Houden we Gereformeerd Onderwijs?

 

Sinds enkele jaren is de grondslag van de gereformeerde scholen volop in discussie. Door velen in onze kerken en in onze schoolverenigingen wordt gevraagd om verbreding van de grondslag. Het belangrijkste motief daarvoor wordt gezien in de veranderingen binnen onze Gereformeerde Kerken (vrijg.). Met name de toenadering tot de Christelijke Gereformeerde Kerken speelt een belangrijke rol.

Dit voorjaar zal door het LVGS (Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen) een besluit worden genomen over een voorstel om leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken zonder meer toe te laten als leden van de gereformeerde schoolverenigingen. Dat houdt in dat kinderen uit de Christelijke Gereformeerde Kerken voortaan zonder toelatings-gesprek op een gereformeerde school kunnen worden toegelaten, dat leden van die kerken in schoolbesturen, lokaal en centraal, kunnen worden gekozen en dat leerkrachten uit genoemde kerken gewoon benoembaar zijn aan de gereformeerde scholen.

 

Kern

Het lijkt erop dat een dergelijk voorstel vrij breed gedragen wordt. Maar er zit heel veel aan vast. Is het een goed voorstel? Voorstanders van verbreding van de grondslag menen van wel. Er is in de gereformeerde pers vrij uitvoerig over geschreven, o.a. in de Reformatie. Vorig jaar heeft het LVGS er een conferentie aan gewijd, een themanummer en een tweetal nota’s. Heel kort samengevat komt het er op neer dat we, nu de kerkelijke samensprekingen zo ver gevorderd zijn, en de beide kerkgenootschappen elkaar erkend hebben, er geen enkel beletsel meer is om voortaan ook op onderwijsgebied samen op te trekken. Dat is de kern van de discussie. Eigenlijk heel eenvoudig en logisch volgend uit de kerkelijke ontwikkelingen.

De vraag is: ligt het werkelijk zo eenvoudig? Of is er meer aan de hand? In het vervolg van dit artikel willen we een aantal zaken bij langs gaan waardoor duidelijk wordt dat het niet echt zo logisch is om met verbreding van de grondslag in te stemmen. We zullen proberen duidelijk te maken dat het gaat om instemming met een belangrijke principiële verandering, waarbij het de vraag is of op termijn het gereformeerd onderwijs wel gereformeerd blijft.

 

Doopbelofte

“Belooft u, dat u dit kind …….., waarvan u de vader (en de moeder) bent, bij het opgroeien in deze leer naar vermogen zult onderwijzen en laten onderwijzen?”

De derde doopvraag. Daarin ligt de diepste motivatie voor het oprichten en in stand houden van gereformeerde scholen. Onze ouders en grootouders hebben dat na de Vrijmaking heel sterk ervaren en gezien. “Deze leer”, dat is de leer van de kerk. Zoals die geleerd wordt in onze Gereformeerde Kerken (vrijg.). Kerken waarvan we geloven en belijden dat ze wettige gemeenten van Christus zijn waarin het Evangelie onverkort en volledig in overeenstemming met Gods Woord verkondigt wordt.

In de jaren voor de Vrijmaking werd die leer aangetast. Juist op het punt van de doop, het Verbond en de beloften van de Here. Na de Vrijmaking werd bezinning op die doopvraag onontkoombaar. Heel duidelijk werd in die tijd gezien hoe buitengewoon belangrijk het is dat kinderen juist ook op school onderwijs krijgen, dat volledig in overeenstemming is met wat God in zijn Woord leert. Nog altijd is het belangrijkste doel van gereforméérd onderwijs ouders meehelpen hun kinderen op te voeden tot mensen die als volwassenen in staat zijn hun Here te dienen zoals Hij dat van hen vraagt. Kinderen zijn zo gevoelig en nemen zo gemakkelijk allerlei zaken over wanneer die hen door opvoeders worden aangereikt. Juist in het onderwijs aan kinderen luistert het nauw. Wat op school aangeboden wordt op het terrein van geloof en leven uit het geloof moet in overeenstemming zijn met wat thuis en in de kerk geleerd wordt. Niet maar een beetje, niet half, niet voor het grootste deel, maar, als het enigszins kan, volkómen in overeenstemming. In trouw aan de goddelijke roeping op dit levensterrein.

