, het bekende 'ijdelheid der ijdelheden' van de Prediker bezongen. Daar blijft het ook in steken. De slotzin 'wie God vreest zal eeuwig leven' is bijzonder mager om de troost over de triomf over de dood goed over te laten komen.
b. De inhoud van dit lied komt over als een filosofie over het doodlopen van het leven.
c. Dit lied kan ook in geen enkel opzicht de vergelijking doorstaan met Psalm 102, 77 en 88. Deze psalmen klagen vanuit de diepte, over het doodlopen van het leven. Daar wordt de nood persoonlijk beleefd en uitgeschreeuwd. Wat ook in dit lied gemist wordt is de aanroep tot de Here, de verwachting van Hem, en het beroep op Gods trouw.
alg: dit onpersoonlijke lied blijft (bijna) steken in een algemene woorden over “ijdelheid der ijdelheden”; de enige uitkomst uit ‘de ijdelheid’ wordt geboden in het allerlaatste vers: “wie God vreest, zal eeuwig leven.” Dit is te mager om de bemoediging van het evangelie goed te laten doorklinken. Het lied mist de roep tot de Here, de verwachting op Zijn uitkomst en het beroep op Zijn belofte en trouw, zoals die b.v. in de rijke psalmen 77,88, en 102 doorklinken. Ook valt de noodzakelijke lofprijzing op Gods uitkomst weg in dit lied. Daarom is de inhoud van dit lied schraal.
Een 'vanitaslied' (vanitas = ijdelheid, vergankelijkheid) uit de tijd van de Dertigjarige Oorlog, geschreven door Michael Franck ("Ach wie flüchtig, ach wie nichtig", EKG 327) en vertaald door Ad den Besten. Vanitas, dat was het levensgevoel van de mensen in die tijd. Dat lied was dan ook zeer populair. Alleen aan het eind komt God ter sprake, als de enige die er wél toe doet.
"Géén lied, waarvan ik me voorstel dat het vaak zal worden gezongen!" (AdB)
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
-
b. boodschap van het lied:
Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig is het leven, de vreugde, de schoonheid, het geluk, de rijkdom en de glorie van de mensen. Maar wie God vreest zal eeuwig leven.
c. beoordeling:
Inderdaad een lied vol dood en vergankelijkheid, met alleen aan 't eind die ene regel: "Wie God vreest zal eeuwig leven". Nogal onevenwichtig!
Rubricering bij 'eindtijd en eeuwig leven' past bij de toespitsing '(hoofd omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet') die het lied waarschijnlijk bedoelt. Eeuwig leven is echter niet alleen een zaak van het hiernamaals. Maar wanneer dit lied en andere in deze rubriek in díe richting geïnterpreteerd moeten worden, is de combinatie 'eindtijd en eeuwig leven' niet terecht; dan zouden deze liederen beter op hun plaats zijn in de laatste rubriek.
d. verrijking?
Nee. We hebben verscheidene psalmen die hetzelfde veel
rijker verwoorden. Bijv. Psalm 73 en 102.
Lied
281: Jezus zal heersen waar de zon
De Reformatie, jrg.
alg: In dit lied lijken drie episoden in de heilshistorie door elkaar gebruikt: de tijd vóór Christus’koningschap (dus voor hemelvaart), de laatste bedeling met Christus’koningschap (de tijd waarin wij levene) en de eeuwige volmaakte heerlijkheid, wanneer Christus het koningschap heeft overgedragen aan zijn vader (na de jongste dag). Een duidelijk schriftuurlijk heilshistorisch perspectief naar de toekomst wordt daarom in dit lied gemist. Het wijst meer op een paradijs op déze aarde.
vs 1 “Jezus zal heersen” Dit is in de toekomende tijd gesteld, maar lijkt gezien vs 4 te slaan op de tijd na de geboorte van Christus (“stem met het lied der eng’len in)? Dus dit zingen we vóór zijn geboorte?
vs 3 r.1“Zijn rijk is volle zaligheid” Zijn
rijk: volgens vs 1 slaat is dit rijk op deze aarde. Maar hier kent
Christus’rijk nog geen volle zaligheid! Die komt wanneer Christus alle
heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben bij de bruiloft des
Lams (1 Cor. 15:24, Openb. 22:3) Onze tijd is echter het begin van deze
heerlijkheid voor wie kinderen van Christus zijn.
r.2-4 “wie was gevangen wordt bevrijd, wie moe was komt tot rust voorgoed,
wie arm was leeft in overvloed” De
inhoud van de zaligheid blijft in dit lied aardsgebonden: het is bestemd voor
gevangenen, vermoeiden, armen. De schriftuurlijke diepgang van zondag 48 (
m.b.t. de bede “uw koninkrijk kome”) wordt ten enenmale gemist.
Lied
284: O lieve Heer, geef vrede
De Reformatie, jrg.74, pag.635, 1027
alg: Dit lied ademt de sfeer van paradijs op deze aarde en horizontalistische vrede
vs 3 “Laat niet de goddelozen op aarde koningen zijn! (…) Dat zal een land van vrede van melk en honing zijn!”
De ware vrede met God door de verzoening van onze zonden door het offer van Christus blijft buiten beeld
O lieve Heer is m.i. niet schriftuurlijk. In str.1 lijkt het alsof de profeten alleen maar van vrede hebben geprofeteerd. Wat met: str.2 doe onze ogen stralen doe ons het hart ophalen en str.3 laat ons uw land betreden? Str.1: Christus en al de zijnen versmaad hun smeken niet. Is Chr. Het stralende middelpunt? De aandacht richt zich op vrede, melk en honing. Daarmee horizontalistisch van karakter.
Classis Dordt/Gorinchem: hart ophalen klinkt platvloers (str.2r2) en Chr. Verschijnt niet voor god om vrede te smeken, maar om voor de zijunen te pleiten op grond van de door Hem vrworven vrede.
Str.3, r.4-6: waarom OT kenmerken ipv NT beloften uit Openb.21:1-8?
Prof.dr.K.Deddens: Nergens vindt men het verbond des HEEREN in Zijn belofte én in zijn dreiging terug.
Lied
285: Geef vrede, Heer, geef vrede
De Reformatie, jrg.73, pag.1005, jrg.74,
pag.654
Reformanda jrg.8, pag.548
alg: Dit lied ademt de sfeer van universalisme, horizontalisme, en pacifisme.
vs 1 r.4,5 ”de sterkste wint het pleit. Het onrecht heerst op aarde , de leugen triomfeert”de antithese tussen vrouwen-zaad (kerk) en slangenzaad (wereld) ontbreekt maar: wel wordt tegenstelling aangewezen tussen verdrukten, verachten enerzijds en machtigen, hooghartigen anderzijds
vs 2 r.3,4 “er wordt zo veel geleden, de mensen zijn zo bang” “o Jezus Christus, luister en laat ons niet alleen!” hiervoor geldt hetzelfde als hierboven opgemerkt: de bijbelse antithese ontbreekt; er wordt niet opgeroepen tot een bekering van onze zonde tot Christus, maar solidariteit met de verdrukten wordt gevraagd
vs 3 r.1,2 “Geef vrede, Heer, geef vrede, Gij die de vrede zijt” in dit lied geen plaats voor een bevrijding door Christus’ lijden van zonde en dood, maar via Christus is er bevrijding van moeite en onrecht mogelijk
vs 3 r.4 “gestreden onze strijd” vs 4 r.4 “Heer (…),deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart” geen plaatsvervangend lijden door verzoening (van de straf)maar het werk van Christus gaat op in het volbrengen van gehoorzaamheid (strijd) door Christus
vs 3 r.5,6 “opdat wij zouden leven bevrijd van angst en pijn”: het koninkrijk Gods is niet de verloste kerk van Christus, met de bruiloft van het lam in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde als perspectief, maar: een vrede op déze aarde
vs 3 r.7,8 “opdat wij (…) de mensen blijdschap geven en vredestichters zijn”: het heil is niet voorbehouden aan de duurgekochte kerk van Christus, maar de vrede geldt voor alle mensen; de kerk is hierbij een middel, gaat de wereld voor in het heil, de vrede
vs 3,4 in het centrum van de toekomstverwachting staat niet Christus, maar: begrippen als liefde, vrede en licht beheersen het toekomstbeeld
Jes.28. vgl. vrede van Joh,14:27 met mat.10:34, Op.22:11, Op.8:1-3, Gen.3:15, Ps.122, Fil4:7.
Elke
ongelovige kan str.1 meezingen. >> schrift. Antithese ontbreekt. V/a 123 HC:
Lied
287: Waartoe geploegd, als ’t zaad
De Reformatie, jrg.74, pag.635, jrg.76,
pag.438
alg: Bij de klacht over de ijdelheid van onze werken missen wij de beloftevolle oproep dat onze hoop op de HERE gericht mag zijn. Dan zullen wij in de weg van geloofsgehoorzaamheid onze HERE mogen dienen: “te allen tijde overvloedig in het werk des HEREN” (1 Kor. 15:58)
vs 3 “Verkeer de vloek in zegen, opdat wij als weleer bewonen zonder pijn een aarde, waar wij weer gelukkig kunnen zijn” Hier krijgt de onschriftuurlijke verwachting van een vrederijk op déze aarde weer de boventoon.
Lied
288: Eens komt de grote zomer
De Reformatie, jrg.75. pag.48
alg: In dit toekomstbeeld aangaande de jongste dag (vs 2, r.6) is geen plaats voor Gods oordeel.
vs 1 r.3,4 “God zal op aarde komen met groene eeuwigheid (…) De hemel en de aarde wordt stralende en puur,” Dit is niet hetzelfde als een nieuwe hemel en een nieuwe aarde? Waar is het oordeelsgericht bij Christus / Gods komst op aarde gebleven?
vs1 r.7,8 “God zal zich openbaren in heel zijn kreatuur” Waar staat in dit lied dat de hemel en de aarde brandende zullen vergaan?
vs 4 r.1,8
“Ook ons zal God verlossen (…) van ‘t
lijden aan de tijd” Wat is ‘t
lijden aan de tijd voor Gods kinderen??
Prof.dr.K.Deddens zegt daarvan: de taal
is sterk verwijderd van de Schrift.
In dit lied wordt gesproken van de groene
eeuwigheid van het schone koninkrijk dat geen woord kan bereiken van God die
ons middelpunt heet.
Lied
290: Er is een land van louter licht
De Reformatie, jrg.74, pag.635,723
alg: Dit lied gaat over het beloofde land. Voor ons zou dit de nieuwe hemel en de nieuwe aarde moeten betekenen. In dit lied worden Kanaän en de Nieuwe hemel en aarde door elkaar gebruikt. Tegelijk worden verleden en toekomst in de tegenwoordige tijd gesteld: “Er is” (vs 1. r.1), “Daar is” (vs 2, r.1), “Men ziet” (vs 3,r.1). Deze en andere ongeoorloofde dichterlijke vrijheden in vers 4-6, doen tekort aan een schriftuurlijke visie over onze weg naar de eeuwige heerlijkheid.
vs 4 “Maar ach de stervelingen staan hier
huiverend terzij, en durven niet op weg te gaan, het duister niet voorbij”
Onbegrijpelijke taal zonder schriftuurlijke basis: zijn ‘de stervelingen’ (alle mensen) bang om naar de hemel te gaan?
vs 5 “Hing niet het wolkendek zo zwart van twijfel om ons heen, wij zouden ‘t land zien van ons hart dat ‘s hemels licht bescheen” Opnieuw vreemde dichterlijke taal, die geen schriftuurlijke grond kent.
vs 6 r.1 “God, laat ons staan als Mozes hier” De betekenis ontgaat ons, en is niet te herleiden tot gegevens uit Gods Woord
r.3 “en geen Jordaan, geen doodsrivier” in LB lied 6 (vs 5, r.7) heet de Jordaan nog levensjordaan! Dit
zijn dus wel erg willekeurige benamingen voor deze rivier.
Tekstkarakter
In de eerste vier versen ligt het accent op het angsaanjagende van de dood als barriere tussen nu en straks. Men ziet (met het oog van het geloof) wel het land aan de overkant, zoals Israel het beloofde land zag (met het natuurlijke oog) (vers 3). Angst voor de dood (vers 4). Lijkt echter weer samen te gaan met twijvel over de goede aankomst (vers 5). Vandaar het gebed (vers 6) om als Mozes in het licht te staan (het belofde land nu al te mogen zien.
Zo laat dit lied ons slingeren tussen hoop en vrees en zijn we pas dan getroost wanneer wij “het land van ons hart” van uit de verte te zien krijgen, blijkbaar als toegift op het geloof, zoals mozes kanaan zag, waar hij nu juist niet in mocht? Wie kan deze vergelijking begrijpen?
Verder wat de beschrijving van het land aan de overkant in vers 1-3 betreft: Het lijkt alsof de aankomst aan de overkant van de doodszee samenvalt met de herschepping van alle dingen. Met de periode van duizend jaar (Open. 20) is geen rekening gehouden. Verwijzingen in dit lied naar Openbaringen 21, hebben immers betrekking op de nieuwe hemel en aarde en het nieuwe Jeruzalem. Wij menen dan ook dat met dit gezang een geliefd, maar ongegronde voorstelling van het leven in de hemel in stand gehouden wordt.
Verder is opvallend dat ondanks de relatie met Openbaringen 21, de daarin centraal staande namen van God en het Lam als bron van heerlijkheid en licht ontbreken.
Wanneer we het geheel overzien zijn we er niet van overtuigd dat het eigen karakter van de bijbeltekst behouden is gebleven.
Hiaten met zo.48 HC >>
Open.22:17,20
Mozes mocht het beloofe land wel zien,
maar niet de Jordaan oversteken (str.6)
Zie ook commentaar Classis Dordt: Dit
romanitsche sprookjeslied past niet in ons kerkboek.
Prof.dr.K.Deddens zegt daarvan: meer dan
één gezang is zonder meer van mysticistische of piëtistische oorsprong met alle
kenmerken ervan zoals wereldmijding, hemelverlangen, individualisme, scheiding van
Woord en Geest en dergelijke.
Lied
293: Wat de toekomst brenge moge
De Reformatie, jrg.74, pag.655,974,991
Een zeer geliefd lied. “Leer mij volgen zonder vragen”, klopt dit? De psalmdichters vragen wel! (psalm 43: 2 onberijmd, 77: vers 3 berijmd). “Loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land” (vers 4). Dit roept terecht weerstand op. Is de dichter Unitariër, de naam van Christus Jezus wordt niet genoemd.
Beoordeling en conclusie
Afgewezen
alg: zeer geliefd gezang met prachtige tekstregels, helaas zijn er een aantal storende elementen:
vs 1 r.5 “Leer mij volgen zonder vragen”
vs 2 r.6 “Zie ik vraag u niet: waarom?” Is het de wil van de HERE dat wij Hem geen vragen mogen stellen? Wij mogen geen ongelovige vragen hebben. Maar zeker wel vragen zoals de dichters van de Psalmen die hadden en ons op de lippen leggen zoals b.v. in Ps 10:1,13; 22:2; 43:2; 74:1; 77:8; 88:15; 89:47 en andere)
vs 4 r.3,4 “Loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land” ‘gesloten ogen’ kan alleen betekenen dat wij
geen zorgen moeten maken voor de toekomst (r.1). Maar tijdens het lopen moeten
we onze ogen wel degelijk open houden (vergelijk vs 3 r.3).
