Liturgiecommissie document
4/98
Gereformeerde Kerk
Zwijndrecht
1.
Inleiding
Al in een vroeg stadium van het
onderzoek van de Gereformeerde liturgie was de Liturgiecommissie van mening dat
het noodzakelijk is een goed beeld te krijgen van de visie op de eredienst,
zoals die in de loop der eeuwen was gevormd, maar nu ook recent is bijgesteld.
De commissie signaleert een
(trend)breuk met het verleden.
Veel van de daaropvolgende
liturgische voorstellen hebben in meer of mindere mate een voedingsbodem in de
gewijzigde inzichten ten aanzien van de liturgie in de eredienst.
In de discussie moeten dan ook de
uitgangspunten voor iedereen helder zijn.
De commissie geeft hieronder een
historisch overzicht van de ontwikkelingen, maar niet als actor, maar als
beschouwer van het proces.
Daardoor wordt zichtbaar dat het min
of meer laten schieten van het "verbondsgesprek" is ontstaan doordat
studiedeputaten n.a.v. GS Ommen (tbv GS Berkel) onvoldoende onderscheid maakten
tussen samenzijn en samenkomst.
De resultaten van deze studie zijn niet zonder meer ook van toepassing op
het gehele karakter van de middagkerkdienst. Een mogelijk onderscheiden van de
morgen- en middagkerkdienst kan onderwerp zijn van later studie.
De onderliggende nota kent de
volgende onderdelen:
a.
de visie van Calvijn
b.
de doorwerking van Calvijns liturgie
in de Nederlanden
c.
de doorwerking van Calvijns liturgie
op de GS Kampen 1975
d.
het rapport studiedeputaten
eredienst (van GS Ommen 1993) voor de GS Berkel 1996
e.
de doorwerking van dit rapport op de
GS Berkel 1996
f.
mogelijke oorzaken van de
koerswijziging
g.
het advies van de liturgiecommissie.
Alle kleinere, inspringende teksten
zijn citaten.
2.
Calvijn en het verbondsgesprek
Aan de hand van een gezaghebbende
studie van Dr. T.Brienen geven we in het kort de visie van Calvijn op de
liturgie weer, zoals die in Calvijns publicaties is terug te vinden.[1]
Dit heeft Brienen uitgewerkt in een
Vergelijkend deel en een Analytisch deel.
Uit dit laatste deel citeren we een aantal uitspraken van Calvijn. In
dit deel namelijk vat Dr. Brienen Calvijns theologische visies en
uitgangspunten terzake van de liturgie samen[2].
In zijn "Epistre au lecteur" bij La Forme (1542) schrijft Calvijn: (vert.) "Nu, er zijn in totaal drie dingen, die onze Heer ons heeft bevolen waar te nemen in onze geestelijke bijeenkomsten, te weten; de prediking van zijn Woord; de publieke en plechtige gebeden en de bediening van de sacramenten." (...)
Calvijn erkent in het Avondmaal, gelijk in héél de samenkomst, de reële aanwezigheid van de geest van Christus[3], waarbij Christus de handelende, de sprekende, de gevende en deelachtigmakende Here is door zijn Geest. Binnen deze kaders zet Calvijn ook het (ant)woord van de gemeente, die gelovig hoort, aanvaardt en zich het heil toeëigent. En zoals in de gemeenschapsbeoefening tussen God en mens de eredienst het hoogtepunt vormt, zo is op zijn beurt de preek het hoogtepunt van de eredienst bij Calvijn (C.Veenhof: Preek en liturgie bij Calvijn). (...)
Calvijns grondbeginsel van de rechte eredienst is, dat de genadige God in zijn Woord door prediking en sacrament tot ons komt en dat wij daarom tot Hem mogen komen met ons antwoord in gebed en lied, gave en geloofsbelijdenis.[4]
Calvijn stelt dat we God zo eren en dienen moeten als
Hij het gebiedt. (Corp.Reform. LXXIX 18)
In zijn Institutie schrijft hij dat hij het nodig acht "te betuigen, dat ik slechts die menschelijke inzettingen goedkeur, die gegrond zijn op Gods gezag en uit de Schrift genomen en dus geheel en al Goddelijk zijn. (Institutie IV.X.30)[5] . Verder is de algemene regel, die de zuivere verering van God van de verdorvene onderscheidt, dat niet wijzelf uitdenken wat ons goed lijkt, maar dat wij in acht nemen wat Hij voorschrijft, die alleen de macht heeft te bevelen. (Corpus Reformatorum VI 460).
En naar aanleiding van een preek over 1 Timotheus: En ook merken wij terecht op, dat wanneer wij de dienst van God naar onze fantasie willen uitdenken, dit een arrogantie is die volstrekt niet te handhaven is. En waarom? God wil dé authoriteit over ons hebben om ons te besturen; Hij wil dat alle bescheidenheid en bedachtzaamheid die wij behoeven om te oordelen over goed en kwaad zal bestaan in het luisteren naar Hem alleen (Corp.Reform. LIII.352).
Wanneer wij geenszins van deze regel zullen afwijken, noch naar rechts noch naar links, zullen we er altijd zeker van zijn, dat alles wat wij doen door God zal worden aanvaard; hoezeer de mensen ons ook verachten en zij ons misprijzen, ja zelfs ons in alles veroordelen (Corp.Reform.LXXIV.189).
Laten wij ons dan ook houden aan de eenvoudigheid van het Woord van God, welke onze onfeilbare regel is (id. LXXIV.374).
Daarom moeten wij de inhoud van onze eredienst "niet volgens eigen believen, maar volgens zijn wet" (id. LVI.284) vaststellen. Met menselijke vindingrijkheid om de mooiste en meest verheven liturgische vormen te creëren komen we er niet. Het is niet belangrijk hoe de mens denkt God te vereren, maar wat de Here God zelf beveelt en wij mogen noch kunnen aan zijn gebod iets toevoegen. "Want terstond als God spreekt, is het onze plicht te antwoorden Amen; dat wil zeggen zonder tegenwerping of murmurering voor zeker en onfeilbaar aanvaarden alles wat Hij uitspreekt" (id. LXXIV.53).[6]
Nu betekent dit uitgangspunt van Schriftmatigheid der liturgie niet, dat de Here God in de Bijbel een volledige blauwdruk van de samenkomst en van de orde van dienst heeft gegeven. (...)