 

Triangel

Gereformeerde ouders hebben gereformeerde scholen opgericht. Gereformeerde ouders, samen met andere kerkleden. Want het was (en is gelukkig nog vaak) een goede gewoonte dat ook kerkleden zonder kinderen in de schoolgaande leeftijd lid werden van de schoolvereniging. Omdat ouders, grootouders, niet-ouders en alle leden van de kerk begrepen en geloofden dat ze ook sámen verantwoordelijk waren voor de opvoeding van de kinderen van de kerk.

In feite vond het onderwijs aan gereformeerde scholen plaats binnen de kring van de kerk. Gezin, kerk en school: een onlosmakelijke eenheid. Ook wel genoemd “triangelgedachte”.

 

Andere invulling

Wanneer je hierover gesprekken voert geven de meeste gesprekspartners aan dat de triangelgedachte, gebaseerd op de doopbelofte, natuurlijk in stand moet worden gehouden! Nee, die triangelgedachte, die geeft als het ware het bestaansrecht van de gereformeerde scholen aan; daar wordt niet aan getornd! Maar na die uitspraak gaan tegenwoordig dan toch vaak de wegen uiteen. Velen geven aan de triangelgedachte een wat andere inhoud. Soms een volkómen andere inhoud.

De triangelgedachte, eenheid in opvoeding tussen gezin, school en kerk, kan ook gerealiseerd worden met meerdere kerken, zo is de redenering. En dan wordt gedacht, naast de Gereformeerde Kerken (vrijg.), aan de Christelijke Gereformeerde Kerken. De ene poot, die van de kerk, bestaat dan opeens uit twee naast elkaar staande pootjes. Dat kan, zo wordt gezegd, want tussen “hen”’ en “ons” is geen verschil meer. We zijn eigenlijk al één. Nou ja, formeel nog niet overal. Maar dat is een kwestie van tijd. O.a. in de stukken van het LVGS wordt deze gedachte verdedigd.

Vervolgens hoor je tegenwoordig ook de stelling dat die triangelgedachte nog veel breder gezien moet worden. Ook gelovigen van nog andere kerkgenootschappen, uit de zgn. gereformeerde gezindte maar ook uit evangelische groepen, kunnen op een gereformeerde school die triangelgedachte realiseren. Ook zij immers willen voor hun kinderen dezelfde lijn in de opvoeding thuis, in hun kerk en op school.

In deze redenering is de triangelgedachte volkomen veranderd van inhoud. De drievoudige ketting gezin-kerk-school  is veranderd in gezin-ieders eigen opvatting van kerk-school. Wezenlijk anders. De triangelgedachte stond altijd voor opvoeding binnen dezelfde gereformeerde geloofsgemeenschap. Dat wordt nu veranderd in opvoeding binnen een kring van mensen met een individuele geloofsopvatting. De keuze voor kerk en school is niet meer een gemeenschappelijke maar een individuele.

Met andere woorden: de band met de kerk is in deze opvatting minder sterk geworden. Sommigen zeggen: die band is breder geworden. In werkelijkheid moet je constateren: in deze opvatting wordt de band tussen school en kerk losgelaten.

Deze conclusie vindt ook onderbouwing in de LVGS-stukken vinden, waar o.a. geconcludeerd wordt:

“De triangelgedachte gezin-school-kerk is nog steeds het meest kernachtige uitgangspunt voor vele betrokkenen bij het gereformeerd onderwijs. De wijze waarop aan die triangel inhoud wordt gegeven is wel veranderd. Met name de relatie tussen school en kerk is daarbij onderwerp van gesprek. Bij de start van de gereformeerde scholen was er in veel sterkere mate dan op dit moment het geval is, sprake van invloed vanuit de kerken op de school. De scholen waren sterk ingebed in de plaatselijke kerkelijke gemeenschap waar men uit voortkwam. Bij de verdere uitbouw en professionalisering van het gereformeerd onderwijs, is het onderwijs in toenemende mate zelfstandig geworden (o.a. door schaalvergroting). De feitelijke binding met de kerken (via benoeming en lidmaatschap) is onveranderd, maar de verantwoordelijkheid voor de invulling van de eigen gereformeerde identiteit ligt veel meer bij de scholen zelf. Er is sprake van een accentverschuiving.”