Lied
294: Laat komen, Heer, uw rijk
De Reformatie, jrg.74, pag.147
alg: wazig lied over het ‘beloofde land van God’ Het lied is een mix van O.T.verlangen naar het land Kanaän (vs 2,3)
en het N.T. verlangen naar … een paradijs op aarde (vs. 4, r.4 ‘in deze wereldtijd’)
vs 2 r.3 “waar liefd’ en lofgezang verdrijven leed en dood” Dit is een niet schriftuurlijke dichterlijke vrijheid: Onze lofzangen verdrijven de dood niet, op geen enkele manier. Christus verdrijft tenslotte de dood als laatste vijand en dàn komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ( 1Kor. 15:26; Openb. 21:4)
vs 8 “O Ster van Gods Verbond” niet
schriftuurlijke aanspreektitel van Christus.
In dat geval liever huidige gezang
32,30,20,22,23,24,25 en 26a. Wat
betekent Israël hier?
Classis Dordt: str.2,3 wekken sterk de
indruk dat het herstel van Israel en Jeruzalem in het aarde land Kanaan
verwacht wordt.
Str.4 gaat over vrede in deze
wereldtijd. Nadruk ligt op de ellende
hier op aarde. Nergens blijkt dat de zonde de oorzaak is van alle ellende en
dat die eerst weggenomen moet worden.
Lied
296: Ik kom met haast, roept Jezus’ stem
De Reformatie, jrg.74, pag.427
Net als 235 een Blumhardt-lied ("Ich komme bald, ruft Jesus Christ", niet in EKG), vertaald door E.L. Smelik, en voor het LvK nogal gewijzigd. Oorspr. opschrift: "Openbaring 22 : 12 en 20, 'Ik kom haastelijk. Amen, ja kom, Here-Jezus". Daarbij "wordt het laatste bijbelboek niet zozeer geciteerd als wel evocatief in herinnering geroepen. Zo zijn er met name onderhuidse toespelingen op de brieven aan de zeven gemeenten uit Openbaring 2 en 3, al is de vermaning tot standhouden in de verdrukking nergens toegespitst." (Comp.)
Over Blumhardt nog (zie Comp. bij lied 136): eschatologische gerichtheid. Hij doorbrak de heerschappij van het eenzijdige piëtisme.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: "Nu zal..." - nú al?
str. 2: "Werp van u af / wat ik niet gaf" - nogal vaag
str. 3: "Ik ben't, uit wie gij krachten schept" -
is dat een bijbels beeld?
Lied
299: Voor alle heilgen in de heerlijkheid
De Reformatie, jrg.74, pag.636, jrg.76,
pag.94
Van oorsprong een Engels lied van elf strofen van William Walsham How ("For all the Saints who from their labours rest"), vertaald door W. Barnard.
WB beschrijft uitvoerig wie de dichter was, een vurig 'evangelical', streng voor zichzelf. Maar al "spreekt hij meer de rechtvaardige taal van de prediker dan de bloeiende beeldspraak van de man die voor alles dichter is, toch leven in zijn lied de bijbelse gelijkenissen." "Hows lied heeft iets van een toernooiveld" à la Arthur en zijn ridders, iets te kleurig, maar daarachter rijzen toch "onmiskenbaar de contouren van het gouden Jeruzalem" op. Het lied is geschikt "om gezongen te worden waar een gemeente in rouw bijeen is." (Comp.)
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1 "in hun aardse strijd" klinkt vaag. Wat is de aard van die strijd? Waartégen is de strijd? Die vraag wordt ook verderop niet beantwoord.
b. boodschap van het lied:
De eenheid van hen die in de aardse strijd Gods naam beleden en door Hem thuisgehaald zijn, met ons die nu nog in die strijd gewikkeld zijn: samen wachten we op de jongste dag, als allen de Koning vol vreugde tegemoet zullen snellen.
c. beoordeling:
Wel aardig getypeerd met 'toernooiveld'; de tegenstander in de strijd blijft helemaal buiten beeld. Het lied zegt eigenlijk heel weinig, is vooral triomfalistisch.
d. verrijking?
Ik denk van niet.
Lied
300: Eens, als de bazuinen klinken
De Reformatie, jrg.74, pag.654, jrg.75,
pag.158
alg: Zoals zoveel LB liederen over de jongste dag ontbreekt het eeruwig oordeel geheel.
vs 3 “Roept de doden tot getuigen dat Gij van oudsher regeert, roep hen die men dwong tot zwijgen, die de wereld heeft geweerd. Richt omhoog wat wist te buigen, kroon wat aanzien heeft ontbeerd” Het past ons niet om God als rechter te zeggen wat Hij moet doen. r.6 ‘kroon wat aanzien heeft ontbeerd’ : Dit wijst teveel op een horizontalistische leer van de bevrijdingstheologie. De Here zal kronen op grond van geloof uit genade.
vs 4 r.5,6 “Heer, laat ons dan niet ontbreken, want de traagheid grijpt ons aan” Wij missen de bede aan God om met Zijn Geest zó in ons te werken, dat wij werkelijk Gods geboden bewaren en volharden in het geloof
vs 5 “Mensen komt uw lot te boven, wacht na dit een ander uur, gij moet op het wonder hopen, dat gij oplaait als een vuur” Niet schriftuurlijke, wazige taal over Gods voorzienigheid en de werking van de Heilige Geest.
Lied
301: Wij moeten Gode zingen
De Reformatie, jrg.74, pag.17
Een inmiddels alom bekend en geliefd lied: Lied 301, "Wij moeten Gode zingen" (nr.84). Op 't eerste gehoor denk je aan een 'klassiek' adventslied ofzo, maar nee, het is een lied van Barnard, speciaal gemaakt voor de 20e zondag na Pinksteren.
Als je in De Adem van het Jaar[87] die zondag opzoekt, zie je daar enkele in het Missale Romanum voorgeschreven lezingen: Efeziërs 5 : 15-21 en Johannes 4 : 46-53. Je ziet aan het begin een 'smeekgebed' uit Daniël 3 (maar het blijkt te gaan om een apocriefe invoeging in het boek Daniël: het 'gebed van Azarja') en de profetenlezing uit Ezechiël 18. In deze tijd van het jaar worden 'ballingschapsgevoelens' gecultiveerd; het Missale Romanum geeft als 'Offertorium' Psalm 137 aan.
Als je dat weet, dan snap je de titel die het lied oorspronkelijk droeg en die in strofe 4 doorklinkt: "Van de lier aan de wilgen". En je kunt her en der in het lied iets uit de lezingen aantreffen.
Terecht zegt Barnard er zelf van: "Zonder weet te hebben van (al die) gegevens kan men de tekst bezwaarlijk verstaan." En daarmee is ook gezegd dat dit lied niet in ons kerkboek past, ...zolang wij niet van plan zijn die hele santekraam aan speciale zondagen en lezingen over te nemen.
Ga maar na: het begint met "Wij moeten Gode zingen" (naar Efeziërs 5 : 19) - dat valt niet mee in de ballingschap! Maar God geeft ook nog goede dingen, zegeningen: hij schenkt levensadem, is nabij hen die Hem vrezen, vooral de minsten. Gods volk leeft "in schande en in scha", "in 't land van vuur en oven" (gebed van Azarja). Maar "al is de hemel boven / voor mensen doof en stom, / nog moeten wij u loven / met stem en fluit en trom."
In vers 4 komen we vanuit de ballingschap opeens in een andere tijd. "De lier hing aan de wilgen / (...) / God zal ons niet verdelgen, / (...)/ Zijn woord zal ons genezen / (...) / zoals het was voor dezen / in Galilea."
'Voor dezen', dat is de tijd van Jezus' rondgang door Galilea en zijn genezingswonderen (Johannes 4); gezien vanuit onze eigen tijd. Van hieruit kijk je dan in heimwee terug naar de tijd vóór kruis en opstanding, en verwacht je een herhaling daarvan voor de toekomst. Dat de bedeling waarin wij leven, veel heerlijker is, wordt niet gezien, en dat heeft ook invloed op de mate van vreugde: het kost moeite, maar "Wij moeten Gode zingen, / met alle stervelingen."
Nee, echt blij is het lied niet, zoals er door-elkaar geklaagd wordt over 'schande en scha' en gezongen wordt van 'halleluja' en 'gloria'...! Het blijft iets zoet-droevigs, iets 'rooms' houden, met z'n kyrie-eleison en misericordia en z'n melancholieke melodie.
alg: Vrij vlak lied dat niet diep doordringt tot de rijkdom van Gods genade, waarvoor wij Hem mogen toezingen
vs 3 “Al is de hemel boven voor mensen doof en stom nog moeten wij U loven met stem en fluit en trom”: voor mensen is er geen geluid van boven te horen, maar de kerk maakt wel geluid naar boven. Gezien vers 5 komt de kerk hier naar voren in een soort voortrekkersrol
vs 4 “Zijn Woord zal ons genezen, zoals het was voor deze in Galilea” Christus wordt de kerk voorgehouden als een redder die genezingswonderen doet en worden de zaken omgedraaid: de genezingen in Galilea (Matt. 15:29-39) wezen juist heen naar het definitieve heil dat Christus door lijden en opstanding voor Zijn kerk zou verwerven.
vs 5 “Wij moeten Gode zingen Halleluja (…) De Heer van alle dingen die leeft in gloria, met alle stervelingen, niets komt zijn eer te na, wij moeten Gode zingen halleluja” Dit slotvers tendeert weer naar een soort alverzoening/universalisme (‘met alle stervelingen’)
str.1: wij moeten Gode zingen om alle goede dingen, is wel erg eenzijdig.
De Here komt te stade aan een ieder, de minsten allermeest? God maakt geen verschil tussen groot en klein, rijk en arm. De uitdrukking “Van pas komen” komt hier juist niet van pas!
Str.3: relatie met Ef.5 klopt niet. Ps.137 als antifoon hier benoemen is niet terecht vanwege de verschillende situaties.
Is de hemel doof en stom? > Mat.7:7 denk ook aan Elia op de Karmel
Str.4: genezing van de zoon van de hoveling (Joh.4:46-54) = armoe wij leven juist in de tijd NA Pasen.
Str.5, r.4-6 ALLE stervelingen?
Classis Dordt: behalve een goede
verstaander die de verwijzing naar Galilea snapt, nergens een verwijzing naar
het NT: Christus en zijn werk worden niet genoemd. Wat is dan de meerwaarde boven de psalmen?
Lied
316: Blijf bij ons, Jezus, onze Heer
De Reformatie, jrg.74, pag.
Het is jammer dat de concrete taal uit het Duitse origineel
(viel Sekten und groß Schwärmerei; zu fälschen deine rechte Lehr) weer is
weggelaten in de Liedboek-bewerking. ‘De vijand’ wordt nu wel genoemd, maar
het/hij blijft vaag.
Lied
319: Looft God, die zegent al wat leeft
De Reformatie, jrg.74, pag.635, jrg.76,
pag.75
vs 1 r.1 “Looft God, die zegent al wat leeft” zegent God iedereen?, hiermee lijkt ook dit lied het stempel van universalisme (alverzoening) te krijgen zie ook vs 3, r.3
vs 2 r.3 “Hij is de hartslag van ons werk” de bede dat Christus in het hart van de gelovige woning maakt (Ef. 3:17 geeft ons (of de dichter) niet het recht om hem (zondermeer) de hartslag van ons werk te noemen!
vs 3 r.2God,
“een toren in de tijd” : kwalificatie
van God die wij in de Schrift niet tegen komen
r.3
“dat het ten hemel toe moet gaan”: vlakke aanduiding van Gods
plan
vs 4 r.1 “Looft God, want Hij spreekt onze taal” onduidelijk
wat wordt bedoeld: wij moeten Zijn taal spreken, de taal van het verbond; Hij
kent onze taal.
r.4
“In woord en doop en avondmaal houdt Hij
bij ons zijn hof” mystieke taal over de bediening der verzoening in
prediking en sacramenten
o lieve God >> zo.49 en 46 HC
Lied
320:
De Reformatie, jrg.74, pag.
Teveel eer voor het gebouw. “Maak ons vrij / in dit uw heiligdom”... Het lied herinnert teveel aan de OT-ische situatie.
De slotzin heeft in dit lied een andere, veel beperkter betekenis dan de bijbelse roep in Openbaring.
Willen we zo’n ‘inwijdingslied’, dan liever het lied van Ria
Borkent voor die gelegenheid!
Lied
327: Heer Jezus, o Gij dageraad
De Reformatie, jrg.75, pag.1330
alg: De inhoud van dit lied is niet erg concreet. Gezang 6 en 25 uit ons Geref. kerkboek hebben veel meer diepgang en zeggingskracht voor de kerk vandaag.
vs 1 “Gij
dageraad”: deze benaming voor God is niet schriftuurlijk
Lied
328:
De Reformatie, jrg.74, pag.
kanttekening: Christus als ‘glans der heerlijkheid’ enz. is abstract.
Waarom alleen Christus aangeroepen?
Here Jezus, om uw woord >> Hoe leert de Here ons te bidden?
Mat.6:9, beaamd in v/a 120 HC: waarom: Onze Vader? Zie ook aanspraak in formuliergebeden. Zie ook v/.a 117 HC Wat
behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem wordt verhoord?
Liever gezang 6 huidige bundel.
Lied
335: Heer van uw kerk
De Reformatie, jrg.73, pag.457, 931
Reformanda jrg.8, pag.461,550,551
DK-verwijzing bij str.8 naar Ex.13:12 etc
> verbondsautomatisme?
Schriftuurlijkheid
a. Verschillende bijbelse feiten lijken hier bij de doop gehaald. Zoals de nodiging van de kinderen door de Here Jezus (couplet 1), het brengen van de kinderen naar de tempel in het Oude Testament (couplet 2 en 7). Met name bij het tweede gegeven is het de vraag of dit bedoeld is en of het terecht is dat dit bij de doop wordt aangehaald.
b. Er zijn veel onduidelijkheden (fouten) in dit lied:
couplet 2:'wij': zijn dit de kinderen of de ouders?
couplet 3:'Uw liefde vindt ons langs verborgen wegen'.
couplet 7:'vervult zijn wegen naar zijn raad'.
c. De kern van de doop is in dit lied onduidelijk en lijkt te verworden tot 'zegen' en 'het wijden' aan de Here. Het kenmerkende van de doop is dat een kind Gods naam krijgt omdat God heeft gezegd: 'Jij bent van mij'.
d. In couplet 5 wordt gesproken dat het kind door de doop een naam heeft gekregen. Niet het kind heeft een naam gekregen door de doop, maar God heeft zijn naam aan het kind verbonden. De omschrijving doet nu rooms aan.
Beoordeling en conclusie
Het lied wordt gekenmerkt door onduidelijkheid. De kern van de doopsbediening komt niet uit de verf. Dit lied verdient daarom geen plaats in de bundel.