"Tenslotte, omdat Hij daarom niets uitdrukkelijks geleerd heeft, omdat deze dingen ook niet noodzakelijk zijn tot de zaligheid, en naar gelang van de zeden van ieder volk en iedere tijd op verschillende wijze moeten worden toegepast tot stichting der kerk, zal het passend zijn, alnaarmate het nut der kerk het eist, zowel gebruikelijke inzettingen te veranderen en af te schaffen als nieuwe te stellen. Ik erken wel, dat men niet lichtvaardig en ook niet dikwijls en niet om geringe oorzaken tot vernieuwing moet komen. Maar wat schaadt of sticht, zal de liefde het best beoordelen: en indien wij haar bestuurster zullen laten zijn, zal alles goed gaan" (Institutie IV.X.30)[7] .
Dit betekende in die tijd een geweldige doorbraak inzake de liturgie! Men maakte zich in de Calvinistische liturgie vrij van allerlei menselijke instellingen en verordeningen door zich onvoorwaardelijk te binden aan Gods wil, die niet zwaar is maar alle ruimte laat voor de blijde dienst aan Hem en veel overlaat om naar plaats en tijd en wijze zelf te regelen met altijd de mogelijkheid tot verandering.[8]
Dr.T.Brienen omschrijft Calvijns visie op het
eigenlijke van de liturgie op de volgende manier:
Er zijn 4 zaken kenmerkend voor Calvijns visie op het eigenlijke van de liturgie.
1.
De liturgie is een gebeuren. Het
samenkomen van God en zijn gemeente is geen statisch gegeven, maar een acte,
een daad, een geschieden naar twee kanten.
In de liturgie hándelt de Here God.
Hij spreekt, schenkt en maakt met de kracht van zijn Woord en Geest het
heil deelachtig. Ook de gemeente
handelt. De mensen, de gemeenteleden,
reageren op wat God doet, antwoorden, ontvangen in geloof of wijzen af in
ongeloof en onwil. Het is alles vol beweging en dynamische geladenheid.
2.
De liturgie wordt bij Calvijn vervolgens bepaald door de twee-eenheid
van Woord en sacrament. (...)
3.
De liturgie staat bij Calvijn ook binnen het kader van het pneumatologische
aspect van het heil. De Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat, is
present en werkt in de samenkomsten van de gemeente van Christus.
4.
De liturgie als handelen van God aan ons door zijn Geest geeft nu ook
alle ruimte aan het antwoorden van de gemeente in gebed – hetzij gesproken,
hetzij gezongen - , in schulderkenning en geloofsbelijdenis en geeft evenzeer
ruimte aan de instruering tot dankbaarheid, die in het dagelijks leven als
vervolg op de ontmoeting met God in zijn huis Hem wordt toegewijd. Zo heeft
Calvijn grote aandacht voor het bidden en zingen van de gemeente en al de
andere facetten van het antwoorden, als daad van de gemeente, in de diensten.
(...)
Vanuit het bovenstaande kan het
eigenlijke van de liturgie naar Calvijns opvatting als volgt worden omschreven:
De liturgie is Gods neerbuigende
heilshandelen in Woord en sacrament met de gemeente en haar leden, waarbij Hij
zijn hele hart en al zijn liefde in deze ontmoeting haar en hen geeft en waarom
Hij van zijn gemeente en haar leden een gelovig aanvaarden en antwoorden
verwacht en door zijn aanwezige Heilige Geest naar zijn beloften zelf ook
werkt, in de gestalten van gebed en lied, schulderkentenis, geloofsbelijdenis
en lofprijzing en in de uitwerking daarvan voor het dagelijkse leven.[9]
Samenvatting
Calvijn formuleerde een visie op de eredienst gebaseerd op de Schrift en
de kerkelijke traditie van de eerste zes eeuwen van de christelijke
jaartelling.[10]
Daarin kiest Calvijn nadrukkelijk voor het verbondsgesprek. God komt
tot ons in Woord en sacrament; de gemeente in zang, gebed, offerande,
schulderkenning en geloofsbelijdenis.
Daarnaast was er bij Calvijn behoorlijk ruimte voor een cultureel eigen
inrichting van de eredienst.[11]
3.
Calvijns liturgie in Nederland
In het kort volgt hier een schets
van de invoering van de liturgie bij Calvijn in Nederland tot in deze eeuw.
Petrus Datheen heeft (met behulp van
Van der Heyden) de liturgie samengesteld op basis van de Geneefse
liturgie. In 1563 gaf hij zijn eerste
kerkboek uit, in 1566 werd een zekere liturgische orde ingebouwd. Deze werd op
de provinciale synode van Dordrecht 1574 verder uitgewerkt[12]
Dr.G.Ch.Aalders geeft in het vervolg
daarvan als historisch commentaar[13]:
De beginselen van den eredienst in den boezem van het Gereformeerde Protestantisme is niet zo te verstaan, dat het iederen plaatselijke kerkeraad volkomen vrij staat om geheel onafhankelijk te beslissen hoe hij den eredienst der gemeente wil inrichten. Reeds uit het feit dat al spoedig na de doorwerking van de Reformatie in Nederland bepaalde formulieren voor de bediening van Doop en Avondmaal, voor de bevestiging van ambtsdragers en voor de kerkelijke huwelijksbevestiging zijn vastgesteld kan men duidelijk het tegendeel zien. En wanneer men den officiëlen tekst van de Liturgie, zoals die door de Synode van 1618/19 in aansluiting aan den Zeeuwsen tekst van 1611 is vastgesteld, raadpleegt, bespeurt men dat er nog wel meer is dat allerminst aan het goedvinden van den plaatselijken kerkeraad is overgelaten. Men vindt daarin een formule voor het votum bij den aanvang van de samenkomst der gemeente, alsmede voor den zegen waarmee die samenkomst moet worden besloten. Ook leert ons de Kerkorde, dat reeds van den beginne de vraag wat in den eredienst zou worden gezongen niet aan den plaatselijken kerkeraad ter beantwoording werd overgelaten: reeds de Weselse artikelen van 1568 bepaalden dat men zich bij het kerkelijk gezang in alle Nederlandse kerken zou houden aan de Psalmen door Petrus Datheen overgezet. (...) Voetius heeft in zijn Polit. Eccles., naar Nauta ons heeft medegedeeld in zijn artikel over Het kerkverband als wezenlijk element voor het bestaan eener Gereformeerde Kerk als één van de 12 vereisten voor het totstandkomen en goed werken van het kerkverband genoemd: de kerken moeten zich verbinden, niet slechts in dezelfde waarheid der leer, zodat zij één zijn in belijdenis, maar eveneens wat de wezenlijke stukken betreft in dezelfde liturgie en kerkinrichting.
De wens van Voetius is niet
uitgekomen. Afgezien van de Nederlandse Liturgie die op de 178e zitting van de
GS Dordrecht 1618/19 werd vastgesteld[14]
(in casu: kerkelijk werd geijkt)[15],
gingen veel kerken daarna al snel hun eigen gang.