(Samengaan voor identiteit, pag. 9; Concent-besturenorganisatie LVGS)

We menen dat de ontwikkeling goed geschetst wordt. Alleen met de laatste zinsnede kunnen we het niet eens zijn. Er is geen sprake van een accentverschuiving maar van een principiële verschuiving: de school vult het gereformeerde-school-zijn in in eigen verantwoordelijkheid, los van de kerk. Dat is de trend. En nu moeten we niet direct concluderen dat de scholen důs niet meer gereformeerd zijn. Gelukkig niet, in de praktijk is de verbondenheid met de kerk en met de leer van de kerk nog onveranderd sterk. Maar wel willen we aangeven dat de theorie over de triangelgedachte en de positie van de gereformeerde school wezenlijk anders aan het worden is. En dat daarmee de toekomst van het gereformeerd onderwijs in de waagschaal wordt gesteld.

Dat wordt zichtbaar in het verhaal van de triangel met individuele gezinnen uit meerdere kerkgenootschappen. En is dat eigenlijk in de gedachte van de “twee pootjes” ook niet zo? Op langere termijn kan dat grote gevolgen hebben. We zullen dat hierna nog verduidelijken.

 

Kerk

Heel belangrijk voor de beoordeling van het LVGS-voorstel is, hoe we tegen de kerk aankijken. Of, beter gezegd, wat we van de kerk gelóven. Onze opvattingen over de kerk en de eenheid van de kerk maken deel uit van ons gereformeerd belijden. We hebben het dus niet over middelmatige maar over heel wezenlijke zaken.

Hoe belangrijk vinden we de band met de Gereformeerde Kerken (vrijg.)? En daaronder de vraag: hoe sterk zijn we er nog van overuigd dat de Gereformeerde Kerken (vrijg.) de kerken zijn waar de Here ons roept?

De nauwe verbondenheid tussen Gereformeerde Kerk en gereformeerde school is de waarborg voor de gereformeerde identiteit van de school. Leerkrachten en ouders kunnen elkaar aanspreken op hun gemeenschappelijk geloven en belijden. Leerstof kan worden getoetst aan de leer van de kerk, waarvan we geloven dat die dezelfde is als de bijbelse leer.

De eenheid tussen school en kerk is als het ware het anker waaraan de school stevig ligt gemeerd. Eén anker. Wanneer we dat anker wat los gaan wrikken, wanneer we die band met de kerk minder belangrijk gaan vinden, en daarnaast dat ene grote anker ook nog eens gaan inruilen voor twee kleinere ankers, dan zetten we die waarborg op het spel.

Anderen, ouders van buiten onze kerken die hun kinderen naar onze scholen laten gaan, zien dat ook zo. De schrijver van dit artikel heeft op de school waar hij leiding aan mag geven een behoorlijk aantal niet-gereformeerd-vrijgemaakte leerllingen. Daaronder veel kinderen uit Christelijke Gereformeerde gezinnen. Bijna zonder uitzondering wordt steeds gezegd wanneer dit onderwerp aan de orde komt: We vinden het helemaal niet erg dat de band met de Gereformeerde Kerken zo sterk is. Het betekent wel dat we geen lid kunnen zijn van de schoolvereniging maar daar gaat het ons ook niet om. We willen graag voor onze kinderen dat onderwijs dat op jullie school gegeven wordt. Dat jullie die specifieke band met jullie kerk hebben geeft ons de zekerheid dat het goed zit, dat de school niet zomaar zal veranderen, dat we niet bang hoeven te zijn voor een verval zoals in het protestants-christelijk en rooms-katholiek onderwijs.

Een meelevende moeder van Hervormde huize sprak vlak voor het schrijven van dit artikel haar zorgen uit: “Ik ben helemaal niet gerust op die discussie over verbreding van de grondslag. We hebben uit overtuiging toelating gevraagd op jullie school. We willen graag dat die blijft zoals die nu is.”!

Veranderingen aanbrengen in de grondslag is een heel principieel besluit dat op termijn grote gevolgen kan hebben. De waarborg verdwijnt. Het anker wordt losgewoeld.

 

 

Personeel

Je moet dat wel willen zien. Velen zien wel het feit op zich maar hechten een heel andere waarde aan de band met de kerk. De waarborg voor gereformeerd onderwijs zien ze veel meer in een goed personeelsbeleid op de scholen. De gereformeerde scholen moeten zorgen dat ze goed personeel hebben. De leerkrachten zijn de “dragers van de identiteit”. Zíj leven de bijbelse normen en waarden voor. Zíj vertellen uit het Evangelie. Zíj doen aan de overdracht van geloofskennis. Zíj dragen bij aan de vorming van de leerlingen. Ze hoeven niet aangesproken te worden op hun kerklidmaatschap, op het gemeenschappelijk belijden van de Gereformeerde Kerken, nee, je kunt ze aanspreken op hun persoonlijk geloof, op hun persoonlijke band met God. Bij het selecteren en aannemen van personeel moet je dan ook heel goed onderzoek doen naar hun geloofsleven en hun eigen overtuiging.