Alg:Het kenmerkende van de doop is dat een kind het teken èn zegel van het verbond krijgt. God laat zijn eigendomsrecht zien op Zijn verbondskinderen en zegt daar 'Jij bent van mij'. In lied 335 lijkt de kern van de doopsbediening echter neer te komen op 'zegen' en 'het wijden' aan de Here. Ook staat de mens centraal en is er invloed van Barthiaans denken.
vs 1 r.3 Het is waar dat de Heiland heeft gezegd "laat de kinderen tot Mij komen" Maar de verbinding (in vs 2, 1) met de doop is onjuist. Want in het aangehaalde schriftgedeelte betreft het kinderen die reeds het teken van het verbond (toen nog besnijdenis) hadden ontvangen. De tekst die ook aangehaald wordt in ons doopformulier geeft aan dat verbondskinderen ook helemaal tot het verbond behoren. Toch hoort de gang naar het doopvont primair worden gezien als gehoorzamen aan het bevel van God aan Abraham werd gegeven tot de besnijdenis (Gen. 17: 10-13), deze tekst staat daarom voorop in ons doopformulier
vs 2 r.1: “Hier zijn wij dan”: zijn dit de ouders?
r.3: “het moet u dankend worden weergegeven” Dit gold voor de eerstgeboren jongens in het O.T.: deze moesten aan de Here moesten worden weergegeven. Met Christus is dit vervuld: als “de” Eerstgeborene van de Kerk gaf Hij zijn leven als straf voor de zonde; het symbolisch teruggeven van ons leven kennen wij niet in de christelijke doop. Wij zijn Gods eigendom (r.2) en dat bezegelt God in de doop.
vs 3 r.1,3 “Reeds staat Gij klaar (…) uw liefde vindt ons langs verborgen wegen” Wazige omschrijving van Gods liefde voor ons in het grote offer van Zijn Zoon.
vs 4 r.1: “Geef ons uw naam”. Onze kinderen komen te staan op de naam van God: horen Hem toe. Het dopen in de naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest (zoals uitgewerkt in ons doopsformulier) betekent dat God Zijn naam verbindt aan het kind, dat zijn eigen naam juist behoudt: De Here roept hem/haar bij zijn/haar naam.
r.3,4 Het voortgaande werk van de Heilige Geest: afwassing van de zonden en dagelijkse vernieuwing van ons leven, wordt hier en in de rest van het lied onvoldoende belicht.
vs 5 r.1 “Het water wacht” :sterke nadruk op teken;magische taal ook in vs 6,r.1:”Uw teken spreekt”
r.2 "t kind ontvangt uw zegen ". Noch hier noch elders in dit lied komt tot uitdrukking dat Gods verbond twee delen heeft; een belofte en een eis. Deze 2 delen worden in het doopsformulier heel duidelijk genoemd (Kerkboek blz. 513). Maar met de verbonds eis wordt in lied 335 niets gedaan.
r.4
“en niemand rukt het uit uw macht”
Dit is een link naar Johannes 10:28 gemaakt. Maar daarbij gaat men er aan
voorbij dat in deze tekst gesproken
wordt van de schapen die de stem van de herder horen en Hem volgen (Joh 10:27): het zijn dus de
gelovigen die metterdaad gehoorzaam zijn. Dit kan van pasgeborenen nog niet
gezegd worden. Het slotgebed in het doopsformulier laat daarom om de gave van
geloofsgehoorzaamheid bidden, om te vervolgen: “Dàn zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige
en ware God, eeuwig loven en prijzen.Amen.”
vs 6 r.1 “Uw teken spreekt” zie vs 5:1. De Heilige Doop is als sacrament niet alleen teken maar óók zegel, zoals wij dat in V&A 66 van de H.C. belijden. Aan de ouders wordt voorgehouden dat God de Heilige Doop heeft ingesteld om ons en ons zaad Zijn verbond te verzegelen. Dat alleen teken' genoemd wordt in dit lied wijst op barthiaanse invloed: we kunnen slechts 'tekenen' van Gods Rijk oprichten. (zie ook hieronder)
r.3,4 "het is gedoopt, begraven en herrezen in Vader, Zoon en Heilige Geest": komt overeen met de opvatting van Barth dat de prediking is de afkondiging van de verkiezing. In Christus zou God de verwerping van de mens op zich nemen; in Christus' verwerping is de mens dan verkoren. De prediking is nu bekendmaking van dat feit. Deze afwijkende leer klinkt door in deze regels. Terwijl toch het gebed vóór de doop vraagt (doopsformulier) "laat het kind door de doop in Christus' dood begraven worden en ook met Hem opstaan in een nieuw leven ". Dat gebeurt niet op het moment van de doop maar dat zal in het leven láter moeten gebeuren door gelovige aanneming van de belofte die de Here in de Heilige Doop betekend en verzegeld heeft. Het in 'Christus' geheiligd' zal altijd moeten worden gevolgd door het 'door de Geest geheiligd'. Prof.dr.K. Schilder heeft hierop gewezen in zijn afwijzing van de synodale doopsleer in zijn boek 'Looze Kalk', gericht tegen de opvattingen van dr. J. Ridderbos. Zo wijst hij er in dit verband ook op dat de eerste zin van het dankgebed ná de Heilige Doop belofte-inhoud is.
vs 7 r.4:“vervult zijn wegen naar zijn raad” Dit kan nooit een statement, een gegeven zijn, maar dient een verbondseis te zijn vanuit Gods beloften!
vs 8 r.2"En laat de mond der kinderen die we U wijden " Is dat wat ons naar de doopvont drijft het wijden van de kinderen aan de Here (vergelijk vs 2 r.3)? Heeft Gòd hen niet aan Zich gewijd? Een verwijzing naar Exodus 13:12 zoals de deputaten doen lijkt niet terecht: daar gold het de eerstgeborenen, in feite is dit specifieke wijden vervuld in de Here Christus. Voortaan mogen wij de Here allen dienen als een levend dankoffer. Ons doopswformulier leert wijding niet als een specifieke handeling bij de doop.
r.3”eens zelf onwaakt, met ons uw naam belijden” Dit is het enige aanknopingspunt voor de verbondseis in dit lied.
vs 9 Er wordt er een verband gelegd tussen "er is gedoopt" (r.1) - dat is dus op dat moment gebeurd - met "de ganse kerk in één geloof". Maar dat geloof is er bij het pas gedoopte kind nog niet. Dat moet nog kómen. Ze zijn wel als 'leden der gemeente' gedoopt, maar ze moeten nog levende leden wórden. Ook in dit vers bespeuren wij Barthiaanse invloed (zie vs 6)
Conclusie:Het is een gevaar wanneer men onschriftuurlijk gedachtegoed gaat 'inzingen'. Dan kan het inzinken in het hart, met alle nare gevolgen van dien. Dit lied dient derhalve als onschriftuurlijk te worden afgewezen.
Dooplied van de hand van E.L. Smelik, waarin in
de eerste plaats de ouders spreken (maar in de gemeente en met de gemeente
mee). Het kan het beste in tweeën gezongen worden: str. 1-5 voor de
doopsbediening, 6-9 daarna.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Str. 2: "Hier zijn wij dan" - klinkt
nogal banaal; "het moet U dankend worden weergegeven" - is dat juist
uitgedrukt? Is het voor de doop dan ook maar één moment uit Gods handen
geweest?
Str. 3: "uw liefde vindt ons langs verborgen
wegen" - is dat waar: 'verborgen'? Die liefde is toch juist geopenbaard,
ook zoals hij werkt in de lijn der geslachten!
str. 4: "Geef ons uw naam" - maar wij zijn toch in zijn naam bijeen!
"de oude mens moet
sterven,
in u zal hij een nieuw bestaan verwerven"
- de oude mens?
"als Gij maar voor
hem in wilt staan"
- God stáát voor ons in (maar níet voor de oude
mens), daarvan is de doop juist het teken en zegel.
str. 5: "het heeft een naam gekregen"
- die kreeg het toch bij de geboorte! Dopen is
geen naamgeving.
str. 6: "het is gedoopt, begraven en herrezen
in Vader, Zoon en Heilge
Geest"
- bijbelse klanken vreemd verbonden (Rom. 6 : 4
met de doopformule); je kunt toch niet zeggen dat je begraven wordt in God.
str. 7: "Het wordt voor u geboren en getogen,
vervult zijn wegen naar
uw raad"
- een duistere omschrijving. Wordt hier gewoon
bedoeld dat de Here zijn leven leidt?
str. 8: "der kindren die w' U wijden"
- is dat zo, dat wij door de doop onze kinderen
aan God wijden? Zij zíjn Gods kinderen; de doop is daarvan teken en zegel.
b. boodschap van het
lied:
dooplied (inhoud moeilijk samen te vatten).
c. beoordeling:
Er zitten toch wel veel vreemde of onduidelijke
gedachten in dit lied; ook wordt de doop zo sterk gedramatiseerd. Eigenlijk is
er ook maar weinig terug te vinden van de rijke inhoud van de doop, zoals: de
reiniging van de zonden, de heiliging door de Geest, de eeuwige toekomst.
d. verrijking?
Nee.
Lees ook commentaar CJBreen ivm Barthiaanse
context.
Lied
336: Zie hier de kindren tot U komen
De Reformatie, jrg.73, pag.457
a. Vers, de aandacht wordt gericht op de mens, in dit geval de kinderen.
b. Vers 2, God verzegelt zijn verbondsbeloften, wij hoeven daarom niet te vragen. Het ademt een mystieke en verkeerde gedachte over de doop. Op ieders voorhoofd is volstrekte onzin, aan het voorhoofd herken je Gods kinderen niet.
c. Vers 3, de mens staat weer centraal. Gods draagt onze namen in zijn handpalmen daar hoeven wij geen opdracht voor te geven.
d. Vers 4, wij kunnen niet navolgen waar Hij gaat, onschriftuurlijk. Geen persoonlijke belijdenis, je zingt het voor een ander.
e. Vers 5, heilig teken van wat God in het verborgen doet is onzin. Het zegel wat de doop ook is blijft buiten beschouwing. In feite spreekt vers 5 tegen wat openlijk in de doop zichtbaar is.
f. Vers 6, de suggestie wordt gewekt dat de mens centraal staat, hij moet het zelf doen. De hemel is niet het doel, maar Gods eer!
Beoordeling en conclusie
Afwijzen, Gods werk in doop en Verbond wordt in dit lied onvoldoende tot uitdrukking gebracht.
vs 1 r.1 “Ziehier de kindren tot U komen” kennelijk bedoeld voor het dopen van meerdere kinderen,
r.4 “wij leggen ze in uw armen neer”: dit stelt de mens centraal: de ouders gaan iets doen wat bij de doop niet van toepassing is: de kinderen worden al gedragen door Gods vaderliefde, ze ontvangen nu het teken en zegel van het verbond.
vs 3 r.3 “Ze zijn van U;draag Gij hun namen in uw handpalnmen gegraveerd”evenals vs 1,r.4: God draagt de namen van zijn uitverkoren kinderen al in zijn handpalmen; hierom vragen is niet gepast.
vs 5 r.1,2 “ze ontvingen toch het heilig teken van wat Gij in ’t verborgen doet” . Deze vage omschrijving van de betekenis van de doop komt in de plaats van een schriftuurlijke weergave waar de doop het teken èn zegel van is!! Nu blijft het volkomen vaag. Laten we de omschrijving in ons doopsformulier hier eens naast leggen. Het machtige werk van Christus die ons redt van zonde en dood en dat ten grondslag ligt aan de doop, blijft onderbelicht. Dit is armoede, die de dichter ook nog eens heilig wil noemen: dit krijgt dan weer iets magisch!
vs 6 “En als de loopbaan is gelopen het doel
bereikt met laatste kracht, dan gaat de hemel voor hen open” De verbondseis
(zie weer het doopsformulier!) wordt niet genoemd. Volgens lied 336 zal de
mens, die de doop ontving, zijn doel bereiken en in de hemel komen. Dit
automatisme is niet bijbels (zie de gebeden in het doopsformulier zoals in
kerkboek p.516: “Geef dat het gehoorzaam
onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus zal leven en
krachtig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk zal strijden en
overwinnen. Dan zal het U en uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de
enige en ware God, eeuwig loven en prijzen. Amen”)
Lied
341: Gij hebt uw woord gegeven
De Reformatie, jrg.73, pag.457
Vers 1 doet rooms aan door een vorm van substitutie die niet schriftuurlijk is. Gods grote liefde voor ons en het concrete offer van Christus voor ons komen niet aan bod. Heeft een mooie melodie.
Beoordeling en conclusie
Twijfelachtig, niet opnemen
alg: Dit lied geeft aan dat ons geloof niet uit eigen kracht is ontstaan.
vs 1 r.5-8 “Uw woord is daad, o Vader, werd brood in de woestijn, werd mens en is
mij nader dan wie mijn naasten zijn” Twijfelachtige dichterlijke vrijheid om zo een aantal
geloofswaarheden met betrekking tot Gods Woord aan elkaar te koppelen. In één
zin wordt even het wonder van de vleeswording van God betrokken in onze relatie
met onze naasten.
Lied
350: God, die leven hebt gegeven
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.106,350
alg: Dit lied gaat over rijk en arm; het mist het bijbelse perspectief van b.v. Matt. 25:31-46.
vs 1 r.4,5 “Alle vrucht der velden meten we U vergelden”: onschriftuurlijke uitdrukking vergelden: geven uit dankbaarheid is iets anders dan terugbetalen van Gods genade.
vs 3 “Maar wij rijken (…)” Eénzijdige
betrokkenheid van groep binnen de gemeente
Lied
356: O leid mijn blindheid bij de hand
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.627, jrg.75, pag.817,842
a. De aanspraak in het eerste vers van dit lied is verhullend: de “O” in de eerste regel wordt pas in de derde regel nader aangeduid, met, “O liefde groot”. Hiermee wordt blijkens de tekst Christus bedoeld, maar dit is een onbijbels benaming; we noemen Christus niet naar één van zijn eigenschappen. Duidelijker en bijbelser staat het bijvoorbeeld in psalm 25 vers 2 berijmd.
b. “Gij geeft aan mij, o liefde groot, Uzelf in dit gebroken brood”, dit is een dwaling, Christus geeft niet zichtzelf in het brood, we eten Hem niet, zoals hier wel staat. Dit is rooms luthers en dus onschriftuurlijk!!
c. Het tweede vers richt de aandacht op onszelf, wij die “licht en stil” bij elkaar heten te zitten, en worden geacht te vragen om de openbaring van Gods zoetheid, wat daarmee in dit verband ook bedoeld mag worden.
d. Vers 3 begint met “verzadigd met één brood zijn wij” het brood dient echter niet ter verzadiging, maar als onderpand van Gods hartelijke liefde en trouw. De Here Jezus richt bij de instelling van het Heilig Avondmaal onze geloof op Zijn volkomen offer als enige grond voor ons heil; dat offer wordt in dit lied niet eens genoemd.
e. De laatste regels van dit lied zijn uitgesproken vaag, wat is bijvoorbeeld: “o liefde die ontbloeid uit pijn wij zijn van U in brood en wijn”?
