(lezing, gehouden op 14 december 2001[1])
Vanavond houden we ons bezig met een paar aspecten van het kerklied, anders gezegd: het lied dat functioneert in de kerkdienst. Eerst vraag ik uw aandacht voor dat tweede: de kerkdienst.
Kerkdienst betekent allereerst: verwondering. Wij ontmoeten daar die grote God, de Here die hemel en aarde gemaakt heeft. In het Oude Testament wordt dat genoemd: verschijnen voor Gods aangezicht. Denken wij heel groot van onze God? En heel klein van onszelf? Iedere week opnieuw mogen we God ontmoeten. Hij wil ook door ons geprezen worden. De grote en machtige God stelt het op hoge prijs dat wij Hem loven, ons lied voor Hem zingen. Indrukwekkend dat dat kan. Maar we worden ook in de Bijbel gewaarschuwd dat het erop aan komt. Let op, zei de Here, dat je Mij dient zoals Ik gebied; doe daar niet aan toe en doe daar niet vanaf (Deut 12:32).
We kennen uit de Bijbel voorbeelden dat men het niet zo nauw nam. Vermoedelijk met de beste bedoelingen en met groot enthousiasme. De twee oudste zonen van Aäron bijvoorbeeld, Nadab en Abihu. Bij de inwijding van de tabernakel namen ze vreemd vuur, dat de Here niet geboden had. Daarmee bedoelden ze niets verkeerds, ze waren gewoon enthousiast. Toch werden ze met de dood gestraft omdat ze niet zorgvuldig genoeg waren (Lev. 10). Eeuwen later, toen David de ark naar Jeruzalem wilde brengen, lette hij niet goed op Gods voorschrift dat de ark gedragen moest worden, en niet op een wagen vervoerd. Dat kostte Uzza het leven (2 Sam. 6:1-8).
Dat was vroeger, het Oude Testament, denken sommigen, dat geldt toch niet meer onder het Nieuwe Testament, God is immers liefde? Lees dan eens goed Hebreeën 12:28 ‘Laten we God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur.’ De catechismus vat dit zo samen bij de uitleg van het tweede gebod: Wij mogen God niet anders vereren dan Hij in zijn Woord geboden heeft.
God vraagt dus zorgvuldigheid. Is het dan vreemd dat we in de lofzang aansluiten bij wat Hij ons zelf leert in zijn Woord? De Psalmen zijn prachtige voorbeelden van zorgvuldig aansluiten bij de Bijbel. Maar ook in andere allerlei kerkliederen vinden we veel bijbelse motieven en aanhalingen. Daar is als zodanig niets mis mee. Maar het is ook nog niet automatisch goed. De paar keer dat de duivel iets zegt in de bijbel, haalt hij ook alsmaar uitspraken van God zelf aan. Zijn die woorden van Satan dus goed, omdat hij God citeert? Nee, Satan is juist de aartsleugenaar.
Het gaat erom hoe we de Bijbel gebruiken. Ook hiervoor geldt: niet anders dan God in Zijn Woord beveelt. Eeuwen geleden heeft de apostel Petrus daar al op aangedrongen. Als hij aan het eind van zijn werk als apostel is gekomen wil hij de gemeenten nog een keer waarschuwen voor al die dwaalleraars die zullen komen. Maar voordat hij die dwaalleraars beschrijft, heeft hij het eerst over de Bijbel: ‘Dit vooral moeten jullie weten: Geen profetie der Schrift laat een eigenmachtige uitlegging toe, want profetie is niet van de mensen, maar van de Heilige Geest afkomstig’ (2 Pt 1:20). Geen eigen uitlegging! De gereformeerde omgang met de bijbel is dan ook wel zo getypeerd: goed lezen wat er staat, en laten staan wat je leest.
Vanuit dit uitgangspunt gaan we nu kijken naar lied 103 uit het Liedboek: ‘de heiligen ons voorgegaan’. Een tamelijk bekend lied ‘bij’ het bekende bijbelgedeelte Hebreeën 11. Hebreeën 11 is een hoofdstuk proza met een refrein: ‘door het geloof’. Door het geloof heeft Abel / door het geloof heeft Noach / door het geloof heeft Abraham, enz. Een heel hoofdstuk vol.