Maar als je op deze manier de plaats van de kerk als minder belangrijk ziet, en gaat inzetten op het persoonlijk geloof van de individuele leerkracht, loopt een school grote risico’s. Vasthouden aan de gereformeerde identiteit wordt dan een heel subjectief iets. Je kunt niet van schoolleiders en bestuursleden verwachten dat ze tijdens een sollicitatie-procedure een gedetailleerd inzicht krijgen in wat iemand beweegt. Uit de aard van de zaak blijft dat globaal. En mensen veranderen soms. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat schooldirecteuren en bestuursleden de taak van ambtsdragers overnemen, en gaan toezien op het geloofsleven van het personeel? Dat is trouwens ook praktisch niet mogelijk.

Maar hoe houd je dan de identiteit overeind?

 

Kerkelijke eenheid

Het voorstel van het LVGS gaat over toelating van leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Men gaat er van uit dat de toenadering tussen onze Gereformeerde Kerken (vrijg.) en de Christelijke Gereformeerde Kerken al zo ver is dat in feite gesproken kan worden van eenheid. Formeel nog niet maar de ontwikkelingen zouden zo ver zijn dat er geen enkele belemmering is om de statuten van de schoolverenigingen zo te wijzigen dat leden van de Christelijke Gereformeerde kerken op dezelfde manier als de leden van onze kerken kunnen worden toegelaten tot de verenigingen en tot de schoolteams. Er is geloofseenheid, er moeten alleen veel formele zaken uit de weg geruimd worden, zo is de gedachte. En als je er zo tegenaan kijkt is de veranderde kijk op de triangelgedachte niet meer zo van belang. Als je één bent in het geloof, dan is er eigenlijk toch weer sprake van één poot v.w.b. de positie van de kerk.

Maar dat is nu juist de vraag. Zijn de ontwikkelingen inderdaad zover? En is er sprake van geloofseenheid? Daar willen we nu een aantal opmerkingen over maken.

·        Al vanaf de Vrijmaking wordt er met de Christelijke Gereformeerde Kerken samengesproken. Tot nu toe heeft dat niet mogen leiden tot echte eenheid. Beide kerken hebben wel van elkaar uitgesproken dat ze elkaar hebben herkend als kerken die willen staan op het fundament van Schrift en belijdenis. Ook heeft men uitgesproken dat de verschillen die er nog zijn binnen dat zelfde kader van Schrift en belijdenis  vallen en bespreekbaar zijn. En toch… Op de laatste generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken is weer uitvoerig over dit onderwerp beraadslaagd. De synode heeft uitgesproken dat een federatief groeimodel heel goed zou zijn, máár daar op dit moment niet aan te willen werken. Liever wil men “aan de basis”, in de plaatselijke gemeenten, verder werken en spreken. In een aantal plaatsen zijn kerkelijke samensprekingen. Op verschillende plaatsen hebben beide kerken elkaar erkend als ware kerken en is, met instemming van betrokken classes, besloten over te gaan tot kanselruil en het verlenen van toegang tot elkaars avondmaalsviering.

Maar kun je in zo’n situatie concluderen dat de beide gemeenten zo goed als één zijn? Echt één zijn twee gemeenten pas wanneer er een gezamenlijke kerkenraad is die tucht kan oefenen over alle gemeenteleden. (De kenmerken van de ware kerk, zoals die zijn geformuleerd in onze belijdenis zijn ook drie: goede prediking, bediening van de sacramenten čn beoefening van de kerkelijke tucht). In een situatie van kanselruil en toegang tot elkaars avondmaalsviering zijn de leden van de beide gemeenten nog steeds gast bij elkaar. Er is geen echte eenheid. Tot nu toe kent de schrijver van dit artikel maar één situatie waarbij een concreet tijdpad is uitgezet voor čchte eenwording. In zo’n situatie, van echte eenwording, kun je de leden van de voorheen Christelijke Gereformeerde Kerk niet weigeren als lid van de schoolvereniging. Maar die situatie doet zich op dit moment nergens voor.

Je kunt dat onbelangrijk vinden. Velen vinden wederzijdse erkenning voldoende basis. Het betekent wel, wanneer je de grondslag verbreed, dat je in feite een interkerkelijke school wordt.

