Amenzang of amen zeggen                                                   99

 

Liturgiecommissie                                                                      document 12/98

Gereformeerde Kerk

Zwijndrecht

 

 

 

1.               Inleiding

Amen is het Hebreeuwse woord voor waarheid of zekerheid. 

 

Bij de bestudering van de brondocumenten en de Bijbelplaatsen constateert de commissie en velen met haar dat het woord Amen wordt gebruikt:

a.      bij de heil- en zegenwens;
      zo vaak gebruikt aan het einde van Nieuwtestamentische brieven

b.      als slot van lofverheffingen en gebeden;
      hier als uitdrukking van hoop op verhoring

c.      als uiting van verzekeringen;
      in het oude testament alleen in Jeremia 28:6, in het nieuwe testament door de Here vooral in
      de sfeer van voorwaar,voorwaar (Joh.5:24, 16:20)

d.      als plechtige eed
      in het oude testament met name (Num.5:22, Deut.27:15-26, Neh.5:13).

Om één en ander te benadrukken staat het er nogal eens dubbel.

 

Deze vierdeling zal ook verder in dit document worden gebruikt.

 

1 Cor.14:16 neemt nieuwtestamentisch een aparte plaats in, waar staat:

            Want anders, indien gij een zegen uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als
            toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen uitspreken?

Het gaat hier over het gebruik van tongentaal bij het bidden.

 

Een specifiek gebruik van het woord Amen vinden we in Openb.3:14, waar Christus als de Amen wordt geduid.




2.               Bijbels gebruik

In de Bijbel komen twee vormen van het amen voor: de gesproken variant en de gezongen variant.

 

Hierboven is reeds aangegeven dat in geval van een gebed in de Nieuwtestamentische kerk de toehoorder Amen kan uitspreken (1Cor.14:16). 

Daaruit kunnen we opmaken dat een uitgesproken Amen kennelijk gebruik geweest in die dagen als afsluiting van een gebed.

Dit afsluitend Amen-spreken is ook terug te vinden in de gebruiken van de Joodse synagoge, waar na het zogenaamde Achttien-gebed, uitgesproken door de voorbidder, de gemeente antwoord met Amen (Mul, Deddens).

 


In de zingende sfeer komen we het in de Bijbel het gebruik van het woord Amen alleen tegen in de lofverheffingen.

Daarvan getuigen de voorbeelden:

1 Kronieken 16:36:

Geprezen zij de HERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot eeuwigheid.
            En al het volk zeide: Amen, en: Loof de HERE.

Psalm 41:14:

            Geloofd zij de HERE, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.
            Amen, ja amen.

Psalm 72:19:

            En geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid vervulle de ganse aarde.

            Amen, ja amen.

Psalm 89:53:

            Geloofd zij de HERE voor eeuwig.

            Amen, ja amen.

Psalm 106:48:

            Geloofd zij de HERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot eeuwigheid,

            En al het volk zegge: Amen. Halleluja.

 

Als de apostel Paulus verhaalt van de daden des Heren, gaat het normale onderwijs in de brief aan de Romeinen opeens over in een lofzang. Zo lezen we in Romeinen 11:36 tenslotte aan het einde van die lofzang:

Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.

Paulus neemt hier de Oudtestamentische lofzang ter hand, zoals dat eerder al te lezen is in Romeinen 9:5, waar staat:

... de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid!  Amen.

Romeinen 16:27 ademt dezelfde sfeer:

Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.

Deze uitroep herhaalt Paulus ook in Galaten 1:5:

            ... naar de wil van God en Vader, aan wie de heerlijkheid zij in alle eeuwigheid! Amen.

Diezelfde lofzang herhaalt Paulus en andere apostelen consequent (Efez.3:21, Filip.4:20, 1Tim.1:17, 1Tim.6:16, 2Tim.4:18, Hebr.13:21, 1 Petr.4:11, 1Petr.5:11 en Judas vers.25).