Maar het lied heeft een ánder refrein: ‘Geprezen zij zijn naam! / Hij deed hen veilig gaan! / Komt, zingen wij tesaam / met alle heiligen.’ Het lied heeft hier toch wel een éigen accent, al is het misschien nog te vroeg om al van een eigen uitlegging te spreken.
Laten we het refrein eens goed bekijken. De melodie beklemtoont met die hoge noten vooral de tweede regel: ‘Hij deed hen veilig gaan’. Maar vinden we dat in Hebreeën 11? Ik citeer vers 36 en verder:
‘Anderen weer hebben hoon en geselslagen verduurd,
daarenboven nog boeien en gevangenschap. Zij zijn gestenigd, op zware proef
gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven
in schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling;
zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen
der aarde.’
Zijn dat overtuigende voorbeelden van ‘Hij deed hen veilig gaan’?
Ja maar, denkt u, uiteindelijk
liep het toch goed af? Ook dat staat niet in dit hoofdstuk, lees maar in vers
39: Ook deze allen (…) hebben het beloofde niet verkregen. Dit lied heeft maar
niet een eigen accent, maar een eigen boodschap, een andere boodschap. Dat
andere was u misschien nooit opgevallen, omdat er zulke vertrouwde klanken in
dit lied staan. Maar het is geen weergave van Hebreeën 11.
We kijken nog even verder in het
lied. Een doorgaand thema erin is het trekken als vreemdeling. Eerste couplet:
‘de heiligen ons voorgegaan / ... / als vreemdeling gestorven / … / Gods hand
die hen geleid had.’
Tweede couplet: ‘zij trokken uit
als Abraham’
Derde couplet gaat dan over ons:
‘dat wij … / de weg ten einde lopen / één met het heilig trekkend volk.’
Is dit een thema in Hebreeën 11?
Alleen over Abraham staat het er, dat hij in gehoorzaamheid is gaan trekken.
Maar geldt dat ook voor die anderen? Abel? Henoch? Noach? Rachab? Simson?
Jefta? enz. En worden wij geroepen om uit te trekken als Abraham? Het is gewoon
fantasie van de dichter.
Misschien wijst nu iemand op
vers 9, waar toch van Isaäk en Jakob wordt gezegd dat ze in een vreemd land
vertoefde en in tenten woonden. Maar vertoeven en wonen, dat is zoveel als je
ergens vestigen, je vaste verblijfplaats hebben. Vreemdelingen zijn hier wel
vaste inwoners, maar zonder burgerrechten, mensen met een ander paspoort. Maar
dat is wat anders dan uittrekken.
Nog een laatste onderdeel van
dit lied, in het laatste couplet: ‘dat wij, omgeven door de wolk, de weg ten
einde lopen’. Dat herinnert aan de eerste verzen van Hebreeën 12. Dat is op
zichzelf heel goed van dit gedicht, want het begin van hoofdstuk 12 hoort bij
hoofdstuk 11. Maar er gaan twee dingen mis. Hier in hoofdstuk 12 gaat het wel
over lopen, zelfs over ten einde lopen. Maar hier gaat het niet over uittrekken
als vreemdeling; het gaat hier over een hardloopwedstrijd. Een heel ander beeld
dan in hoofdstuk 11. Denk u dat beeld in: rondom, op de tribune, zit die hele
wolk van getuigen, de volhouders uit hoofdstuk 11. En houdt het oog gericht op
die leidsman, die voorop ging, Jezus, die de loop al heeft volbracht. Juist dat
hoogtepunt, onze Heiland, is hier weggelaten in dit lied. Die rijkdom mist, het
is eigenwillige armoede.
Dit lied geeft een eigen uitleg.
Het gaat eigenmachtig met de bijbeltekst om, komt met een andere aansporing dan
Hebreeën 11 en 12.
God verbiedt dat. Zie 2 Petrus
1: geen eigenmachtige uitleg!
Moeten wij zo Gods lof zingen?
Moeten we dit onze kinderen
laten leren op school? Moeten ze daar al wennen aan eigen, andere
interpretaties? Mogen we zo het juiste begrip van de bijbeltekst belemmeren?
Het tweede voorbeeld is een bekend kerstlied, met de beginregel: ‘Eer zij God in onze dagen’. Een lied met een aansprekende melodie. Alleen al om de melodie zou je het in het gezangboek willen hebben. Het zingt zo lekker dat we geneigd zin te denken: die woorden zijn misschien wel niet zo goed, maar die melodie is toch prachtig, die wil ik niet missen. Zo verleidelijk kan een melodie zijn. Net als die vrucht van lang geleden in het paradijs, die was ook begeerlijk.
