lezing RWVKO Putten, 13 september 2002

 

Is de rustdag een gebod?

S. de Marie

 

Nog maar enkele jaren geleden waren we het in onze kerken eens over een essentiële zaak. De rustdag, de zondag was de dag van verlustiging in de Here. Wat werden daar geen mooie dingen van gezegd: rusten van je dagelijks werk, omdat de Here dat van je vraagt. De dag waarop de HERE en zijn dienst centraal staan. De dag des Heren waarop Christus zijn gemeente bijeenroept om de Here te ontmoeten. De nieuwtestamentische sabbat, waarbij we in ons leven zelfs een begin mogen zien van de eeuwige sabbat. Over deze zaken waren we het tot voor kort van harte eens. Het vormde een onderdeel van ons belijden en van onze geloofsinhoud en geloofsbeleving. Je hoorde het in de geregelde prediking over zondag 38 HC, het kwam terug in de gebeden zondags in de kerk wanneer de Here voor deze dag werd gedankt. We horen het nog steeds zondag aan zondag wanneer het 4e gebod van de wet wordt voorgelezen: Gedenkt de sabbat, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God, dan zult gij geen werk doen”,

 

Maar wat een duidelijke en heerlijke werkelijkheid was voor Gods kerk, is nu wreed verstoord. Wat ons steeds als Gods wil verkondigd werd, is door de Synoden van Leusden en van Zuidhorn gedegradeerd tot een mening. Een menselijke mening wel te verstaan. Een mening die nog wel genoemd mag worden, maar nooit meer het gezag van een gebod van de HERE kan hebben. Immers naast die mening moet nu ook aanvaard worden een andere mening. En die andere mening zegt dat de rustdag ons niet van de HERE wordt geboden.

 

De uitspraken van Zuidhorn brengen een viertal kwesties voort, die we hier zullen bespreken:

1e. Wat is de diepe betekenis van de rustdag naar het vierde gebod?

2e. Houdt de geldigheid van het vierde gebod voor ons op?

3e. Kan t.a.v. één zaak een goddelijk gebod tegelijk een tegengestelde mening verdragen?

4e. Waarop lopen de uitspraken van Zuidhorn uit in de praktijk van het kerkelijk leven en van ons persoonlijk geloofsleven?

 

1e. Wat is de diepe betekenis van de rustdag voor ons?

    

De rustdag kent sinds de schepping 4 fasen:

Eerst in het paradijs, dan na de zondeval, vervolgens na de verbondssluiting met Israel,

en tenslotte na de opstanding van de Here Jezus tot aan de wederkomst, de tijd waarin we nu leven

Eerst in het paradijs: God zondert een dag af na de zes scheppingsdagen. Hij schept daarmee een week van 7 dagen. Zes dagen werken en één dag rust. Dat is de goddelijke scheppingsordinantie in de tijd. En deze ordinantie blijft gelden tot aan de wederkomst.[1] Na zes dagen Schepping komt de zevende dag. Die wordt door God geheiligd en gezegend: Hij wendt zich tot zijn Schepping, zoekt gemeenschap met al het geschapene. De mens weerspiegelt Zijn God en Schepper als Zijn beeld. In die weerspiegeling verlustigt de mens zich ook in de grootse schepping van Zijn God.[2]  De sabbat, in het paradijs de dag volgend op de schepping van de mens, had mede tot doel dat die pas geschapen mens zich volledig kon wijden aan de dienst aan zijn God. De sabbat, dat is Gòds sabbat, die was er en is er voor de mens, zegt Christus in Marc. 2:27.

Na de zondeval (tweede fase) is hierover een smet gekomen. Door Gods genade, mocht de mens Hem wel blijven dienen, maar deze dienst werd gebrekkig. Over de sabbat lezen we pas weer in Exodus 16:1-36, vóórdat de verbondssluiting bij de Sinaï plaats vond.

Dan komt God in de derde fase, bij de verbondssluiting tot zijn verbondsvolk met zijn geboden ten leven: Hij wilde dat Zijn volk Hem zou gedenken en zou dienen op een Hèm welgevallige wijze. Het vierde gebod moeten we daarom verstaan in het geheel van Gods verbondswet. Vanuit de inleiding van de wet, en het eerste t/m het derde gebod wordt duidelijk hoe de HERE ons aanspreekt op de invulling van Zijn dag.