 

 

Samenvatting:

Het gezongen Amen, zoals dat in het Oude Testament wordt aangeheven en in het Nieuwe Testament wordt voortgezet is steeds terug te voeren op de terminologie zoals die in de vier geciteerde Psalmen is aangegeven.

 

 

3.         Kerkelijke traditie

In de kerkelijke traditie wordt de gemeente een gesproken Amen gegeven – zo blijkt.

Drs.G. van Rongen (Met al de heiligen 3,1990) geeft uit het Duitse taalgebied Surgeant weer, die de groet als volgt neerzet:

Genade en barmhartigheid van God de almachtige Vader (...) met u allen. 

Wie dit alles begeert, spreke met deemoed: Amen.

Prof.dr.K.Deddens (Dienst, 1979) citeert Justinus Martyr vanuit zijn Apologie:

De voorganger spreekt weer een krachtig gebed uit en het volk stemt in door "amen" te zeggen.

Prof.dr.K.Deddens (Dienst, 1979) citeert uit de Avondmaalsliturgie van Cyrillus:

            Ontvang dan het Lichaam van Christus in de holte van uw rechterhand en zeg daarbij "Amen".

Prof.dr. D.Trimp (Reformatie, 1977) citeert Hieronymus:

Het amen van het volk in de romeinse basilieken weerklonk als de donder van de hemel.

 

 

Samenvatting:

Uit de historie blijkt dat binnen de kerkelijke traditie de gemeente het amen kent en gebruikt.

 


4.         Huidige opvattingen

Prof.dr.C.Trimp (De Reformatie, 1977: Het 'Amen' van de gemeente) stelt in zijn studie dat uit dit alles blijkt dat het woord amen fungeert als een reactie op wat door een ànder is gezegd.  Niet eigen woorden worden ermee bekrachtigd, maar het woord van een ànder wordt ermee geaccepteerd en overgenomen.  Vooral het lofprijzende wordt benadrukt. 

In zijn betoog wijst hij er op, dat in het Roomse sakramentalisme het Amen-der-gemeente met veel andere dingen is geofferd. 

Hij realiseert zich "we kunnen veilig aannemen, dat tot de dag van heden het merendeel van de kerkgangers het amen ervaart als een plechtige, kerkelijke manier, waarmee de voorganger het einde van zijn gebed of prediking aan de luisteraars bekend maakt.  In feite functioneert het dus als een signaal, een kerkelijke variant van het "Ik heb gezegd" dat wij aan het slot van een spreekbeurt of rede kunnen beluisteren." Prof.Trimp realiseert zich dat rondom 1519 het Amen in zijn oorspronkelijke vorm niet is hersteld.

In dit betoog is sprake van Amen-variant b (zie de Inleiding).

 

Prof.J.Kamphuis (De Reformatie, 1980: Ongetwijfeld II) stelt in zijn studie dat uit de Psalmen blijkt dat het amen een vaste plaats in de liturgie van Israël had ingenomen.  Hij ziet het woord amen duidelijk geplaatst met een "antwoordend (het responsorische) karakter. Zoals het door heel de Bijbel is te zien als antwoord, wordt het gelijkluidend ook gebruikt aan het einde van het Onze Vader.  "De christelijke kerk is een amen-zeggende gemeente en dat tot in haar liturgie. (...) Het geloofswoord van de gemeente is 'ongetwijfeld' omdat het geloofs-antwoord is en zò deelt in de vastheid van het tot haar gesproken woord." Hij koppelt het amen aan de lofprijzing,

In dit betoog is sprake van Amen-variant b (zie de Inleiding).