Deze eigen gang heeft zich doorgezet
tot in onze eeuw.
Eerst op de GS Utrecht 1923 werd een
deputatenrapport ingebracht – die nauwelijks onderdoet in durf voor de huidige
deputatenrapporten – om enige orde in de chaos te scheppen.[16]
Daarbij grijpen ze terug op de
liturgie-elementen van de GS Dordrecht 1618/19 en de inmiddels gegroeide
bestaande praktijk. Maar zowel
commissie II als de synode zelf vonden de tijd nog niet rijp om de
"Inrichting van den Eeredienst" vastere vorm te geven.
Pas op de GS Middelburg 1933 werd er
een gulden middenweg gevonden waarin de meesten zich herkenden.[17]
Een revisieverzoek op de GS Amsterdam 1936 leverde het volgende afwijzende
verweer op van de synode:[18]
1. dat de GS Middelburg blijkens artikel 32 van haar Acta reeds uitgesproken heeft, dat het gewenscht is, dat in al de kerken één en dezelfde liturgie wordt gevolgd; en
2.
dat de genoemde synode in het bewuste artikel slechts van
"aanbevelen" spreekt, zoodat geen kerk gebonden is zich tot in alle
onderdeelen aan het gegeven model te houden.
In Middelburg is echter niet echt de
visie van Calvijn opgehaald. Het was
meer een sanerende opgave na eeuwen van wildgroei.
Het denken over de eredienst vanuit
de visie van Calvijn is in de loop van de daaropvolgende decennia wel weer
opgepakt.[19] Ds. G.van
Rongen vatte dat na de vrijmaking als volgt samen:
De hele eredienst is als het ware een gesprek, een gesprek tussen de God des verbonds en het volk des verbonds, op grond van de verzoening in Jezus Christus. De gemeente belijdt, dat ze maar niet zelf is samengekomen, maar dat ze bijeen is met haar HEERE en God. Zo hebben we de kerkdienst kort gekarakteriseerd. De gemeenschap, die we met de HEERE hebben, is Woordverkeer. Een heilig spel van spreken en antwoorden. Het is hier: "spreek, HEERE, Uw gemeente hoort!". Maar ook: "hoor, HEERE, Uw gemeente spreekt!". (...)
Kortom, de hele dienst is een gesprek, een heilig gesprek. En dat moeten we ons goed bewust zijn, wil de dienst tot ons spreken. (...)
Als we dit zien, zullen we onze kerkdienst ook volledig daarop instellen. De "orde van dienst" zal erop worden ingericht. Allerlei kleinigheden worden in dit licht voor ons van groot belang. Desnoods geven we tradities prijs. Het gaat immers om "Zijn schone dienst"![20]
In de Nederlandse kerken heeft men de visie op de liturgie van Calvijn
overgenomen. In de loop van de eeuwen
is de bewuste omgang hiermee wat op de achtergrond geraakt. Pas na de
vrijmaking is de visie van Calvijn weer meer op de voorgrond gekomen.
4.
Visie GS Kampen 1975
Drs. G.van Rongen geeft op de
besluiten van de GS Kampen 1975 het volgende commentaar:
We mogen dankbaar zijn dat de kerken met het aannemen van "Kampen 1975" zijn teruggekeerd tot de aloude gereformeerde liturgie. Op haar beurt was die – en we denken aan de titel van Calvijns werkje dat de woorden "naar de gewoonte van de oude kerk" bevatte – een weerkeer naar de schriftuurlijke liturgie die de christelijke kerk, in allerlei plaatselijke of regionale variaties, in de eerste eeuwen kende. Reformatie is immers ook wederkeer!
Met "Kampen 1975" staan we
beter in de gemeenschap der heiligen van alle eeuwen.[21]
Met dat beeld voor ogen geven we uit
het deputatenrapport GS Kampen 1975 het volgende weer:
De eredienst is een bijzondere vorm van verbondsverkeer. Hij veronderstelt Gods genadig omzien naar zijn volk, de liefdesrelatie die eenzijdig van de HERE is uitgegaan en nu tweezijdig functioneert. (...)
Er is sprake van een vergaderd zijn
(1Cor.5:4, vgl. Jak.2:2) van een samenkomen als gemeente (1Cor.11:18,
Hand.20:7) van een bijeenkomen der gemeente (1Cor.11:20,14:23,Hebr.10:25). In de nieuwtestamentische eredienst is dit
het eigenlijke, dat God en zijn volk elkaar ontmoeten in de samenkomst van de
verhoogde Christus en de Zijnen. (...) De twee partijen in het verbond der
genade zijn bijeen. Zij ontmoeten
elkaar in de wederkerigheid der liefde. En ze zijn beiden actief. Er is geen monoloog, maar een dialoog.
Alleen: God is de Eerste. Van Hem gaan ook de initiatieven uit.[22]
De deputaten Kampen 1975 trekken
vanuit de synagogedienst de lijn door en stellen vervolgens:
Aan de sobere eredienst van de nieuwtestamentische gemeente is de kerk de eerste drie eeuwen trouw gebleven. (...)
Langzaam maar zeker komt daarna de grote ontsporing. (...) De gemeente wordt uitgeschakeld als deelnemende partij. (...)
De Kerkhervorming heeft een radicale
omkeer gebracht. De terugkeer tot de H.Schrift is zichtbaar en tastbaar
geworden ook in het karakter van de eredienst.
Tegenover het fluisterend woord van de priester, de sacramentsmagie,
hebben de reformatoren gesteld het duidelijk en luid gesproken woord in de
prediking van het evangelie. De
reformatie heeft ook de gemeente uit het moeras van de onmondigheid gehaald en
haar als heuse partij-bij-de-ontmoeting een werkzaam aandeel gegeven in de
liturgie. Om de activiteit van de
gemeente mogelijk te maken, heeft Calvijn ook steeds weer nadruk gelegd op
eenvoud, gemakkelijkheid en duidelijkheid als primair vereisten voor de
eredienst. Elk onderdeel moet te volgen
en te verwerken zijn. (...)
Hij herstelt wat verloren ging: de
sprekende God en de antwoordende gemeente.[23]
In het verlengde van de GS Kampen
1975 accentueerde Ds. F.Mul de "synagogale" achtergrond van de
eredienst.[24]
Met prof. Holwerda en prof.