Zijn verbondsvolk mocht en kòn Hem weer dienen op Zijn dag omdat het verlost was uit het diensthuis van de zonde (denk aan de inleiding van de wet). Het volk was Hem ook verschuldigd te dienen en te eren. Hem als de enige almachtige God dienen op een Hèm welbehaaglijke wijze, naar Zijn wil en niet eigenwillig naar de wil van mensen (het eerste en tweede gebod leren ons dat). Uit het derde gebod volgt dan: Ontzag en eerbied voor zijn heilige Naam moet leiden tot het aanroepen en prijzen van Zijn grote Naam. En dan komt het vierde gebod : de Here wil de dienst aan Hem nu in het bijzonder laten plaats vinden op Zijn door Hem Zelf afgezonderde en geheiligde dag. De HERE als Verbondsgod wil centraal staan in al het denken en handelen op deze rustdag. Daarbij moet het gewone werk nagelaten worden. Gods werken van Schepping en van Verlossing moeten speciaal op díe dag verheerlijkt worden. Deze werken van God in de Schepping worden zo mooi in de tekst van het vierde gebod opgesomd: in zes dagen maakt Hij de hemel en de aarde, de zee en al wat daarin is. Die werken moeten verheerlijkt worden.

In Deut. 5:14 ligt het accent juist op Gods grote verlòssingsdaden: “want gij zult gedenken dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt en dat de HERE uw God u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm”; Zo zijn ook al in het O.T, de twee pijlers van het vierde gebod: enerzijds de grote daden van de Schèpping en anderzijds van de Hèrschepping, beide zijn het de grote daden van God de Vader aan Zijn schepping. Door het onderhouden van het sabbatsgebod zou de HERE het stralend middelpunt zijn van zijn uitverkoren verbondsvolk. Daarvoor werd op de rustdag in de offers de verzoening zichtbaar gemaakt. Deze dag was een teken van zijn trouw.[3]

Het volk Israël heeft het verschrikkelijk moeilijk gehad om in geloofsgehoorzaamheid en in liefde dit gebod ten leven te houden. De HERE moest zijn verbondsvolk voortdurend tot de orde roepen. De HERE achtte het nodig om met zeer strenge straffen de heili­ging van zijn dag te waarborgen, zo was Hij gesteld op het naleven van dit vierde gebod waarin de dienst aan Hem centraal zou staan.[4]

 

In de nieuwe bedeling (vierde fase) is er verdieping van de rustdag gekomen: we mogen ons door het volbrachte verlossingswerk van onze Heiland ook verlustigen in de verzoening met God de Vader en in de overwinning op de satan, de zonde en de dood. Christus rustte bovendien op de O.T. sabbatdag van zijn verlossingswerk. Daarmee werd het ceremoniële van de O.T. sabbat dat daarnaar verwees, afgedaan. Zo verschoof de rustdag  toen van de zevende dag naar de eerste dag van de week. Maar het vierde gebod …blijft onderdeel van de grondwet van Gods Verbond der genade. Christus wil dat de tekst van deze grondwet zelfs letterlijk blijft gelden tot aan de wederkomst (Matt 5:17,18).[5]  Ook het vierde gebod wordt door de Heilige Geest nu in ons hart geschreven.[6]  De wet is wel vervuld en verdiept door Christus, maar niet afgeschaft. Voortaan mag de rustdag, de eerste zijn waarmee we de week beginnen. Christus institueert zijn kerk op deze eerste dag, de dag van zijn opstanding. Precies een week later, weer op zondag, verscheen Hij opnieuw in het midden van de kerk. In Hand. 20:7 en 1 Kor. 16:1-3 zijn aanwijzingen dat de eerste dag van de week door de kerk werd gevierd. Deze dag wordt in Openbaring 1:10 dan ook de dag des Heren genoemd. D.w.z. de dag die de Here Jezus instelde en aan hem is gewijd. Als Heer van de sabbat heeft Christus dus nu aan deze dag zijn naam verbonden. Het is niet maar de kerk die dit als een goede keus heeft gedaan, de Here Zelf wijst deze dag in zijn Woord aan. Als vernieuwde mensen door het herscheppings­werk van Christus mogen we terug naar het scheppingsuitgangspunt in het paradijs: startend vanuit de rust zijn we weer op de HERE gericht, de zin van ons leven. In de Judaïstische onderhouding van de O.T. sabbat draaide het om de mens en zijn goede werken. Deze onderhouding wordt daarom in de Schrift radicaal afgewezen.[7] …Deze teksten mogen niet gebruikt worden om nu ook het vierde gebod als afgeschaft te verklaren. Voor de N.T. kerk zijn het ook Gods werken van Schepping en Herschepping, die de basis vormen voor de onschatbare betekenis van de Rustdag. Op die dag heeft de HERE God gemeenschap met de bruid van Christus. Dan wordt Zijn levende Woord verkondigd, en Hem lof en eer toegezongen. In Hebr. 10:25 wordt daarom de N.T. gemeente aangespoord de eredienst niet te verzuimen. Deze dag blijft zo een teken van verbond, heenwijzend naar de volkomen eeuwige heerlijkheid, de eeuwige sabbat.[8] In de scheppingsorde van de tijd blijft God Zelf zorgen voor de structuren om Hem in alle rust te kunnen dienen. Het gebod van de rustdag omvat de regel om te rusten van het dagelijkse werk. Dit gebod wordt ons ook daarom wekelijks voorgehouden als onderdeel van de liefdeswet van de HERE. God doet aanspraak op héél ons leven –het vierde gebod omspant onze arbeid in zes dagen en ons rusten op één dag), wij zijn in heel ons leven het eigendom van Christus.