Beoordeling en conclusie
Afgewezen, dit lied richt onze aandacht op ons samenzijn in brood en wijn in plaats van op Gods liefde voor ons in het offer van zijn Zoon. Het lied is vaag en onschriftuurlijk.
alg: lied over het avondmaal met onschriftuurlijjk mystiek karakter en rooms/lutherse boodschap, mist volledig de schriftuurlijke gedachtenis aan het zoenoffer van Christus.
vs 1 r.5, 6 “o liefde groot” geen bijbelse benaming van Christus ”gij geeft aan mij (…) Uzelf in dit gebroken brood” HC zondag 29 leert tegen Roomse en Lutherse dwaling in: V&A 78: “…Zo wordt ook dit brood bij het avondmaal niet veranderd in het eigen lichaam van Christus” , “Maar vooral wil Hij ons door deze zichtbare tekenen en panden ervan verzekeren: ten eerste dat wij door de werking van de Heilige Geest even werkelijk deel krijgen aan zijn echte lichaam en bloed, als wij deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen” V&A 80: “Maar de mis leert (…) ten tweede dat Christus lichamelijk in de gedaante van brood en wijn aanwezig is en daarom ook in die gedaante aangebeden moet worden” Gods Woord leert dat het avondmaalsbrood Christus is (geestelijk verstaan), die Zich aan ons heeft gegegevn en aan wie wij deel krijgen; echter Christus geeft zich niet in brood: dit is transsubstantiatie (Rooms) waarbij Christus in brood veranderd wordt of consubstantiatie (Luthers) waarbij Christus in het brood aanwezig is.
vs 2 r.1-3 “Wij die hier zitten bij elkaar in één aanbidding, licht en stil, maak ons uw zoetheid openbaar”: mystieke bezigheid van de mens die vragen om het openbaar worden van zoetheid (wat betekent dit toch: magische gebeurtenis?)
vs 3 r.1 “Verzadigd met één brood zijn wij” Hier komt het teken in plaats van Christus’ gekruisigd lichaam
r.5,6 “O liefde die ontbloeit uit pijn wij zijn van U in brood en wijn” vaag en onduidelijk
(bij
dr. A.D.R. Polman, Woord en belijdenis,
eenvoudige verklaring van de Nederlandse
Geloofsbelijdenis, deel II p. 290-291.:)
Zo worden meer en meer voor Luther het lichaam en bloed des Heren de ware substantie van het avondmaal, de schat, waardoor en waarin de vergeving der zonden verkregen wordt. Dit lichaam en bloed des Heren werken (welk een verzakelijking) uit zichzelf. Niet Christus Zelf, maar zijn lichaam is het goed, dat tegen dood en alle onheilen gegeven is. Dit lichaam heeft niet alleen de zondevergeving verdiend, maar transporteert haar ook. De bekende Lutherse theoloog Gollwitzer spreekt hier, niet ten onrechte, van een magische werking.
Opmerkelijk is echter, dat dezelfde tweeslachtigheid, die wij bij de Lutherse opvatting van de sacramenten in het algemeen en van de doop hebben aangewezen, ook hier terugkeert. Naast de verlegging van de evangelieschat in de elementen zelf, waarbij aan het Woord alleen maar een dienende en verklarende betekenis gegeven wordt, blijft tot in de laatste werken van Luther de beschouwing aanwezig, dat de eigenlijke schat in het beloftewoord het ware testament van Christus, gelegen is.
Zo wordt enerzijds het verband tussen het Woord der belofte in het avondmaal en het geloof en de applicatie door de Heilige Geest ten volle gehandhaafd. Anderzijds wordt een tweede applicatie geleerd door het lichaam en door het bloed zelf, die zelfstandig werken en zaligen. Het Woord verliest dan zijn beloftekarakter, wordt verlaagd tot bijkomende verklaring en het geloof wordt gedegradeerd tot toestemming, aanvaarding van het onbegrepen mysterie.
Dat was wat we aanvoelden in dit lied. Nu
is ook duidelijk waarom dat 'Kyrieleison' me haast een bezweringsformule leek.
Lied
358: Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.627, jrg.75, pag.842
Schriftuurlijkheid
a. Ook in vers twee duikt de lutherse avondmaalsleer op “opdat ik U ontmoet in ’t teken van Uw lichaam en uw bloed”
b. Vers 4, “voed mij en drenk mij met uw brood en wijn” dit klopt niet, Christus voed en verkwikt ons met zijn lichaam en bloed en het brood en de wijn zijn daarvan een teken.
c. Vers 5, nu ik mijn hand strek…. Christus komt niet pas nadat ik mijn hand strek (niet pas na onze actie), maar Hij roept ons tot zijn heil.
d. Couplet 6: ‘Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst. Uw kracht, uw leven daalde in mij neer'. Dit verwoord lutherse avondmaalsleer en geeft het idee dat er in het brood en in de wijn magische kracht zit. Hierin zit steeds weer dezelfde dwaling die de aandacht wil afleiden van het offer van Christus, het bewijs van Gods Lliefde.
Beoordeling en conclusie
Afgewezen, een erg slecht lied en dus ongeschikt voor gebruik
alg: mystieke betekenis van het sacrament
vs 2 r.3,4 “opdat ik u ontmoet in het teken”: Rooms/Luthers: zie bespreking lied 356 en 360.
vs 4 r.1,4 “voed mij en drenk mij met uw wijn” Christus voedt en verkwikt ons met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed en niet met brood en wijn!, deze zijn de tekenen en zegelen daarvan(HC zondag 28)
vs 6 r.2 “Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst” sluit aan op vs 4 r.4! Het werk van Christus’ plaatsvervangend lijden, wordt verdrongen door het teken
r.3 “Uw kracht, uw leven daalde in mij neer” mystieke betekenis van het sacrament
Lied
360: Heer, wij komen vol verlangen
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.75,
pag.842
Schriftuurlijkheid
a. Hetzelfde bezwaar als bij lied 358 met betrekking tot de Luthers/roomse avondmaalsleer. Vers 1 “Laat ons dan in brood en wijn met Uzelf gespijzigd zijn”. “Vervul ons met uw krachten….zegen zo uw sacrament”. Opnieuw wordt aan het sacrament zelf een speciale magische kracht toegekend en wordt de aandacht daarop gericht.
c. De eerste regels van vers 4 zijn erg vaag; de laatste roepen ons op Christus te “volgen onder ’t kruis op de smalle weg naar huis”. De weg die Christus op aarde ging kunnen wij niet volgen, al zijn er onder de liedboekdichters die dat denken: de moderne theologie ziet in Christus werk zelfs niet meer dan het ultieme voorbeeld voor ons. Ter navolging.
d. Ook dit lied gaat over ons: “Wij komen vol verlangen” om ons te laten spijzigen met Christus zelf “in brood en wijn”, en over wat wij moeten doen. Het offer van Christus wordt slechts zijdelings genoemd; dit lied bevat dwaling en is dan ook ongeschikt om er Gods lof mee te verkondigen.
Beoordeling en conclusie
Niet geschikt voor gebruik en zelfs gevaarlijk.
alg: In dit avondmaalslied komt het eigenlijke verzoeningswerk van Christus maar in één regel aan de orde: vs. 1 r.6”: “die uw bloed voor ons woudt geven“ Voor het overige ligt de nadruk sterk op het sacrament, de mens en zijn geloofsdaden
vs 1 r.7,8 “Laat ons dan in brood en wijn met U zelf gespijzigd zijn” De wijze waarop onze ziel gespijzigd wordt met het lichaam en bloed van Christus is echter niet met de mond maar geestelijk door het geloof (NGB art. 35) Het formulier in ons kerkboek zegt (p. 527): Laten wij vast geloven dat wij door de werking van de Heilige Geest even zeker met zijn lichaam en bloed aan onze zielen gevoed en verkwikt worden als wij het heilige brood en de heilige drank tot zijn gedachtenis ontvangen” Zoals het in dit lied staat dringt de Rooms/Lutherse leer van de substantiatie zich op.
vs 3 r.7,8 “en U volgen onder ‘t kruis op de smalle weg naar huis” Zoals het hier staat lijkt het dat wij Christus moeten volgen onder het kruis, nl. Christus’kruis. Dit is echter onschriftuurlijk, de lijdensweg die Christus ging was uniek. Matt. 16:24 zegt wel “neme zijn kruis op en volge Mij”, dat wil zeggen ieder moet zichzelf verloochenen en zonodig zijn eigen leven willen werlizen om Christus’wil. Zoals het hier staat is het op zijn minst erg verwarrend.
Lied
367: Wij bidden u Gods zegen toe
De Reformatie, jrg.73, pag.458, jrg.74,
pag.655
Een huwelijkslied, gedicht door E.L. Smelik. "Bedoeld
is een gezongen gebed van de gemeente bij de inzegening, nadat eerst bruidegom
en bruid hun trouwbelofte ten overstaan van die gemeente hebben herhaald.
Veel, zo niet alles, is onbekend van de toekomst der huwenden, hun jawoord is
feilbaar. Alleen wanneer het in geloof gestand wordt gedaan en waargemaakt, kan
het gezien worden als een door God omsloten 'ja'." (ELS in Comp.)
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
de toelichting is bedenkelijker dan het lied zelf.
Fraaie opbouw: str. 1 eindigt met 'God doet de toekomst open', 2 met 'God houdt uw ja omsloten'.
str. 1: kun je dat zo zeggen, dat de gemeente Gods zegen a.h.w. aanreikt?
b. boodschap van het lied:
zie citaat uit Comp. (Hoe zit dat: hangt ons ja én Gods trouw af van ons geloof??) - Misschien kun je het ook positiever interpreteren: God houdt uw ja omsloten; u mag op Hem vertrouwen, en dank zij zijn trouw kunt u dat menselijk feilbare woord gestand doen.
c. beoordeling:
In die tweede interpretatie is het wel acceptabel, denk ik.
d. verrijking?
Door z'n vaagheid zegt het lied eigenlijk heel weinig.
Minder dan bijv. Psalm 121. Zing dat dan liever!
Lied
368: Als God ons huis zijn gunst onthoudt
De Reformatie, jrg.74, pag.655
a. Eveneens een huwelijksgezang. Met name couplet 3 gebruikt een mengeling van bijbelse en profane woorden waardoor een woordspeling ontstaat, die poëtisch wel mooi, maar niet het niveau voor gemeentezang heeft.
Beoordeling en conclusie
Afwijzen
Een huwelijkslied van Ad den Besten. Op de
achtergrond verband met Psalm 127. Verschil o.a. dat er (nog) geen sprake is
van zonen en dochters. "Het lied spreekt de wens uit, dit huis (gezin) te
wijden tot een tempel voor de Heer." In str. 3 gaat het ándere tempelbeeld
meespelen: ons lichaam (zie 1 Kor. 6 : 19).
Str. 3: Gods Geest als vuur en licht in ons 'huis'
- dat wordt in dit lied van God gevraagd, "opdat de liefde tussen man en
vrouw een afspiegeling zal zijn van Gods liefde tot ons mensen, - de liefde van
Christus tot zijn uitverkoren bruid, de gemeente." (AdB in Comp.)
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
Verschil met Psalm 127 o.a. dat daar de HERE het
huis bouwt, de leiding heeft. Hier
wordt zijn gunst verlangd; Hij mag
het grondplan bepalen en erbij zijn als wij bouwen. Als God zijn gunst
onthoudt, is het huis wel gebouwd,
maar bereikt het z'n bestemming niet. Ook verderop: de Geest mag erin dalen,
het 'vuur reinigen': het blijft meer een toevoeging
aan, een verrijking van ons leven. Het blijft ook (str. 4) naar binnen
gericht: elkaar... - de buitenwereld komt niet in beeld.
b. boodschap van het
lied:
Alleen door Gods gunst en de aanwezigheid van
zijn Geest komt het 'huis', het huwelijk tot werkelijke ontplooiing.
c. beoordeling:
Het is geen slecht lied; vooral in str. 3 en 4 is
het ook fraai dichterlijk. Maar de psalmen zijn rijker. Psalm 127 bijvoorbeeld.
d. verrijking?
Nee dus.
alg: Dit lied bevat veel woordspelingen, maar mist een duidelijke schriftuurlijke boodschap
vs 2 “Ga niet voorbij aan ons domein laat het uw huis, uw tempel zijn, waarvan Gij ‘t grondplan hebt bepaald, opdat Uw Geest, Heer, daarin daalt” Deze poetische taal, wijst niet op Christus op wie elk bouwwerk betrokken moet zijn zoals staat in Ef 2: 21,22: In Hem (Christus) was elk bouwwerk, goed ineensluitend op tot een tempel, heilig in de Here in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.
vs 3 “En reinig met uw vuur het vuur van onze haard”: deze passage komt wat banaal over.
“uw gloed, bij mensen ingekeerd, die onze brandstof niet verteert” wazige taal
Lied
374: De zon gaat op in gouden schijn
De Reformatie, jrg.75, pag.1345
een vlakke tekst. Eigenlijk een oubollig lied.
Lied
380: Ontwaak, o mens, de dag breekt aan
De Reformatie, jrg.74, pag.636
alg: vlak lied met mistige inhoud, waarin ons burgerschap van het Koninkrijk der hemelen (zie vs 4,5,7) niet de juiste schriftuurlijke belichting krijgt. Met name valt ook hier op, dat Christus en Zijn werk ontbreekt.
vs 1 “de dag breekt aan, die u Gods liefde doet verstaan als nieuw, nu gij door slaap en kracht weer ‘t leven vindt, verstand en kracht” De tekst mist de schrituurlijke zeggingskracht van bv. Gez. 38 van ons Geref. kerkboek
vs 3 “Al wat geliefd is en vertrouwd, het wordt voor wie Gods licht aanschouwt met glans en heerlijkheid verguld, want het bestaat in Gods geduld” Horen we hierin een soort algemene genade? Dit vers legt ons in de mond dat de zaken die wíj mooi vinden en die God toelaat (in lankmoedigheid?), glans en heerlijkheid krijgen: waar hebben we het over?
vs 4 “Het schijnsel van de hemel gaat over de dag van vroeg tot laat”. Vage tekst, slaat dit op Gods onderhouding van de schepping? Maar hoe sluit dit aan op de 2 voorafgaande regeles: “Wie van zich af ziet naar God toe, loopt in het lichten wordt niet moe”?
vs 5 “Houdt dan de hemel in het oog”, “Op aarde ziet gij een bovenaardse glans” Poetisch mooie taal, maar er zit niet veel schriftuurlijke diepgang in. Liever hadden we de taal gezien van Hebr. 12:2 “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leidsman en de voleinder des geloofs”; of die van Phil. 3:20: “Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen”.De inhoud van het evangelie in die genoemde schriftgedeelten geeft bemoediging en roept op tot volharding. Dat wordt gemist in dit ‘lievige’ lied.
vs 7 “Maak in uw liefd’ ons Heer, bereid voor
licht en vreed’ in eeuwigheid”. Opnieuw wazige taal, waar het juiste zicht
op het Koninkrijk der hemelen ontbreekt. Is hier toch ook niet een zucht naar
een vrederijk op déze aarde.