K.Schilder (geciteerd) geeft ds. Mul aan dat Christus – naast tempelbezoek –
ook sterk aandacht schenkt aan de synagoge (Matth.4:23, 9:35, Marc.1:21,22,39;
3:1, Luc.13:10vv). Christus leest voor
uit Gods Woord op de sabbat in de synagogen, leert, predikt, verkondigt het
evangelie van het koninkrijk. Hij kiest
bij uitstek de synagoge om Zijn boodschap kwijt te kunnen.[25]
Vervolgens geeft ds.Mul een
reconstructie van de eredienst, ofwel de morgen-samenkomst en de
middag&avond-samenkomst.[26]
Psalmgezang, Schriftlezing,
prediking en gebed. Met name op de
sabbat hadden Schriftlezing en prediking een belangrijke plaats. Ook daarvan worden Schriftplaatsen
aangereikt (Hand.13:15,15:21, Luc.4, Neh.8:9, Marc.1:21vv).[27]
Ds. Mul verwijst dan vervolgens naar
het deputatenrapport eredienst van Kampen 1975 en schrijft:
In dit rapport wordt dan verder sterk benadrukt dat de samenkomsten van de sabbatdag in de tempel en later ook in de synagoge hun vervulling gevonden hebben in de nieuwtestamentische samenkomsten van Gods volk; ook op de sabbatdagen (zondagen). Daarbij zouden dan de vaste bestanddelen van de liturgie van de nieuwtestamentische gemeente terug te vinden zijn enigszins vaag in de tempelliturgie, maar veel konkreter in de synagogale dienst. De heilshistorische lijn komt heel duidelijk in dit rapport naar voren, waarbij de fundamentele eenheid van oud en nieuw verbond duidelijk gesteld wordt.[28]
De door GS Kampen 1975 opgefriste visie op de eredienst is gelijk aan de
visie van Calvijn. Het verbondsgesprek
is daarbij uitgesproken leidend. Deze visie wordt tot op de dag van gisteren
nadrukkelijk uitgedragen.[29]
5. Rapport studiedeputaten
eredienst nav GS Ommen 1993 tbv GS Berkel 1996
Op de GS Ommen 1993 was primair aan
de orde een verzoek van de part.synode van Zuid-Holland (18-3-1993) een
studiedeputaatschap voor de eredienst in te stellen om bij de kerkenraden
gesignaleerde liturgische knelpunten te inventariseren en deze vervolgens in
een liturgische bezinning te verwerken. Als grond formuleerde de GS Ommen:
1.1 Binnen de kerken is de laatste jaren een brede liturgische bezinning op gang gekomen, met name binnen plaatselijke liturgiecommissies. De landelijke Werkgroep Eredienst heeft op liturgisch gebied al veel informatie uit de kerken verzameld. Omdat het hier zaken betreft die de kerken gemeenschappelijk raken, verdient deze liturgische bezinning een meer gestructureerde plaats binnen het kerkverband.
1.2
De generale synode draagt verantwoordelijkheid voor eenheid in de liturgie (art. 59,61 en 67 KO) en kan voor uitvoering
van haar opdrachten deputaten benoemen (art.49 KO).
1.3
Zonder coördinatie van een deputaatschap bestaat het gevaar van
willekeurige vernieuwing zonder samenhang.
De GS Ommen 1993 benoemde derhalve
een studiedeputaatschap eredienst met de volgende opdracht:
a.
via de kerkenraden inventariseren van de liturgische bezinning binnen de
kerken, met speciale aandacht voor variatie in of uitbreiding van de orden van
dienst en van het aantal liturgische formulieren, onder gebruikmaking van wat
binnen de kerken op het gebied van deze bezinning reeds voorhanden is;
b.
onderzoek doen naar de wenselijkheid en mogelijkheid van uitbreiding van
de gezangenbundel, met bezinning op de uitgangspunten waaraan een dergelijke
uitbreiding moet voldoen;
c.
het rapport van haar werkzaamheden met voorstellen 6 maanden voor de
volgende synode aan de kerken toe te zenden, zodat deze gelegenheid hebben hun
reacties aan de synode toe te zenden.[30]
Het rapport studiedeputaten
Eredienst[31] geeft in
hoofdstuk 4 een inventarisatie en verwerking van de reacties uit de kerken.
Daaruit blijkt dat enquêteformulieren zijn toegezonden aan 266 kerkelijke
gemeenten, daarvan reageerden 168 gemeenten (63%). In 56 gemeenten was een
liturgiecommissie actief (21%).[32]
Vervolgens geeft het rapport in
hoofdstuk 8 antwoord op de opdracht geformuleerd onder b en komen deputaten in
het rapport uiteindelijk met een gezangenbundel met 106 gezangen, waaronder de
gehele huidige gezangenbundel, 2 gezangen uit de bundels Zingend geloven (deel
1 en 4) en de rest uit het Liedboek.[33]
De tussenliggende hoofdstukken 5 t/m
7 worden gebruikt om vanuit een Bijbels perspectief een nieuwe orde van dienst
mogelijk te maken.
Daartoe bepaalden deputaten
allereerst hun positie ten aanzien van de Bijbel als volgt:
Verantwoording van opvattingen op het gebied van de liturgie vraagt in de eerste plaats om bezinning op de plaats van de Schrift. Met artikel 7 NGB belijden wij dat deze de wil van de HERE volkomen bevat. God heeft daarin uitvoerig laten beschrijven op welke wijze wij Hem moeten dienen. Omdat liturgie betrekking heeft op een onderdeel van die dienst aan God, is onderzoek van de Schrift onmisbaar.
Toch zegt dit principiële
uitgangspunt niet alles over de praktische toepasbaarheid van
Schriftgegevens. Omgang met de Schrift
is ingebed in de leiding van de kerk door de Heilige Geest. Deze gebruikt daarin wel de Schrift, maar
sluit zijn leiding daarin niet op. Hij
geeft bijvoorbeeld ook wijsheid vanuit de Schrift. En helpt de kerk op tal van
punten waar praktische beslissingen moeten vallen.
Daaruit
trekken wij een aantal conclusies:
a.
Het is niet bij voorbaat zeker dat de Schrift voldoende in handen geeft
om tot een visie op liturgie te komen.
In een zo onbevangen mogelijk onderzoek moet blijken wat de Bijbel wel
en niet zegt.
b.
Niet alleen Schriftgegevens, maar ook andere argumenten, bijvoorbeeld
uit de praktijk van vandaag en uit de historie van de kerk, zijn belangrijk en
tellen voluit mee.
c.
De manier waarop wij de Schriftgegevens hanteren, hoeft niet altijd
dezelfde te zijn.[34]
Vervolgens ontstaat er een verschil
in definitie over wat in dit kader "liturgie" genoemd moet worden.