 

Rusten betekent ook op adem komen van het dagelijks werk.[9]  We mogen het jachtige leven van alle dag achter ons laten. We zijn niet slaaf van ons werk, onze opleiding, onze sleur van alledag. De echte ontplooiing als christen op de Rustdag houdt in: al ons heil en afhankelijkheid zoeken bij onze God en HERE èn Hem als een levend dankoffer dienen naar zijn geboden.[10]  We doen dat in de publieke eredienst, we doen dat ook in de persoonlijke en huiselijke godsdienstoefeningen. Dit betekent geloofsgehoorzaamheid, zelfverloochening en zelfopoffering. Nalaten van de zonde maar ook van allerlei activiteit waar wijzelf egoïstisch in het middelpunt staan, hoe belangrijk dat werk in onze eigen ogen ook is.[11]  Dit betekent niet, dat elke ontspanning ontbreken moet. Maar deze ontspanning moet niet doel in zichzelf zijn. Immers ontspanning van het werk betekent op zondag dat we nu geheel gericht kunnen zijn op God. Zo straalt vanuit de zondag dat mooie sabbatsleven de week verder binnen. We gaan al meer de wil van de HERE doen ook door de week, omdat Hij niet uit onze gedachten raakt.[12]

Zo werkt de HERE van sabbat naar sabbat, van zondag naar zondag, van week tot week heen naar de volmaakte eeuwige sabbat waarin de HERE zal zijn alles in allen. We lezen van dit geweldige perspectief van de sabbat in Hebr. 4. Het gaat bij de rustdag in feite om het Welbehagen van de HERE in Zichzelf. Vanwege dat Welbehagen heeft Hij eens de Schepping gemaakt en de mens als onderkoning, Zijn beeld, Zijn weerspiegeling. Nu werkt Hij sinds de zondeval in Christus weer heen naar het verwezenlijken van het einddoel: de eeuwige sabbat, wanneer Hij Het eeuwige Welbehagen in Zichzelf volmaakt gestalte geeft ook door onze dienst.

Kortom de zondagsrust is verankerd in het sabbatsgebod, het gebod van Gods gemeenschap met de Schepping en met de Kerk, het gebod van het doel van ons leven: de verheerlijking van al Gods werken. Deze dag zullen we koste wat kost willen behouden voor het doel dat de HERE eraan geeft.