Lied
382: God die het al geschapen heeft
De Reformatie, jrg.73, pag.457, jrg.74,
pag.510,654
Nader Bekeken, jrg.6, pag.4
a. Tekstueel niet erg sterk, bijvoorbeeld vers 4 in vier regels maar liefst vier samentrekkingen.
b. Vers 6, “Geef dat geen slaap de geest omhult, dat enkel slape vrees en schuld…” Om welke geest gaat het hier?
c. Vers 7, het is niet schriftuurlijk te zingen van God als zou Hij dromen.
d. Melodie niet echt geschikt voor gemeentezang
Beoordeling en conclusie
Afwijzen
alg: Een vaag lied met mystiek karakter
vs 5 “opdat wanneer het daglicht is omsluierd door de duisternis, ‘t geloof niet in het duister zwicht maar door zijn glans de nacht verlicht” Hier staat de nachtelijke duisternis wel al te simpel voor het kwaad
vs 6 r.1,2
“Geef dat geen slaap de geest omhult, dat
enkel slape vrees en schuld” vaag
en mystiek
vs 7 r.1,2 “Los van het kwade groeie nu diep in ons hart de droom van U”. vaag en mystiek
Lied
387: O Heer mijn God, ook deze nacht
De Reformatie, jrg.74, pag.656,778
alg: In dit lied wordt de nacht vereenzelvigd met het terrein van de boze geesten (vs 5,6). De inhoud is vrij vlak.
Vergeleken met bv. Gezang 39 van het Geref. kerkboek betekent dit lied een verarming.
vs 5 “Wanneer mij slapeloosheid kwelt, geef dat uw Geest mij vergezelt, laat mij niet raken in de macht der boze geesten van de nacht” Dit doet nogal bijgelovig aan alsof de geschapen nacht bij uitstek het terrein van de boze geesten is. En alsof we daarvoor de Heilige Geest te hulp moeten roepen. Dit komt ook terug in het volgende vers:
vs 6 “Verjaag de wolven van uw schaap, want ik
ben weerloos als ik slaap” Opnieuw wordt hier een magische betekenis aan de
nachtelijke slaap gegeven, als een tijd vol gevaren. De schrift kent zulk spreken niet. De verwijzing naar Matt. 10, 16 (schapen onder wolven) mist hier de
diepe betekenis van dit Schriftwoord: Jezus zendt zijn apostelen uit waardoor
ze als schapen onder wolven komen te
verkeren: ze moeten enerzijds bedachtzaam zijn, anderzijds op Christus
blijven steunen en niet wankelen (zie dr. J. van Bruggen: Matteus, het
evangelie voor Israël, Kok Kampen, 1990).
Zie ook avondgebed op blz.5782 van het Kerkboek
Classis Dordt: str.1,r3: schept kan in het licht van de voltooide tijd in de
volgende regel als rijmdwang worden gezien of dichterlijke vrijheid en hoeft
dus noiet een belijdenis van een voortgaande schepping te zijn.
Str.2, r 1,2 :
doe mij niet aan het kwaad dat ik U heb gedaan: zou God dat anders wel
doen, hetzelfde kwaad?
Str.3: strven valt wat vreemd in een lied over
dagelijks gaan slapen en ontwaken.
Str.5b en 6: raar in conmtext van 1Petr.5:8
Lied
392: Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt
De Reformatie, jrg.74, pag. 656
Een zeer bekend Engels lied van Henry Francis Lyte ("Abide with me; fast falls the eventide"), vertaald door W.Barnard, Ad den Besten en W.J. van der Molen. Lyte schreef het lied kort voor zijn dood, terwijl hij al doodziek was.[88]
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 5: "wijs de weg omhoog" - alsof ik zélf bij het sterven de weg naar de hemel moet zoeken.
b. boodschap van het lied:
Here, blijf mij nabij als de nacht van de dood aanbreekt. Ik vrees geen kwaad, want de Here is bij mij; dood, waar is uw prikkel? Houd me in mijn laatste ogenblik uw kruis voor. Dan breekt uw dag aan.
c. beoordeling:
Geen 'gewoon' avondlied, maar een lied dat stilstaat bij het naderend levenseinde. De nacht is slechts beeld. Over 't algemeen een mooi lied, met veel troost.
d. verrijking?
M.i. meer geschikt voor gebruik buiten de eredienst, gezien de zeer speciale persoonlijke situatie die erin weergegeven wordt.
Vergeleken met Haspers’vertaling bizonder
slecht te noemen. (zie toetsing Heemse).
Lied
393: De dag, door uwe gunst ontvangen
De Reformatie, jrg.74, pag. 635
vs 4 r.3,4 “Tot al Uw schepselen zich buigen / voor uw liefde en majesteit”: vertolkt de algemene verzoening
Schriftuurlijkheid
a. In couplet 4 is het mogelijk dat de gedachte van 'heilsuniversalisme' gelezen wordt. Tot al Uw schepselen zich buigen / voor uw liefde en majesteit. Vertolkt de algemene verzoening.
b. Het idee van het lied dat de lof onophoudelijk doorgaat is aansprekend.
Taalgebruik
Is hier en daar nogal verouderd zoals de woorden 'genaakt' en ontluikt'.
Beoordeling en conclusie
Afgewezen
Een lied van John Ellerton, schrijver van o.a. de Notes and Illustrations (zeg maar:
Compendium) bij de anglicaanse Church
Hymns. "The day Thou gavest, Lord, is ended" is vertaald door
Jacqueline van der Waals.[89]
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 4: "voor uwe liefd' en majesteit" -
hier was een aanvulling met de 'keerzijde' wel op z'n plaats geweest: hier ontbreekt
elke notie dat er niet bij álle schepselen dankbaarheid
zal zijn op de jongste dag. (De Engelse tekst heeft hier niet het woord liefde:
"Till all thy creatures own thy sway!")
b. boodschap van het lied:
Dank aan God voor zijn gunst in de afgelopen dag;
een dank die ononderbroken klinkt van steeds weer andere plaatsen. Zo zal de
aarde van U getuigen, tot de jongste dag.
c. beoordeling:
Een mooi, bekend avondlied. Wel wat vlak van
inhoud (zie details).
d. verrijking?
Ook hier aarzel ik weer of het als kerklied geschikt is.
Lees ook: Hand.13:48, psa.1 en Hebr.4:1-3
en 7 >> alverzoening moet worden afgewezen.
Probleem is vooral strofe 4.
Lied
396: Het oude jaar is nu voorbij
De Reformatie, jrg.76, pag.273
niet sterk. In strofe 4 weer: ‘geduld’
Lied
397: O God, die droeg ons voorgeslacht
De Reformatie, jrg.74, pag.278
alg:
Selectief gebruik van Ps 90: 1,2,4,12,17 (onberijmd). Het middengedeelte, dat
de kern van de psalm vormt, ontbreekt echter. De oorzaak van de korte
levensduur en alle tegenspoed, n.l. de toorn van God over “onze
ongerechtigheden” wordt niet genoemd! Groot verlies t.o.v. onze eigen berijmde
Psalm 90
vs 6 geen roep om ontferming van Ps 90:13.
Met name de verzen 1,2,4,12,17 van de onberijmde psalm 90 zijn in dit gezang te herkennen. Het middengedeelte, dat de kern van de psalm vormt, ontbreekt echter. De oorzaak van de korte levensduur en alle tegenspoed, n.l. de toorn van God over “onze ongerechtigheden” wordt niet genoemd. De gebedswoorden in couplet 6 missen dan ook de roep om ontferming van vers 13. Zo komt de inhoud niet uit boven het selectief gebruik van de coupletten 1,2,3,8 en 9 van onze berijmde psalm, waarbij ook nog het “gena” van couplet 9 gemist wordt.
Beoordeling en conclusie
Dit lied is geen waardevolle aanvulling op de psalmen en kan dus worden gemist.
Lied
402: Verheugt u, christenen, tesaam
De Reformatie, jrg.74, pag. 65, jrg.75,
pag.862
vs 5 r.1,2 “Hij sprak tot zijn geliefde Zoon: ‘Ik kan ’t niet langer lijden”: onschriftuurlijke taal over Gods wonderlijke liefde, bovendien verzonnen gesprekken tussen God de Vader en God de Zoon
r.5 “sta voor hem in als bondgenoot”: Christus is onze borg, onze verlosser en Heiland, niet onze bondgenoot
vs 6 r.6,7 “om satans eigenwaan te slaan, hem in de val te lokken” onschriftuurlijke weergave van het plaatsvervangend lijden zoals in de Schrift beschreven.
Schriftuurlijkheid
a. Couplet 2 en 3 geven op schriftuurlijke wijze de verdorven aard van de mens weer.
b. In couplet 4 en 5 wordt het offer van Christus nu present gesteld. Is erg verwarrend deze twee tijdslagen. De bijbel kent een dergelijke aanpak niet.
c. Couplet 6: Satan in de val lokken? Christus heeft de menselijke gedaante aangenomen om ons te verlossen!
d. Coupletten 5 en 7 -10 geven citaten weer van Christus' spreken, die zouden dan letterlijk of zoveel mogelijk letterlijk moeten zijn. Van dit gesprek weten we niets, is gedramatiseerd. “Ik kan ’t niet langer lijden” is zelf s ronduit plat en dit behoren we in de eredienst niet te zingen
Taalgebruik
Hier en daar erg oud.
Beoordeling en conclusie
Lied dat door twee tijdlagen verwarrend is en tevens weergave suggereert te zijn van een gesprek van Christus waarover we in de bijbel niets vinden. Afwijzen.
Lied
403: Wat mijn God wil geschied’ altijd
De Reformatie, jrg.76, pag.39
Dit lied is een berijming van Luthers uitleg bij
de derde bede van het Onze Vader;
dichter van het Duitse origineel ("Was mein Gott will, das gÑcheh
allzeit", EKG 280) is Albrecht, hertog van Pruisen. Het is vertaald door
Schulte Nordholt.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1: vaker 'mijn' en 'mij' dan in 't origineel.
r. 3-4
was:
"Zu helfen dem er
ist bereit,
der an ihn glaubet feste"
- die beperking is verdwenen bij SN.
str. 2: verdwenen "sein Wort ist wahr";
de slotregels zijn zwakker dan
"Er hüt' und wacht,
stets für uns tracht'
auf dass uns gar nichts fehlet".
str. 3: "hinfahren.../zu meinem Gott" is
algemeen "heengaan" geworden;
"du frommer Gott,
Sünd, Höll und Tod
hast du mir überwunden"
wordt ook vlakker:
"Die mij geleidt
door dood en strijd,
Hij heeft al overwonnen".
Ook str. 4 heeft afzwakking:
"Wenn mich der böse
Geist anficht,
lass mich, Herr, nicht
verzagen.
Hilf, steur und wehr,
ach Gott, mein
Herr"
wordt afstandelijker:
"wanneer de boze
gaat tekeer,
laat mij uw hulp
aanschouwen,
dat ik niet val,
maar leven zal".
"Nog één ding wil ik vragen, Heer" - is
dat een correcte vertaling van "Noch eins, Herr, will ich bitten
dich"?
(Ik dacht dat het 'nog eenmaal (hetzélfde) vragen'
betekent, in de lijn dus van de vorige strofen; niet iets ánders vragen.)
Lied
408: Nu laat ons God de Here
De Reformatie, jrg.74, pag. 627,1053
vs 5 r.1 “Wij bidden U, Algoede” “Algoede” net zo onschriftuurlijke benaming voor onze Here God als “Opperwezen” etc. die wij uit de psalmberijming van 1773 hebben afgekeurd
vs 6 “Bewaar ons in uw waarheid / geef ons op aarde vrijheid / met alle mensen samen / uw rijk, Heer, te beamen” Dit is puur Barthiaans universalisme. De Schrift leert ons echter dat het heil er niet is voor alle mensen. In dit lied wordt verkiezing en verwerping genegeerd en daardoor Gods Woord tekort gedaan. de oorspronkelijke tekst van dit lied (EKG 227) is ongeveer direct vertaald: “Houdt ons bij de waarheid / geef ons de eeuwige vrijheid / om uw Naam te loven / door Jezus Christus. Amen” Het moge duidelijk zijn dat in het liedboek lied de alverzoening is ingebouwd waar deze oorspronkelijk niet stond!
Schriftuurlijkheid
a. Een eenvoudig helder lied.
b. 'Algoede' in couplet 5 is geen goede bijbelse benaming voor de Here. (ook door de Nederlands Gereformeerde afgewezen!)
c. In couplet 6 vinden we niet alleen een onbijbelse toekomstverwachting in: 'geef ons op aarde vrijheid, met alle mensen samen uw rijk, Heer te beamen', maar hier klinkt ook de leer van de algemene verzoening doorheen. De bijbel spreekt niet over vrijheid op aarde met ALLE mensen samen, integendeel: de vrijheid van de zonde beleven de uitverkorenen van God in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde.
Beoordeling en conclusie
Vanwege de onbijbelse toekomstverwachting en benaming voor de Here afwijzen
Classis Dordt: str.1 r.3,4: dit is niet
waar vgl. Job1:21, 2:10 ps.73:14, 74, 77:8 Rom8:18 HC zo.9
Wel wil onze God het kwade dat Hioj ons
laat overkomen ten goede keren.
Algoede: HC v/a 120
Str.6 onvertaald: Erhalt uns in der
Wahrheit, gib ewigliche Freiheit, zu preisen deinen Namen durch Jesum Christum,
Amen
Lied
409: Laat ons de Heer lofzingen
De Reformatie, jrg.75, pag. 973
Ondanks de ‘hevige’ vergelijking een vlak lied. Uit het
origineel zijn opvallend bepaalde noties weggelaten. ‘Dood’ wordt blijkens de
context in strofe 1 vervlakt tot ellende; de verlossing van onze zonden is
weg-berijmd. ACdB heeft het wel over een wal, maar de vijand blijft buiten
beeld.
Nergens Rom.11 terug te vinden.
Lied
423: Ach, blijf met uw genade
De Reformatie, jrg.
Nogal vlak
Lied
429: Wie maar de goede God laat zorgen
De Reformatie, jrg.73, pag. 309,520
jrg.74, pag.655, jrg.75, pag.720
vs 1 r.1 “Wie maar de goede God laat zorgen en op Hem hoopt in ‘t bangst gevaar” Moet dit ‘laten zorgen’ passief worden opgevat? Alsof er voor ons in geloofsgehoorzaamheid geen goede strijd is te strijden! De hoop op God moet heel ons leven stempelen, niet alleen in ‘t bangst gevaar
r.3 “is bij Hem veilig en geborgen” Er wordt niet aangegeven wèlk gevaar dreigt en waartegen veiligheid nodig is.
r. 5 “wie op de hoge God vertrouwt” Waarvoor we Gods vertrouwen nodig hebben, namelijk om te volharden in het geloof blijft buiten beeld. Het gaat blijkbaar allereerst om
vs 2 r.2 “en zwijg de Heer ootmoedig stil” Komt zeer passief over omdat het de diepgang mist van Psalm 62: “Waarlijk mijn ziel keer zich stil tot God, van Hem is mijn heil (…) Hoelang zult gij op een man aanstormen?”
vs 3 r.1 “Treed vrolijk voort op ’s Heren wegen, neem zijn gebod getrouw in
acht” Vrolijk na ootmoedig uit vs 2 is hier oppervlakkig en mist de diepte
van Fil. 4:4,5 “Verblijd u (…) Weest in
geen ding bezorg, maar laten uw wensen
door gebed en smeking met dankzegging bekend gemaakt worden bij God”
r. 3,4 “’t Wordt eindelijk alles u ten zegen, wanneer gij daarop biddend wacht” Vage bewoordingen die niet duidelijk maken dat het moet gaan om het gelovig gebed, dat opkomt voor het recht van God.