Deputaten noemen lied 134 een variant op de engelenzang. Laten we eerst goed kijken naar Lucas 2 waar een hemelse leger optreedt, engelen die tevens soldaat zijn. God is toe, 2000 jaar geleden, begonnen zijn beloften te vervullen, op dat tijdstip roepen zij daarom Gods eer uit, en spreken over de vrede op aarde.
Nu het lied. Daar zitten een paar verschuivingen in. Lucas 2 is 2000 jaar geleden. Maar dit lied benadrukt een paar keer: in onze dagen, in deze tijd; in het laatste couplet: geef in onze levensdagen. Het moet nú gebeuren.
Het is ook geen engelenzang meer. Kijk in 1e strofe, 3e en 4e regel: In dit lied moeten de ‘mensen van het welbehagen’ de uitroep van de engelen overnemen. Zij moeten de vrede uitroepen op aarde. Dat betekenis van ‘uitroepen’ kan tweeërlei zijn: iets luid doen horen, of iets afkondigen. Exclamatie of proclamatie. Welke van de twee bedoelt dit lied hier? Het moet hier wel dat tweede zijn: zoals een vakbond (soms) een staking uitroept, waardoor die staking er komt, moeten wij de vrede uitroepen.[2]
In strofe 3 wordt geroepen: ‘Lam van God, geef in onze levensdagen pais en vree’. Is die vrede, waarover de engelen 2000 jaar terug al spraken, er dan niet? Daarachter staat de uitroep kyrieleis, ‘Heer, ontferm u’. Maar ook dat past niet in Lucas 2:14, want daar bezingen de engelen juist het keiharde onomstotelijke bewijs dat God zich ontfermt. Zacharias had het kort daarvoor bezongen in zijn loflied dat God ontferming toonde, juist in die tijd: ‘God heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht, … om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken’ (Luk 1:86, 72; in vs 72 staat barmhartigheid, afkomstig van hetzelfde Griekse woord als ‘ontfermen’ in Kyrieleis.)
Zet je deze dingen naast elkaar, dan suggereert dit lied dat het nú de tijd is dat de mensen moeten gaan doen wat toen de engelen deden, namelijk de vrede proclameren. Alsof Christus de vrede niet al heeft aangebracht. De engelen in Lucas 2 spraken over de vrede met God, die wij hebben (Rom. 5:1); maar dit lied spreekt over een vrede die er nu nog steeds niet is. Of het ontkent die vrede, spreekt Lucas 2 en Romeinen 5 tegen, of het spreekt over een heel andere vrede, een vrede tussen de mensen. En van die laatste weten we dat die er niet komt voor de jongste dag (Gen. 3:15, Matt. 10:34-36).
De lofzang op God uit Lukas 2 is aanleiding geweest om een menselijk actie-lied te maken.
Wat ziet hier achter? Is hier toevallig iets mis gegaan? Als we die twee voorbeelden zouden schrappen uit de selectielijst, is het probleem dan weg, of zijn ze een symptoom van een ziekte die veel dieper zit?
Eén antwoord is duidelijk: het gaat hier niet om maar één of twee liederen. Diverse broeders en zusters in het land hebben, vaak onafhankelijk van elkaar, bij heel veel geselecteerde liederen laten zien dat zulke problemen daarin voorkomen. Maar ik ga u nu niet vermoeien met nog tientallen voorbeelden. Ik wil u iets laten zien van de achtergronden. Hoe komt het dat zulke liederen worden gemaakt en aangeprezen en ook geaccepteerd? Drie aspecten dus bij die achtergronden: over de makers, dus over het Liedboek; en over het aanprijzen ervan, dat gaat over onze deputaten, en tenslotte over de aanvaarding, dat gaat over kerkenraden en kerkvolk.