 

We vatten samen wat de zondagsrust ten diepste inhoudt:

Wij rusten MET de HERE, zoals Hij bij de voltooiing van Zijn Schepping gerust heeft en rust op Zijn dag

Wij rusten IN Christus die ons in zijn Herschepping weer heeft teruggebracht tot de dienst aan God

Wij rusten VAN ons dagelijks werk en van onze zonden (dit laatste werkt door in alle dagen v.d. week)Zo

rusten wij TOT de verlustiging in Gods werken van Schepping en Herschepping

 

2e.  Houdt de geldigheid van het vierde gebod op?

De eerste dag van de week is voortaan de rustdag naar het vierde gebod. Dit heeft de kerk van Christus uit het geheel van de Schriften verstaan. Net zoals ze door de leiding van Gods Geest tot de conclusie gekomen is dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen en  welke de boeken zijn die tot Gods Woord, de canon,  behoren. Ook daar was een zekere tijd voor nodig. Maar toen de kerk dit gehoorzaam heeft verstaan heeft ze die rustdag ook beleden. En is ze voor de heiliging ervan ook steeds opgekomen. Dat is nu recent veranderd.

In een preek stelde ds. D. Ophoff   “Laat merken hoeveel die dag je waard is. Wat mij betreft, niet op grond van een absoluut, goddelijk gebod. Maar wel omdat het goed is samen een dag in de week rust te nemen, naar het voorbeeld van Israëls sabbat.”

De Synode van Leusden moest zich in 1999 uitspreken (Acta art. 25) over een appelzaak tegen een veroordeling van deze preek door de PS van Utrecht. Als eerste Gereformeerde Synode in de geschiedenis sprak zij uit, dat de opvatting dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een goddelijk gebod, niet te veroordelen is;

Op de Synode van Zuidhorn is hierop uitgebreid bezwaar gekomen in de vorm van revisieverzoeken van 3 kerkenraden, van ruim 390 personen (waaronder 369 adhesiebetuigingen). Ook werden nog 9 brieven en 26 adhesiebrieven  over deze zaak onontvankelijk verklaard werden. De Synode heeft al de behandelde revisieverzoeken afgewezen. Wel erkende ze dat op onderdelen van de gronden van Leusden terecht kritiek werd geoefend, ze vond dit niet doorslaggevend. 

 

Eén van deze onderdelen van de gronden van Leusden betrof N.B. de uitspraak die de gereformeerde kerken in 1618-1619 in Dordrecht hebben gedaan over het blijvende van het vierde gebod.

Dordrecht formuleerde over het blijvende een aantal regels:

     3.      Moreel (blijvend) is het dat een zekere en vastgestelde dag voor de godsdienst bestemd is, met daarvoor zoveel rust als voor de godsdienst en de heilige overdenking daarvan nodig is. 

      4.      Nadat de sabbat van de joden is afgeschaft, moeten de christenen de zondag plechtig heiligen.

      5.      Deze dag is sedert de apostelen in de oude christelijke kerk altijd onderhouden.

      6.      Deze dag moet zo aan de godsdienst gewijd worden, dat men daarop rust van alle slaafse werken (uitgezonderd die werken die uit liefde en de tegenwoordige noodzakelijkheid voortspruiten), alsook alle ontspanning die de godsdienst belemmert.

De conclusie van ons en andere appelanten is: de Dordtse Synode koppelde de zondag aan het morele, het blijvende van het vierde gebod; zij handhaafde hier de rustdag, de sabbat, die geheiligd moet worden en aan de godsdienst moet worden gewijd. Godsdienst die meer omvat dan de publieke eredienst maar naar Gods Woord ook onze persoonlijke en huiselijke godsdienstoefeningen betreft. Het gaat immers om de verlustiging van ons in de grote daden van God.

Overeenkomstig het vierde gebod moet het dagelijkse werk – alle slaafse werken, zegt Dordrecht - worden nagelaten. Regel 6 van Dordrecht zegt dat we zelfs in àl onze ontspanning rekening moeten houden met onze dienst aan de Here op deze dag. Een duidelijke uitspraak dus over het blijvende van het vierde gebod voor de NT kerk. De rustdag blijft een gebod van de Here.