·        We moeten vaststellen dat er landelijk gezien grote verschillen zijn. Op veel plaatsen komen samensprekingen moeizaam of niet tot stand. Soms wil men ook niet. Dat heeft o.a. te maken met het feit dat de Christelijke Gereformeerde Kerken  inhoudelijk bijna zo breed zijn als de hele gereformeerde gezindte. Landelijke eenheid zal niet snel gerealiseerd worden. Het is bekend dat voorgangers uit de Christelijke Gereformeerde Kerken van een bepaalde stroming zich daar heftig tegen verzetten. En aan de andere kant wordt ook al een geluid vernomen waaruit valt op te maken dat men met enige schrik kijkt naar de vele en snelle veranderingen in onze kerken: zijn de Gereformeerde Kerken (vrijg.) de Christelijke Gereformeerde Kerken niet “links” aan het inhalen?

·        Er liggen diverse bespreekpunten waar beide kerken nog niet uit zijn met elkaar. Het gaat dan om de leer van Prof. Oosterhof (Gen. 1-3), Dr. Loonstra (“knabbelt” aan het schriftgezag) en de waardering van diverse gebeurtenissen in de kerkgeschiedenis (Vereniging, Vrijmaking, zaak rond de Open Brief). Dat is een zaak van grote zorg. Op de komende Generale Synode te Zuidhorn zal daar zeker weer aandacht voor gevraagd worden.

We moeten concluderen dat er zowel landelijk als plaatselijk nog geen kerkelijke eenheid is. Of je nu voor of tegen samensprekingen bent, of je de ontwikkelingen nu toejuicht of betreurt, feit is dat die kerkelijke eenheid nog lange tijd op zich zal laten wachten.

En dan toch Christelijke Gereformeerde bestuursleden kiezen? En Christelijke Gereformeerde leerkrachten voor de klas? Maar van welke stroming dan? Die stroming die het dichtst bij “ons” staat? Maar het voorstel betreft toch ŕlle Christelijke Gereformeerden?

En hoe moet het dan met “samenwerkingsgemeenten” of federatieve gemeenten van Christelijke Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden?

 

De gereformeerde school is een “dochter van de kerk”, zo lazen we in één van de discussiestukken. En dat is helemaal waar. Dat geeft ook meteen het belang van de kerk aan. Kerkelijke ontwikkelingen moeten door de school gevolgd worden. Het voorstel van het LVGS loopt voorúit op de kerkelijke ontwikkelingen.

 

Er zouden ook nog veel praktische bezwaren genoemd kunnen worden. In de stukken van het LVGS wordt een aantal naar voren gehaald. We noemen: welke psalmberijming moeten we gebruiken; hoe en met welke kerken en predikanten gaan we officiële contacten onderhouden, of doen we dat juist niet?

 

Vraag

En nergens wordt aangetoond dat de grondslag verbreed móet worden. Er is geen grote vraag van buitenaf. Die vraag wordt door ons gemáákt. In Christelijke Gereformeerde kring wordt heel anders tegen onderwijs aangekeken dan in Gereformeerde kring. Men leeft daar nog altijd veel meer met de gedachte van de christelijk-nationale school. Velen kennen ons niet eens.

Je hoort als argument voor verbreding van de grondslag wel zeggen: we willen het gereformeerd onderwijs niet kwijt maar we willen het délen. Ons onderwijs is zo rijk, zo mooi, zo goed, dat mogen we niet voor onszelf willen houden. Een vreemde redenering. Want als je het gaat delen met anderen, met wie je niet kerkelijk één bent, en voor wie je de grondslag moet aanpassen, dan wordt het delen voor een deel wčggeven. Omdat de identiteit van de school dan niet meer gewaarborgd is. 

Echt goede argumenten voor verbreding van de grondslag vinden we verder niet. We kunnen niet ontkomen aan de gedachte dat het streven naar een oecumene, een soort geloofseenheid, buiten de kerk om, een belangrijke rol speelt. Onuitgesproken maar in mondelinge discussies duidelijk aanwezig. Dat is geen goede zaak. Echte oecumene begint in de kerk. Geloofseenheid buiten de kerk om is geen echte eenheid en kan geen stand houden.