Smelik wordt geciteerd (Reformatie,
1994) met de definitie:
Liturgie is de wijze waarop de kerk in haar officiële samenkomsten, die
op gezette tijden plaatsvinden, gestalte geeft aan de gezamenlijke omgang met
God en de opbouw van de gemeente.
De accenten zijn:
-
officieel afgebakende samenkomsten
-
op gezette tijden
-
de wijze waarop zaken gestalte krijgen
Deputaten verleggen de accenten en
zeggen:
-
de gezamenlijke omgang met God (het
meest omvattend en meest bepalend)
-
de opbouw van de gemeente
-
het geregeld samenkomen.[35]
Vanuit dat perspectief ontwikkelt
zich ook het onderzoek van deputaten in de Bijbel.
Kenmerkende trekken in het vervolg
van het rapport zijn dan ook:
-
in de omgang met God wordt geen
onderscheid gemaakt tussen teksten die te maken hebben met de oefening van de
gemeenschap der heiligen en de officiële samenkomsten;
-
een sterk accent in het rapport op
de tempeldienst en daardoor een verminderde aandacht voor de synagogediensten.
Dit heeft tot gevolg dat in het 5e
hoofdstuk de lezer in de tekst sterk is meegenomen in een breed verhaal over de
(algemene) omgang met God, die uitmondt in de volgende conclusies van
deputaten:
Dit houdt echter niet in dat de
preek centraal moet staan ten opzichte van andere onderdelen. Nergens schrijft de Bijbel de preek als vorm
voor. Wel geeft de HERE de opdracht tot
onderwijs in zijn Woord. Maar:
-
dat is niet het enige normatieve element dat God voorschrijft. Het is er
één naast andere;
-
dat is ook niet te typeren als het belangrijkste onderdeel: van die
andere krijgt bijvoorbeeld de lofzegging zeker
zo groot accent als het onderwijs; bovendien verdient ook in het kader van dat
onderwijs de voorlezing van de Schrift of de profetie de eerste nadruk. Daarop rusten lering en opwekking;
-
die leermomenten bleven niet beperkt tot een eventueel geformaliseerde
toespraak, maar konden ook via gesprek en discussie tot stand komen.
(...)
Zonder iets af te doen van het
belang van onderwijs uit de Schrift in de samenkomst, menen wij dat op dit punt
de beleving van veel voorgangers en andere deelnemers aan de gereformeerde
eredienst toe is aan reformatie. Veel
weerstand tegen liturgische verrijking komt voort uit dit ten onrechte omarmde
beginsel (nl. de preek centraal; litcie). Beter zicht hierop kan niet anders dan meer
besef geven van de waarde van de andere onderdelen van de dienst.[36]
Ten behoeve van een goed verstaan is
het nuttig en noodzakelijk hier het directe vervolg van het rapport van
deputaten eredienst op te laten volgen.
Daarbij beperken we ons tot de
"headlines".[37]
5.6.2. Verbondsgesprek?
Bovenstaande heeft direct te maken
met een andere veel gehanteerde karakteristiek. De orde van dienst zou een soort gesprek zijn tussen de HERE en
zijn volk. De verschillende onderdelen
volgen elkaar op als "woord" en
"antwoord". Dit zou overeenkomen met de structuur van het
verbond .
(...)
Deze visie is – zeker als zij
consekwent doorgevoerd wordt – onhoudbaar.
Zij blokkeert een goed zicht op allerlei zelfstandige onderdelen van de
liturgie.
a.
Het bleek immers dat het Woord nooit een deel of enkele delen van de
omgang met God stempelt, maar in alle facetten centraal staat. Dat maakt een verdeling over Woord en
antwoord onmogelijk.
b.
Noch uit Oude Testament noch uit
Nieuwe Testament valt af te leiden dat deze structuur de orde voor de
samenkomst heeft bepaald, laat staan moet bepalen.
(...)
De opvatting dat de gemeente bij het
zingen "antwoord" geeft, leidt soms tot de stelling dat de gemeente
altijd als geheel moet zingen (of belijden).
(...)
Schadelijk is de woord-antwoord-opvatting
ook in combinatie met de stelling dat het Woord centraal staat. Als vanzelf
leidt dit tot de gedachte dat die onderdelen van de dienst die door
"woord" getypeerd heten, meer aandacht vragen. (...)
Met dit betoog willen wij niet
geheel afscheid nemen van het model "woord-antwoord". Wel stellen wij
vast dat dit geen dienst kan doen als typering van heel de samenkomst. Daarom moeten wij de term
"verbondsgesprek" prijsgeven.[38]
In hoofdstuk 6 (de liturgie in de
kerk na Pinksteren) gaan deputaten snel door met de beschrijving van
kerkdienst-elementen uit de Rooms wordende kerk na het jaar 1000.
Bij de historische behandeling van
Calvijn wordt gesteld:
De calvinistische reformatie van de
eredienst in de 16e eeuw vond plaats vanuit een "ad-fontes"-houding:
terug naar de bronnen. De belangrijkste bron was uiteraard de Schrift. Keer op keer heeft Calvijn gehamerd dat in
een eredienst alleen geboden is, wat God in de Schrift voorschrijft. (...)
Calvijns' activiteiten ten aanzien
van de liturgie vonden plaats vanuit een ad-fontes houding. Dat betekende ook: terug naar de bronnen van
de "Oude Kerk". Met de Oude
Kerk bedoelde Calvijn de kerk uit de
eerste zes eeuwen van de christelijke jaartelling. (...)
Calvijn beriep zich op de Oude Kerk omdat
in deze kerk volgens hem de apostolische traditie nog zuiver werd bewaard en
uitgebouwd.[39]
Verrassend is dan ook de
slotconclusie van deputaten:
Deputaten zijn van oordeel dat de liturgietraditie van de christelijke kerk uit de eerste zestien eeuwen veel elementen bevat die bijbels verantwoord zijn. Vanuit kerkhistorisch besef zou het een verrijking zijn wanneer de gereformeerde kerken de band met de kerk uit de eerste zestien eeuwen tot uiting laten komen in haar orden van dienst. Concreet is hier te denken aan het gebruik maken van een orde van dienst met een ordinarium-structuur.[40]
Bezien we het totale betoog van deputaten GS Ommen 1993 > GS Berkel
1996, dan valt concluderend op dat deputaten in hun argumentatie sterk geholpen
worden door geen onderscheid meer te hanteren tussen samenkomst en samenzijn. De
preek staat niet langer alleen centraal: alle delen van de liturgie hebben een
gelijke verkondigende waarde gekregen.