Wat zegt Zuidhorn hierop? Zij geeft toe dat deze regels niet verengd mag worden tot ruimte voor de erediensten zoals Leusden had gesteld. Ze vindt dit van Leusden te massief. Ze stemt de revisieverzoeken op dit punt  toe, maar daarbij blijft het dan. Want volgens Zuidhorn mag je nu eenmaal meerdere kanten op. Ook stelt de Synode in haar grond dat de uitspraak van Dordrecht eigenlijk geen officieel gezag meer heeft. En dat daarom een beroep op de regels van deze synode uit 1618/19 niet zo zinvol en overtuigend is. Wat Zuidhorn hiermee zegt is in feite afstand nemen van een getuigenis van de Geref. kerken. Een kerkelijk getuigenis dat door de eeuwen heen door andere synodes is bevestigd. Ook na de Vereniging van 1892 zijn nl. juist de uitspraken van deze Dordtse Synode gehandhaafd. Ook die inzake het blijvende van het goddelijke vierde gebod. Wat de synode zegt over de geldigheid van de regels van Dordrecht is dan ook onjuist.

De regels van Dordrecht staan niet op zichzelf. Ze zijn in overeenstemming met wat de H.C., onze geloofsbelijdenis, zegt in zondag 34 en 38 over de rustdag: het is de sabbat, dag van het ophouden met het werk. Sabbat staat er in ons kerkboek. Feiertag, staat er in de originele Duitse tekst van de HC. Deze feiertag is hier niet zozeer dag van het vieren, feestdag, zoals de synodecommissie van Zuidhorn beweert. Feiertag betekent letterlijk juist dag van ophouden.. Feieren betekent in het Duits vooral ook staken, rusten van het werk. Zo staat oorspronkelijk over het nalaten van mijn slechte werken, dat ik die slechte werken moet feieren. Het Duitse woordenboek zegt Feierabend is rust na het werk, Feierstunde is rustuur of schaftijd. Feiertag is dus gelijk aan Sabbat, rustdag. Ook in het originele commentaar van Ursinus, één van de twee opstellers van de Catechismus, wordt de zondag gewoon aangeduid als de N.T. sabbat. Dat is wat de kerk heeft beleden en wat de voorgangers als Gods gezanten Gods kinderen steeds hebben voorgehouden.

 

Zuidhorn valt Leusden bij dat zij als belangrijkste grond had, dat er altijd al verschil van mening heeft bestaan. Volgens hen was er altijd ruimte om de zondag als rustdag niet als gegrond op een goddelijk gebod te zien. Er zou dan ook zoals ds. Ophoff heeft gedaan, anders gepreekt mogen worden, dan wat Dordrecht en de Catechismus hierover op grond van de Schrift hebben geleerd. Zuidhorn volstaat in haar besluit met deze constatering maar geeft hiervoor geen bewijsplaats in de gronden. Daarvoor moeten we dan naar het commissierapport. In dat rapport vinden we verwijzing naar een part. synode uit 1626 en 2 generale synodes waarin uitspraken worden gedaan over werken van noodzakelijkheid en zeker niet over de verhouding van de zondag tot het vierde gebod. Deze verwijzingen zijn dus hier niet van toepassing. Zo resteert in het commissierapport alleen een verwijzing naar een kerkbode-artikel van ds. D. van Dijk uit 1959. Een uitspraak die de bewuste predikant later in 1981 niet meer voor zijn rekening bleek te nemen.

Met deze ene kerkblad verwijzing uit 1959 moeten de kerken het doen als bewijs dat de kerk altijd al aan meerdere meningen een wettige –let wel wèttige -plaats heeft gegeven. Hiertegenover staan de bewijzen van vele kerkelijke uitspraken t/m die van de GS van Hoogeveen die het sabbatsgebod handhaafden als een voor de nieuwtestamentische kerk bindende wet. Hiertegenover staan ook de bewijzen uit de vele uitgegeven preken en publicaties van gereformeerde voorgangers van de kerk in de 20e eeuw. Hierin bestond eenvoudigweg géén verschil van mening m.b.t. de fundering van de zondag in het vierde gebod, zoals Leusden en Zuidhorn suggereerden. Wel werd verschillend gedacht over het moment van het instellen van de sabbat (bij de schepping, of later), maar dat is iets anders.