 

Samen – niet samen

Dat zal ook blijken in de praktijk. Het kan toch niet zo worden dat we op ledenvergaderingen, in teamvergaderingen, op bestuursvergaderingen en tijdens het directie-overleg samen bidden en danken voor wat de Here ons geeft in het gereformeerd onderwijs, en dat we vervolgens op zondag van mening zijn niet samen naar de Here te kunnen luisteren? Daarmee eren we onze God toch niet? Daarmee doen we toch tekort aan de roeping om de eenheid te zoeken, juist in de kerk?

De school losmaken van de kerk leidt ertoe dat de kerk steeds minder belangrijk wordt en dat de oproep om de eenheid te zoeken steeds zwakker wordt.

Andere organisaties zijn het pad van eenheid-buiten-de-kerk-om al eerder gegaan, o.a. GSEV en GPV. Nu al is te merken dat het gereformeerde geluid in maatschappij en politiek is verzwakt. We mogen verwachten dat het in het onderwijs niet anders zal gaan. En juist in het onderwijs komt het er nog meer op aan. In dat onderwijs zijn we bezig met de toekomst van de kinderen van de Here. Daarmee mag je geen risico’s nemen.

 

Toekomst

We horen ook steeds vaker dat schoolverenigingen eigenlijk nog veel verder gaande voorstellen zouden moeten doen. Dat de verenigingen open zouden moeten staan voor alle zgn. confessionele christenen. En misschien ook wel voor evangelische. Te vergelijken met de openstelling van sommige studentverenigingen, het GSEV en de fusie van GPV en RPF tot Christen Unie.

Het LVGS wil zover niet gaan. Daarbij spelen ook juridische motieven een rol. Onze scholen zijn als richting erkend ěn hun verbondenheid aan de Gereformeerde Kerken (vrijg.). Dat is met zoveel woorden omschreven. Wanneer de grondslag sterk verbreed wordt of, anders gezegd, wanneer de band met onze kerken formeel wordt verbroken, loopt de erkenning als richting gevaar. En daarmee de bekostiging van de scholen.

Eigenlijk een vreemd argument. Wat willen we nu eigenlijk? Als we er van overtuigd zijn dat we de grondslag moeten verbreden, als dat onze roeping is, dan moeten we toch in vertrouwen die stap nemen? Zijn we niet ook een beetje “dubbel” bezig?

We willen wel de grondslag verbreden maar niet “van kleur verschieten”. Dat kost ons te veel.

Het komt ons voor dat dit niet geheel consequent is. Wanneer we zouden menen geroepen te zijn om alle confessionele christenen te verzamelen in één schoolverband, dan moeten we ook koers zetten in die richting, met alle consequenties, en dat ook eerlijk uitspreken. Dat is dan het einde van het gereformeerde onderwijs.

Nee, dat willen we in meerderheid nog niet. Nu nog niet. Maar zet dit voorstel van het LVGS de deur niet op een kier naar die ontwikkeling? Gelet op de ontwikkelingen in onze kerken (o.a. minder waarde hechten aan de belijdenis) en de veranderende kijk op de betekenis van de kerk (het wordt steeds minder belangrijk om te onderscheiden waar de wettige kerk van Christus is en waar vergaderd wordt op grond van eigenwillige eredienst) valt te vrezen dat dit een eerste stap wordt.

 

Afsluitend

Het voorstel van het LVGS, om de schoolverenigingen open te stellen voor leden van Christelijke Gereformeerde Kerken

·        doet geen recht aan de kerkelijke ontwikkelingen;

·        veronderstelt een eenheid die er niet is;

·        houdt geen rekening met grote plaatselijke verschillen;

·        doet tekort aan de plaats van de kerk m.b.t. de grondslag van de gereformeerde scholen;

·        leidt in principe tot het losmaken van school en kerk;

·        gaat uit van een vraag naar deelname aan onderwijs die op veel plaatsen er niet is;

·        geeft onvoldoende waarborg voor handhaving van echt gereformeerd onderwijs;

·        is een principiële en belangrijke koersverandering;

·        zet de toekomst van het gereformeerd onderwijs op het spel.

 

Het is belangrijk dat ouders, bestuursleden, leerkrachten en leden van de schoolverenigingen zich hiervan bewust worden.

Het gereformeerd onderwijs is een groot goed. Onze  ouders en grootouders hebben er voor gevochten en gebeden. Ze zagen hun gebeden verhoord. Gereformeerde scholen zijn een geschenk van onze Here. We mogen dat rijke geschenk niet uit handen geven. Het gaat uiteindelijk om de toekomst van Gods kinderen.

 

T.L.Bruinius