1. ‘Wie maar de goede God laat zorgen’ Waarom wordt lieve (lieben!) hier vertaald met goede? Maar hier wordt God eenzijdig aangeduid. ‘laat zorgen’ Zorgt de Here in opdracht van ons? Of moet dit passief worden opgevat? Waar wordt op deze manier in de Heilige Schrift over God gesproken? ‘en op Hem hoopt in ’t bangst gevaar,’ Wordt hiermee ruimte gegeven voor de moderne theologie? Hopelijk kan God in zo’n gevaar nog iets voor ons doen. ‘is bij Hem veilig en geborgen.’ In dit hele lied mist men de verbondstaal van het verbondskind, die zich vertrouwend aan zijn Verbondsgod overgeeft. ‘wie op de hoge God vertrouwt.’ Waarom ‘hoge’ God? Waar staat dat? Wat betekent dat? In deze verzen wordt duidelijk ons huidige, aardse bestaan verwoord. Maar onze zondeschuld en zondenood en daarmee ons schuldbesef worden niet genoemd. Het gaat blijkbaar allereerst om ons welzijn en welbevinden hier en nu!
2. ‘en zwijg de Heer ootmoedig stil,’ Weer: passief? Het klinkt wel ootmoedig, maar het is niet Schriftuurlijk. Ook de rest is heel passief, het klinkt wel christelijk, God kent alle zorg die in ons leeft, maar weer, het is zo onbestemd, zo neutraal, zo menselijk.
3. ‘Treedt vrolijk voort op ’s Heren wegen, neem zijn gebod getrouw in acht.’ ‘Vrolijk’ is veel te plat, oppervlakkig. 1e couplet: ‘’t bangst gevaar’. 2e couplet: ‘eerbiedig’ ‘ootmoedig’ en dan nu ‘vrolijk.’ Heel zelfverzekerd. ‘’t Wordt eindelijk alles u ten zegen, wanneer gij daarop biddend wacht.’ Wat wordt hiermee bedoeld? Waar slaat ‘alles’ op? Waarop doelt ‘daarop’? Waarom ‘eindelijk’? ‘En wie gelovig op Hem ziet, weet zeker, Hij verlaat ons niet.’ Dit is voorwaardelijk. Opnieuw: de mens presteert en dan kan God niet anders.
Beoordeling en conclusie
Afgewezen
Georg Neumann schreef dit lied ("Wer nur den lieben Gott lässt walten", EKG 298, daar 7 coupletten; vertaald zijn 1, 3 en 7), als dank voor velerlei uitredding, toen hij 20 jaar oud was. Later heeft hij er zelf de melodie bij gemaakt; hij gaf het uit met verwijzing naar Psalm 55 : 23 ("Werp al uw bekommernis..."). Het is vertaald door Abraham Rutgers.
Lied
432: Wat God doet, dat is welgedaan
De Reformatie, jrg.74, pag. 349,655
Het lied bestond oorspronkelijk uit zes strofen;
het is van de hand van Samuel Rodigast ("Was Gott tut, das ist wohlgetan",
EKG 299). Twee eeuwen geleden is het door Petronella Moens in het Nederlands
vertaald. De eerste strofe is gehandhaafd, de rest is opnieuw (zeer vrij) vertaald
door Jan Wit; in totaal drie strofen (1, 4 en 6) zijn in het LvK gekomen. Het
lied is volgens JW voornamelijk gebaseerd op Deuteronomium 32 : 4.
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 3: "daar laat ik het bij blijven"
klinkt allesbehalve dichterlijk.
"de engten / waar mij de dood zal
drijven" klinkt wat vreemd, verbonden met "de tijd van duisternis
verdragen". In EKG gaat het om "Not, Tod und Elend"; dat kan dus
slaan op een langere tijd, een tijd van duisternis.
b. boodschap van het lied:
Gods leiding in mijn leven is wijs en heilig. Hij
zorgt vaderlijk en zal mij uiteindelijk ook door de dood heen leiden.
c. beoordeling:
Een eenvoudig piëtistisch getint lied, vrij
ikkerig; het perspectief in Deut. 32 : 4 is veel ruimer. Vrij oppervlakkig ook
(een optimisme dat niet verwijst naar de díepte van Gods vaderlijke ontferming,
in Christus).
d. verrijking?
Nee; er zijn heel wat psalmen vol geloofsvertrouwen,
met vaak meer inhoud.
Lied
434: Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere
De Reformatie, jrg.74, pag.
Reformanda jrg.8 pag.487
Bezwaar tegen strofe 5:
a. de ‘heerlijkste naam van zijn namen’ hangt in de lucht (vgl. oudere versie: ‘Noem Hem uw Vader...’);
b. hoe kunnen wij als christenen sámen met ‘Abrahams kinderen’ (dit moeten wel de joden zijn, anders heeft die aanspraak ‘christenen’ geen functie) God loven? Het gaat hier óf over een twee-wegen leer (Joden en Christenen elk als ene eigen weg tot God) ó, zoals op andere plaatsen in het liedboek (bijv. 41), christenen komen slechts via het joodse volk tot God.[90]
Deputaten zeggen in hun verantwoording naar de synode dat het hier gaat om Israëlieten uit het Oude Testament, maar dat is niet wat door deze liedtekst wordt gesuggereerd. Bovendien doet het onderscheid in dit couplet tussen çhristenen’ en ‘Abrahams kinderen’ geen recht aan wat de schrift leert: dat wij, christenen uit heidenen en uit het joodse volk, door het geloof Abrahams kinderen zijn (Rom.4:16).
Denk ook aan de Israel-visie van de Evangelische en de SoW-kerken.
Er is gelof en ongeloof, verkiezing en verwerping, er bestaat anti-these.
Strofe 4: lof zij de hemelse liefde die
over ons regent?
Lied
435: O verbreker aller banden
De Reformatie, jrg.74, pag.656, jrg.76,
pag.415
Reformanda jrg.11, pag.175
vs 1 r.3,4 “bij wie schade
zelf en schande hemel wordt en heerlijkheid”Deze tekst is onduidelijk en
wijst mogelijk op Christus. Op deze manier wordt over Zijn zoenoffer wel erg
vaag gesproken.
r.5
“tuchtig dan Adams trotse zonen in
hun eigenzinnigheid”, tot Ge uw aangezicht zult tonen en hen uit de kerker
leidt” Vergelijk Rom. 5:12-14. Deze
oproepende bede van de dichter aan God is niet goed te begrijpen: vragen wij aan
God om mensen te straffen totdat Hij hen genade wil schenken?
vs 4 r. 3,4 “Geef in ons bestaan een teken, dat deze zege zeker is” Wij hebben geen ander teken nodig en te vragen dat Christus’zege zeker is dan Gods Woord en de sacramenten.
Lied
442: Jezus, ga ons voor
De Reformatie, jrg.74, pag. 655
De inzet, die het hele lied beheerst, is onjuist: ‘Jezus, ga ons voor / deze wereld door’. Dat is vreemd voor wie Hem als de verhoogde Christus aan Gods rechterhand weet. Het is wél mooi voor wie zich Hem vooral voorstelt als ons inspirerend voorbeeld.
Lied
444: Grote God, wij loven U
De Reformatie, jrg.
vs 1 r.3 “Heel de wereld
buigt voor U …” Dit is onjuist
vs 2 r.1,2 “Alles wat U
prijzen kan” zie hierboven
“Ongeziene” onschriftuurlijke naam voor God
Lied
448: Soms groet een licht van vreugde
De Reformatie, jrg.73, pag. 755,778,
jrg.75, pag. 112
alg: vrij vage inhoud op vers 3 uitgezonderd
vs 1 r.7 “donkere regen” de regen is juist een teken van Gods goedheid
vs 2 r.1,2 “Goddank wij overdenken ‘t geheim van onze Heer” geheim blijft onduidelijk en mysterieus
vs 4 r.3,4 “al ligt het veld te klagen onder een lege lucht” vreemde poëzie
r.7,8 “daar ik op Hem mag hopen ben ik alleen maar blij” De troost en het geluk van H.C. Zondag 1 klinken heel wat krachtiger
Schriftuurlijkheid
a. Het lied bevat wat merkwaardige beelden: 'licht van vreugde', 'donkere regen', 'veld ligt te klagen onder lege lucht'.
b. Mooie belijdenis van Gods voorzienigheid in couplet 3.
c. Een beetje krachteloos einde in de laatste twee zinnen van couplet 4: 'daar ik op Hem mag hopen ben ik alleen maar blij'. De troost en het geluk van H.C. Zondag 1 klinken dan heel wat krachtiger.
d. Het woord ' 't geheim' in couplet 2 is mysterieus, onbepaald en zonder inhoud.
Beoordeling en conclusie
Een lied met zowel mooie als zwakke delen.
Niet opnemen.
Lied
456: Zegen ons, Algoede
De Reformatie, jrg.73, pag. 218
vs 1 r.1 “Zegen ons Algoede” Er moet bezwaar gemaakt worden
tegen de benaming “Algoede”voor onze
goedertieren God, die Zich nergens in Zijn Woord goed voor àllen laat noemen.
Hij wreekt óók wie zijn verbond schendt. Laten we toch zorgvuldig zijn bij de
namen van onze God.
vs 3 Andere gezangen en psalmen bieden dichterlijk en inhoudelijk meer.
Lied
457: Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig
De Reformatie, jrg.73, pag. 777
CBB (ds. C.B. Burger) in Comp: "Op het continent wordt de Drieëenheid minder vaak en uitbundig bezongen dan in Engeland, waar de Engelse staatskerk de traditie van het kerkelijk dogma, misschien beter: van de kerkelijke liturgie van vóór de Reformatie, altijd heeft hoog gehouden, daarbij steeds meer vrijheid latend aan dogmatische verschillen en afwijkingen. Ook de Triniteit kan men zeer modern opvatten, temeer omdat over het bijbels fundament verschillend kan worden gedacht. (...) ...om duidelijk te maken, hoe men het trinitarische lied ook zingt zónder de Triniteit. Wij hebben dat bewust niet gedaan, ook al zijn we wat minder met de Drieëenheid bezig dan de Anglicanen."
De dichter van "Holy, holy, holy" is bisschop Reginald Heber, de vertaler W. Barnard. Het was bedoeld voor zondag Trinitatis. WB was niet zo gelukkig met de slotregel "Drievuldig God, die één in wezen zijt" (er is uitvoerig discussie over geweest). CBB wijst aan dat in str. 3 "geen oog op aarde ziet U zoals Gij zijt" de 'ethische notie' mist van "the eye of sinful man", een notie "die we in een lied over Gods heiligheid eigenlijk niet kunnen missen"[91].
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 1 en 4, slot: "merciful" (genadig) weergegeven door "liefdevol" haalt de herinnering aan de 'ethische notie' (zie boven) weg.
"Drievuldig" - hier is de term iets minder 'verdacht' door de toevoeging: die één in wezen zijt (vgl. 165 enz.). Maar zulke dogmatiserende (niet in de bijbel te vinden) termen en zinnen blijven voor mij een bezwaar in een kerklied.
str. 3: de 'ethische notie' (zie boven) had inderdaad niet gemist mogen worden.
b. boodschap van het lied:
Gods heiligheid wordt geprezen, uitgewerkt: zijn almacht, zijn eeuwigheid, zijn smetteloze heiligheid (maar dat is slecht uitgewerkt), de lof die hemel en aarde Hem toebrengen.
c. beoordeling:
Juist in een lied waarin zo uitvoerig over Gods heiligheid gezongen wordt, kun je het contrast met onze ónheiligheid door de zonde niet missen. Nu mist het lied diepgang.
d. verrijking?
Misschien. Maar zet het lied niet op een vaste plaats in de eredienst (die van het 'Sanctus' in de avondmaalsliturgie; zie de plaats die deputaten het lied geven onder liturgische gezangen)! Daar krijgt het door zijn plaats een 'meerwaarde' met bedenkelijke kanten.
Gij, gehuld in duister? Psa.18:12,
2Sam.22:12: in beide gevallen gaat her erover, dat de dichter in groot gevaar
verkeert, roept tot de Here, en de Here geeft uitkomst en redding.>>
Tegenwoordigheid van de Here in wolken en donkerheid, in donder en bliksem van
het onweer.
In de bijbel is echter duisternis
synoniem aan ongeloof, satan enz. Psa.104:2, 27:1, 36:10, 43:4,44:4,89:16 God
verbonden met het licht.
In het NT ook: Joh.8:12,1:5, 1Tim6:16,1Joh.1:7
Lees ook 2Cor.6:14 en 1Joh1:5: In Hem is
geheel geen duisternis.
In SoW-kerken wel een thema: Gods
verduistering.
Lied
459: Door de nacht van strijd en zorgen
De Reformatie, jrg.
alg: Vreemd mystiek lied dat gaat over pelgrims die door de nacht trekken naar de morgen waar God ons zal ontvangen.
vs 2, 3 “Door de nacht leidt ons ten leven licht dat weerlicht overal, dat ons blinkend zal omgeven als ons God ontvangen zal. In ons hart is dit de luister, dit de liefde die ons leidt op de kruistocht door het duister naar de lichte eeuwigheid.” Dit lied is niet doordrenkt met de Schrift. In de zweverige tekst komt Christus niet in beeld
vs 3 r.1 “Als ons God ontvangen zal” vs 5 r.4 “naar de kust waar God ons wacht” Beide verzen geven een beeld van God die wacht tot de pelgrimsstoet arriveert. Dat wachten van de Here verdraagt zich niet met de schriftuurlijke oproep: De Geest zegt met de bruid: “Kom Heer, wìj zien verlangend naar uw verschijning uit” (Gezang 13, Geref. kerkboek vs 6 naar Openb. 22). Niet God wacht op ons maar wij wachten (actief!) op God! Wat is bedoeld met ‘de kust’ in r.4?
Lied
460: Loof de Koning, heel mijn wezen
De Reformatie, jrg.74, pag. 656
alg: Christus’verzoenend lijden krijgt ook in dit lied geen plaats. ‘geduld’, ‘genezen’, ‘vergeven’, ‘liefde’, ‘licht’, het zijn alle goede en mooie begrippen, maar de inhoud van ons loflied als kerk van Jezus Christus, wordt hier niet betrokken op het verlost zijn van de eeuwige toorn van God (zie bv. onze gezangen 28 en 30).