Ook over het nalaten van slaafse arbeid (uitge­zonderd werken van barmhartigheid, liefde en orde) is altijd zo gepreekt, dat dit voor de gehele zondag geldt. Prof. Douma oordeelde in 1986  nog bij een uitgebreid overzicht door de eeuwen heen, dat niet-noodzakelijke arbeid op zon­­dag in strijd is met het vierde gebod. Hij verwees daarbij naar Spr.19:16: “Maar een christen weet dat wie het gebod bewaart, zijn leven bewaart, ook al kost het hem een goeie baan”

Het is zeer laakbaar dat er bij zo’n belangrijke zaak, door twee opeenvolgende Synodes zo incorrect is omgesprongen met bewijzen en argumentatie. Velen spreken nu klakkeloos na dat er altijd al ruimte geweest is voor deze afwijkende leer.

Br en zrs het gaat om het recht van de Here op Zijn dag, om de gehoorzaamheid aan onze Here, het gaat om kerk van Jezus Christus te blijven. 

 

3e. Kan t.a.v. één zaak een goddelijk gebod tegelijk een tegengestelde mening verdragen?

 

Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst helder in beeld krijgen wat het wezenlijke verschil is tussen geboden van God enerzijds en meningen van mensen anderzijds.

De geboden van God zijn ons in zijn Woord geopenbaard. Deze geboden bevatten Zijn wil. Gods schepsel, zijn kind zijn wij, gemaakt om zijn wil, zijn geboden te doen. De geboden van God zijn gericht op de liefdevolle omgang, het wandelen met God, en gericht op de liefde tot de naaste. Ze leren ons welk gedrag of houding de Here welbehaaglijk is. Als Gods kinderen kunnen wij door de Geest gaan gehoorzamen aan Gods wil. In de weg van gehoorzaamheid volgen we onze Here Jezus Christus die volmaakt gehoorzaam was aan de wil van Zijn Vader. Wanneer wij de geboden doen dan zijn dat goede werken, uit dankbaarheid gedaan. Niet om iets te verdienen, ook niet uit angst omdat we anders de toorn van God oplopen. Nee de Geest van Christus schrijft die geboden in ons hart als we echt geloven. Dat is echte vrijheid, en geen vrijheidsinperking. Het houden van Gods geboden is in Gods Woord dan ook kenmerk van de ware christen en van de ware kerk. Zo moeten we Gods geboden zien en zo moeten we ook de christelijke vrijheid zien. Die vrijheid is erop gericht de geboden van God toe te passen overeenkomstig Gods Woord.

 

Wat zegt onze belijdenis nu over de verhouding tussen Gods geboden en meningen van mensen.

HC Zondag 33 maakt onderscheid tussen enerzijds werken die gegrond zijn op Gods geboden, dat zijn de goede werken, en anderzijds werken die zijn gegrond op eigen mening of op geboden van mensen, die werken zijn in wezen géén goede werken van dankbaarheid. Dit is dus een kardinaal onderscheid. Immers, wanneer de zondag niet rust op het goddelijke vierde gebod dan is de zondagsrust een menselijke instelling, waaraan we elkaar niet mógen binden. Anderzijds wanneer de zondagsrust rust op het goddelijke 4e gebod dan moèten we naar v&a 90 van dezelfde zondag 33 zeggen: Het wijden van de rustdag is ook het opstaan van de nieuwe mens . Dat doen we zelfs met hartelijke vreugde in God door Christus en met lust en liefde. Uit het vervolg van zondag 34 en 38 blijkt dat onze belijdenis dit werkelijk op onze lippen legt: de rustdag is de sabbat naar Gods vierde gebod. Onderdeel van de richtsnoer voor ons leven in dankbaarheid.

Hoe zit het nu met de menselijke mening. Kan die bestaan naast Gods wil? Art. 7 van de NGB is hier duidelijk in: Men mag geen geschriften van mensen of gewoonte, concilies, decreten of besluiten op één lijn stellen met de goddelijke geschriften. Meningen die dat Woord van het 4e gebod dus buiten werking stellen, moeten volgens dit artikel dan ook uit de grond van ons hart verworpen worden. Deze menselijke meningen, hoe heilig de voorgangers ook geweest zijn, verdragen zich niet met Gods waarheid. Art. 7 besluit dan ook heel indringend met woorden uit 2 brieven van de apostel Johannes: “Beproeft de geesten of zij uit God zijn.” En: “indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis.”