Eerst het Liedboek. Dat is ontstaan aan de vrijzinnige kant van de Hervormde Kerk, ruwweg van 1950 tot 1970. Een sleutelwoord voor de kerkelijke situatie van toen is het woord schriftkritiek. De mensen met hun wetenschappelijk werk hadden geconcludeerd: een heleboel in de bijbel kan niet waar zijn. Wonderen kunnen niet, de vijf boeken van Mozes zijn maar een raar samenraapsel van verschillende verslagen; de evangeliën spreken elkaar tegen en veel brieven van Paulus zijn eigenlijk latere vervalsingen. Kortom: de Bijbel is onbetrouwbaar. Veel mensen deden daarom de Bijbel en het geloof aan de kant. De kerken liepen leeg. Maar anderen zeiden: de Bijbel is dan wel onnauwkeurig als het om de feiten gaat, maar het is wél een geloofsgetuigenis. Een heel indrukwekkend geloofsgetuigenis, waaruit we al eeuwen troost hebben geput. We willen de Bijbel niet kwijt. Dat klinkt vroom, maar daarmee werd de Bijbel gereduceerd van een gezaghebbend goddelijk boek, tot een menselijk boek met daarin menselijke ervaringen, geloofservaringen.
De dichters van het Liedboek hebben op die manier de bijbel gebruikt. Voor hen is de Bijbel een inspiratiebron. Vanuit bijbelse woorden en motieven schrijven ze hun eigen gedichten met eigen gedachten. Ze gebruiken wel de bijbel als startpunt, maar ze willen niet gebonden zijn aan de boodschap ervan. Bijbelteksten en bijbelklanken vormen ingrediënten waarmee ze hun eigen boodschap componeren. Zie lied 103 en 134.
Het Liedboek is een vrijzinnig product. Maar met camouflage. Gecamoufleerd door de vele bijbelteksten die erin gebruikt zijn. Gecamoufleerd ten behoeve van de zogenaamde oecumene. Oecumene is, net als schriftkritiek, zo’n theologisch sleutelwoord uit de 50er en 60er jaren. In het liedboek worden geen al te duidelijke stellingen ingenomen, want het moest ook aanvaardbaar zijn voor andere deelnemers, zoals doopsgezinden, remonstranten, lutheranen en synodaal-gereformeerden. Het liedboek brengt gecamoufleerde vrijzinnigheid.
Tot zover over het Liedboek en de achtergrond daarvan. Nu komt er een tweede stap: waarom wordt dit Liedboek in onze kerken aangeprezen? Deputaten Kerkmuziek zeggen er vrijwel niets negatiefs over, en laten ons allemaal dat boekje aanschaffen. Hoe komt dat?
Er zijn twee makkelijke verklaringen hiervoor, maar die schieten te kort.
De makkelijkste verklaring zou zijn, dat deputaten net zo vrijzinnig denken. Maar daarmee doe je hun geen recht.
De andere makkelijke verklaring is, dat deputaten het niet in de gaten zouden hebben. Daar zit wel iets in. Er zijn aanwijzingen dat deputaten zo onder de indruk zijn van de poëtische en muzikale kwaliteiten van het Liedboek, dat hun kritische zin daardoor in de knel komt. Maar dat maakt niet alles duidelijk.
Er is volgens mij wel een betere verklaring, maar die is minder eenvoudig. Bij die verklaring past het woord postmodernisme. Dat zal ik eerst wat van uitleggen.
Eerder in dit verhaal heb ik herinnerd aan een oude gereformeerde leesregel voor de Bijbel: lezen wat er staat, en laten staan wat je leest. Dat klinkt u hopelijk vertrouwd in de oren. Het betekent gehoorzaam en zorgvuldig luisteren naar wat God tot ons zegt. Maar voor veel van onze tijdgenoten is dit een problematische bewering. Alsof je zomaar kunt zeggen: kijk dat STAAT er. Alsof een geschreven tekst een vaststaande betekenis kan hebben. Volgens hedendaagse ideeën heeft een tekst niet een betekenis, maar krijgt hij een betekenis voor een hoorder of lezer.
Een eenvoudig voorbeeld: De bewering: ‘de schoorsteen rookt’. U denkt daarbij misschien in dit jaargetijde: daar brandt de kachel, lekker warm. Maar de kachelmonteur denkt misschien: die kachel is slecht afgesteld, want er hoort geen rook zichtbaar te zijn. En de milieu-activist reageert: alweer milieuvervuiling. De bewoner van de tropen denkt wellicht: daar wordt gekookt. Bijna zoveel betekenissen als er mensen zijn. Zo werkt het volgens moderne inzichten met de taal: er ontstaat pas betekenis van een tekst of lied door de samenwerking tussen tekst en lezer, tussen lied en zanger.