Schriftuurlijkheid
a. Een lied vol van de zegende, reddende en liefdevolle kracht van God. Maar vergeleken met bijvoorbeeld de machtige lofzang in Ps. 103 toch niet zo sterk. Onze schuld wordt bijvoorbeeld niet zo duidelijk genoemd (alleen in couplet 1).
b. 'Ziel' (in bijv. Ps. 103) is ook mooier als 'wezen'.
c. Zwak punt in couplet 1, laatste regel: 'tot gij Hem ontmoeten zult'. Het tegendeel lijkt ons eerder waar te zijn, als we Hem ontmoeten, mogen we eeuwig voor zijn troon juichen.
d. Couplet 2 komt over alsof alles gewoon is en automatisch gebeurt. Alsof we niet hoeven te strijden om in te gaan, te vechten tegen de zonde. Bovendien de Heilige Geest eigent ons toe wat we in Christus al hebben. Dat doen wij toch niet?
e. Coupletten 3 t/m 5 zijn wel mooi, alleen een wat vreemde laatste zin van het lied: waarom bewoog (alleen in de verleden tijd) God de hemellichamen?
Taalgebruik
Geen problemen, melodie wel bekend/geliefd.
Beoordeling en conclusie
Onacceptabel
Lied
470: Wat vlied’ of bezwijk’, getrouw is mijn God
De Reformatie, jrg.74, pag. 636
Verouderde taal. Kanttekening, vooral bij de laatste strofe:
die klinkt wel erg triomfalistisch; kun je dat van te voren zeggen, dat je in
het uur van je dood Gods goedheid zult bezingen? Als je erdóór bent, ja! Maar
wij hebben toch geen garantie dat we een ‘licht’ sterfbed zullen hebben?
Lied
473: Neem mijn leven, laat het, Heer
De Reformatie, jrg.74, pag. 655
alg: Mist een duidelijke verwijzing
naar Christus als onze Middelaar door wie we door God aangenomen worden.
vs 6 r.1,2 “Neem mijn zonden en mijn schuld
in ’t beleid van uw geduld” Dit is een onschriftuurlijke toevoeging van de bwerker
van dit oorspronkelijke gedicht. Hier blijft de toorn van God over de zonde en
het zoenoffer van Christus buiten beeld. In plaats daarvan verschijnt Gods
geduld met ons!
vs 9 r1,2 “Neem en zegen alle vreugd, al ’t geluk dat mij verheugt”: Wat
wordt bedoeld met alle vreugd ? Vrij oppervlakkig gesteld alsof ons aardse
geluk altijd goed zou zijn.
r 3,4 “Maak dat ik mij nimmer schaam mens te wezen in uw naam” Wat moeten we hierbij denken? We zouden eerder zeggen: Maak dat ik mij voor Uw naam niet schaam, of Maak dat U zich nimmer schaamt voor ons.
Beoordeling en conclusie
Afgewezen
Geen verbondslied maar piëtistisch
getint.
Aangehaalde schriftplaatsen niet van
toepassing Ef.6, Hand5, Joh,8 en 13
Lied
477: Geest van hierboven
De Reformatie, jrg.
Reformanda jrg.11, pag.39
vs 1 r.4 De Geest van God wordt hier genoemd “Hemelse Vrede”Een benaming die wij in de
Schrift niet tegenkomen. Ef 2:14 zegt van Christus dat Hij onze vrede is (niet
heet).
r.6 “Aan een wereld die U verwacht” Zo’n wereld kennen wij niet; wel de wereld van Joh. 1:9,10 “en de wereld, heeft Hem niet gekend” doelend op Christus. In de wereld zijn wel degenen die “Hem hebben aangenomen”, Joh. 1:12 “de kinderen Gods”. En als Hand 2:27 zegt over de Geest: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees” dan wordt daar niet mee bedoeld iedereen, maar allerlei vlees, nl. ook de dienstmaagden, diensknechten, de ‘leken’.
r.7-10 “Wij mogen zingen van grote dingen, als wij ontvangen al ons verlangen”: Zoals het hier staat is het niet juist. Want gelukkig mogen we en moeten we zelfs al van Gods grote daden zingen vóórdat wij geheel ons verlangen in vervulling zien gaan.
vs 2 r.3 “Liefde die ons heeft liefgehad” God is liefde maar heet geen liefde.
r.9 “Gij zult op aarde de macht aanvaarden en onze koning zijn, Halleluja” Nee, Christus heeft nu de macht op aarde en is reeds onze koning. Christus zal straks zijn koningschap overdragen aan de Vader (1 Kor. 15:28).
a. In de vierde regel van de eerste strofe wordt de Heilige Geest aangesproken met de woorden: “Hemelse Vrede”, Nergens wordt in de Heilige Schrift de Heilige Geest zo aangesproken en ook Christus héét niet onze vrede maar Hij is onze vrede (Acta Leusden, bijlage 23, pag. 614). Het is dus onschriftuurlijk de Geest zo aan te spreken.
b. Even later wordt gezegd dat de wereld die Geest verwacht. Dit klopt toch niet, er zijn er in de wereld die Hem verwachten, maar het is toch niet de wereld die Hem verwacht. De vele vervolgde broeders en zusters in de wereld weten wel beter.
c. In het eerste couplet wordt verder gezegd dat we mogen zingen van grote dingen als wij ons verlangen ontvangen. Dan pas? Zacharias zong toch al van grote dingen ver voordat hij ze ontvangen had (Lucas 1: 67-79). En ook wij mogen toch al zingen van grote dingen vóórdat wij ze ontvangen hebben, van Zijn verbond, van Christus, van Zijn schepping enz…
d. En verderop legt het lied ons op de lippen: Eeuwigheidsleven zal Hij ons geven,….”, Maar wie in Hem geloofd hééft toch al het eeuwige leven. Juist omdat het eeuwig is raak je het nooit meer kwijt. Het eeuwige leven van de ziel begint toch al in dit leven en eeuwig leven van lichaam én ziel zal Hij ons geven op de Jongste Dag.
e. In het tweede couplet wordt God aangesproken met Liefde, Hij héét Liefde. Dit is niet naar de Schrift, in de brief aan de Romeinen wordt wel gezegd dat God liefde is, maar niet dat Hij liefde héét. Hij heeft ons liefgehad met Zijn liefde.
f. De laatste vijf regels zijn onduidelijk: “Gij, onze Here, doet triomferen die naar U heten en in U weten dat wij Gods zonen zijn.”, Wij kunnen niet in U weten dat we Gods zonen zijn, maar we weten dat we ‘in Christus’ Gods kinderen zijn.
Beoordeling en conclusie
Dit lied is erg onduidelijk en niet kindvriendelijk. Verder zijn er veel elementen die onschriftuurlijk zijn, afwijzen dus
Lied
479: Aan U behoort, o Heer der heren
De Reformatie, jrg.74, pag. 802
alg: Dit lied wil meer doen dan alleen Gods
grootheid in de schepping prijzen. Het prijzen van God door ons te verwonderen over de
schoonheid van Zijn schepping heeft een belangrijke functie in ons loflied
(zoals in vele Psalmen, o.a. Ps 19,104) en volgens art.2 van NGB wordt daarbij
een ieder opgeroepen om Hem te dienen. Dit lied wil echter meer doen met de
natuurgegevens (vs 3 r.5,6 “’t Is alles een gelijkenis van meer dan
aards geheimenis”). Ze brengt verbanden aan tussen het geschapene (Boek van
de natuur) enerzijds en heilshistorische en geloofsgegevens (Boek van Gods
Woord) anderzijds. De dichter wil in deze verbanden tekens zien, die wij als
gelovigen toch vooral moeten opmerken (vs 4 r.3,4 “met open ogen, open oren om al uw tekens te verstaan”). In het
Compendium van het Liedboek geeft de dichter Jan Wit zelf aan welke verbanden
hij in dit lied heeft willen leggen. (zie bespreking van de afzonderlijke
verzen) Conclusie: hier wordt aan natuur en poezie (die deze tekens aanwijst)
een extra geestelijke waarde (zie vs 4 r.5,6:
“Dan is het aardse leven goed omdat de hemel mij begroet”) toegekend die
niet met de Schrift te verdedigen is. De associaties blijven ook nog een vaag
en raken niet aan de Schriftuurlijke betekenis. Het geheel doet aan als een
spel met zogenaamde verbanden.
vs 2 r.1,2 “Gij roept het jonge leven wakker, een tuin
bloeit rond het open graf” Deze tuin verwijst naar volgens de dichter naar
de hof van Jozef van Arimathea en
tegelijk óók naar onze parkachtige kerkhoven. Natuur en Heilshistorie worden
hier dus willekeurig aan elkaar gekoppeld.
vs 2 r.3-6 “Er
ruisen halmen op de akker waar zich het zaad verloren gaf. En vele korrels
vormen saam een kostbaar brood in uwe naam” Het graan wordt geassocieerd met Jezus' woorden over het tarwegraan dat in de aarde valt en sterft
om veel vrucht voort te brengen (Joh. 12:24). De slotregels sluiten in bepaald opzicht aan bij 1 Cor.
10:17, al heeft de dichter daarbij ook
gedacht aan het gewone brood op onze tafel thuis. Dus: een mengeling van
gedachten die volgens de vrije regels van de poëzie tot één beeld zouden mogen
samenvloeien? Bovendien waar blijft hierbij dan de de echte zin van de
gelijkenis van de ontkiemende graankorrel zoals die in Joh 12:25 wordt vermeld
“Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven
haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwige leven.” Déze schriftuurlijke
betekenis vanm de gelijkenis wordt in dit lied niet vermeld. Hetzelfde geldt
voor de de schriftuurlijke betekenis van het graan en het ene brood (de eenheid
van Christus kerk komt er niet aan te pas). Daarom wordt dit alles tot een
gespeel met associaties
vs 3 “‘t Is alles een gelijkenis van meer dan aards
geheimenis” zie opmerkingen
onder alg.
vs 4 zie opmerkingen onder alg.
Wat opvalt is dat niet volstaan wordt met een opsomming van de dingen die we om ons heen zien. De schepping wordt ons voorgesteld als een boek om in te lezen (zie NGB art.2). We kunnen er uit leren en het roept ons op de Schepper te eren. In de coupletten 2 cm 3 is er echter meer aan de hand. Wat wij in de natuur om ons heen zien heeft een betekenende functie. een meer dan aards geheimenis. Het zijn allemaal tekens waarvoor we open ogen en oren moeten krijgen Om ze te verstaan (couplet 4). We vragen ons dan wel af. wat we moesten verstaan. helpen ons de associaties in de tekst daarbij? Volgens de toelichting van de dichter Jan Wit in het ,,Compendium'
De tuin
rond het open graf verwijst naar de hof van Jozef van
Arimathea en wat de dichter
betreft ook naar onze parkachtige kerkhoven. Het graan wordt
geassocieerd met Jezus' woorden
over het tarwegraan dat in de aarde valt en sterft om veel vrucht voort te
brengen (Joh. 12:24). De slotregels
sluiten in bepaald opzicht aan bij 1 Cor. 10:17, al heeft de
dichter daarbij ook gedacht aan het gewone
brood op onze tafel thuis (couplet 2).
De regels over bloemen en vogels sluiten aan bij
de passage uit de bergrede (Matth. 6: 25-34) (couplet 3).
Wanneer de zingende gemeente deze verwijzingen herkent dan blijft nog de vraag of de
betekenis duidelijk is, want,
a. De
tuin rond het open graf geeft
inderdaad aan dat God zijn schepping niet vergeet, dankzij de opstanding van Christus. Maar kunnen we dat
een teken noemen?
b. De gelijkenis
van het tarwegraan wordt door Jezus
gebruikt om zijn hoorders op te
roepen om hun leven niet lief te hebben
maar Hem te volgen. Maar wie leest die
betekenis in dit lied? Wat dan
overblijft is dat we ook aan het ontkiemende graan uit een dode korrel kunnen zien dat God de natuur in stand
houdt. Vervolgens kan ook hierbij de
vraag gesteld worden of dit een teken
mag heten. bovendien is dan de
eigenlijke betekenis van de
gelijkenis verloren gegaan. wat verwarrend kan werken.
c. Paulus gebruikt in 1 Cor. 10 het beeld van de vele korrels die samen het brood
vormen om de eenheid van de gemeente
met Christus en met elkaar aan te
geven. Maar bestaat daarvoor het graan uit vele korrels en worden die daarom
tot een brood gebakken?
Zo zijn er aan dit lied allerlei kritische vragen
te stellen. Dat het eigen karakter van de bijbeltekst behouden blijft kunnen we dan ook moeilijk
verdedigen.
Beoordeling en conclusie
Voldeed niet in alles aan de gestelde criteria
Classis Dordt: het eerste couplet is gebaseerd op
Ps.19:2-3 en Ps.24, maar die bezingen de pracht van de scheppoing ter inleiding
op de grotere pracht van Gods wet en tempelstad. Dat wordt in dit lied totaal gemist terwijl Ps.33:5 (de aarde is
vol van de goedertierenheid des Heren) helemaal geen rol speelt.
Het lied is vooral gebaseerd op ps.104 en
mat.6:26, 28-29, maar wat daarin gewone door God geschapen en bestuurde
werkelijkheid is, wodt hier tot een gelijkenis en tot tekens gereduceerd.
Lied
481: O grote God die liefde zijt
De Reformatie, jrg.73, pag.777, jrg.75,
pag.685
Nader Bekeken, jrg.5, pag. 97,256
vs 1 r. 8 “uw waarheid openbaren”: Openbaren betekend onthullen het
verborgene zichtbaar maken, dit is een Goddelijke activiteit. (Rom. 16:25, Ef.
1:17, Luk. 2:32); wij kunnen wat Hij geopenbaard heeft verkondigen. Wij mogen
niet onszelf toedichten wat de onze God toekomt.
vs 2 r.1-4 “maak ons volbrengers van dat woord, ¼ dan gaat wie aarzelt met ons voort, wie afdwaalt met ons mede.”. Het is niet vanzelfsprekend dat wie aarzelt met ons voort gaat, Gods woord kan ook ongeloof, tegenstand en haat als reactie hebben: wie het Woord hoort wordt rein door Christus of wordt nog vuiler. De Here heeft ons niet beloofd dat iedereen die het Woord hoort ook zich bekeerd.
vs 3 r.3 hier wordt een tegenstelling gemaakt tussen liefde en strijd, terwijl God ook strijd van ons vraagt (Fil. 1: 30, Col. 1: 29, 1 Tim. 1: 19, 6: 12). Strijdt tegen zonde, de duivel en ons eigen vlees.
r.6 wij kunnen niet Gods verbond herstellen, Christus is het die het verbond herstelt!
vs 4 r.4-8 :parallel tussen Christus liefde voor ons (“in zijn stervensnood”) en onze liefde (“het wordt overal volbracht, waar liefde wordt gegeven”) Hiermee wordt de uniciteit van het lijden en sterven van Christus ontkend.
In het oude lied werd het plaatsvervangende
lijden van Christus wel genoemd, in het nieuwe lied is dit (doelbewust!)
weggelaten.