 

Maar, zo wordt gezegd, niemand wordt nu toch gedwóngen om het standpunt van ds. Ophoff te delen? Er wordt toch alleen ruimte voor verschillende opvattingen gevraagd? Maar let wel:

De Synode van Zuidhorn zegt aan degenen die Gods gebod willen handhaven: dit mag niet aan een ander worden opgelegd. Met andere woorden: de rustdag mag niet met bevel tot geloof en bekering van de kansel worden gepredikt. De synodeuitspraak is dus helemaal niet vrijblijvend: want in feite wordt het recht ontzegd van herderlijk en onderling vermaan om de zondag te houden naar Gods wil.

De Synode van Zuidhorn zegt de vrede en de eenheid in de kerken te willen dienen. Maar, ter wille van de door haar beoogde vrede, maakt zij het schriftuurlijke getuigenis en wetsonderricht krachteloos. Onze belijdenis zegt in art. 7: waar een goddelijk gebod bestaat kan geen andere menselijke mening worden geduld. Zelfs niet van een apostel of een engel. Zelfs niet van een concilie of synodebesluit.

 

4e Waarop loopt deze uitspraak uit in de praktijk van het kerkelijk leven en van ons persoonlijk geloofsleven?

 

Zuidhorn zegt wel: het besluit rond de rustdag is geen leeruitspraak, zij heeft slechts betrekking op een concrete situatie namelijk een concrete preek.

Maar daartegenover moet worden gesteld dat de besluiten van Leusden en Zuidhorn wel degelijk fundamentele uitspraken zijn. Ze betreffen de norm voor die dag. Het fundamentele karakter van die uitspraak zien we in 5 elementen.

-    Allereerst omdat het gaat om de Dag van God zelf, die Hij geheiligd en gezegend heeft en die

     Hij aan Zijn kerk heeft geschonken;

-    Ten tweede is deze uitspraak fundamenteel omdat de geldigheid van het vierde gebod is aangetast, waardoor we het beroep op Gods eigen Woorden krachteloos maken.

-    Ten derde is fundamenteel dat de praktijk nu de norm gaat vervangen. Terwijl de kerk zoveel eeuwen lang haar schriftuurlijke belijdenis tegenover de tijdgeest in bewaard heeft, gaat de kerk van nu zwichten voor de economie. We vervallen via het compromis tot eigenwillige godsdienst.

-    Ten vierde is de uitspraak fundamenteel omdat hij een breuk betekent met een eeuwenlange belijdenis van de Kerk van Jezus Christus

-    Tenslotte blijkt de uitspraak fundamenteel omdat een menselijke mening naast en daarmee boven Gods Woord wordt gesteld.

De gevolgen van deze uitspraak zijn verregaand.

We zagen al dat door deze uitspraak de eenheid in het ware geloof wordt opgebroken. Gods gebod gedegradeerd tot een menselijke mening. Gods waarheid uitgespeeld tegen menselijke opvattingen. Het hartelijke leven naar Gods geboden verstoord. Elkaar aansporen om samen Gods wegen te gaan, wordt onderdrukt. Kerkelijk komen we uit elkaar te liggen.

Maar bovenal hoe staan we tegenover de Here en de vreugde rond Zijn dag. De inhoud van Zijn woorden -  zo nadrukkelijk gehandhaafd door onze Here in Matt 5 –nu eigenwillig geschrapt.

De deur open om zondag te gaan werken.  Als het niet meer gaat om een goddelijk gebod, dan zal men zich ook geen moeite meer geven om niet te werken op zondag, of om een bepaalde baan niet te nemen. Zuidhorn heeft inmiddels ook de benoeming van ouderlingen verdedigd die zelf op zondag werken en anderen laten werken. Zij gaf steun aan een classis en PS om een uitspraak te mogen doen die verder ging dan Leusden. De classis Rotterdam mocht van Zuidhorn stellen dat de regel van zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen maar de zevende dag … dan zult gij geen werk doen”, niet meer voor de N.T. kerk hoeft te gelden. Zo wordt de scheppingsordinantie van zes dagen werken – één dag rust door deze uitspraak expliciet terzijde geschoven en de tekst van het vierde gebod als afgeschaft verklaard. Zuidhorn heeft het bezwaarschrift hiertegen verworpen en daarmee deze classisuitspraak toegestaan.