Stel nu eens, dat die bewering waar is. Ieder leest in een lied een eigen betekenis. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Je kunt niet spreken over de betekenis van een lied. Kun je ooit zeggen dat een lied een foute betekenis heeft?
Hetzelfde probleem speelt natuurlijk rondom de bijbel. Dat is ook maar een geschreven tekst, met heel veel lezers. Voor elke lezer betekent die toch wat anders? Mag je spreken over de betekenis van een bijbeltekst? Of moeten we ons gewoon realiseren dat eenzelfde bijbeltekst voor ú iets anders betekent dan voor míj? Binnen deze opvattingen hebben we dus te maken met een bijbeltekst en een liedtekst, allebei zonder vaste duidelijke betekenis. Mogen we dan eisen dat die betekenissen samenvallen - dat kan toch niet! Hoogstens kun je verlangen dat ze een beetje samenvallen.
Misschien vindt u dit maar vreemde ideeën. Maar deze ideeën bestaan, en ze zijn heel invloedrijk in deze tijd. Ze vormen een onderdeel van een gedachtencomplex, dat bekend staat als postmodernisme.
Binnen dat postmodernisme komt u nog zo’n idee tegen, dat misschien vreemd klinkt. En wel dit idee: je mag niet denken in het schema waar tegen onwaar; waarheid tegenover leugen. Net zomin als je van een tekst kunt zeggen: dit of dat is de betekenis, mag je ervan zeggen dat die tekst ‘waar’ is. Voor míj is die misschien waar, maar voor een ander hoeft dat nog niet zo te zijn. Toegepast op liederen: ik vind dat lied 103 niet klopt met de bijbel. Maar het zou verschrikkelijk hoogmoedig zijn om mijn bevinding, mijn opvatting van de bijbel en van lied 103 aan anderen op te leggen als dé waarheid.
Tot zover deze korte schets van postmodern denken. Heeft dit denken nu iets te maken met de keus van deputaten?
Het zou natuurlijk heel gemakkelijk en verhelderend werken als deputaten ronduit zouden verklaren: wij selecteren en beoordelen liederen volgens postmoderne maatstaven. Maar zo simpel gaat het niet. Het heeft bij mij een tijdje geduurd voordat dit vermoeden opkwam. Pas toen ik bij één van de deputaten las dat hij het postmodernisme zo aardig vond, begon er een lampje te branden. En als je dan rustig de tijd neemt om hun manier van redeneren op je in te laten werken, kom je er achter dat er heel veel op postmoderns in zit. Ik noem een paar voorbeelden uit de deputatenrapporten:
1. De Bijbel is op allerlei plaatsen met zichzelf in tegenspraak, zeggen ze. Als voorbeelden stellen ze dat psalm 1 wordt tegengesproken door psalm 73. En dat geeft helemaal niets, dat moet je gewoon naast elkaar laten staan.
2. Lied 16 bevat de regels:
Hoe groot is zijn barmhartigheid / voor allen allerwege, / … /
Zijn liefde duurt in eeuwigheid, / en geeft
om niet de zaligheid.
Vanuit de kerken is daarop uiteraard bezwaar gekomen. Want we belijden toch - in de catechismus - dat niet alle mensen zalig worden, alleen maar zij die geloven. En hier staat wel dat iedereen - allen allerwegen - de zaligheid zal krijgen.
Eerst hebben deputaten dit lied verdedigd met de stelling dat de Bijbel ook vaak zo universeel zou spreken. Dit lied zou een geoorloofde eenzijdigheid zijn tegenover die andere waarheid uit de catechismus. Dat was hun verdediging in Leusden. Twee waarheden die elkaar tegenspreken, typisch postmodern.
Nu stellen deputaten dit lied niet meer voor aan Zuidhorn. Niet omdat ze het lied verkeerd vinden, maar omdat er te veel kans bestaat op misverstand. Het argument wordt niet ontleend aan het lied, maar aan de beleving van de zanger. Ook dit is een postmodern trekje.
3. Deputaten stellen niet de eis dat een lied bijbels IS – dat kan alleen als zowel lied als bijbel een vaste betekenis hebben. Maar zij eisen slechts dat een lied ook bijbels geïnterpreteerd kan worden. Heel postmodern mogen we uit dat brede scala aan mogelijke interpretaties er één uitkiezen die spoort met de bijbel.