Schriftuurlijkheid
a. In het eerste vers wordt gezegd dat wij Gods
waarheid openbaren. Openbaren betekend onthullen het verborgene zichtbaar
maken. Als het gaat om de waarheid van God dan is openbaren een Goddelijke
activiteit. (Rom. 16:25, Ef. 1:17, Luk. 2:32). Wij mogen Gods waarheid die Hij
geopenbaard heeft verkondigen. Wij mogen niet onszelf toedichten wat de hoge
God toekomt.
b. Het tweede couplet begint met de regels “maak ons volbrengers van dat woord, ¼ dan gaat wie aarzelt met ons voort, wie afdwaalt met ons mede.”. Het is niet vanzelfsprekend dat wie aarzelt met ons voort gaat, Gods woord kan ook ongeloof, tegenstand en haat als reactie hebben, wie het Woord hoort wordt rein door Christus of wordt nog vuiler. De Here heeft ons niet beloofd dat iedereen die het Woord hoort ook zich bekeerd.
c. In het derde couplet wordt een tegenstelling gemaakt tussen liefde en strijd, terwijl God ook strijd van ons vraagt (Fil. 1: 30, Col. 1: 29, 1 Tim. 1: 19, 6: 12). Strijdt tegen zonde, de duivel en ons eigen vlees. Ook kunnen wij niet Gods verbond herstellen, Christus is het die het verbond hersteld!
d. Er wordt in het laatste vers een parallel getrokken tussen Christus liefde voor ons (“in zijn stervensnood”) en onze liefde (“het wordt overal volbracht, waar liefde wordt gegeven¼”) Hiermee wordt de uniciteit van het lijden en sterven van Christus ontkend. In het oude lied werd het plaatsvervangende lijden van Christus wel genoemd, in het nieuwe lied is dit (doelbewust!!!) weggelaten.
Beoordeling en conclusie
Afgewezen, omdat in dit lied de mens opschuift in de richting van de positie van God en Christus: op een bepaalde manier gelijk willen zijn aan God.
Oorspronkelijk een Engels lied van George Thomas Coster, maar zo veranderd door Jan Wit, dat het geen vertaling meer mag heten (vgl ook NH 1938, Gezang 120, en voor de melodie EKG 24).
In zijn bundel Ministeriale heette het "Het diepste woord": "een lied over de intermenselijke liefde als antwoord op Gods liefde (...) Gods liefde in Christus is oorsprong en oorzaak van alle liefde die wij elkaar kunnen geven en daarom ook mogen en moeten geven." (JW in Comp).
Aantekeningen bij de inhoud:
a. details:
str. 2: "Maak ons volbrengers van dat woord";
3: "spreek zelf door onze daden van vrede en genade";
4: "het wordt overal gebracht waar liefde wordt gegeven"
- wat is de inhoud van 'woord' in deze gevallen?
str. 3: "Leg ons de woorden in de mond
die weer herstellen uw verbond"
- het herstel komt toch niet van ons, of via ons, maar is door Christus tot stand gebracht.
b. boodschap van het lied:
zie citaat JW.
c. beoordeling:
Met woord/woorden is er (weer) iets vreemds. Een opsomming:
wij moeten Gods woord bewaren (zijn waarheid openbaren) (str. 1);
wij moeten het volbrengen (getuigen van zijn vrede) (2);
zijn woorden in onze mond herstellen zijn verbond;
Hij spreekt van vrede en genade door onze daden (3);
zijn diepste woord is in Christus' stervensnood vernomen;
het klinkt nog, het spreekt met macht en het wordt overal volbracht waar liefde wordt gegeven, waar wij uit zijn liefde leven (4)
-- je krijgt sterk de indruk dat "woord" en "liefde" hier uitwisselbaar zijn: Gods liefde spreekt door onze liefde(-woorden en -daden) heen en zo herstellen wíj het verbond.
Het is een gebed, maar is vol van wat wij moeten doen.
Het roept op tot actie, met als drijfveer: (Gods) liefde, die wij moeten volbrengen: een 'christelijk-geïnspireerde' medemenselijkheid?
God die liefde is - aan 't eind van dit lied kun je het ook omkeren: liefde, die God is. Buiten beeld blijft de aard van Gods liefde, en de aard van onze liefde. Waarschijnlijk doelt JW daarop, als hij 't heeft over "de oecumenische kanten van deze tekst" (Comp): 'iedereen' zal zich hierin kunnen vinden.
d. verrijking?
Nee.
Zie zo.14 HC: aan de zaak van plaatsbekleding wordt ernstig tekort gedaan.
De regels 1 en 2 van strofe 4: Wij…gekomen maken dat niet goed.
Str.1 r2: God is in alle dingen onze Vader, juist omdat hij zijn Zoon gegeven heeft in onze plaats
r.3,4: wordt hier Gods liefde niet min of meer losgemaakt van hemzelf?
r.5: wij ZIJN het zout der aarde (Mat.5:13)
r.6: wij ZIJN het licht van de wereld (Mat.5:14)
r.7,8: het is een hachelijke zaak dit wonder van God voor te stellen als mogelijkheid voor mensen daartoe op te roepen
str.2 r.3,4: veel te boud gesproken, alleen wie gegrepen worden door de genade van God, zullen met ons meegaan.
Gods Woord brengt scheiding
r.7,8: dit gaat terug op een diep woord van onze Heiland, dat alleen in de context (Luc.9:37-50) verstaan kan worden.
Str.3, r.1,2: eenzijdige nadruk op de liefde. Ook zijn leiding in zijn toorn zullen we in geloof als liefdevol moeten leren dragen.
Verschil liefde en strijd: Strijd en Gods liefde gaan samen: Gen.3:15, Fil1:30, Col.1:29, 1Tim1:19,6:12.
r.5,6 het is onduidelijk wat we onder dit “herstellen van zijn verbond” moeten verstaan. Heeft het hier wel de inhoud van de Schrift als deze bv. Over het vernieuwe van het verbond spreekt? Wij kunnen dat verbond niet herstellen.
ONZE daden van vrede en genade?
Str.4, r.1: we moeten ons door de Heilige Geest vanuit de Schrift laten onderwijzen, deze leert dat wij de HERE niet met zijn goddelijke eigenschappen mogen aanspreken, behalve als dit naar uitwijzen van de Schrift is toegestaan. M.i. is de dichter met zijn aanspraak O liefde groot, in strijd met de Schrift.
r.3,4 het is niet duidelijk wat dat “diepste woord” inhoudt.
r.5-8: het is niet duidelijk wat nu toch precies “dat woord’ is.
[1] Liedlijst Eerste Fase, hoofdstuk 4.3 Onzuivere terminologie? pag.9
[2] Interview ND 2 jan. 1998; bespreking o.a. Reformanda 14 jan. 1998, pag 1v
[3] Liedlijst, a.w. pag.12 met een volstrekt onterechte verwijzing naar 2Kor.4:6.
[4]
Uitgekomen tussen 1948
en 1951, zie verder: Die
Religion in Geschichte und Gegenwart. 3.Auflage, Munchen 1986,
dl.1: pag 894v, dl.5: pag. 1469v
[5] K.Schilder, de Heidelb.Catech., deel III, Goes, 1950, vrijwel het gehele boek.
[6] idem a.w. pag 369v
[7] idem a.w. pag 372.
[8] Karl Barth, Kirchliche Dogmatik, III-3, pag.406, zo vertaald en geciteerd in de Beknopte Geref. Dogmatiek
[9] Kirchliche Dogmatik, III-3, pag.416-425
[10] Nader Bekeken jrg.6, jan.1999, pag.4
[11] Beknopte Geref.Dogmatiek, a.w. pag.240, aanhalende Barths Kirchliche Dogmatik, dl. III-1, pag.430-433 en III-2, 182-188
[12] Dr. J.van Genderen en dr. W.H.Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, Kampen 1992 pag.241v
[13] K.Schilder, de Heidelb.Catech. III, pag.374
[14] K.Schilder, de Heidelb.Catech. III, pag 375
[15] Lied tegen het licht, J.P.C.Vreugdenhil en H.Vreugdenhil-Busstra, uitgave Woord en Wereld nr. 40, Bedum 1998; nog steeds verkrijgbaar bij Scholma Druk BV, tel. 050-3013636, pag.110,114
[16] Compendium Liedboek, a.w. pag. 159.
[17] De bijbelliederen van het Liedboek voor de Kerken getoetst. Uitgave vanwege de Geref.Bond in de Ned.Herv.Kerk. febr. 1980.
[18] Compendium Liedboek, a.w. pag 159
[19] Dr.W.H.Gispen, Korte Verklaring der Heilige Schrift, deel Exodus I, pag. 156v
[20] Acta GS Hattem 1972, art. 171, pag. 185 (daar onder 'd').
[21] Acta GS Hattem 1972, art. 171, pag. 185 (daar onder 'b').
[22]
Rapport inzake de
bundel "Enige Gezangen", Gezang 24: Mozes lied aan de Schelfzee, 12
verzen op de wijs van Ps.116, pag.58v
[23] Compendium bij het liedboek, Zoetermeer 1998, pag.163
[24] Rapport inzake de bundel Enige Gezangen, voor de GS Hattem 1972, pag.64v
[25] ds.Joh.Francke: De jongste theologie, Groningen 1975, pag.28v
[26] idem a.w. pag.25v
[27] Tussen Leusden en Zuidhorn, a.w. pag.33-34
[28] Liedbundel E&R, Zwolle 1991, nr.239; pag.286
[29] Tussen Leusden en Zuidhorn, a.w. pag.34
[30] Compendium, a.w. blz.175
[31] Rapport 1d, GS Leusden, Agenda 3.3 dd 14-9-1999, blz.5
[32] Compendium, a.w. blz.182
[33] Compendium, a.w. blz. 183
[34] Samengevat uit: Prof.dr.S.van der Linde: Piëtisme, Chr.Encyclopedie, dl. 5, 2e druk, Kampen 1960; pag.452v
[35] Ds.F.van Deursen, De voorzeide leer, Psalmen II, 3e druk, Barendrecht 1986, pag.360.
[36] Het gaat hierbij om Lb. 230,323,388,389,440 en 441.
[37] Ds. F.van Deursen, a.w. pag. 362.
[38] Ds.F. van Deursen, a.w. blz. 365v
[39] Tussen Leusden en Zuidhorn, a.w. pag.35
[40] Compendium, a.w. pag.183v
[41] Idem, pag.35
[42] Compendium Liedboek, Zoetermeer 1998, pag. 186v
[43] zie ook H.J. Schilder: Het Schrift dat niet verslijt, Van den Berg, Kampen 1983, pag. 150-154
[44] Dit is wel één van de meest aangepaste gezangen, die binnen elke kerkgemeenschap weer leidde tot andere resultaten. Zie ook: J.Smelik, Eén in lied en leven, Den Haag 1997, pag.83 voor de Doopsgezinde variant.
[45] Idem, Tussen Leusden en Zuidhorn, pag.36
[46] Acta GS Hattem 1972, art. 171, pag.184v
[47] Tussen Leusden en Zuidhorn, pag.36
[48] Compendium Liedboek, pag.199
[49] Zie ook Lied tegen het licht, J.P.C.Vreugdenhil e.a., Bedum 1998, pag.80
[50] van Muus Jacobse
[51] Citaten via ‘Lied tegen het licht’ ontleend aan Heeroma/Muus Jacobse: Nader tot een taaltheologie, in Lied tegen het licht pag.97vv
[52] Lied tegen het licht, a.w. pag.100
[53] Tussen Leusden en Zuidhorn, pag.37
[54] Compendium Liedboek, pag.203, ook overgenomen door Deputaten
[55] Acta Leusden 1999, Liedlijst 1e fase, bijlage 23, pag.571
[56] Compendium, 1998, pag.208
[57] Volgens dr. van der Kamp
(“Openbaring, Profetie vanaf Padmos”, Kok 2000, pag.489): “Als Christus komt heeft Hij de beloning bij zich. Deze aankondiging
ligt in de lijn van de hele bijbel (Ps. 62:13, Jes. 40:10, Jer. 17:10, Matt.
6:27, Openb. 2:23;11:18). Het geven van vergelding sluit zowel beloning als
bestraffing in. De dag van de afrekening nadert. Het recht krijgt zijn loop.
Wat het oudtestamentisch getuigenis van God verwacht wordt hier van Christus
gezegd.”
[58] Compendium, 1998, pag.216
[59] Acta Leusen 1999, Bijlage 23, pag.572
[60] Compendium, pag.223
[61] Compendium, pag.224
[62] Idem, pag.224
[63] Acta GS Kampen 1975, bijlage 7, pag.373v
[64] Compendium, pag.254
[65] Dr.C.N.Impeta, Kaart van kerkelijk Nederland, Kampen 1972, pag.207v
[66] Compendium, pag.1317
[67] Compendium, pag.255
[68] Prof.dr.J.van Bruggen, Mattheus, Kampen 1990, pag.425.
[69] Acta GS Leusden, Bijlage 23, pag.574
[70] Compendium, pag.273v
[71] dr.G.C.Berkouwer, Karl
Barth, Kampen 1936, pag.93
[72] Karl Barth, Kirchliche Dogmatik
I,1 pag.455
[73] Dr.C.Smits: Het Barthianisme in strijd met Schrift en Belijdenis,
Goes 1955, pag.38
[74] Drs.G.van Rongen, Ja en Amen, Kelmscott 1998, pag.154v
[75] art.29 NGB
[76] Ds.C.G.Bos, Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1945, Groningen 1980,
pag.51. Ds.Bos verwijst hierbij ook naar dr.C.Trimp, Betwist Schriftgezag,
hfdst.6.
[77] Dr.C.G.Bos, a.w. pag.77v
[78] Compendium, pag.276
[79] Acta GS Leusden, B ijlage 23, pag.574
[80] Tekstboekje behorende bij den liederenbundel der
Geref.Jeugdorganisaties, Rotterdam z.j. (voor 1940), pag.78
[81] Acta GS Leusden, bijl.23, pag.574v
[82] Compendium, pag.287v
[83] Acta Chr.Geref.Kerken, 1980, pag.216v
[84] We hebben ook ergens gelezen (Lenze Bouwers, Gewassen van het Landvolk, Radix 2e jg nr 4, p.174/175) dat "Oer" in lied 3 er expres zó staat: van oer-staat (kringloop van heidense religie - zoals die o.a. in het nazi-dom uitkwam; dat hadden deze dichters pas nog aan den lijve ondervonden) naar nieuw Jeruzalem (volmaakte, aardse harmonie).
[85] We vonden de tekst bij G. van der Leeuw, Beknopte geschiedenis van het kerklied, Groningen/Batavia 1939.
[86] geen praesens maar perfectum en imperfectum: laudavere = geprezen hebben, ambulabant = gingen.
[87] uitgave van de prof.dr. G. van der Leeuwstichting, Amsterdam 1975
[88]. Engelse tekst uit Aan 't eind van elke schooltijd, Groningen 1957 (4e druk); ook te vinden in Uit elke taal van H.R. Munneke, Groningen z.j.
[89]. De Engelse tekst vonden we in Aan 't eind van elke schooltijd van H. Hasper.
[90] Deputaten in 1975 signaleerden al dat dit principieel
onaanvaardbaar is (Acta 1975, p. 349).
[91]. Engelse tekst uit het Book of Praise van onze Canadese zusterkerken, hymn 4 (dezelfde tekst in Haspers Aan 't eind van elke schooltijd en In elke taal van H.R. Munneke).