 

Intussen zijn de desastreuze gevolgen van de uitspraak van Leusden niet onopgemerkt gebleven. Ook niet door de GS van Zuidhorn. De kerken worden immers leger, de mensen ‘minimaliseren’ de invulling van de zondag. In plaats van hierdoor wakker geschud, terug te keren naar Gods Woord om als kerken de Here de eer te geven, gaat men voort op de ingeslagen weg. Wat een deputaatschap nu wordt opgedragen is uitgaande van de idee van de twee wegen over de zondag een handreiking aan de kerken te doen. Een handreiking zoals het heet, omtrent het omgaan met de zondag als rustdag in een kerkelijke, politieke en maatschappelijke context. Verder moet een bezinning worden verricht op een christelijke levensstijl i.v.m. vieren en rusten.

Maar men wil geen leeruitspraak, ook geen schriftstudie over de basis van de zondagsrust. Daar ligt nu al zoveel materiaal, wordt er gezegd. Men wil een handreiking, een advies hoe we kunnen redden wat er nog te redden is, maar zonder het fundament van Gods gebod! Want dit fundament is nu door de gereformeerde kerken verlaten. Hoe geldt hier niet wat de Here Jezus ons leert in Matt 7:24-27 over de man die zijn huis bouwt op het zand!

 

Waar blijft het protest in onze kerken? Zuidhorn was menselijkerwijs gesproken, de laatste appèlmogelijk­heid om in het landelijk verband van onze kerken het vierde gebod te laten staan. Wie mag hierover nog langer zwijgen?

 

Tenslotte, u zult wellicht vragen: hoe moeten we dan wel verder in de tijd van de 24-uurs economie? 

Laten we toch vooral aan de HERE trouw blijven en bij toenemende arbeidsmoeiten kracht putten uit Gods Woord. “In Matt 6:25 staat: “Zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles, zal u bovendien geschonken worden.” Dit alles is in Matt. 6 juist hele gewone zaken als onderdak en andere primaire levensbehoeften. We moeten dus vanuit die visie onze mogelijkheden uitbuiten om een werkkring te vinden zonder zondagsarbeid, behalve die van noodzakelijke werken.

In de wereld van het jaar 2002, in een welvaartstaat waar de liefde verkilt, kan het vieren van de zondag wel eens een testcase zijn voor onze liefde tot God.[13]  Laten we elkaar daarom aansporen naarmate wij de dag van de wederkomst van onze Heiland zien naderen![14]

En mochten we door anderen gedwongen worden om op zondag te werken, zoals de slaven in de eerste christelijke gemeenten, dan laten we ten allen tijde Gods gebod staan als norm ten leven, als regel van dankbaarheid! Misschien horen we wel tot de twee getuigen uit Openb. 11, die om het getuigenis van het Woord van God gedood worden op de straat van de grote stad, maar die zicht houden op de eeuwige sabbat.

 



[1] Gen. 2:1-3; Ex. 20:11; Ex. 31:17; Matt 5:17,18; Hebr. 4:4

[2] Gen. 1:26,27; 1 Cor. 11:7; Jac. 3:9

[3] Ex. 2-17; Ez. 20:20                                                                         

[4] ­­ Ex. 3­1:14,15; Neh. 13:17; Jes. 58:13,14; Jer.17:27; Ez. 20:18-26

[5] Matt 5:17,18

[6] Jer. 31:33; Rom. 8:4; Rom. 8:7; Hebr, 8:10

[7] Gal. 4:9-11; Kol. 2:16,17

[8] Hebr. 4: 1-13

[9] Ex. 23:12; Ex. 31:17

[10] Rom. 12:1

[11] Jes. 58:13,14; Jer. 17:19-27; Neh. 13:17-22; Marc. 2:27,28

[12] Joz. 1:8; Ps. 1:2; Hand. 26:7; 1 Thess. 3:10; 2 Tim. 1:3

[13]   1 Joh.2:3-6

[14] ­ Hebr.10:25