 

Ds. W.van der Jagt (Nader Bekeken, 1997, aangehaald in Persrevue) stelt dat met het woord amen eenzijdig wordt omgegaan. Hij stelt dat – naast het lofgezongen amen – er vooral sprake is van een onderstrepend amen met een verwijzing naar Paulus en de Here Jezus (o.a. Joh.1:52). Dit geldt "met name ook t.a.v. het amen na de preek. Wanneer de predikant amen zegt, is dat niet bedoeld om de instemming van de gemeente te verwoorden. Integendeel: het is een versterking van wat God heeft gezegd.  Kort kun je het zo zeggen: dit amen is de bediening van de verzoening in haar meest geconcentreerde vorm (...) het amen van de predikant wordt gevolgd door het amenlied van de gemeente.

In dit betoog wordt de gemeente Amen-variant b (zie de Inleiding) gegeven.

 

Samenvatting

In de huidige opvattingen wordt de gemeente het amen teruggegeven, waarbij argumenten worden gebruikt en Bijbelteksten worden aangehaald die passen bij de lofprijzingen (Amen-variant b).

Hier is sprake van een gezongen amen.

 

 

 

5.         Conclusies

De Liturgiecommissie is op basis van het uitgevoerde onderzoek tot de volgende conclusies gekomen:

 

a.      uit Schrift en kerkelijke traditie blijkt dat het Amen-zeggen aan de gemeente behoort.

b.      in de discussie over het gebruik van het amen in de eredienst door de gemeente is in ieder geval sprake van het amen als slot van lofverheffingen en gebeden.

c.      in de huidige tijd is het voorstelbaar dat dit in een gezongen variant gebeurt.

d.      daar waar sprake is van lofprijzingen, komt zowel in het oude- als nieuwe testament vooral het compleet gezongen (lofprijzend) amen voor.

 


6.               Voortgang onderzoek Amen-gebruik

Per liturgisch onderdeel zal de Liturgiecommissie in haar voortgaande werk aangeven waar welke vorm van amen kan worden gebruikt.

 

 

 

7.         Voorlopig advies Amen-gebruik

Op voorhand acht de Liturgiecommissie het denkbaar dat na afloop van de preek, waarbij de predikant amen zegt als onderstreping van het waarheidsgehalte van Gods woord, de gemeente daarop antwoord met een lofprijzend amen.

 

Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van de psalmberijmingen, als daar zijn:

 

Psalm 41:5; een psalmvers dat het meest compleet en nadrukkelijk de lofprijzing weergeeft zoals die in de Schrift is opgetekend:

Looft nu den HEER, zingt Isrels God verblijd,

Prijst Hem voor zijn gena

Van eeuwigheid tot in all' eeuwigheid!

Ja, waarlijk, amen, ja!

 

Psalm 72:10 is een uitgebreider psalmvers, maar eveneens geschikt voor dit doel:

De HERE God zij lof bewezen

Door alle tijden heen.

Die HEER is Israël geprezen,

Doet wondren, Hij alleen.

Zijn naam moet eeuwig lof ontvangen,

Aan Hem alleen de eer.

De aarde juiche met haar zangen:

Ja, amen! Looft de HEER!

 

Psalm 89 vers 18 heeft alleen in de slotzin raakvlakken met het bedoelde Amen en is derhalve af te raden voor gebruik als amen-lied (o.a. Smelik, Reformatie, 1997).

 

Psalm 106:22 is weer een psalmvers dat wel in zijn geheel kan worden gezongen als amenlied:

Geprezen zij de HEER die leeft,

Die Israël verkoren heeft.

Hij brengt straks heel zijn volk tezamen.

Gezegend zij zijn trouw beleid.

Zegg'al het volk nu: Amen, amen.

Loof Hem in alle eeuwigheid.

 

De commissie acht deze psalmen een rijk antwoord aan het slot van de prediking.  De psalmverzen zijn redelijk bekend en gesteld kan worden dat het gebruik op weinig weerstand zal stuiten vanwege de uitvoering en het complete karakter.

Dit laat onverlet dat de dienstdoende predikant de mogelijkheid heeft een ander passend amenlied door de gemeente te laten zingen.