4. Ons wordt steeds verteld dat je niets te maken hebt met de oorspronkelijke bedoeling van een lied. Evenmin leren deputaten ons zorgvuldig te lezen en analyseren wat er in een lied staat. In hun toelichting laten ze ons vooral zien welke associaties een lied bij ons kan oproepen. Ook zo’n postmodern trekje.
Ik laat het nu bij deze vier voorbeelden. Ze zijn voldoende om te laten zien dat er verband met postmodernisme bestaat.
Ik ga nog even verder op het postmoderne spoor. Omdat binnen die denkwereld geen waarheid en geen betrouwbare tekst bestaat, moet daar wat anders voor in de plaats komen. Omdat geen enkele tekst eenduidig is, kan geen enkele tekst uitmaken wat juist is. Grondwetten, statuten, contracten en ook de bijbel kunnen niet het laatste woord hebben.
Wat komt ervoor in de plaats? In het begin noemde ik dat al even: de bijbel is niet meer de betrouwbare openbaring van de waarheid; het is een boek met getuigenissen van mensen. En dan geen getuigenissen van ooggetuigen, die ons feiten vertellen, objectieve feiten. Nee, het zijn verhalen, belevenissen, poëzie. Allerlei vormen van literatuur, kunstvormen dus. Kunst vertelt dingen die niet in eenduidige taal kunnen worden overgebracht. Tegenover de eenduidige taal van afspraken, wetenschap en kerkleer plaatsen zij de taal van de poëzie, want die ‘geeft uiting aan de diepere werkelijkheid, opent het hart, roept associaties op, bewandelt de weg van het gevoel’. Dit is een totaal andere manier van omgaan met de bijbel dan wij altijd geleerd hebben. Poëtische liederen zijn voor deputaten een religieuze noodzaak, want anders kom je niet bij die diepere werkelijkheid. (In dezelfde lijn vind je ook de verhalende preek, symbolen in het kerkgebouw, beleving van het kerkelijk jaar en veel gevoel en ervaring in de kerkdienst.)
Ik kom nu bij het derde punt. Eerst heb ik het gehad over het vrijzinnige karakter van het liedboek. Het tweede onderdeel ging over de manier van denken van deputaten: waarom prijzen die dit liedboek zo aan?
In dit derde onderdeel gaat het om de vraag: waarom is er zo weinig verzet in de kerken?
Er is wel verzet in de kerken. Anders was ik hier vanavond niet uitgenodigd. Maar als je de pers leest, komt dat verzet maar van een minderheid, die niet moet zeuren. Maar waarom aanvaardt de meerderheid dit allemaal wel?
Er zijn er in onze kerken die op dezelfde manier denken als deputaten. Ik schat dat dat een minderheid is.
Maar er zijn er vermoedelijk veel meer die al flink wat postmoderne invloed ondergaan hebben. Ik denk dat je op een paar punten die invloed kunt aanwijzen:
1.
De aandacht voor de waarheid is verminderd. De nadruk ligt
veel meer op wat mensen voelen en beleven. De kerkenraadsagenda’s staan vol met
onderwerpen die te maken hebben met dat beleven: gemeenteopbouwprojecten,
probleemgevallen in de gemeente, saamhorigheidgevoelens. Vasthouden aan de
waarheid en bestrijden van dwaalleer komt haast niet meer aan de orde. In de preken
zie je dezelfde verschuiving optreden.
Rondom deze liederen zie je dat nog duidelijker. Tegenover een groep bezwaarden
die alsmaar probeert de dwalingen in liederen aan te wijzen, staat een andere
groep die dat zo niet ervaart, maar
die nieuwe liederen als verrijkend en vernieuwend beleeft. Al dat zeuren over details willen ze niet.
2.
Kunnen we ons nog wel
op de bijbel beroepen? Kun je nog van lied zoveel en zoveel bewijzen dat het in
strijd is met de schrift? Ik bedoel het bekende artikel 31 KO, ‘voor vast en
bondig houden, tenzij bewezen wordt dat …’. Er was iemand – ik heb de originele
stukken gelezen - die stuurde aan zijn kerkenraad bewijzen uit de bijbel dat
sommige liederen in strijd zijn met de Schrift. Denkt u dat de kerkenraad toen
vanuit de Bijbel ging weerleggen? Nee, het ingediende bewijs werd door de
kerkenraad aan de kant gelegd, met het argument dat we zo een bundel kregen die past bij deze gemeente.