6. GS Berkel 1996 (incl.
Commissierapport)
In het Commissierapport (Bijlage
VII) wordt de – redelijk behoudende – definitie van J.Smelik aangezien als
definitie van deputaten; terwijl de visie van deputaten toch aanzienlijk ruimer
(progressief-vernieuwender) is op dit
punt. Desalniettemin constateert de
commissie toch nog een opmerkelijk verschil met de GS Kampen 1975.
De Commissie stelt:
Hierbij stelt uw commissie de vraag
of de Here hier niet te weinig als initiatiefnemer wordt gezien, de ontmoeting
met zijn kinderen gaat toch van Hem uit.
Als we de omschrijving van deze deputaten vergelijken met die van het
deputatenrapport aan de synode van Kampen 1975, zien we verschil. Daar lezen we dat het wezen van de eredienst
is: "de twee partijen ontmoeten elkaar. Op grondslag van het bloed der
verzoening oefenen zij gemeenschap met elkaar.
God roept zijn volk tot die gemeenschap op de daarvoor geheiligde dag,
de dag der samenkomst."
(...) daarom kan die omschrijving
beter getypeerd worden als een werkdefinitie dan als een afgewogen omschrijving
van de liturgie. Zoals het er nu staat,
kan het misverstanden oproepen.
3.3
Verbondsgesprek
Hier hangt mee samen dat deputaten
in hun rapport schrijven over de eredienst als verbondsgesprek en in verband
daarmee over het vraag-en-antwoord schema. Zij willen de eredienst niet op die
wijze typeren. Nu is de term verbondsgesprek wel een vertrouwde klank vanaf het rapport aan Kampen 1975.
(...)
Uw commissie stelt dat daardoor in
het rapport Kampen dus ook niet aangetoond is dat de structuur van de eredienst
dit schema moet hebben. En afgezien hiervan: als we de besluiten over de orden
van dienst die de synode van Kampen heeft genomen lezen, valt op dat deze
synode in haar overwegingen niets heeft vastgelegd over dit schema van spreken
en antwoorden. Daarom kan ook niet gesteld worden dat de deputaten benoemd door
de synode van Ommen afwijken van een
kerkelijk geijkt schema. (...) Het schema kan ook niet de volgorde van de
onderdelen binnen de orde van dienst bepalen.[41]
De GS Berkel 1996 heeft over de
visie op de eredienst verder geen
uitspraken gedaan. Sommigen zagen en
zien hierin aanleiding te veronderstellen dat het Verbondsgesprek hiermee als
Gereformeerde gedachtengoed naar de achtergrond is gedrukt.[42]
Wel heeft de GS Berkel 1996 in
besluit Acta art.63 4.a.7 deputaten de volgende opdracht gegeven:[43]
In samenwerking met de deputaten
generaal-synodeale publikaties een handzame en goed leesbare publikatie te
verzorgen over (...) b. Het grondpatroon van de gereformeerde eredienst.
In het Rapport deputaten eredienst
t.b.v. de GS Leusden 1999 verantwoorden ze de uitwerking daarvan vanwege de
uitgave Licht op liturgie.[44]
In deze uitgave[45]
wordt – in het verlengde van het deputatenrapport tbv GS Berkel 1996 - eveneens
zwaar het accent gelegd op het samenzijn.
Het niet expliciet afwijzen door GS Berkel 1996 is kennelijk omgezet in een
impliciet aannemen van de nieuwe visie van deputaten.
In de uitgave Licht op liturgie
staat het dan ook expliciet uitgewerkt:
Bouwstenen voor een verantwoorde
liturgie
(...)
c.
Vanuit de vrijheid in Christus zijn wij verantwoordelijk om samen te
zoeken naar en vorm te geven aan deze stijl (nl. De stijl van de gezamenlijke
omgang met God). Daarbij is maar weinig
door God direct-normatief voorgeschreven.(...)
d.
Het samenkomen van de gemeente is voor de gezamenblijke omgang met God
een noodzakelijk instrument. In dat
samenkomen staat de eer van God voorop.
Deze is echter onlosmakelijk verbonden met de opbouw van en de zegen
voor de gemeente.
e.
In de gezamenlijke omgang met God (en dus ook in het samenkomen) horen
enkele elementen naar Gods bedoeling zeker thuis:
- momenten van schulderkenning en verzoening
– momenten van gebed en voorbede
– momenten van dank, toewijding en lofzegging
– momenten van gezamenlijke viering en dienstbetoon (onderlinge
gemeenschapsbeoefening)
– onderwijs in aansluiting bij de Schrift
– zegenwoorden
– avondmaalsviering
Deze elementen verdienen alle een grote regelmaat.
De elementen kunnen enigszins gerangschikt worden naar twee principes:
1. De gang van de offercyclus: van verzoening naar lofzegging;
2. De ontmoeting tussen God en zijn volk in het Verbond: van beweging van Gods
kant (Schrift) naar beweging van onze kant (belijden).
(...)
Grondpatroon
Zoals gezegd, er is niet een
verplichte orde van dienst af te leiden uit de Bijbel. (...)
Dat Woord klinkt door in alle
liturgische elementen. Daarom behoort
voor alle onderdelen ook dezelfde
eis van welluidendheid en kwaliteit gesteld te worden. Om dezelfde reden is het niet juist een orde
van dienst op te splitsen in onderdelen waarin het Woord van God klinkt en
onderdelen waarin de mens antwoordt. De
bijbelse karakterisering van de eredienst als verbondsontmoeting laat zich niet
vertalen in een schematische opsplitsing van een orde van dienst in een
Woord-deel en een antwoord-deel.[46]
Vervolgens wordt een grondpatroon
genoemd met de onderdelen: Voorbereidend deel, Dienst van de Schriften, Dienst
van de offerande en Dienst van de tafel.
De vrijheid van het samenzijn in de liturgie wordt in Licht op
liturgie per omgaande vertaald:
De verschillende onderdelen van het
samenzijn kunnen op verschillende manieren naar voren komen: zingend of
sprekend (in verschillende vormen), door één of enkelen of allen. Niet alleen de wijze van ordening ten
opzichte van elkaar, maar ook deze mogelijke wijzen van vormgeving moeten de
inhoud van de betreffende onderdelen dienen.
Het is mogelijk en een goede
invulling van de nieuwtestamentische rijkdom om allerlei beschikbare gaven
binnen de gemeente te benutten bij de gezamenlijke omgang met God. Daartoe horen gaven op het gebied van
muziek, voorlezen, onderwijzen in Gods Woord, voorbede, lofzegging,
dienstbetoon, organisatie, etc.[47]
Samenvatting
Er heeft op de GS Berkel 1996 nog geen echte voortgaande discussie
plaatsgevonden over de visie op de eredienst.
Alhoewel de verschillen niet erg groot lijken, levert de uitwerking
daarvan wel degelijk verschillen op. Een eredienst onder het beslag van het
verbondsgesprek legt het accent op de samenkomst. De thans door de deputaten voorgestelde
visie legt het accent op het samenzijn.
Dat laat onverlet dat er binnen de visie van Calvijn (Verbondsgesprek)
forse liturgische verschuivingen t.a.v. de huidige situatie mogelijk zijn.
7.
Een wijzigend Schriftgebruik?
De verbondsontmoeting die door
Calvijn opnieuw is getoonzet in een centraal zetten van Schriftlezen, preek en
avondmaal en in een antwoorden van de gemeente door zang en gebed, heeft dus
een zwaardere fundering dan deputaten 1995 doen vermoeden (Calvijn i.p.v. A.
Kuyper).
Het verbondsgesprek blijft dan ook
de toon zetten in de vormgeving van de eredienst door de eeuwen heen[48].
Afgezien van dit basiselement zien
we door heel de kerkgeschiedenis heen een behoorlijke vrijheid bij de
inrichting van de eredienst.
Toch moeten we nog even stilstaan
bij de notie die deputaten 1995 onderscheiden van GS Kampen 1975. Het gaat dan
om de conclusies die zij formuleerden:
Daaruit
trekken wij een aantal conclusies:
a.
Het is niet bij voorbaat zeker dat de Schrift voldoende in handen geeft
om tot een visie op liturgie te komen.
In een zo onbevangen mogelijk onderzoek moet blijken wat de Bijbel wel
en niet zegt.
b.
Niet alleen Schriftgegevens, maar ook andere argumenten, bijvoorbeeld
uit de praktijk van vandaag en uit de historie van de kerk, zijn belangrijk en
tellen voluit mee.
c.
De manier waarop wij de Schriftgegevens hanteren, hoeft niet altijd
dezelfde te zijn.34
Dit staat haaks op de GS Kampen 1975
die zich bij de visievorming richtte op de Schrift alleen, in de context zoals
Calvijn die schetste, en daardoor uit bleven komen op het Verbondsgesprek.
Deze verschuiving tussen 1975 en
1995 komen we op meerdere plaatsen tegen. Nog recent schrijft drs.R.T.te Velde
in De Reformatie[49]
bijvoorbeeld over verschuivingen in de ethiek.
Hij schrijft o.a.:
(...) is vooral van belang wat Douma
zegt over de functie van het Schriftberoep in de ethiek. In de loop van de jaren is er bij Douma een
zekere verschuiving op te merken. In
1972 schreef hij zijn boekje Voorbeeld of
gebod? Dit was gericht tegen de opvattingen van H.M.Kuitert. Douma benadrukte dat de Schriftgegevens voor
de christelijke ethiek normatief zijn: ze zijn niet slechts voorbeeld, maar
gebod. Bijna twintig jaar later, in
1992 publiceerde Douma een artikel "De predikant en het
Schriftberoep" in de afscheidsbundel voor prof. dr. C.Trimp. In dat
artikel nuanceert hij zijn eerdere stellingname door te spreken over vier
functies van de Schrift: ze is gids, wachter, richtingaanwijzer en voorbeeld.
(...) Het zal duidelijk zijn dat voor Douma in veel gevallen een direct beroep
op de Schrift niet afdoende is. Altijd moet aansluiting gezocht worden bij de
creatuurlijke gegevenheden en vaak moet, in christelijke vrijheid en onder
leiding van de Heilige Geest, een verantwoorde afweging gemaakt worden.
In de discussies die zich rondom
liturgie en eredienst afspelen zie je derhalve op meerdere terreinen van het
kerkelijk leven dat het rechtlijnige "wat zegt de Schrift" wordt
aangevuld met andere zaken en facetten.
Deze positieverschuiving (van de laatste 25 jaar) wordt binnen onze
kerken niet door iedereen positief gewaardeerd en gevolgd
(tijdgeest-labeling). Daardoor onstaat
de kans dat – beiden met de Schrift in de hand – er toch vanuit verschillende
vertrekpunten wordt geredeneerd. Het is
goed deze notie in de discussie steeds voor ogen te houden en rekening te
houden met de Schriftvisie van waaruit wordt geredeneerd.
Gelet op de (veel minder sterke)
ontwikkelingen in de emigrantenkerken – die immers dezelfde vermeerderde
inzichten kunnen hebben verworven – is het niet ondenkbaar dat lokale cultuur
en tijdgeest mede een rol spelen.
Vele eeuwen van Schriftstudie hebben niet geleid tot de vernieuwingen
die thans binnen de Gereformeerde kerken direct of indirect plaatsvinden. De
kans is klein dat dit vermeerderde inzicht over zoveel terreinen zo plotseling
ontstaat.
Het zicht op de Schrift en met name het hanteren en interpreteren
daarvan is vandaag de dag binnen de Gereformeerde kerken bepaald geen homogene
activiteit.
Het is niet ondenkbaar dat lokale cultuur en tijdgeest mede een rol
spelen.
Dat moet ons tot voorzichtigheid manen.
8.
Voorgestane werkwijze en advies
Op basis van het bovenstaande en in
rekening brengend een reeks van extra (deel)opvattingen van vele scribenten die
hier verder niet met name genoemd zijn maar binnen de Liturgiecommissie wel
zijn gelezen en bestudeerd, neemt de Liturgiecommissie (in de officiële lijn
van de Generale Synoden) bij de verdere optimalisering van de liturgie de
volgende positie in:
a.
het Verbondsgesprek, als verwoord
bij Calvijn, blijft uitgangspunt in de eredienst;
b.
in de verdere invulling van de
liturgie (van de eredienst) kent de kerk een traditie van grote vrijheid in
gebondenheid;
c.
in deze context zal elk voorstel tot
optimalisering van de eredienst beargumenteerd aan de kerkenraad worden
voorgelegd;
d.
daarbij zal vooral aandacht worden
geschonken aan een goede kerkhistorische onderbouwing om de
veranderingsbereidheid binnen de lokale kerkgemeenschap over de volle breedte
te vergroten en de eensgezindheid te bewaren;
en adviseert de kerkenraad:
e.
aan te dringen op een
generaal-synodale standpuntbepaling ten aanzien van de visie op de eredienst,
immers officieel is er nog steeds sprake van een Verbondsgesprek, terwijl
deputaten inmiddels een andere insteek nemen.
Calvijn kiest
nadrukkelijk voor het verbondsgesprek. God komt tot ons in Woord en sacrament; de
gemeente in zang, gebed, offerande, schulderkenning en geloofsbelijdenis.