Toen kwam de classis er aan te pas. Deze verwees naar het landelijk overleg op
de synode. Dat landelijk project moest niet worden doorkruist door bezwaren van
individuele gemeenteleden. Die bezwaarde broeder of zuster moest tevreden zijn
dat er toch wel gedeeltelijk
geluisterd was.
Deze procedure maakt duidelijk wat er met de waarheid gebeurt. In de
postmoderne beleving van nu bestaat geen waarheid; waarheid is wat we met zijn
allen als juist aanvaarden en beleven. Passend bij de gemeente wordt dat
genoemd. Waarheid is het resultaat van een democratisch proces, en moet passen
bij de groep. Een minderheid die tegenover zulke democratisch genomen besluiten
zich beroept op de bijbel, is bedreigend voor het welbevinden van die groep.
Leve het landelijke project en de brede kerkelijke discussie.
3.
Maar de synode dan? Die heeft toch al die liederen getoetst en
daarna goedgekeurd?
Was dat maar zo simpel waar! Er waren synodeleden die gewoon niet wilden
toetsen. En de synode als geheel deed het ook maar mondjesmaat. De synode heeft
de ingediende bezwaren niet
behandeld. Deputaten hebben er wel enigszins op gereageerd in hun toelichting.
De synode sprak uit alleen kennis te
hebben genomen van de ingediende bezwaren, maar die niet te hebben behandeld[3].
4. Dit waarheidsbegrip van het postmodernisme leidt tot een enorme tolerantie. Een verzameling liederen van roomse, doopsgezinde, lutherse, methodistische en vrijzinnige afkomst heet in de synodebesluiten een schat uit de kerk der eeuwen. Er is immers geen dwaalleer meer, evenmin mag je spreken van valse kerk naast een ware kerk. Er zal straks maar één groep buiten die tolerantie vallen: zij die in deze wereld een strijd zien met aan de ene kant God, die dé Waarheid is, en aan de andere kant de Satan, de leugenaar van huis uit. Wie zo absoluut kiest, kan niet getolereerd worden.
Ik ga afsluiten. Waar ging het over? Ik ben begonnen met de vrijzinnigheid in het Liedboek. Maar daarna kwamen andere problemen aan de orde. Hoe lezen deputaten de bijbel? Hoe taxeren ze poëzie? Kunnen ze in de bijbel nog laten staan wat er staat?
In de derde plaats besprak ik de vraag over de waarheid. Zijn we nog bereid te strijden voor het geloof en de goede leer, die ons overgeleverd zijn? Houden we nog vast aan de bijbel, als de enige norm en wegwijzer in ons leven, of laten we ons te veel meedrijven op ons gevoel en beleven?
Ik ben niet bereid op postmoderne manier om te gaan met bijbel en kerklied. Merkt u hoe postmodern ik dat zeg, met ‘ik ben niet bereid’ erin? Vijftig jaar terug zou dat heel anders gezegd worden, zoiets als: U mag niet op postmoderne manier om te gaan met bijbel en kerklied. Maar al gebruik ik nu een andere stijl, ik bedoel wel precies hetzelfde.
We mogen niet op postmoderne manier om te gaan met bijbel en kerklied. De Bijbel heeft een vaste betekenis, dat is net zo zeker als Gods beloften aan ons. En ik wil Gods lof net zo duidelijk zingen. Op dat punt vrees ik een grote spraakverwarring met deputaten. Een verwarring die alleen ontrafeld kan worden als we teruggaan naar de Bijbel en daaruit de enige norm leren van wat waar is, wat waardig is, en wat in Gods ogen deugd heet en lof verdient.
J.P.C. Vreugdenhil
[1] Deze lezing is opgesteld en gehouden vóór de synode van Zuidhorn in 2002. De tekst is nog overzien nadat kennis was genomen van de tekst van de besluiten en rapporten op deze synode, maar dat gaf geen aanleiding de tekst van deze lezing te wijzigen.
[2] Er is een groot verschil in betekenis tussen ‘een staking uitroepen’, of ‘uitroepen dat er een staking is’. In dit lied staat de eerste vorm, met ‘vrede’ als lijdend voorwerp, daarom moet wel die proclamatie bedoeld zijn.
[3] Bedoeld is hier de synode van Leusden 1999