Deputaten hanteren
geen echt onderscheid meer tussen samenkomst
en samenzijn. De preek staat niet
langer centraal: alle delen van de liturgie hebben een gelijke verkondigende
waarde gekregen.
Dat Woord klinkt door in alle
liturgische elementen. Daarom behoort
voor alle onderdelen ook dezelfde eis van welluidendheid en kwaliteit gesteld
te worden. Daarom vinden deputaten het
niet juist een orde van dienst op te splitsen in onderdelen waarin het Woord
van God klinkt en onderdelen waarin de mens antwoordt. De bijbelse karakterisering van de eredienst
als verbondsontmoeting laat zich niet vertalen in een schematische opsplitsing
van een orde van dienst in een Woord-deel en een antwoord-deel.
[1] Dr. T.Brienen: De liturgie bij Johannes Calvijn; 1987
[2] Brienen, pag. 143
[3] Oorspronkelijk staat er: praesentia realis pneumatica
Christi
[4] Brienen, pag. 149,150
[5] Calvijn, Institutie, ed. Sizoo, dl.3; blz.231
[6] Brienen, blz. 151,152
[7] Calvijn, Institutie, ed. Sizoo, dl.3; blz.232
[8] Brienen, blz. 154
[9] Brienen, blz. 236,237
[10] Op deze manier ook goed verstaan en verwoord door
studiedeputaten eredienst tbv GS Berkel 1996
[11] De liturgiecommissie zal in komende studies bij de verschillende
onderdelen van de eredienst andere delen uit deze studie van Dr.T.Brienen op
Calvijn inbrengen.
[12] De acta der Provinciale Synode te Dordrecht, 15-28 juni
1574, in: Acta van de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw, F.L.Rutgers,
opnieuw uitgegeven in 1980, pag. 120vv
[13] Dr.G.Ch.Aalders, De Hervormde (gereformeerde) eredienst;
Geref.Theol.Tijdschrift, 53e jaargang, pag. 12
[14] Post Acta of Na-handelingen, 178ste zitting, Acta of
Handelingen der Nationale Synode te Dordrecht 1618/1619, uitgave Den
Hertog, pag.949
[15] zie daarvoor ook: Drs. G.van Rongen, Met al de heiligen,
I/II, 1990, blz.134
[16] Dit deputaatschap ontstond n.a.v. een liturgie-discussie op
de GS Leeuwarden 1920 (acta art.116, blz.61/62 en bijlage XXX, blz.
235-237). Het rapport is terug te
vinden in de Rapporten-bundel GS Utrecht 1923 vanaf pag.132; het synoderapport
in de acta Bijlage XLIV, vanaf pag.249, het besluit in acta art.155-158. De
inrichting van de eredienst werd doorgegeven aan nieuwe deputaten vanwege
"de veelvuldige en ernstige bezwaren" (blz.109 vv.). De kwestie Geelkerken kwam er vervolgens
tussen, maar de materie werd opnieuw opgepakt op de GS Arnhem 1930 – acta art.
213, blz. 112.
[17] Het rapport in de Acta GS Middelburg 1933 is zeer summier
(bijlage IV, Acta blz.148). In de structuur van de Acta geeft art.11 het
voorlopig agendum weer. Onderdeel B (Liturgie) geeft vanaf pag.14 de meningen
weer van reagerende PS-en, Classis en kerken.
De feitelijke besluitvorming staat beschreven in Acta art.32 (vanaf
pag.52).
[18] Terug te vinden in Acta art.33 van de GS Amsterdam 1936,
pag.49/50.
[19] Er was daarbij overigens ook een sterk verzet tegen de
liturgische beweging, zie o.a. de special van Petah-Ja van 7 juli 1957 van Ds.
K.Deddens: Wat heeft de huidige liturgische beweging ons te zeggen?
[20] Ds. G.van Rongen: Zijn schone dienst, 1956, blz. 32vv
[21] Ds. G.van Rongen, Met al de heiligen I/II, 1990, blz. 142
[22] Acta GS Kampen 1975, Bijlage 8, pag.388v
[23] Acta GS Kampen 1975, Bijlage 8, pag.390v
[24] Ds. F.Mul, Van synagoge tot nieuwtestamentische eredienst, 1979.
Ds. F.Mul (Zwolle) vond in 1979 dat de synagogedienst in het licht van de
liturgie-discussie toch nog wat onderbelicht was gebleven. Later schreef hij
samen met Ds. Tj.Boersma in het verlengde van Dr.K.Deddens en Ds.R.Houwen, die
samen de 150 psalmen behandelden, een verhandeling over de 35 gezangen uit de
proefbundel in het boek Het nieuwe kerklied, deel 3, 1982 n.a.v. GS Arnhem
1981.
[25] Ds.F.Mul, a.w. pag.22
[26] Ds.F.Mul, a.w. pag.35
[27] Ds. F.Mul, a.w. pag.38
[28] Ds. F.Mul, a.w. pag.69/70
[29] Zie ook Dr.K.Deddens, Waar alles van Hem spreekt, 1981,
pag.10
[30] Acta GS Ommen 1993, Acta art.46, pag. 101vv
[31] Generaal Synodale Publikaties, Studiedeputaten Eredienst,
1995
[32] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.9
[33] Studiedep. Eredienst, a.w. vanaf pag.173 (Bijlagen)
[34] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.17
[35] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.20
[36] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.66,67
[37] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.67vv Deputaten geven in een voetnoot aan
dat deze visie vermoedelijk teruggaat op A.Kuyper, maar uit het vervolg zal
blijken dat deze visie al bij Calvijn een gegeven was.
[38] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.69
[39] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.87
[40] Studiedep. Eredienst, a.w. pag.94
[41] Acta GS Berkel en Rodenrijs 1996, Bijlage VII, Acta pag.256
[42] Generaal Synodale Publikaties, t.b.v. GS Leusden 1999,
Rapport deputaten kerkmuziek, pag.85
[43] Acta GS Berkel 1996, Acta art.63, pag.95
[44] Generaal Synodale Publikaties, t.b.v. GS Leusden 1999,
Rapport deputaten eredienst, pag.125v
[45] Licht op liturgie, deputaten Eredienst, 1997
[46] Licht op liturgie, pag.9vv
[47] Licht op liturgie, pag.10 onder punt h en i.
[48] Dr. K.Deddens, Waar alles van Hem spreekt, 1981, pag. 10vv.
[49] Drs. R.T. te Velde (in het artikel ten onrechte geduid als
Prof. M.te Velde), De Reformatie, 5 december 1999, pag. 213